NJB 2025/2698:Vordering benadeelde partij en de ‘andere persoon’ die volgens art. 6:107 lid 2, aanhef en onder g, en 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW tot de kring van personen behoort die recht hebben op vergoeding van affectieschade: om als ‘andere persoon’ te worden aangemerkt, moet door een naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. In dat verband is als voorbeeld onder meer naar voren gebracht dat een ‘langdurige, hechte LAT-relatie’ zo’n nauwe persoonlijke betrekking kan zijn. In casu heeft het hof niet toereikend gemotiveerd dat de benadeelde partij in voldoende mate heeft aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de zin van art. 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW kan worden aangemerkt. Daartoe telt dat de stelling dat van een ‘hechte en duurzame’ LAT-relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer sprake was en hetgeen daaraan door de benadeelde partij ten grondslag is gelegd, door de verdediging is betwist onder verwijzing naar het ontbreken van stukken waaruit dit blijkt. CAG: anders.