Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/10.1
10.1. Inleiding
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS613175:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook hoofdstuk 3, § 4.
Zie paragraaf 4. De verkrijging krachtens van aandelen in een ‘niet-vereenzelvigde’ N.V. of B.V. verschilt in feite niet van de verkrijging van willekeurige, andere vermogensbestanddelen. Omdat als zodanig geen onderneming wordt verkregen, blijft aandacht daarvoor achterwege. De waarde van dergelijke aandelen is in verschillende onderdelen van hoofdstuk 5 aan de orde gekomen.
Mijn inhoudelijke voorbehoud bij de behandeling van de begrippen onderneming, beroep, bedrijf en goodwill is mede ingegeven door het déjà vu dat ik kreeg bij lezing van het voorwoord in de dissertatie van Van Mourik. Hij schreef daarin dat het feit dat het hoofdstuk in zijn dissertatie over ‘onderneming en ondernemer’ uiteindelijk een aanzienlijk gedeelte van de beschikbare ruimte in beslag heeft genomen, toegeschreven kon worden aan enerzijds de niet voor mogelijk gehouden spraakverwarring die in de literatuur, de jurisprudentie en de rechtspraktijk omtrent het begrip onderneming heerst(e), en anderzijds aan de omstandigheid dat ‘somtijds niet de mens het vraagstuk, maar het vraagstuk de mens grijpt’. M.J.A. van Mourik, De onderneming in het huwelijksvermogensrecht (diss. Nijmegen), Zwolle: Tjeenk Willink 1970. Ik heb voor dit onderzoek een identieke ervaring ondergaan, maar dan voor het begrip ‘waarde’, waarover hoofdstuk 4 en volgende van deze proeve handelt.
In hoofdstuk 9 is het onderzoek voor de onderhavige proeve naar de waarde en tegenprestatie (prijs) van een onderneming in het erfrecht, afgesloten. Zoals reeds in hoofdstuk 9, § 1 opgemerkt is met het vaststellen van een bepaalde waarderingsmaatstaf en van eventueel relevante waarderingsfactoren, nog niets gezegd over het object van de waardering. Waarvan, van welke vermogensbestanddelen, dient de waarde te worden bepaald? Als men in het erfrecht spreekt over – de waarde van – erflaters onderneming dan wel het door erflater uitgeoefende beroep of bedrijf, wordt primair gedoeld op de goederen en schulden die bij hem tot het ondernemings-, beroeps- of bedrijfsvermogen behoorden. Met het overlijden eindigt het ondermaanse ondernemerschap van erflater. Wellicht is op het overlijdensmoment een opvolger beschikbaar die het ‘stokje’ overneemt. Ook is denkbaar dat zich eerst ná dat moment een erfrechtelijke verkrijger tot het ondernemerschap ‘geroepen’ voelt, of besluiten de erfgenamen de tot de ‘algemeenheid’ behorende goederen en schulden ‘going concern’ te vervreemden. Ten slotte is het mogelijk, dat het bedoelde vermogen als onderdeel van erflaters nalatenschap wordt vereffend; de onderneming wordt geliquideerd.
Aan erflaters onderneming dan wel aan het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf kan vóór diens overlijden een waarde worden toegekend, bijvoorbeeld de waarde in het economische verkeer uitgaande van de voortzetting daarvan. Is deze waarde mede bepalend voor de waarde van de betrokken goederen en schulden ná overlijden, wanneer deze onderdeel van erflaters nalatenschap deel uit maken, of dienen de goederen en schulden ‘ut singuli’ te worden gewaardeerd omdat degene die deze goederen en schulden aan zijn ondernemende activiteiten dienstbaar maakte, deze activiteiten noodgedwongen heeft ‘gestaakt’? Zijn voor de waardering van bedoelde goederen en schulden de voornemens van de verkrijger(s) wellicht relevant? En, dient wellicht, zoals voor de waardering door mij in onder meer hoofdstuk 9 betoogd, voor de invulling van de begrippen onderneming, beroep of bedrijf nog te worden onderscheiden naar het erfrechtelijke sub-rechtsgebied waarin het ‘ondernemingsvermogen’ is beland?
Ook is het denkbaar dat de erflater zijn activiteiten heeft ondergebracht in een N.V. of B.V., en zijn belang bij deze activiteiten wordt belichaamd in zijn aandelenbezit. Wordt de onderneming van deze rechtspersoon in het erfrecht, bijvoorbeeld voor de waardering, op gelijke wijze behandeld als een ‘persoonlijke’ onderneming van de erflater? Mag men derhalve ‘door de rechtspersoon heenkijken’?
Voor het antwoord op deze en andere erfrechtelijke vragen, zal in dit hoofdstuk in paragraaf 2 worden bezien wanneer van een onderneming, beroep of bedrijf kan worden gesproken. In dat verband zullen de begrippen ondernemer, onderneming, beroep en bedrijf buiten de wellicht specifieke context van Boek 4 BW aan de orde komen, zij het met een uitsluitend inventariserend karakter nu een onderzoek naar de juridische invulling van deze begrippen in het algemeen, buiten het bestek van deze proeve valt. Het doel van deze inventarisatie is om te bezien of de bedoelde erfrechtelijke context tot een nuancering van de inhoud van bedoelde begrippen leidt of dient te leiden. Oftewel, heeft met het overlijden van de ondernemer, de onderneming ook ‘het leven gelaten’?1 De erflater die zijn ondernemingsactiviteiten door middel van een N.V. of B.V. uitoefent, zal in dit hoofdstuk slechts aan bod komen als het ‘vereenzelvigingsvraagstuk’ wordt behandeld.2 Voor de good- en badwill hanteer ik dezelfde aanpak: een algemene inventarisatie op hoofdlijnen, waarna op het erfrecht wordt toegespitst. De ‘goodwillproblematiek’ als zodanig, die in de laatste paragraaf van dit hoofdstuk aan de orde komt, zal in deze proeve evenmin alomvattend worden behandeld.3
De als gevolg van het overlijden noodzakelijke overgang onder algemene titel van de goederen en schulden van erflater wordt in Boek 4 BW vormgegeven zonder te onderscheiden naar de aard van de desbetreffende vermogensbestanddelen of de functie die deze in het vermogen van erflater hadden (art. 4:182 BW). Van deze ‘hoofdregel’ wordt in een aantal bepalingen afgeweken. Zo kennen art. 4:28 en 4:29 BW voorzieningen voor de (onder meer) door erflater bewoonde woning.Art. 4:36 BW ziet op het door erflater uitgeoefende beroep of bedrijf,art. 4:38 BW op goederen die dienstbaar waren aan het door erflater uitgeoefende beroep of bedrijf en art. 4:74 BW op – de voortzetting van – het beroep of bedrijf van de erflater. Voorts bevatten de twee laatstgemelde bepalingen nog een (identiek) ‘vereenzelvigingscriterium’ waardoor de in deze artikelen vormgegeven faciliteiten eveneens toegepast kunnen worden, indien de erflater voor zijn ondernemen van een N.V. of een B.V. gebruik maakte. In de paragrafen 3 en 4 zal worden ingegaan op het ‘ondernemingsbegrip’ van art. 4:36, 4:38 en art. 4:74 BW alsmede op het toegepaste vereenzelvigingscriterium.