Procestaal: Duits.
HvJ EU, 12-05-2021, nr. C-87/20
ECLI:EU:C:2021:382
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
12-05-2021
- Magistraten
A. Kumin, A. Arabadjiev, T. von Danwitz
- Zaaknummer
C-87/20
- Roepnaam
Hauptzollamt B (Caviar d’esturgeons)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:382, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑05‑2021
Uitspraak 12‑05‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer — Verordeningen (EG) nr. 338/97 en nr. 865/2006 — Steurkaviaar — Binnenbrengen in het douanegebied van de Europese Unie als persoonlijke bezitting of huisraad — Invoervergunningen — Afwijking — Maximum van 125 gram per persoon — Overschrijding — Voornemen om het aan een ander te schenken’
A. Kumin, A. Arabadjiev, T. von Danwitz
Partij(en)
In zaak C-87/20*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) bij beslissing van 15 oktober 2019, ingekomen bij het Hof op 19 februari 2020, in de procedure
Hauptzollamt B
tegen
XY,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: A. Kumin, kamerpresident, A. Arabadjiev (rapporteur), president van de Tweede kamer, en T. von Danwitz, rechter,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
het Hauptzollamt B, vertegenwoordigd door A. Wollschläger als gemachtigde,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en S. Eisenberg als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en L. Dvořáková als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Hermes en R. Tricot als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, punt 3, van verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB 1997, L 61, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1320/2014 van de Commissie van 1 december 2014 (PB 2014, L 361, blz. 1) (hierna: ‘verordening nr. 338/97’), en van artikel 57, lid 5, onder a), van verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 338/97 (PB 2006, L 166, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2015/870 van de Commissie van 5 juni 2015 (PB 2015, L 142, blz. 3) (hierna: ‘verordening nr. 865/2006’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Hauptzollamt B (hoofddouanekantoor B, Duitsland) en XY over de inbeslagneming van zes blikken steurkaviaar van elk 50 gram (g) omdat de betrokkene bij binnenkomst in het douanegebied van de Europese Unie geen invoervergunning had overgelegd.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
De op 3 maart 1973 te Washington ondertekende Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (United Nations Treaty Series, deel 993, nr. I-14537; hierna: ‘CITES’) heeft tot doel te waarborgen dat de internationale handel in de in de bijlagen daarbij genoemde soorten, alsmede in delen daarvan en daaruit verkregen producten, de instandhouding van de biodiversiteit niet schaadt en op een duurzaam gebruik van de in het wild levende soorten berust.
4
Aan deze overeenkomst, waarbij de Unie op 8 juli 2015 partij is geworden, is met ingang van 1 januari 1984 in de Unie uitvoering gegeven bij verordening (EEG) nr. 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (PB 1982, L 384, blz. 1). Deze verordening is ingetrokken bij verordening nr. 338/97, die volgens artikel 1, tweede alinea, daarvan van toepassing is met inachtneming van de doelstellingen, beginselen en bepalingen van de CITES.
5
De resolutie van de Conferentie van de Partijen 13.7 (Rev. CoP17) betreffende de controle op de handel in specimens die persoonlijke bezittingen of huisraad vormen luidt als volgt:
‘[…]
De Conferentie van de Partijen bij de [CITES]
- 1.
Besluit dat de term ‘persoonlijke bezittingen of huisraad’ in artikel VII, lid 3, van toepassing is op specimens die:
- a)
worden gehouden of in bezit zijn op persoonlijke titel en voor niet-commerciële doeleinden;
- b)
legaal zijn verkregen, en
- c)
op het tijdstip van de invoer, uitvoer of wederuitvoer:
- i)
worden gedragen, vervoerd of meegenomen in de persoonlijke bagage, of
- ii)
deel uitmaken van een verhuizing.
[…]
- 3.
Komt overeen dat de partijen:
[…]
- b)
geen uitvoer- of invoervergunning of een wederuitvoercertificaat vereisen voor persoonlijke bezittingen of huisraad bestaande in dode specimens, onderdelen of afgeleide producten, die behoren tot de in bijlage II opgenomen soorten, behalve:
[…]
- iv)
de volgende specimens, indien de hoeveelheid de aangegeven grenzen overschrijdt:
- —
steurkaviaar (Acipenseriformes spp.) — tot 125 gram per persoon, in een container die is geëtiketteerd overeenkomstig resolutie Conf. 12.7 (Rev. CoP17);
[…]
[…]
[…]’
6
Bijlage 1 bij deze resolutie, met als opschrift ‘Richtsnoeren voor de interpretatie van persoonlijke bezittingen of huisraad’, bepaalt:
‘[…]
Definitie van persoonlijke bezittingen of huisraad
- 8.
De specimens moeten worden gehouden of in bezit zijn op persoonlijke titel en voor niet-commerciële doeleinden, hetgeen elk gebruik met het oog op commerciële winst of verkoop, elk tentoonstellen voor commerciële doeleinden, elk bezit en vervoer met het oog op verkoop en elke verkoop uitsluit.
[…]’
Unierecht
Verordening nr. 338/97
7
Overweging 12 van verordening nr. 338/97 luidt als volgt:
‘Overwegende dat het ten behoeve van een doeltreffende controle en ter vergemakkelijking van de douaneprocedure van belang is douanekantoren aan te wijzen die over gekwalificeerd personeel beschikken en die zullen worden belast met het vervullen van de nodige formaliteiten en bijbehorende verificaties bij het binnenbrengen in de [Unie] teneinde de specimens een douanebestemming te geven in de zin van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek [(PB 1992, L 302, blz. 1)], of bij uitvoer of wederuitvoer uit de [Unie]; dat men eveneens dient te beschikken over voorzieningen die garanderen dat de levende specimens zorgvuldig worden ondergebracht en behandeld’.
8
Artikel 1 van verordening nr. 338/97 luidt:
‘Deze verordening heeft ten doel, in het wild levende dier- en plantensoorten te beschermen en in stand te houden door de controle op het desbetreffende handelsverkeer overeenkomstig de in de volgende artikelen vastgestelde bepalingen.
Deze verordening is van toepassing met inachtneming van de doelstellingen, beginselen en bepalingen van de [CITES].’
9
Artikel 2 van deze verordening bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- j)
‘persoonlijke bezittingen of huisraad’: dode specimens alsmede delen en producten daarvan, die een particulier toebehoren en die deel uitmaken van zijn gewone persoonlijke bezittingen of daartoe bestemd zijn;
[…]
- t)
‘specimen’: elk dier of elke plant, dood of levend, van de in de bijlagen A tot en met D genoemde soorten, elk deel daarvan en elk daarvan verkregen product, al dan niet in andere goederen vervat, alsmede alle goederen waarvan op grond van een bewijsstuk, verpakking, merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet worden aangenomen dat het gaat om delen of producten van tot deze soorten behorende dieren of planten, tenzij deze delen of producten door middel van een aanduiding in die zin in de bijlagen waarin de betrokken soorten genoemd worden, expliciet van het toepassingsgebied van deze verordening of van de bepalingen met betrekking tot de betrokken bijlage zijn uitgesloten.
[…]’
10
Artikel 4, lid 2, eerste alinea, van die verordening luidt als volgt:
‘Specimens van in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten mogen slechts in de [Unie] worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de lidstaat van bestemming.’
11
Artikel 7 van voornoemde verordening bepaalt in punt 3, ‘Persoonlijke bezittingen en huisraad’:
‘In afwijking van de artikelen 4 en 5 zijn de daarin vervatte bepalingen niet van toepassing op dode specimens, delen daarvan of daaruit verkregen producten van soorten genoemd in de bijlagen A tot en met D bij deze verordening die vallen onder persoonlijke bezittingen of huisraad die in de [Unie] worden binnengebracht dan wel uit de [Unie] worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, in overeenstemming met de bepalingen die door de Commissie worden vastgesteld. […]’
12
Artikel 16, lid 2, van verordening nr. 338/97 preciseert dat de maatregelen die de lidstaten nemen om ervoor te zorgen dat sancties worden opgelegd indien inbreuken worden gemaakt op de bepalingen van deze verordening, waaronder het binnenbrengen in de Unie van specimens zonder de passende vergunning of het passende certificaat, ‘in een passende verhouding [staan] tot de aard en de ernst van de inbreuk en […] onder meer voorzieningen [bevatten] met betrekking tot de inbeslagname en, in voorkomend geval, verbeurdverklaring van de specimens’.
13
Bijlage B bij deze verordening vermeldt de ‘Acipenseriformes spp. (II) [(steurachtigen)] (met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species)’.
Verordening nr. 865/2006
14
De overwegingen 1, 2 en 6 van verordening nr. 865/2006 luiden als volgt:
- ‘(1)
Er moeten bepalingen worden vastgesteld om [verordening nr. 338/97] ten uitvoer te leggen en te garanderen dat de [CITES] volledig wordt nageleefd.
- (2)
Om een eenvormige uitvoering van [verordening nr. 338/97] te garanderen, is het noodzakelijk gedetailleerde voorwaarden en criteria vast te stellen voor de behandeling van aanvragen voor vergunningen en certificaten en voor de afgifte, de geldigheid en het gebruik van deze documenten. Bijgevolg is het passend modellen vast te stellen waaraan deze documenten dienen te voldoen.
[…]
- (6)
Er moeten procedures worden vastgesteld voor het merken van bepaalde specimens van dier- of plantensoorten teneinde de identificatie daarvan te vergemakkelijken en de handhaving van de bepalingen van [verordening nr. 338/97] te garanderen.’
15
In artikel 9 van verordening nr. 865/2006 is bepaald:
‘Onverminderd de artikelen 31, 28, 44 ter, 44 decies en 44 septdecies wordt voor elke zending van specimens die als deel van één vracht gezamenlijk wordt verzonden, een afzonderlijke invoervergunning, kennisgeving van invoer, uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat afgegeven.’
16
Artikel 57 van deze verordening, ‘Binnenbrengen en opnieuw binnenbrengen van persoonlijke bezittingen en huisraad in de [Unie]’, bepaalt:
- ‘1.
De in artikel 7, [punt] 3, van [verordening nr. 338/97] bedoelde afwijking van artikel 4 van die verordening voor persoonlijke bezittingen en huisraad geldt niet voor specimens die met winstoogmerk worden gebruikt, worden verkocht, voor commerciële doeleinden worden tentoongesteld, ten verkoop worden gehouden, te koop worden aangeboden of met het oog op verkoop worden vervoerd.
[…]
- 3.
Vóór het voor de eerste keer binnenbrengen in de [Unie], door een gewoonlijk in de [Unie] verblijvende persoon, van persoonlijke bezittingen of huisraad, met inbegrip van jachttrofeeën, die specimens zijn van in bijlage B bij [verordening nr. 338/97] opgenomen soorten, is de overlegging van een invoervergunning aan de douane niet vereist indien het origineel van een (weder)uitvoerdocument en een kopie daarvan worden overgelegd.
[…]
- 4.
Voor het opnieuw binnenbrengen in de [Unie], door een gewoonlijk in de [Unie] verblijvende persoon, van persoonlijke bezittingen of huisraad, met inbegrip van jachttrofeeën, die specimens zijn van in bijlage A of B bij [verordening nr. 338/97] opgenomen soorten, is de overlegging van een invoervergunning aan de douane niet vereist indien één van de volgende documenten wordt overgelegd:
- a)
de door de douane geviseerde ‘kopie voor de houder’ (formulier nr. 2) van een eerder gebruikte communautaire invoer- of uitvoervergunning;
- b)
de in lid 3 bedoelde kopie van het (weder)uitvoerdocument;
- c)
een bewijs dat de specimens in de [Unie] werden verworven.
- 5.
In afwijking van de leden 3 en 4 is voor het binnenbrengen of opnieuw binnenbrengen in de [Unie] van de volgende in bijlage B bij [verordening nr. 338/97] opgenomen producten de overlegging van een (weder)uitvoerdocument of invoervergunning niet vereist:
- a)
kaviaar van steursoorten (Acipenseriformes spp.), tot maximaal 125 gram per persoon, in recipiënten die individueel zijn gemerkt […];
[…]’
Duits recht
17
Krachtens § 51, lid 2, eerste volzin, van het Bundesnaturschutzgesetz (federale wet op de natuurbescherming) neemt de douane, wanneer bij een douanecontrole wordt vastgesteld dat dieren of planten worden in- of uitgevoerd zonder de daartoe vereiste vergunning of andere documenten, de betrokken dieren of planten in beslag.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18
In december 2015 is XY het douanegebied van de Unie binnengekomen via de luchthaven van Düsseldorf (Duitsland), in het bezit van zes blikken steurkaviaar van elk 50 g, zonder in het bezit te zijn van de in § 51, lid 2, van het Bundesnaturschutzgesetz bedoelde invoervergunning.
19
Na de inbeslagneming van deze blikken door het Hauptzollamt B heeft XY beroep ingesteld bij het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland). Deze rechter heeft dit beroep gedeeltelijk toegewezen op grond dat steureieren weliswaar zijn opgenomen in bijlage B bij verordening nr. 338/97 en de invoer daarvan dus is onderworpen aan een invoervergunning, maar dat deze inbeslagneming niettemin onrechtmatig was omdat het Hauptzollamt B XY twee van de zes betrokken blikken kaviaar had moeten laten houden, aangezien deze overeenstemden met een hoeveelheid van niet meer dan 125 g en XY ze niet voor commerciële doeleinden wilde gebruiken maar voornemens was ze aan haar kinderen te geven of zelf te consumeren.
20
Het Hauptzollamt B heeft bij de verwijzende rechter beroep in Revision ingesteld op grond dat volgens dat Hauptzollamt in geval van overschrijding van het in artikel 57, lid 5, onder a), van verordening nr. 865/2006 gestelde maximum van 125 g, de gehele hoeveelheid vervoerde steurkaviaar, en niet alleen het teveel, in beslag moet worden genomen. Verder betwist het Hauptzollamt B dat de aldus door XY ingevoerde blikken steurkaviaar kunnen worden aangemerkt als ‘persoonlijke bezittingen of huisraad’ in de zin van artikel 2, onder j), van verordening nr. 338/97, aangezien deze blikken bestemd waren om aan een derde te worden geschonken.
21
De verwijzende rechter vraagt zich in dit verband af hoe artikel 57, lid 5, onder a), van verordening nr. 865/2006 moet worden uitgelegd, aangezien — afgezien van het feit dat deze bepaling in de lidstaten niet uniform wordt uitgelegd en toegepast — het doel dat door deze verordening, verordening nr. 338/97 en de CITES wordt nagestreefd, te weten de bescherming van bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, pleit voor een strikte uitlegging van die bepaling volgens welke bij overschrijding van het maximum van 125 g de volledige hoeveelheid ingevoerde steurkaviaar door de bevoegde douaneautoriteit in beslag moet worden genomen. Het feit dat voornoemde bepaling geen punitief karakter heeft en een lezing naar analogie met artikel 23, lid 2, en artikel 27 van verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PB 2009, L 324, blz. 23), waarin is bepaald tot respectievelijk welke waarden en welke hoeveelheden de onder die verordening vallende goederen worden vrijgesteld van invoerrechten, pleiten echter voor een minder strikte uitlegging, volgens welke alleen het teveel aan steurkaviaar in beslag moet worden genomen.
22
Bovendien twijfelt de verwijzende rechter of artikel 2, onder j), van verordening nr. 338/97 aldus kan worden uitgelegd dat het uitsluit dat de door XY ingevoerde blikken steurkaviaar als ‘persoonlijke bezittingen of huisraad’ kunnen worden aangemerkt op grond dat zij heeft verklaard voornemens te zijn ze als geschenk aan een derde te geven. In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat uit de bewoordingen van deze bepaling en uit artikel 57, lid 5, onder a), van verordening nr. 865/2006 geenszins blijkt dat het begrip ‘persoonlijke bezittingen of huisraad’ alleen van toepassing is wanneer de importeur van het betrokken specimen het specimen zelf gebruikt of verbruikt, en dat in het hoofdgeding niets erop wijst dat XY deze blikken voor commerciële doeleinden in bezit had. Hij wijst er ook op dat het voor de douaneautoriteiten in de praktijk moeilijk kan zijn om de bedoelingen van de importeur op betrouwbare wijze te verifiëren. Bovendien is het volstrekt onlogisch om de invoer van een specimen toe te staan wanneer het daadwerkelijk door de importeur zal worden verbruikt en dit te verbieden wanneer het door een derde zal worden verbruikt.
23
In deze omstandigheden heeft het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Dient artikel 57, lid 5, onder a), van [verordening nr. 865/2006] aldus te worden uitgelegd dat een importeur die een totale hoeveelheid van meer dan 125 g kaviaar van steurachtigen (Acipenseriformes spp.) in individueel gemerkte recipiënten bij zich heeft en daarvoor noch een (weder)uitvoerdocument noch een invoervergunning overlegt, een hoeveelheid van maximaal 125 g kaviaar mag houden voor zover die niet met een van de in artikel 57, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 865/2006 genoemde doelen wordt ingevoerd?
- 2)
Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord:
Behoren in het douanegebied van de Unie binnengebrachte specimens ook tot de in artikel 7, punt 3, van verordening nr. 338/97 bedoelde persoonlijke bezittingen en huisraad wanneer de importeur op het moment van het binnenbrengen van die specimens verklaart dat hij ze na invoer aan andere personen cadeau wenst te doen?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede vraag
24
Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, punt 3, van verordening nr. 338/97 aldus moet worden uitgelegd dat steurkaviaar, wanneer deze bestemd is om cadeau te worden gedaan aan een derde, bij het binnenbrengen ervan in het douanegebied van de Unie kan worden beschouwd als ‘persoonlijke bezitting of huisraad’ in de zin van die bepaling en aldus in aanmerking kan komen voor de in die bepaling vastgestelde afwijking van de verplichting voor de importeur om een invoervergunning over te leggen.
25
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 2 juli 2020, Magistrat der Stadt Wien (Veldhamster), C-477/19, EU:C:2020:517, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
26
In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat er krachtens artikel 7, punt 3, van verordening nr. 338/97 voor de invoer in het douanegebied van de Unie van dode specimens, delen daarvan of daaruit verkregen producten van soorten genoemd in de bijlagen A tot en met D bij deze verordening, geen invoervergunning behoeft te worden overgelegd wanneer het gaat om persoonlijke bezittingen of huisraad.
27
Volgens de definitie in artikel 2, onder j), van verordening nr. 338/97 omvat het begrip ‘persoonlijke bezittingen of huisraad’ dode specimens alsmede delen en producten daarvan die een particulier toebehoren en die deel uitmaken van zijn gewone persoonlijke bezittingen of daartoe bestemd zijn.
28
Derhalve moet worden vastgesteld dat op basis van de bewoordingen van deze bepaling niet eenduidig kan worden bepaald of voor de toepasselijkheid van het begrip ‘persoonlijke bezittingen of huisraad’ noodzakelijkerwijs vereist is dat de importeur die dode specimens, delen van specimens of afgeleide producten zelf gebruikt of verbruikt.
29
Het valt immers niet uit te sluiten dat de importeur dergelijke zaken, die hij op persoonlijke titel houdt of bezit, vervolgens als geschenk aan een derde overdraagt in plaats van ze voor strikt individueel gebruik te bewaren.
30
Wat in de tweede plaats de context van verordening nr. 338/97 betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat deze verordening volgens artikel 1, tweede alinea, ervan van toepassing is met inachtneming van de doelstellingen, beginselen en bepalingen van de CITES, waartoe de Unie is toegetreden, zodat het Hof deze niet buiten beschouwing kan laten, aangezien zij in aanmerking dienen te worden genomen voor de uitlegging van de bepalingen van die verordening (zie in die zin arrest van 23 oktober 2003, Nilsson, C-154/02, EU:C:2003:590, punt 39).
31
Resolutie 13.7 van de Conferentie van de Partijen bij de CITES, die duidelijkheid verschaft over de uitlegging van de in het vorige punt aangehaalde bepalingen van deze overeenkomst, preciseert in punt 1 dat het begrip ‘persoonlijke bezittingen of huisraad’ van toepassing is op specimens die op persoonlijke titel voor niet-commerciële doeleinden worden gehouden of in bezit zijn, legaal zijn verkregen en worden vervoerd of meegenomen in de persoonlijke bagage dan wel deel uitmaken van een verhuizing.
32
Bovendien moet worden opgemerkt dat artikel 57, lid 1, van verordening nr. 865/2006 bepaalt dat de in artikel 7, punt 3, van verordening nr. 338/97 bedoelde afwijking niet geldt voor specimens die met winstoogmerk worden gebruikt, worden verkocht, voor commerciële doeleinden worden tentoongesteld, ten verkoop worden gehouden, te koop worden aangeboden of met het oog op verkoop worden vervoerd.
33
Zowel uit de bewoordingen van dit artikel 57, lid 1, als uit die van resolutie 13.7 van de Conferentie van de Partijen bij de CITES blijkt dus dat het ontbreken van een commercieel oogmerk een doorslaggevend criterium is voor de kwalificatie van het ingevoerde specimen als ‘persoonlijke bezitting of huisraad’, welke uitlegging ook wordt bevestigd door de doelstellingen van verordening nr. 338/97.
34
In dit verband dient in de derde plaats in herinnering te worden gebracht dat de beschermingsregeling die voor specimens van in de bijlagen A en B bij verordening nr. 338/97 genoemde soorten is ingevoerd, tot doel heeft een zo volledig mogelijke bescherming van de in het wild levende dier- en plantensoorten te verzekeren door controle op het desbetreffende handelsverkeer, met inachtneming van de doelstellingen, beginselen en bepalingen van de CITES (arrest van 4 september 2014, Sofia Zoo, C-532/13, EU:C:2014:2140, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
Resolutie 13.7 van de Conferentie van de Partijen bij de CITES preciseert in de preambule dat specimens van de in bijlage I bij deze overeenkomst genoemde soorten, waaronder steuren, in het land van invoer niet voor hoofdzakelijk commerciële doeleinden mogen worden gebruikt.
36
Derhalve blijkt uit zowel de context als de doelstellingen van verordening nr. 338/97 dat een dood specimen, een deel van een specimen of een daarvan afgeleid product, zoals steurkaviaar, niet kan worden aangemerkt als ‘persoonlijke bezitting of huisraad’ in de zin van artikel 7, punt 3, van die verordening, wanneer de importeur een commercieel doel nastreeft. Daarentegen mag die kaviaar wel zo worden gekwalificeerd wanneer die op persoonlijke titel en voor niet-commerciële doeleinden wordt gehouden of in bezit is, ongeacht of de kaviaar al dan niet bestemd is om cadeau te worden gedaan aan een derde.
37
Gelet op voorgaande overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 7, punt 3, van verordening nr. 338/97 aldus moet worden uitgelegd dat steurkaviaar bij het binnenbrengen ervan in het douanegebied van de Unie kan worden beschouwd als ‘persoonlijke bezitting of huisraad’ in de zin van die bepaling wanneer deze bestemd is om cadeau te worden gedaan aan een derde, voor zover nergens uit blijkt dat er sprake is van een commercieel doel, en aldus in aanmerking kan komen voor de in die bepaling vastgestelde afwijking van de verplichting voor de importeur om een invoervergunning over te leggen.
Eerste vraag
38
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 57, lid 5, onder a), van verordening nr. 865/2006 aldus moet worden uitgelegd dat alleen de hoeveelheid ingevoerde steurkaviaar die het maximum van 125 g per persoon overschrijdt door de douaneautoriteit in beslag moet worden genomen op grond dat de importeur niet in het bezit is van een voor de verrichte invoer afgegeven vergunning, en niet de volledige hoeveelheid die het douanegebied van de Unie is binnengebracht.
39
Volgens de in punt 25 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.
40
In dit verband moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat er krachtens artikel 57, lid 5, onder a), van verordening nr. 865/2006 voor het binnenbrengen in het douanegebied van de Unie van steurkaviaar tot maximaal 125 g per persoon geen verplichting op de importeur rust om aan de bevoegde douaneautoriteit een invoervergunning over te leggen.
41
Derhalve moet worden vastgesteld dat uit de bewoordingen van deze bepaling als zodanig niet kan worden afgeleid wat de gevolgen van overschrijding van dit maximum van 125 g zijn voor het bepalen van de hoeveelheid steurkaviaar die door de bevoegde douaneautoriteit in beslag moet worden genomen.
42
Wat vervolgens de context van deze bepaling betreft, moet worden opgemerkt dat in artikel 4, lid 2, van verordening nr. 338/97 het beginsel is geformuleerd dat voor het binnenbrengen van specimens van in bijlage B genoemde soorten een door een administratieve instantie van de lidstaat van bestemming afgegeven invoervergunning moet worden overgelegd.
43
Hieruit volgt dat artikel 57, lid 5, onder a), van verordening nr. 865/2006, door de importeur van steurkaviaar vrij te stellen van de verplichting om een invoervergunning over te leggen wanneer het maximum van 125 g per persoon wordt nageleefd, een afwijking vormt van het beginsel van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 338/97 en bijgevolg strikt moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 17 januari 2013, Commissie/Spanje, C-360/11, EU:C:2013:17, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
Wat ten slotte de doelstellingen van verordening nr. 338/97 betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat deze verordening volgens artikel 1 ervan en zoals vermeld in punt 34 van het onderhavige arrest tot doel heeft een zo volledig mogelijke bescherming van de in het wild levende dier- en plantensoorten te verzekeren door controle op het desbetreffende handelsverkeer.
45
Een dergelijke bescherming kan alleen worden gewaarborgd indien de in artikel 57, lid 5, onder a), van verordening nr. 865/2006 vastgestelde afwijking beperkt blijft tot de invoer van geringe hoeveelheden steurkaviaar en dus alleen indien de bevoegde douaneautoriteit de volledige hoeveelheid in het douanegebied van de Unie binnengebrachte steurkaviaar in beslag neemt.
46
Een tegenovergestelde uitlegging, volgens welke de douaneautoriteit in het kader van deze afwijking alleen de hoeveelheid steurkaviaar die het maximum van 125 g per persoon overschrijdt in beslag moet nemen, zou er bovendien op neerkomen — zoals de Tsjechische regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft benadrukt — dat de invoer, zonder invoervergunning, van dergelijke van specimens van de in bijlage B bij verordening nr. 338/97 opgenomen soorten afgeleide producten wordt aangemoedigd, en dat voorbij wordt gegaan aan het in overweging 12 van die verordening en in de overwegingen 2 en 6 van verordening nr. 865/2006 gestelde doel om de douaneprocedures te vergemakkelijken en doeltreffende controles te verzekeren.
47
In dit verband blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het Finanzgericht Düsseldorf heeft geoordeeld dat het Hauptzollamt B twee blikken steurkaviaar van elk 50 g, dus in totaal 100 g per persoon, aan verzoekster had moeten teruggeven. Naast het feit dat XY hierbij het voordeel wordt ontnomen van de aanvullende 25 g steurkaviaar die zij, gelet op het genoemde maximum van 125 g per persoon, mocht invoeren zonder daartoe een invoervergunning over te leggen, toont deze beoordeling evenwel aan hoe ingewikkeld de procedures zijn waarmee de douaneautoriteiten zouden kunnen worden geconfronteerd indien alleen het teveel aan steurkaviaar in beslag zou moeten worden genomen.
48
Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat op de eerste vraag moet worden geantwoord dat artikel 57, lid 5, onder a), van verordening nr. 865/2006 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer de hoeveelheid het douanegebied van de Unie binnengebrachte steurkaviaar het maximum van 125 g per persoon overschrijdt en de importeur niet in het bezit is van een daarvoor afgegeven invoervergunning, de volledige hoeveelheid aldus ingevoerde steurkaviaar door de bevoegde douaneautoriteit in beslag moet worden genomen.
Kosten
49
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 7, punt 3, van verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier-en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1320/2014 van de Commissie van 1 december 2014, moet aldus worden uitgelegd dat steurkaviaar bij het binnenbrengen ervan in het douanegebied van de Europese Unie kan worden beschouwd als ‘persoonlijke bezitting of huisraad’ in de zin van die bepaling wanneer deze bestemd is om cadeau te worden gedaan aan een derde, voor zover nergens uit blijkt dat er sprake is van een commercieel doel, en aldus in aanmerking kan komen voor de in die bepaling vastgestelde afwijking van de verplichting voor de importeur om een invoervergunning over te leggen.
- 2)
Artikel 57, lid 5, onder a), van verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 338/97, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2015/870 van de Commissie van 5 juni 2015, moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer de hoeveelheid het douanegebied van de Unie binnengebrachte steurkaviaar het maximum van 125 gram per persoon overschrijdt en de importeur niet in het bezit is van een daarvoor afgegeven invoervergunning, de volledige hoeveelheid aldus ingevoerde steurkaviaar door de bevoegde douaneautoriteit in beslag moet worden genomen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑05‑2021