Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.3.1.3
10.3.1.3 Termijnen
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. paragrafen 2.3.1.4 en 4.4.1.
Zie paragraaf 2.3.4. Wel voorziet de Nederlandse wetgeving de verdachte op grond van artikel 69, eerste lid Sv en artikel 80, eerste lid Sv van de mogelijkheid om de rechter tussentijds te verzoeken om de voorlopige hechtenis op te heffen of de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis te schorsen, waarmee het recht op habeas corpus, als neergelegd in o.m. artikel 37(d) IVRK, artikel 9, vierde lid IVBPR en artikel 5, vierde lid EVRM, in de wet is verankerd. Deze tussentijdse rechterlijke toetsing is echter wel afhankelijk van het initiatief van de verdachte en/of zijn advocaat.
Vgl. paragrafen 2.3.1.4 en 4.4.1.3.
Vgl. paragrafen 2.3.1.4 en 4.4.1.4 en 5.2.
Zie paragraaf 7.4.2.3.
Zie artikel 27, eerste lid, onder 3° BTJ en artikel 27, derde lid jo. eerste lid, onder 1°, 2° en 9° BTJ.
Zie paragraaf 2.7.2.
Een derde knelpunt in het wettelijke kader betreft de termijnen voor voorlopige hechtenis en voor de bijzondere schorsingsvoorwaarden. Ondanks dat uit internationale kinderrechtenstandaarden voortvoeit dat de termijnen voor voorlopige hechtenis van minderjarigen korter dienen te zijn dan de termijnen die gelden voor volwassenen, maakt de Nederlandse wetgeving wat de termijnen betreft geen onderscheid tussen minderjarigen en volwassenen. Concreet betekent dit dat minderjarigen, evenals volwassenen, voorafgaand aan de (eerste) zitting in eerste aanleg veertien dagen in bewaring kunnen verblijven en 90 dagen in gevangenhouding. Deze termijn van 104 dagen staat in schril contrast met de aanbeveling van het Kinderrechtencomité om minderjarigen die zich in voorlopige hechtenis bevinden binnen 30 dagen op zitting te brengen.1
Bovendien is het sinds een wetswijziging in 2005 voor de raadkamer mogelijk om voorafgaand aan de eerste zitting – ook ten aanzien van minderjarigen – direct 90 dagen gevangenhouding te bevelen. Dit staat op gespannen voet op met de in Europese en internationale kinder- en mensenrechtenstandaarden voorgeschreven verplichting dat moet worden gewaarborgd dat de redelijkheid van het voortduren van de voorlopige hechtenis van een minderjarige frequent – volgens het Kinderrechtencomité bij voorkeur iedere twee weken – door een rechter of andere competente autoriteit wordt beoordeeld.2 In de Memorie van Toelichting bij de genoemde wetswijziging wordt wel opgemerkt dat in beginsel terughoudend zou moeten worden omgegaan met het bevelen van 90 dagen gevangenhouding ten aanzien van een minderjarige, maar dat de raadkamer goed in staat is om te beoordelen of dit uitgangspunt in een concreet geval aanleiding geeft om het bevel tot gevangenhouding aanvankelijk tot 30 dagen te beperken, met de mogelijkheid tot verlenging daarvan.3 Uit de rechtbankobservaties en de interviews met rechters in het kader van het onderhavige onderzoek komt naar voren dat de raadkamer in jeugdzaken aan een bevel tot gevangenhouding doorgaans de duur van 30 dagen verbindt (met de mogelijkheid van verlenging), maar dat een bevel voor 60 of 90 dagen, zeker in ernstige zaken en/of zaken waarin een (intramuraal) persoonlijkheidsonderzoek wordt afgenomen, niet is uitgesloten en ook voorkomt.
De Nederlandse wetgeving bevat, behoudens het voorschrift van artikel 67a, derde lid Sv, geen begrenzing van de totale de duur van de voorlopige hechtenis. Na het verstrijken van de termijn van 104 dagen kan de voorlopige hechtenis via pro-forma zittingen meermaals met een maand tot drie maanden worden verlengd. Wel heeft de Hoge Raad in zijn arresten over de redelijke termijn – waarbinnen rechters in eerste aanleg tot een uitspraak moeten komen – voor jeugdstrafzaken, waarbij de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, een grens gesteld op zestien maanden. Deze termijn is echter aanzienlijk langer dan de door het Kinderrechtencomité aanbevolen maximumtermijn van zes maanden. Uit cijfers kan worden opgemaakt dat in Nederland jaarlijks enkele minderjarige verdachten langer dan zes maanden in voorlopige hechtenis verblijven.4
Vanuit kinder- en mensenrechtenperspectief bezien, laten ook de termijnen in de regeling van de bijzondere schorsingsvoorwaarden te wensen over. Op grond van artikel 27, derde lid BTJ heeft de rechter weliswaar de mogelijkheid om termijnen te verbinden aan de werking van bijzondere schorsingsvoorwaarden, doch lijkt daar volgens de tekst van deze bepaling niet toe verplicht te zijn. Uit het observatieonderzoek en de interviews met rechters is gebleken dat in de praktijk, behoudens bij één rechtbank ten aanzien van de avondklok, doorgaans geen termijn wordt verbonden aan bijzondere voorwaarden.5 De in artikel 27, eerste lid BTJ opgesomde bijzondere voorwaarden zijn, een viertal uitzonderingen daargelaten,6 ook niet van rechtswege aan een termijn gebonden. Dit geldt ook voor bijzondere voorwaarden die een vorm van vrijheidsbeperking met zich brengen, zoals het locatiegebod (waaronder de avondklok), het locatieverbod, de meldplicht en het contactverbod. Dit is niet in lijn met Europese en internationale mensenrechtenstandaarden die betrekking hebben op het recht op vrije verplaatsing, als neergelegd in artikel 2 Vierde Protocol EVRM en artikel 12 IVBPR. Uit rechtspraak van het EHRM en het MRC volgt dat voortdurende vrijheidsbeperkende maatregelen regelmatig door een rechter moeten worden beoordeeld op rechtmatigheid en noodzakelijkheid.7
Voorts wordt in sommige arrondissementen huisarrest niet gebruikt als alternatieve vorm van tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis (vgl. artikel 493, derde lid Sv), maar in de vorm van een locatiegebod als bijzondere voorwaarde aan de schorsing verbonden. In dit laatste geval is huisarrest – volgens rechtspraak van het EHRM een vorm van vrijheidsbeneming (zie par. 2.2.) – niet van rechtswege gebonden aan termijnen, waarmee de regeling niet voldoet aan de door het Europese en internationale kader van kinder- en mensenrechten voorgeschreven rechtswaarborgen om te garanderen dat vrijheidsbeneming van minderjarige verdachten slechts voor de kortst mogelijke duur wordt toegepast.