Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/2.3
2.3 Wettelijke systematiek van opschortingsrechten
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950392:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/4; Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/14; Linssen 1993, p. 168-169 en Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 1992, p. 58.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 206. Daarom terecht merkt Hartkamp 1981, p. 230 op dat het algemene opschortingsrecht zelf ook ten behoeve van de rechtszekerheid is ‘uitgeschreven’.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 204. Zie ook p. 206-207. Zie voorts § 1.2. Opgemerkt zij dat een wettelijke bevoegdheid tot opschorting van de nakoming van een verbintenis ook onderhevig is aan de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, hetgeen tot de conclusie kan leiden dat de schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis toch niet mag uitstellen (zie hoofdstuk 6).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 207.
Aldus ook Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/348.
Het tweede lid bevat een proportionaliteitsvereiste: “In geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming is opschorting slechts toegelaten, voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.”
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 202.
Parl. Gesch. BW Boek 6 p. 996. Zie ook p. 993, alwaar de enac een ‘bijzondere vorm’ van het algemene opschortingsrecht is genoemd, en p. 207. Zie voorts Hof ’s-Hertogenbosch 17 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1540, r.o. 6.76. Stutterheim 1990, p. 145, is kritisch op ‘het ‘buiten-twijfel-stellen’ argument’, omdat ‘in art. 6:262 BW iets buiten twijfel [wordt] gesteld waar nimmer twijfel over was’.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:723, NJ 2020/168, m.nt. red. aant. (X/Medline Hardenberg), r.o. 3.2.1. Dat de Hoge Raad de formulering ‘in beginsel’ bezigt, houdt vermoedelijk verband met de vervolgens resterende vraag naar omstandigheden die aan het opschortingsrecht of de uitoefening daarvan in de weg kunnen staan. Zie daarover § 2.4 en hoofdstuk 6. Zie over het bestaan van voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen tussen wederkerige verbintenissen ook HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:970, RvdW 2023/724, r.o. 3.3.2.
Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/348; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/5; Krans & Wissink 2022/138; Asser/Sieburgh 6-III 2022/713; Asser/Sieburgh 6-I 2020/271 (“Het belangrijkste geval is art. 6:262 BW.”); Castermans & Krans, Samenloop (Mon. BW nr. A21) 2019/17; Asser/Hijma 7-I 2019/562 en 566; Van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A11) 2018/43; Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017/355; Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/14 en Hesselink 1999, p. 289. Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 209.
Zie voorts art. 6:46 lid 2, art. 6:49 lid 3 en art. 6:263 BW. Zie hierna art. 6:37 en art. 6:117 BW.
Deze afdeling is getiteld ‘Retentierecht’.
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 881. Aldus ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/271 met verwijzing bij wijze van voorbeeld naar HR 5 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9190, NJ 1992/226, m.nt. W.M. Kleijn (Breda/Antonius). Zie voorts Castermans & Krans, Samenloop (Mon. BW nr. A21) 2019/17 en Logmans 2011, p. 43, alsook bijv. Rb. Limburg (vzr.) 28 februari 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:1622, r.o. 4.9.
Zie § 3.3.3.
Zie in gelijke zin over de verhouding tussen de algemene opschortingsregeling en het retentierecht Krans & Wissink 2022/139; Snijders & Rank-Berenschot 2022/721; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/6; Asser/Sieburgh 6-I 2020/271; Asser/Van Mierlo & Krzemiński 3-VI 2020/497; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019/945; Klomp 2018c, aant. 4; Van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A11) 2018/43 en 49; Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/14 en Kruissen 2008, p. 32-33. Zie ook concl. A-G E.B. Rank-Berenschot 18 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1077, par. 2.4-2.5.
Resp. art. 5:100 lid 1 en 3 BW en art. 5:105 lid 3 BW. Zie voor een overzicht van wettelijke retentierechten Verstijlen 2023, aant. 3 en Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/16. Vgl. de opsomming in de Parl. Gesch. BW Boek 6 op p. 204 en 206-207. Zie bijv. Logmans 2011 over retentierechten op lading en Kruissen 2008 over retentierechten in het vervoer.
Krans & Wissink 2022/151.
Zie voor het ontbreken van wederzijds schuldenaarschap bijv. art. 6:53 BW en voor meer voorbeelden § 3.2. Zie in verband met niet-opeisbaarheid bijv. de opschortingsbevoegdheid na verjaring van de rechtsvordering op de wederpartij en in geval van ‘anticipatory breach’ (waarover § 3.5.2). Vgl. de onzekerheidsexceptie als bedoeld in art. 6:263 BW. Ook Van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A11) 2018/43 noemt de onzekerheidsexceptie veeleer een uitbreiding dan een toepassing van het algemene opschortingsrecht. Mogelijk dat de onzekerheidsexceptie in de parlementaire geschiedenis wel is beschouwd als een toepassing van het algemene opschortingsrecht (vgl. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 207 (referte aan art. 6.5.4.4)).
Zie over art. 6:37 BW Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/30 en Asser/Sieburgh 6-I 2020/232. Vgl. bijv. Rb. Rotterdam 5 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5590, r.o. 5.17. Als de rechter heeft besloten aan wie de schuldenaar dient te betalen, is een eventuele onduidelijkheid daarover weggenomen en slaagt het beroep op art. 6:37 BW niet (zie bijv. Rb. Den Haag 17 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8097, r.o. 4.9).
Zie over deze zaak HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:865, NJ 2023/346, m.nt. C.G. van der Plas(Krimschatten). Het hof oordeelde overigens dat de vraag of het Allard Pierson Museum opschortingsbevoegd was, diende te worden beantwoord naar Oekraïens recht (Hof Amsterdam 16 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2427, r.o. 4.7 en Hof Amsterdam 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3201, r.o. 3.34).
Art. 6:117 jo. 6:116 BW. Zie daarover Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/30; Asser/Sieburgh 6-II 2021/210-211. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is er slechts één uitspraak gepubliceerd waarin een beroep op art. 6:117 BW is gedaan (Rb. Rotterdam 13 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5913, r.o. 4.22). Een verklaring daarvoor zou gelegen kunnen zijn in de opmerking van Mijnssen, Verbintenissen tot betaling van een geldsom (Mon. BW nr. B39) 2017/8.1 dat deze opschortingsmogelijkheid van weinig praktisch belang is, nu doorgaans giraal kan worden betaald.
Zie Rb. Midden-Nederland 15 juni 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:2669, r.o. 4.16.2.
Zie over het al dan niet bestaan van een verplichting tot medewerking door de wederpartij aan de nakoming door de schuldenaar uitvoeriger Asser/Sieburgh 6-I 2020/291 en 292. De bestaande onduidelijkheid over de persoon van de wederpartij, de plaats van de betaling of de onderbouwing van de vordering verhindert weliswaar de nakoming door de schuldenaar en leidt mogelijk tot schuldeisersverzuim (art. 6:58 BW), maar dat betekent nog niet dat de wederpartij rechtens verplicht was tot de vereiste medewerking aan deze nakoming. Een opschortingsbevoegdheid in deze omstandigheden leidt daarom ook niet zonder meer tot schuldeisersverzuim op grond van art. 6:59 BW, omdat art. 6:59 BW een verplichting aan de zijde van de wederpartij vereist. Vgl. hierover voor wat betreft art. 6:37 BW ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/232.
Zie Asser/Sieburgh 6-I 2020/271 en Linssen 1993, p. 169. Vgl. § 3.3.3.
Afdeling 6.1.7 BW bevat algemene regels over opschortingsrechten. Tevens bevat het BW bijzondere opschortingsregelingen. Veel van deze bijzondere regelingen zijn toepassingen van het algemene opschortingsrecht. Enkele van deze regelingen bevatten bepalingen die aanvullend zijn op of afwijkend zijn van de algemene opschortingsregeling.1 Als een bijzondere regeling geen toepassing is van het algemene opschortingsrecht, kan dit recht of de algemene opschortingsregeling wel overeenkomstig van toepassing zijn op die bijzondere regeling.
De invoering van een algemene opschortingsmaatstaf in artikel 6:52 lid 1 BW beoogde de onder het oude BW bestaande moeilijkheid om vast te stellen hoever men mocht gaan met uitbreiding van de wettelijke opschortingsrechten door middel van uitleg, analogische toepassing of aan de hand van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, op te lossen.2 Dat maakte de codificatie van bijzondere opschortingsregelingen niet overbodig. Die codificatie is ingegeven door de in de praktijk geëiste rechtszekerheid:
“De algemene bepaling die in het onderhavige artikel is vervat, maakt dergelijke bijzondere regelingen niet overbodig. De schuldenaar die met beroep op dit artikel de nakoming van zijn verbintenis opschort, loopt een zeker risico; hij staat er aan bloot, dat de rechter over de vraag wat redelijkheid en billijkheid in het concrete geval meebrengen, een ander oordeel zal hebben. De praktijk eist echter, dat voor bepaalde groepen van gevallen de schuldenaar in de wet zelf kan lezen, dat hij de nakoming van zijn verbintenis mag opschorten. In deze behoefte voorzien een aantal bepalingen in het ontwerp, die voor bijzondere gevallen de bevoegdheid tot opschorting buiten twijfel stellen.”3
De bedoelde bijzondere gevallen worden de ‘voor de praktijk belangrijkste gevallen’ genoemd.4 De meest in het oog springende bijzondere gevallen zijn de enac en het retentierecht.5
De enac is een bijzondere toepassing van het algemene opschortingsrecht. De enac geldt voor wederkerige overeenkomsten of andere rechtsbetrekkingen die strekken tot het wederzijds verrichten van prestaties, voor zover de aard van die rechtsbetrekkingen zich daartegen niet verzet, als bedoeld in artikel 6:261 BW. Komt een van de partijen haar verbintenis niet na, dan is de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten (art. 6:262 lid 1 BW).6 Tussen wederkerige verbintenissen bestaat voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen als bedoeld in artikel 6:52 lid 1 BW. Artikel 6:52 BW ligt ten grondslag aan de enac en ten aanzien van de regeling van de enac is volstaan met een opsomming van de punten waarop van dat artikel wordt afgeweken.7 In de parlementaire geschiedenis is de enac een ‘toepassing van de hoofdregel’ in artikel 6:52 BW genoemd en opgemerkt dat die ‘buiten twijfel’ stelt dat aan de vereisten van het algemene opschortingsrecht is voldaan.8 De Hoge Raad heeft overwogen dat wanneer de verplichtingen tussen partijen over en weer kwalificeren als wederkerige verbintenissen, dit impliceert dat tussen deze verbintenissen in beginsel eveneens voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen als bedoeld in artikel 6:52 lid 1 BW.9 Ook in de literatuur wordt algemeen aangenomen dat de enac een verbijzondering is van het algemene opschortingsrecht.10 Boek 6 BW bevat ook elders nog opschortingsrechten voor specifieke gevallen, zoals de bevoegdheid van de schuldenaar om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten als zijn wederpartij voor de voldoening geen kwitantie wil afgeven (art. 6:48 lid 3 BW).11
Een andere in het oog springende bijzondere opschortingsregeling is het reeds genoemde retentierecht. Retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan (art. 3:290 BW). Tot de bij de wet aangegeven gevallen behoort het algemene opschortingsrecht. Voor zover de verplichting tot afgifte van een zaak tevens een verbintenis is, heeft de schuldenaar een retentierecht. Dit volgt ook uit de algemene opschortingsregeling. Artikel 6:57 BW bepaalt dat wanneer een bevoegdheid tot opschorting – als bedoeld in artikel 6:52 BW – eveneens voldoet aan de omschrijving van het retentierecht, de bepalingen van afdeling 6.1.7 BW van toepassing zijn, voor zover daarvan in afdeling 3.10.4 BW niet is afgeweken.12 Alleen in dat geval is het retentierecht een bijzondere regeling van het algemene opschortingsrecht.13 De algemene opschortingsregeling kan van overeenkomstige toepassing zijn in het geval waarin de afgifteverplichting niet tevens een verbintenis is.14 Ook in dat geval bestaat dan een retentierecht, ondanks dat dit geen specifiek bij wet aangegeven geval betreft. Tevens bevat het BW diverse bepalingen die een retentierecht toekennen in specifieke gevallen.15 Zie bijvoorbeeld het retentierecht in geval van erfpacht of opstal.16
Ook zonder dat aan de vereisten van het algemene opschortingsrecht is voldaan, kan een schuldenaar die zowel een verbintenis als een vordering heeft, opschortingsbevoegd zijn. Dit worden wel ‘uitbreidingen’ daarvan genoemd.17 Een schuldenaar kan bijvoorbeeld opschortingsbevoegd zijn, terwijl wederzijds schuldenaarschap ontbreekt of zijn vordering niet opeisbaar is.18 De opschortingsbevoegdheid ontleent de schuldenaar dan wel aan artikel 6:52 BW.
In de voornoemde gevallen schort de schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis of verplichting op in verband met een met die verbintenis samenhangende vordering. Een schuldenaar kan op grond van de wet ook een opschortingsrecht hebben zonder dat sprake is van wederzijdse verbintenissen. Wettelijke voorbeelden daarvan zijn geregeld in artikel 6:37 en 6:117 BW. Op grond van artikel 6:37 BW is de schuldenaar die op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling moet geschieden, bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten.19 De procedure over de door het Allard Pierson Museum terug te geven Krimschatten heeft de bekendheid met dit opschortingsrecht waarschijnlijk vergroot. Het museum twijfelde aan wie het de geleende kunst moest teruggeven, omdat meerderen daarop aanspraak maakten. Daarom verkoos het museum zekerheid vooraf en stelde zijn teruggaveverplichting uit totdat duidelijk zou zijn wie aanspraak kon maken op deze kunst.20 Op grond van artikel 6:117 BW is de schuldenaar voor wie een betaling aanmerkelijk bezwaarlijker is geworden door de aanwijzing van een andere plaats voor de betaling dan de woonplaats van de schuldeiser op het moment van het ontstaan van de verbintenis, opschortingsbevoegd.21 Voorts kan onder omstandigheden een schuldenaar een opschortingsbevoegdheid hebben tot het moment waarop zijn wederpartij hem een deugdelijke onderbouwing heeft gegeven van haar vordering.22 De in deze gevallen voor de nakoming door de schuldenaar vereiste medewerking van de wederpartij, die eruit bestaat dat zij klaarheid schept over de vraag aan wie de betaling moet geschieden, ter plaatse waar de betaling mag geschieden of waarop de vordering is gebaseerd, berust niet zonder meer op een verbintenis.23 Daarom zijn deze opschortingsrechten geen bijzondere regelingen van het algemene opschortingsrecht.24 Niettemin wordt wel aangenomen dat de daarvoor geschikte bepalingen uit de algemene opschortingsregeling op die opschortingsrechten van overeenkomstige toepassing zijn.25