Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.4.3
8.4.3 Mogelijkheden tot afwijking
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575941:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin oordeelden bijv. Ktr. Nijmegen 8 december 2000, NJ 2001,244; Ktr. Amsterdam 8 februari 2001, Prg. 2001, 5729; Ktr. Rotterdam 31 mei 2001, JAR 2001, 165; Ktr. Hoorn 13 februari 2004, JAR 2004, 60 en Ktr. Lelystad 1 maart 2004, JAR 2004, 91.
Dit zou overigens ook gezien kunnen worden als een vorm van 'distinguishing'. Daaraan ligt immers evenzeer ten grondslag dat de omstandigheden van het voorliggende geval zozeer verschillen van die van het precedent, dat de daarin neergelegde rechtsregel niet verder kan worden doorgetrokken, dan wel in reikwijdte moet worden beperkt (zie hierover § 7.4.4.3).
Hoewel de in de voorgaande paragraaf beschreven vorm van horizontale precedentwerking een kwestie van gradaties is en daardoor leidt tot een vrij flexibele vorm van gebondenheid, kan ook hierbij uiteraard de vraag naar afwijking aan de orde komen. Ten aanzien van de mogelijkheden op dit gebied kan in de eerste plaats worden verwezen naar hetgeen in § 8.3.5.2 werd behandeld: afwijking - ook van werkelijk gevestigde rechtspraak - is mogelijk in gevallen waarin het volgen daarvan, gelet op de thans geldende opvattingen en omstandigheden, niet langer aanvaardbaar is te achten.
Aangezien precedentwerking op horizontaal niveau, zoals hiervóór omschreven, voornamelijk berust op argumenten die te ontlenen zijn aan het gelijkheidsbeginsel en (in iets mindere mate) aan het vertrouwensbeginsel, zullen eventuele argumenten voor afwijking in het bijzonder in deze sleutel gezet kunnen worden. De rechter zal aldus in zijn uitspraak kunnen aangeven dat en waarom het voorliggende geval geen 'gelijk geval' is in vergelijking met eerdere uitspraken. Zo kan hij beslissen dat de kantonrechtersformule geen toepassing behoort te vinden in gevallen waarin de arbeidsovereenkomst slechts van zeer korte duur is geweest.1 De situatie waarin slechts een zeer kort dienstverband heeft bestaan, is immers niet zonder meer vergelijkbaar met de 'normale' gevallen waarin een ontbindingsvergoeding volgens de kantonrechtersformule is berekend.2 Hierbij moet evenwel worden opgemerkt dat naarmate de groep gevallen waarin een bepaalde rechtersregeling reeds is toegepast groter wordt (anders gezegd: hoe meer gevestigd deze toepassing in de rechtspraak is), de kans afneemt dat een nieuw geval met geen enkel eerder geval vergelijkbaar is en op die grond nog van de desbetreffende rechtersregeling kan worden afgeweken.
Tot slot verdient opmerking dat ook in dit verband weer als eis kan worden gesteld, dat afwijkingen van een rechtersregeling waaraan een zekere prece-dentwaarde toekomt, gemotiveerd worden. Verwezen kan worden naar hetgeen in § 8.3.5.4 is besproken. Daaraan valt voor deze situatie nog toe te voegen dat aan de motivering zwaardere eisen zijn te stellen naarmate de lijn in de eerdere rechtspraak meer gevestigd is, al is het hierbij uiteraard niet mogelijk exact aan te geven aan welke eisen de motivering in een gegeven geval precies dient te voldoen.