Hof Amsterdam, 23-04-2019, nr. 200.220.439/01
ECLI:NL:GHAMS:2019:1457
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
23-04-2019
- Zaaknummer
200.220.439/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2019:1457, Uitspraak, Hof Amsterdam, 23‑04‑2019; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2018:702, Uitspraak, Hof Amsterdam, 27‑02‑2018; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
JOR 2019/216 met annotatie van prof. mr. W.J.M. van Veen
Uitspraak 23‑04‑2019
Inhoudsindicatie
Schadevordering van thans appellant ivm verbouwing van een woning is in eerste aanleg ingesteld tegen een v.o.f. en de vennoten daarvan (thans geïntimeerden). In het petitum van de inleidende dagvaarding is echter alleen veroordeling van de v.o.f. gevorderd. De rechtbank heeft de vordering terecht uitgelegd als mede te zijn ingesteld tegen de vennoten. Zij heeft hen (naast de v.o.f.) tot betaling van een bedrag veroordeeld, zij het niet hoofdelijk. Appel wordt alleen tegen en door de vennoten ingesteld. De vordering tot alsnog hoofdelijke veroordeling van de vennoten is toewijsbaar. Een uitgetreden vennoot blijft aansprakelijk voor ten tijde van zijn uittreden reeds bestaande verbintenissen van de v.o.f. Voorlopig oordeel van hof dat de andere grieven over en weer tot niets kunnen leiden omdat de (inmiddels ontbonden) v.o.f. geen partij in het appel is, het bestreden vonnis ten opzichte van de v.o.f. in kracht van gewijsde is gegaan en de aansprakelijkheid van de vennoten slechts van die van de v.o.f. is afgeleid. Partijen mogen zich uitlaten omdat het voorgaande als een verrassingsbeslissing zal kunnen worden beschouwd. Toepasselijke wetsartikelen: art. 18 WvK. Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:702.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.220.439/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/189646 / HA ZA 12-90
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 april 2019
inzake
[appellant] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat mr. H.G.R. Meulmeester te Amsterdam,
tegen
1. [X] ,
wonend te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
advocaat mr. P.F.M. Verstegen te Heilig Landstichting,
2. [geïntimeerde sub 2] ,
wonend te [woonplaats 3] ,
advocaat mr. P.C. Rijken te Den Haag,
3. [geïntimeerde sub 3] ,
wonend te [woonplaats 4] ,
advocaat mr. A.W. Hooijen te Hilversum,
geïntimeerden in principaal appel, appellanten in incidenteel appel.
Partijen worden hierna [appellant] , [X] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] genoemd. [X] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] zullen tezamen (ook) [X] c.s. worden genoemd.
1. Verder verloop van het geding in hoger beroep
Het hof heeft in deze zaak op 27 februari 2018 een tussenarrest (beslissing in een aantal incidenten) uitgesproken. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.
Vervolgens hebben partijen de volgende stukken ingediend:
- -
memorie van grieven van [appellant] , met producties;
- -
memorie van antwoord in principaal appel, tevens van grieven in incidenteel appel van [geïntimeerde sub 3] ;
- -
memorie van antwoord in principaal appel, tevens van grieven in incidenteel appel van [geïntimeerde sub 2] ;
- -
memorie van antwoord in principaal appel, tevens van grieven in incidenteel appel van [X] ;
- -
memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant] .
Ten slotte is wederom arrest gevraagd.
[appellant] heeft in het principaal geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar verklaard arrest de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, i) voor recht zal verklaren dat [X] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de tussen hen en [appellant] gesloten overeenkomst en aansprakelijk zijn voor de (gevolg)schade die [appellant] dientengevolge lijdt en heeft geleden en ii) [X] c.s. hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 186.237,=, met rente, alles met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.
[geïntimeerde sub 3] heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, naar het hof begrijpt en kort gezegd, het principaal appel zal verwerpen en in incidenteel appel het eindvonnis van 19 april 2017 (verder: het eindvonnis) zal vernietigen, voor zover [geïntimeerde sub 3] daarbij tot enige betaling jegens [appellant] is veroordeeld en, opnieuw recht doende, die vordering alsnog zal afwijzen, een en ander met beslissing over de proceskosten, met nakosten.
[geïntimeerde sub 2] heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, naar het hof begrijpt en kort gezegd, het principaal appel zal verwerpen en in incidenteel appel het eindvonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [appellant] alsnog zal afwijzen en de vorderingen van [geïntimeerde sub 2] alsnog zal toewijzen, een en ander met beslissing over de proceskosten, met nakosten.
[X] heeft geconcludeerd, naar eigen zeggen mede namens de vennootschap onder firma Domesticare (verder: de v.o.f.), dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, naar het hof begrijpt en kort gezegd, het principaal appel zal verwerpen en in incidenteel appel het tussenvonnis van 17 juli 2013 en het eindvonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [appellant] alsnog zal afwijzen en die van de v.o.f. en [X] alsnog zal toewijzen en, voorts, [appellant] zal veroordelen tot terugbetaling aan [X] en de v.o.f. van al hetgeen hem uit hoofde van het eindvonnis is betaald, met rente, een en ander met beslissing over de proceskosten, met nakosten.
[appellant] heeft – bij één memorie – geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het incidentele appel van (telkens afzonderlijk) [X] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] zal verwerpen, (telkens) met beslissing over de proceskosten, met nakosten.
[appellant] , [X] en [geïntimeerde sub 2] hebben bewijs aangeboden.
2. Verdere beoordeling
2.1.
[appellant] is niet-ontvankelijk in zijn appel tegen het bestreden tussenvonnis van 23 mei 2012, waarbij de rechtbank op de voet van art. 131 Rv een comparitie van partijen heeft gelast. Ingevolge de laatste volzin van genoemde wetsbepaling staat tegen dat vonnis immers geen hogere voorziening open.
2.2.
Het hof herhaalt allereerst (een deel van) overweging 2.1 van het tussenarrest van 27 februari 2018, waarbij wordt opgemerkt dat met “Domesticare c.s.” worden bedoeld de v.o.f. en haar (beherende) vennoten [X] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] :
“(…) [appellant] heeft Domesticare begin 2010 opdracht gegeven tot verbouwing van een pand in [plaats 1] en het verkoopklaar maken van een pand in [plaats 2] . Over de omvang van de opdracht verschillen partijen van mening.”
De rechtbank heeft in het dictum van het bestreden eindvonnis opgenomen:
“3.1. verklaart voor recht dat Domesticare toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen [appellant] en Domesticare en aansprakelijk is voor de (gevolg-)schade die [appellant] lijdt/geleden heeft (…),
3.2.
veroordeelt Domesticare c.s. in conventie tot betaling van een bedrag van € 120.410,00 (…) aan [appellant] (…),.
3.3.
veroordeelt Domesticare c.s. in de kosten van de procedure (…)”.
De rechtbank heeft in rov 2.19 van het bestreden vonnis overwogen:
“Nu de vennoten van Domesticare op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel hoofdelijk verbonden zijn voor de schulden van Domesticare, zullen naast Domesticare ook [X] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag [voormeld bedrag van € 120.410,00; hof]. Aangezien [appellant] geen hoofdelijke veroordeling van Domesticare c.s. heeft gevorderd, zal de veroordeling niet hoofdelijk worden uitgesproken”.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
(…)”
2.3.
[geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] betogen allebei (zij het afzonderlijk) met hun eerste grief in incidenteel appel dat de rechtbank hen ten onrechte (in conventie) heeft veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 120.410,=, met rente. Zij betogen hiertoe ( [geïntimeerde sub 2] : allereerst), kort gezegd, dat [appellant] in eerste aanleg slechts de veroordeling van de v.o.f. heeft gevorderd en dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door niet alleen de v.o.f. maar ook hen op grond van het bepaalde in art. 18 WvK te veroordelen tot betaling van dit bedrag.
2.4.
De grief faalt (ten aanzien van [geïntimeerde sub 2] : in zoverre). Bij de inleidende dagvaarding heeft [appellant] de v.o.f. “alsmede haar vennoten” [X] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] in rechte betrokken. Hoewel [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] kan worden toegegeven dat [appellant] in zijn petitum slechts veroordeling vordert van de v.o.f., moet uit het feit dat [appellant] niet alleen de v.o.f. maar ook haar vennoten, [X] c.s., heeft gedagvaard worden afgeleid dat [appellant] heeft beoogd zijn vorderingen ook tegen (ieder van) hen in te stellen, zodat het petitum ook aldus moet worden begrepen. Het stond [appellant] immers vrij om alleen de v.o.f. te dagvaarden (in welk geval hij echter bij een veroordeling geen verhaal zou hebben gehad op de privévermogens van de vennoten), maar dat heeft hij niet gedaan. Een ander redelijk doel van het door [appellant] mede dagvaarden van [X] c.s. dan om aldus zijn vordering op de v.o.f. ook tegen ieder van hen in te stellen en aldus op hun afzonderlijke vermogens te kunnen verhalen is er niet, althans is niet gebleken. Hierbij moet nog worden bedacht dat [appellant] – door niet alleen de v.o.f. maar ook haar vennoten [X] c.s. te dagvaarden – ieder der vennoten de kans heeft gegeven om (ook) persoonlijke verweren te voeren. Kennelijk hebben [X] c.s. de inleidende dagvaarding, en met name het petitum daarvan, ook in voormelde zin opgevat. Op pagina 42 van de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, concluderen zij immers “ [appellant] in al zijn vorderingen ten aanzien van gedaagden sub 1 tot en met 4 (cursivering van het hof) niet ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen”. Ook uit al hun andere stukken van de eerste aanleg kan niet anders worden afgeleid dan dat [X] c.s. ervan uitgingen dat de vorderingen van [appellant] ook tegen hen persoonlijk waren ingesteld. Bij wijze van voorbeeld wijst het hof hier op de §§ 13 tot en met 16 van de antwoordconclusie na aanvullend deskundigenbericht van de v.o.f. en [X] c.s. van 18 januari 2017, waarin consequent wordt gesproken van de tegen “Domesticare c.s.” (dus niet alleen tegen de v.o.f.) ingestelde vorderingen. Hiermee strookt, ten slotte, dat (niet alleen de v.o.f. maar) de v.o.f. en [X] c.s. in eerste aanleg gezamenlijk tegenvorderingen tegen [appellant] hebben ingesteld.
2.5.
[geïntimeerde sub 2] heeft (overigens voor het eerst in appel) aangevoerd dat de v.o.f. pas op 8 december 2010 is ingeschreven in het handelsregister en dat daarbij weliswaar als datum van oprichting 1 januari 2010 is vermeld, maar dat de v.o.f. op laatstgenoemde datum “feitelijk” nog niet bestond. Volgens [geïntimeerde sub 2] is [appellant] dan ook de overeenkomst destijds niet met de v.o.f. aangegaan maar met (de eenmanszaak van) [X] . In zijn reactie (memorie van antwoord in incidenteel appel, §31) ligt besloten dat [appellant] dit laatste betwist. Het hof verwerpt dit verweer van [geïntimeerde sub 2] als onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Allereerst heeft [geïntimeerde sub 2] niet gesteld wanneer de v.o.f. is opgericht, als dit niet per 1 januari 2010 was, en evenmin toegelicht wat hij precies met het “feitelijk” niet bestaan van de v.o.f. bedoelt. Evenmin heeft hij gesteld wanneer precies de overeenkomst met [appellant] is gesloten. Over dit laatste is immers door de rechtbank niet meer vastgesteld dan dat dit “begin 2010” was. In eerste aanleg was de precieze datum van het sluiten van de overeenkomst met [appellant] niet relevant omdat [geïntimeerde sub 2] het onderhavige verweer toen nog niet voerde, maar thans wel. [geïntimeerde sub 2] betwist immers – overigens zonder met zoveel woorden een grief te richten tegen de desbetreffende feitelijke vaststelling van de rechtbank – dat [appellant] de opdracht aan de v.o.f. heeft gegeven (omdat de v.o.f. volgens hem toen “feitelijk” nog niet bestond). Het hof houdt het er daarom op dat [appellant] de overeenkomst wel degelijk met de v.o.f. heeft gesloten. [geïntimeerde sub 2] heeft dat in ieder geval onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele omstandigheid dat de aan [appellant] verzonden facturen het KvK-nummer van de eenmanszaak van [X] vermelden, leidt niet tot een ander oordeel.
2.6.
Verder heeft [geïntimeerde sub 2] (eveneens voor het eerst in appel, maar door [appellant] op zichzelf niet weersproken) gesteld dat hij al per 1 juli 2011 uit de v.o.f. is uitgetreden. [geïntimeerde sub 2] meent dat hij om die reden niet (op grond van art. 18 WvK) aansprakelijk is voor de onderhavige verbintenissen van de v.o.f. Ook dit betoog wordt verworpen. [geïntimeerde sub 2] blijft immers als uitgetreden vennoot van de v.o.f. (behoudens andersluidende afspraken, waarvan niet is gebleken) aansprakelijk voor de op het moment van zijn uittreding bestaande verbintenissen van de v.o.f., als hoedanig de onderhavige (terug)betalingsverplichtingen, die rechtstreeks voortvloeien uit de overeenkomst tussen de v.o.f. en [appellant] , moeten worden aangemerkt.
2.7.
De conclusie is dat de onderhavige grief van [geïntimeerde sub 2] (ook overigens) faalt. Niets van wat hij verder nog in de toelichting op de grief heeft aangevoerd, kan tot een ander oordeel leiden.
2.8.
Grief 1 in principaal appel houdt in dat de rechtbank ten onrechte [X] c.s. niet hoofdelijk heeft veroordeeld tot betaling van het door haar toewijsbaar geachte bedrag van € 120.410,=, met rente. Hoewel de grief strikt genomen faalt ( [appellant] had immers in eerste aanleg geen hoofdelijke veroordeling van [X] c.s. gevorderd en een hoofdelijke veroordeling kan door de rechter niet ambtshalve worden uitgesproken), vordert [appellant] dit in appel wel. Gelet op het bepaalde in art. 18 WvK is deze (vermeerderde) vordering toewijsbaar. Niets van wat [X] c.s. daartegen (ieder voor zich) hebben aangevoerd, noopt tot een ander oordeel.
2.9.1.
Alvorens grief 2 in principaal appel en de andere incidentele grieven van [X] en [geïntimeerde sub 2] te bespreken overweegt het hof ambtshalve het volgende. In eerste aanleg zijn zowel de v.o.f. als haar vennoten [X] c.s. gedagvaard. Bij het eindvonnis is voor recht verklaard dat de v.o.f. toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen [appellant] en haar en aansprakelijk is voor de (gevolg)schade die [appellant] dientengevolge lijdt en heeft geleden, en zijn de v.o.f. en [X] c.s. (gezamenlijk) veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 120.410,=, met rente. Kennelijk gaan partijen ervan uit dat de v.o.f. (per 31 januari 2013) is ontbonden en door [X] als eenmanszaak is voortgezet. Echter, ook door of tegen een ontbonden vennootschap onder firma kan worden geprocedeerd. Vaststaat dat de (ontbonden) v.o.f. niet door [appellant] in het appel is betrokken en evenmin zelf hoger beroep heeft ingesteld. Dit wordt niet anders doordat [X] in zijn in appel ingediende memories zegt mede namens haar te concluderen. In het bestreden eindvonnis is de veroordeling van [X] c.s. (uitsluitend) gebaseerd op het bepaalde in art. 18 WvK, dat inhoudt dat de vennoten hoofdelijk verbonden zijn voor de verbintenissen van de vennootschap (onder firma). Het betreft hier dus een aansprakelijkheid die een afgeleide is van die van de v.o.f., waarvan [X] c.s. vennoten zijn geweest.
2.9.2.
Op grond van het voorgaande komt het hof voorshands tot het volgende oordeel. Nu de (ontbonden) v.o.f. in hoger beroep geen partij is, is het eindvonnis ten opzichte van haar in kracht van gewijsde gegaan. Omdat bovendien, als gezegd, in het eindvonnis de aansprakelijkheid van [X] c.s. (uitsluitend) is gebaseerd op het bepaalde in art. 18 WvK en [X] c.s. ten aanzien van de omvang van het toegewezen bedrag geen persoonlijke verweren hebben gevoerd, kunnen de onderhavige grieven in beginsel geen van alle doel treffen, dat wil zeggen, niet leiden tot andere beslissingen dan de rechtbank heeft genomen. De bewijsaanbiedingen van partijen zullen daarom, als niet ter zake dienend, worden afgewezen.
2.9.3.
Omdat geen van partijen het voorgaande heeft bepleit en dit daarom als een verrassingsbeslissing zal kunnen worden beschouwd, zullen zij, het eerst [appellant] , in de gelegenheid worden gesteld bij akte op de overwegingen 2.9.1 en 2.9.2 te reageren. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen. Het hof geeft partijen in overweging te bezien of zij bij deze stand van zaken hun geschil alsnog in der minne kunnen regelen.
2.10.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. Beslissing
Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn appel tegen het bestreden tussenvonnis van 23 mei 2012;
verwijst de zaak naar de rol van 21 mei 2019 voor een akte van de kant van [appellant] , met het hiervoor onder 2.9.3 bedoelde doel, waarna [X] c.s. daarop (individueel) bij antwoordakte zullen kunnen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Polak, R.J.M. Smit en D.J. van der Kwaak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.
Uitspraak 27‑02‑2018
Inhoudsindicatie
Tussenarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:1457.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.220.439/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/189646 / HA ZA 12-90
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 februari 2018
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
appellant in de hoofdzaak,
eiser, tevens verweerder in de incidenten,
advocaat mr. H.G.R. Meulmeester te Amsterdam,
tegen
1. [X] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. P.F.M. Verstegen te Heilig Landstichting,
2. [geïntimeerde sub 2] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
advocaat mr. P.C. Rijken te Den Haag,
3. [geïntimeerde sub 3] ,
wonende te [woonplaats 4] ,
advocaat mr. A.W. Hooijen te Hilversum,
appellanten in de hoofdzaak,
eisers, tevens verweerders in de incidenten,
Partijen worden hierna [appellant] , [X] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] genoemd. [X] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] zullen tezamen als [X] c.s. worden aangeduid.
1. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaardingen van 18 juli 2017 in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (verder: de rechtbank) gewezen vonnissen van 23 mei 2012, 17 juli 2013, 2 december 2015 en 19 april 2017, onder bovenstaand zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in reconventie en [X] c.s. en de vennootschap onder firma waarvan [geïntimeerde sub 2] , [X] en [geïntimeerde sub 3] vennoten waren, namelijk Domesticare v.o.f., als gedaagden in conventie en eisers in reconventie.
[geïntimeerde sub 2] heeft op 3 oktober 2017 onder overlegging van producties een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden (eind)vonnis van 19 april 2017 (verder: het bestreden eindvonnis) op de voet van artikel 351 dan wel 353 juncto 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
[appellant] heeft op 24 oktober 2017 onder overlegging van producties een antwoordconclusie op de incidentele vordering van [geïntimeerde sub 2] genomen, tevens houdende een incidentele vordering tot wijziging van het bestreden vonnis in die zin dat de hoofdelijke verbondenheid van de voormalige vennoten wordt uitgesproken.
[X] en [geïntimeerde sub 3] hebben beiden eveneens op 24 oktober 2017 een antwoordconclusie op de incidentele vordering van [geïntimeerde sub 2] genomen, tevens houdende een incidentele vordering op de voet van artikel 351 Rv.
[X] c.s. hebben bij afzonderlijke antwoordconclusies van 7 november 2017, met een of meer producties, gereageerd op de incidentele vordering van [appellant] .
Vervolgens is, na rolbeslissingen van 21 november en 28 november 2017, arrest gevraagd in de incidenten.
2. Beoordeling
2.1
Het gaat hier, samengevat en voor zover in de incidenten van belang, om het volgende. [X] c.s. waren de vennoten van de vennootschap onder firma Domesticare. [appellant] heeft Domesticare begin 2010 opdracht gegeven tot verbouwing van een pand in [plaats 1] en het verkoopklaar maken van een pand in [plaats 2] . Over de omvang van de opdracht verschillen partijen van mening.
De rechtbank heeft in het dictum van het bestreden eindvonnis opgenomen:
“3.1. verklaart voor recht dat Domesticare toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen [appellant] en Domesticare en aansprakelijk is voor de (gevolg-)schade die [appellant] lijdt/geleden heeft (…),
3.2.
veroordeelt Domesticare c.s. in conventie tot betaling van een bedrag van € 120.410,00 (…) aan [appellant] (…),.
3.3.
veroordeelt Domesticare c.s. in de kosten van de procedure (…)”.
De rechtbank heeft in rov 2.19 van het bestreden vonnis overwogen:
“Nu de vennoten van Domesticare op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel hoofdelijk verbonden zijn voor de schulden van Domesticare, zullen naast Domesticare ook [X] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag [voormeld bedrag van € 120.410,00; hof]. Aangezien [appellant] geen hoofdelijke veroordeling van Domesticare c.s. heeft gevorderd, zal de veroordeling niet hoofdelijk worden uitgesproken”.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
[appellant] heeft vervolgens ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het vonnis executiemaatregelen getroffen tegen [X] c.s.
Daarnaast is [appellant] een kort geding gestart bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de voorzieningenrechter) teneinde het dictum van het bestreden eindvonnis aan te vullen/te verbeteren in die zin dat er een hoofdelijke veroordeling in gelezen dient te worden, althans een hoofdelijke veroordeling van [X] c.s. wordt uitgesproken. [X] en [geïntimeerde sub 3] hebben in reconventie, voor zover thans van belang, schorsing van het bestreden eindvonnis verzocht.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 20 oktober 2017 de door [appellant] verzochte voorziening geweigerd en de door [X] en [geïntimeerde sub 3] verzochte voorziening toegewezen in die zin dat de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis van 19 april 2017 is geschorst, in zoverre dat (aan hoofdsom) niet meer mag worden uitgewonnen dan een bedrag van € 95.789,60.
In de incidenten van [X] c.s.:
2.2
Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering heeft [geïntimeerde sub 2] – samengevat en naar het hof begrijpt - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft de veroordeling uitgesproken jegens Domesticare en [X] c.s., terwijl de vordering van [appellant] enkel en alleen gericht was tegen Domesticare, derhalve slechts jegens de vennootschap. De rechtbank heeft bovendien de rechtsgronden aangevuld met hoofdelijke aansprakelijkheid, terwijl daarover in het geding niet is gesproken. Daardoor is ook het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Bovendien heeft de rechtbank een fout gemaakt in de berekening van het bedrag waartoe de veroordeling strekt. Er is dan ook sprake van een juridische dan wel feitelijke misslag waardoor de belangen van [geïntimeerde sub 2] onevenredig worden geschaad. [geïntimeerde sub 2] heeft getracht een herstelvonnis te verkrijgen, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat de zaak zich daarvoor niet leent. [appellant] wil ondanks het voorgaande de executie van de woning waarin [geïntimeerde sub 2] woont met zijn echtgenote en kinderen niet staken, waardoor er een noodsituatie dreigt te ontstaan. [geïntimeerde sub 2] verzoekt niet alleen de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis te schorsen, althans tenminste jegens [geïntimeerde sub 2] tot een einduitspraak in (het hof begrijpt:) het hoger beroep, maar ook het executoriaal beslag op voormelde woning op te heffen en [appellant] te veroordelen in de kosten van het incident, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
2.3
[X] heeft zich in zijn antwoordconclusie aangesloten bij de argumenten die [geïntimeerde sub 2] heeft aangevoerd om de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis te schorsen en vordert dat ook in zijn eigen zaak. Hij heeft in dit verband verwezen naar het hiervoor genoemde vonnis van de voorzieningenrechter van 20 oktober 2017. [X] heeft benadrukt dat het bestreden eindvonnis diverse misslagen bevat en dat er sprake is van een noodsituatie aan de zijde van [X] en zijn ex-partner en huisgenote. Met betrekking tot het laatste heeft [X] gesteld dat niet te verwachten valt dat [appellant] enige uitkering uit een executieverkoop van de woning krijgt en [appellant] daarom geen belang bij een dergelijke executie heeft. Aan de andere kant zal [X] na een executie blijven zitten met een restschuld en zal hij daarnaast een bron van inkomen kwijtraken omdat hij de woning verhuurt.
2.4
[geïntimeerde sub 3] heeft zich in zijn antwoordconclusie aangesloten bij de argumenten die [geïntimeerde sub 2] en [X] aanvoeren voor de gevorderde schorsing van het bestreden eindvonnis. [geïntimeerde sub 3] heeft gesteld dat hij, [X] en [geïntimeerde sub 2] belang hebben bij schorsing van het bestreden eindvonnis om te voorkomen dat [appellant] doorgaat met de onrechtmatige executie van het vonnis dat verkeerd door hem wordt uitgelegd. Evenals [X] en [geïntimeerde sub 2] wijst [geïntimeerde sub 3] op de misslagen in het bestreden eindvonnis, de schending van hoor en wederhoor en de onjuiste grondslag voor verschuldigdheid van het aan [appellant] toe te wijzen bedrag. Bovendien heeft [appellant] geen belang bij verkoop van de woning van [geïntimeerde sub 3] , nu daaruit geen opbrengst te verwachten valt. Aan de andere kant ontstaat er dan wel een noodtoestand bij [geïntimeerde sub 3] , zijn vrouw en vier minderjarige kinderen.
2.5
[appellant] heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.
2.6
In het incident van [geïntimeerde sub 2] overweegt het hof als volgt. Het hof neemt tot uitgangspunt dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep slechts plaats is indien tenuitvoerlegging misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal aan de orde zijn indien de executant, mede gelet op de - voor hem kenbare - belangen van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruik maken van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan in het bijzonder sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten (verder: nieuwe feiten) meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis ten uitvoer wordt gelegd. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.
2.7
Naar het oordeel van het hof berust de door de rechtbank vastgestelde hoofdelijke verbondenheid op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel niet op een juridische of feitelijke misslag. Of dit oordeel van de rechtbank juist is, dient in de hoofdzaak te worden beoordeeld (evenals de stelling van [geïntimeerde sub 2] dat hoor en wederhoor is geschonden ten aanzien van dat oordeel). Ook met betrekking tot het door [geïntimeerde sub 2] gestelde met betrekking tot betalingen door Alleron Beheer B.V., alsmede de uitleg van het deskundigenbericht is het hof van oordeel dat deze punten zich lenen voor discussie en in de hoofdzaak dienen te worden beoordeeld. Daarnaast heeft [geïntimeerde sub 2] gesteld dat de rechtbank bij bepaling van het door [appellant] betaalde bedrag geen rekening heeft gehouden met de btw. Er had daarom geen rekening gehouden moeten worden met € 117.240,-, maar met een bedrag inclusief btw van € 141.860,40. De schadevergoeding die door de rechtbank is bepaald, had daarom het door [appellant] betaalde bedrag van € 237.650,- minus de berekende waarde van het werk inclusief btw van € 141.860,40, derhalve € 95.789,60 moeten zijn.
[appellant] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Het hof volgt [geïntimeerde sub 2] in zijn betoog en neemt aan dat er sprake is van een kennelijke misslag op dit punt, zodat de executie van het bestreden vonnis ten aanzien van [geïntimeerde sub 2] geschorst zal worden in zoverre dat deze het bedrag van € 95.789,60 aan hoofdsom niet mag overstijgen.
2.8
Voorts is het hof van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten in de in rechtsoverweging 2.6 bedoelde zin. [geïntimeerde sub 2] heeft gesteld dat executie een noodtoestand bij hem doet ontstaan, omdat er executoriaal beslag is gelegd op de echtelijke woning en er maandelijks € 1.300,- van het loon van zijn echtgenote wordt geïncasseerd. Gelet op de lange looptijd van het geschil, dat - zoals uit de stukken is gebleken - al sinds 2011 voortsleept, heeft [geïntimeerde sub 2] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van na het bestreden vonnis opgekomen nieuwe feiten die meebrengen dat de tenuitvoerlegging van dat vonnis bij hem klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan.
2.9
Ten slotte is ook overigens niet aannemelijk geworden dat [appellant] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voordat in hoger beroep eindarrest zal worden gewezen.
2.10
In de incidenten van [X] en [geïntimeerde sub 3] stelt het hof voorop dat een veroordeelde in beginsel naast het recht in kort geding een vordering tot schorsing of staking van de executie in te stellen krachtens artikel 438 lid 2 Rv, tevens het recht heeft om op grond van artikel 351 Rv een soortgelijke vordering bij wege van incident in te stellen in de hoofdzaak in hoger beroep. Is echter, voordat in het incident in hoger beroep uitspraak is gedaan, de vordering tot schorsing of staking krachtens artikel 438 lid 2 Rv afgewezen en zijn door de veroordeelde geen feiten of omstandigheden gesteld die een hernieuwde beoordeling van een dergelijke vordering rechtvaardigen, dan kan het hof aan een inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering krachtens artikel 351 Rv niet toekomen, omdat deze in dat geval als in strijd met de goede procesorde moet worden afgewezen. In dat geval zou immers dezelfde vordering wederom aan de rechter worden voorgelegd zonder dat daarvoor een deugdelijke rechtvaardiging bestaat.
2.11
[X] en [geïntimeerde sub 3] hebben de argumenten die zij thans inbrengen als argument voor de door hen gevorderde schorsing reeds eerder aan de voorzieningenrechter voorgelegd, die daarop op 20 oktober 2017 uitspraak heeft gedaan. Zij hebben geen nieuwe feiten zoals onder 2.6 omschreven gesteld, zodat hun incidentele vorderingen van tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis voor afwijzing gereed liggen.
In het incident van [appellant] :
2.12
Ter onderbouwing van de incidentele vordering heeft [appellant] – samengevat en naar het hof begrijpt - het volgende aangevoerd. Abusievelijk heeft de voormalige advocaat van [appellant] geen hoofdelijke veroordeling van de vennoten op grond van artikel 18 WvK verzocht, waardoor de hoofdelijke veroordeling in het betreden eindvonnis niet is uitgesproken. [appellant] wenst deze hoofdelijke veroordeling alsnog en heeft dit ook aan de voorzieningenrechter voorgelegd. Deze heeft in het vonnis van 20 oktober 2017 geoordeeld: “dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat de aantasting van een uitspraak is voorbehouden aan de hogere rechter aan wie door aanwending van een rechtsmiddel kan worden gevraagd een uitspraak uit de vorige instantie te vernietigen”.
[appellant] wendt zich daarom te dezen tot het hof. Tevens vordert [appellant] een hoofdelijke proceskostenveroordeling.
2.13
[X] c.s. hebben verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.
2.14
De beslissing of de veroordeling van [X] c.s., indien de jegens hen bij het bestreden eindvonnis uitgesproken veroordeling geheel of gedeeltelijk in stand blijft, een hoofdelijke moet zijn, is ter beoordeling van de rechter in de hoofdzaak. Het hof zou te zeer op de zaak vooruitlopen door nu reeds, in dit incident, te bepalen dat de het bestreden eindvonnis uitgesproken veroordeling een hoofdelijke is.
2.15
Gezien het bovenstaande zal het hof ook de incidentele vordering van [appellant] afwijzen.
2.16
Het hof zal de beslissing omtrent de kosten van de incidenten aanhouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak:
2.17
In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor het indienen van een memorie van grieven door [appellant] en zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
3. Beslissing
Het hof:
in de incidenten:
schorst de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis van 19 april 2017 ten aanzien van [geïntimeerde sub 2] , in zoverre dat (aan hoofdsom) niet meer mag worden uitgewonnen dan een bedrag van € 95.789,60;
wijst voor het overige de incidentele vorderingen over en weer af;
houdt de beslissing met betrekking tot de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 10 april 2018 voor het indienen van een memorie van grieven door [appellant] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D.J. van der Kwaak en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2018.