Hof Den Haag, 20-09-2022, nr. 22-000310-21
ECLI:NL:GHDHA:2022:1891
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
20-09-2022
- Zaaknummer
22-000310-21
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2022:1891, Uitspraak, Hof Den Haag, 20‑09‑2022; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:586
Uitspraak 20‑09‑2022
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
Rolnummer: 22-000310-21
Parketnummers: 09-210281-19 en 09-040328-19
Datum uitspraak: 20 september 2022
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 januari 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het – na doornummering van de feiten uit beide dagvaardingen – onder 1 impliciet primair tenlastegelegde (poging tot doodslag) vrijgesproken en ter zake van het onder
1 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling), 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 279 dagen, met aftrek van de in de zaak met parketnummer 09-210281-19 doorgebrachte tijd in voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen, met aftrek van de in de zaak met parketnummer 09-040328-19 doorgebrachte tijd in voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen rechtsmiddel van 2 februari 2021 is namens de verdachte beperkt appel ingesteld tegen het vonnis, in die zin dat het appel uitsluitend is gericht tegen de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (parketnummer 09-210281-19). Het hoger beroep van de verdachte is derhalve niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde (parketnummer 09-040328-19).
De officier van justitie heeft geen appel ingesteld.
Het voorgaande brengt mee, dat het hof - nu in eerste aanleg ter zake van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten één hoofdstraf is uitgesproken - op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering alsnog een hoofdstraf voor het in eerste aanleg onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde zal bepalen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2022 - tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 30 augustus 2019 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een (nn) persoon opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een (doorgeladen)vuurwapen in de richting van die persoon te lopen en/of in de richting van die persoon te schieten, althans kort voor die persoon op de grond te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 augustus 2019 in de [straat 1] te Gouda een (NN) persoon en/of een of meer omstander(s) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen te tonen en/of deze door te laden en/of deze te richten op die NN persoon en/of een kogel af te vuren op de grond;
2.
hij op of omstreeks 30 augustus 2019 te Gouda een (NN) persoon en/of een of meer omstander(s) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen te tonen en/of deze door te laden en/of deze te richten op die NN persoon en/of een kogel af te vuren op de grond.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het onder 1 primair, impliciet primair en impliciet subsidiair, tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 99 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Feit 1 primair, impliciet primair:
Met de verdediging en het Openbaar Ministerie acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 30 augustus 2019 schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, zodat de verdachte van het onder
1 primair, impliciet primair tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken.
Feit 2:
Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2022 is de tenlastelegging ten aanzien van feit 1 gewijzigd, in die zin dat als subsidiair feit is toegevoegd: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van een (NN) persoon en/of een of meer omstander(s) op 30 augustus 2019 in de [straat 1] te Gouda. Door deze wijziging van de tenlastelegging acht het hof voldoende duidelijk dat de opsteller van de tenlastelegging in hoger beroep met het onder 2 tenlastegelegde het oog heeft gehad op een bedreiging die - kort na het schietincident zoals onder feit 1 primair is tenlastegelegd - in de [straat 2] te Gouda zou hebben plaatsgevonden. De advocaat-generaal heeft ook op basis van deze lezing van de tenlastelegging zijn eis geformuleerd en aan het hof voorgelegd. Anders dan de raadsman is het hof daarom van oordeel dat de onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde bedreigingen betrekking hebben op twee verschillende momenten en niet zien op een en hetzelfde moment.
Het hof acht evenwel niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 tenlastegelegde bedreiging. Op grond van de ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 januari 2021 afgelegde verklaring van de verdachte omtrent dit incident alsmede het proces-verbaal aangaande het uitkijken van de camerabeelden in relatie tot hetgeen het hof tijdens het beraad in raadkamer op deze camerabeelden heeft waargenomen, heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat de verdachte op het moment dat hij zich in de [straat 2], kennelijk naar (een) perso(o)n(en) die achter hem liep(en), omdraait en zijn arm naar voren strekt, een vuurwapen in zijn hand heeft zoals hem blijkens de tenlastelegging wordt verweten. Het hof spreekt de verdachte dan ook van dit feit vrij.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op of omstreeks 30 augustus 2019 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een (nn) persoon opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een (doorgeladen) vuurwapen in de richting van die persoon is gelopen en/of in de richting van die persoon te schieten, althans kort voor die persoon op de grond heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Feit 1 primair, impliciet subsidiair:
In hoger beroep hebben zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de onder 1 primair, impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voorwaardelijk opzet.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat de verdachte op
30 augustus 2019 een vuurwapen dat zijn vriend vasthad heeft gepakt, zich heeft omgedraaid, dit vuurwapen heeft doorgeladen, op een persoon is afgelopen met het vuurwapen op die persoon gericht, de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald en vlak voor de voeten van die persoon op de grond heeft geschoten.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte bij zijn bewezenverklaarde handelen voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de persoon voor wiens voeten hij op de grond schoot.
Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een ander als gevolg van het door de verdachte aangewende geweld zwaar lichamelijk letsel oploopt. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat een verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is
verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat - behoudens contra-
indicaties - de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.
De verdachte is doelgericht met een doorgeladen vuurwapen op een persoon afgelopen en heeft vervolgens vlak voor de voeten van deze persoon op de grond geschoten. Een deel van het patroon heeft de schoen en sok van die persoon geraakt en een brandplek veroorzaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte naar het oordeel van het hof de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de kogel die werd afgevuurd na het raken van de grond zou afketsen (een zogeheten ricochetschot) en, door de ongecontroleerde richting die een dergelijke kogel kan nemen, deze persoon in zijn benen of voeten zou treffen die dientengevolge zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachtes gedragingen – het (af)pakken van het wapen, zich omdraaien, in de richting van de persoon lopen, het doorladen van het vuurwapen, het vervolgens (verder) op de persoon aflopen, het vuurwapen op die persoon richten en het vlak voor die persoon overhalen van de trekker – kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm bovendien worden aangemerkt als zozeer gericht op dit gevolg (het toebrengen van ernstig letsel aan die persoon) dat de verdachte naar het oordeel van het hof de aanmerkelijke kans dat zijn handelen tot zwaar lichamelijk letsel zou leiden, ook welbewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is naar het oordeel van het hof hier geen sprake.
Gelet op het vorenoverwogene acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair, impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling door ’s nachts op straat midden in een druk uitgaansgebied in Gouda een doorgeladen vuurwapen op een persoon te richten en met dit vuurwapen, op korte afstand van deze persoon, op de grond te schieten. De verdachte heeft daarbij op geen enkele wijze rekening gehouden met omstanders en door het vuurwapen op deze wijze te gebruiken zeer gevaarlijk gehandeld. Een dergelijk handelen in het uitgaansleven draagt bij aan gevoelens van onveiligheid en onbehagen in de samenleving. Daarnaast moet tegen het onbevoegd bezit van vuurwapens krachtig worden opgetreden, nu de aanwezigheid van vuurwapens het gebruik ervan vergemakkelijkt en daarmee bevordert, hetgeen ook in de onderhavige zaak is gebleken. Het aantal slachtoffers van vuurwapengeweld, waaronder dodelijk,
en de (mede) daardoor veroorzaakte gevoelens van onveiligheid in de samenleving onderstrepen de noodzaak hiervan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
12 augustus 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden, aangezien het hoger beroep op 2 februari 2021 is ingesteld en de stukken van het geding eerst op 23 december 2021 – en dus niet binnen acht maanden – ter griffie van het hof zijn ontvangen. Het hof heeft ook de gehele duur van de procedure in ogenschouw genomen. Gelet op de geringe overschrijding van bedoelde termijn kan naar het oordeel van het hof, gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad in deze, evenwel met de enkele constatering van deze schending worden volstaan.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - een passende en geboden reactie vormt.
Strafbepaling ex artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering
Nu in eerste aanleg ter zake van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten één hoofdstraf is uitgesproken zal het hof op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering een hoofdstraf bepalen voor het in eerste aanleg onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde.
Gelet op de aard en ernst van de door de rechtbank onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten zal hof ten aanzien van die feiten – met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht - de op te leggen straf bepalen op een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van de in de zaak met parketnummer 09-040328-19 doorgebrachte tijd in voorarrest.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder
1 primair, impliciet primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het 1 primair, impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 279 (tweehonderdnegenenzeventig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in de zaak met parketnummer 09-210281-19 in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt de straf voor het door de rechtbank onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde op een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in de zaak met parketnummer 09-040328-19 in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. A.M.P. Gaakeer, mr. O.M. Harms en mr. M. Ferschtman, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 september 2022.
Mr. M. Ferschtman en mr. M. Bazuin zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.