Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/1008
Mishandeling (art. 300 lid 1 Sr) en belaging (art. 285b lid 1 Sr) van ex-partner. 1. Omvang van cassatieberoep. Aan cassatieakte gehechte brief houdt in dat advocaat aan griffier bijzondere volmacht heeft verleend om cassatieberoep in te stellen ‘tegen bewezenverklaring van het meer subsidiaire feit 3’, maar cassatieakte maakt geen melding van deze beperking. 2. Voldoende precieze omschrijving van gebiedsverbod als vrijheidsbeperkende maatregel, art. 38v lid 2 sub a Sr. Kon hof oordelen dat verdachte zich niet zal ophouden binnen 2 kilometer rond woonadres van aangeefster, ‘thans bekend als’ adres A? 3. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Is sprake van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106 sub b BW? Ad 1. Cassatieberoep kan o.g.v. art. 429 Sv worden beperkt tot (o.m.) een van de in art. 348 tot en met art. 350 Sv genoemde beslissingen, als de o.g.v. die bepalingen daarop voortbouwende of daarmee onlosmakelijk verbonden beslissingen niet zijn uitgezonderd. Dat betekent dat cassatieberoep niet kan worden beperkt tot bewezenverklaring (vgl. HR 31 mei 2013, NJ 2018/59, m.nt. P.A.M. Mevis). Bij vaststellen van omvang van cassatieberoep pleegt de Hoge Raad de akte a.b.i. art. 451 lid 1 Sv tot uitgangspunt te nemen. Daarvan kan worden afgeweken als o.g.v. tekst van schriftelijke bijzondere volmacht kan worden vastgesteld dat in akte de omvang van cassatieberoep, zoals daarvan blijk is gegeven in die volmacht, a.g.v. ambtelijk verzuim niet op juiste wijze is verwoord. In deze zaak gaat de Hoge Raad echter voorbij aan tekst van schriftelijke bijzondere volmacht. Daarin opgenomen beperking is niet in overeenstemming met wat hiervoor is overwogen, terwijl de Hoge Raad in het licht van inhoud van akte partiële intrekking cassatieberoep en schriftuur geen aanleiding ziet inhoud van schriftelijke bijzondere volmacht zo op te vatten dat verdachte uitsluitend beslissingen m.b.t. feit 3 meer subsidiair (mishandeling) aan oordeel van de Hoge Raad heeft willen onderwerpen. De Hoge Raad duidt daarom cassatieberoep zo dat het is gericht tegen beslissingen van hof over het onder 3 meer subsidiair en onder 4 tlgd. Ad 2. Door hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel is in strijd met art. 38v lid 2 sub a Sr v.zv. deze inhoudt dat verdachte zich niet zal ophouden binnen 2 kilometer gemeten rond woonadres van aangeefster, ‘thans bekend als’ adres A, omdat in zoverre niet voldoende precieze omschrijving van gebied waarbinnen verdachte zich niet mag bevinden is geformuleerd (vgl. HR 12 maart 2029, NJ 2019/229, m.nt. W.H. Vellinga). De Hoge Raad merkt op dat sinds 1 januari 2023 art. 6:6:23a1 Sv mogelijkheid biedt om inhoud van vrijheidsbeperkende maatregel te wijzigen. O.g.v. art. 6:6:1 lid 1 Sv kan rechter hiertoe overgaan op vordering van OvJ, op verzoek van veroordeelde, of ambtshalve. De Hoge Raad doet zaak in zoverre zelf af en vernietigt vrijheidsbeperkende maatregel v.zv. deze inhoudt dat verdachte zich niet zal ophouden binnen 2 kilometer gemeten rond woonadres van aangeefster, ‘thans bekend als’ adres A, zodat resteert bevel dat verdachte zich niet zal ophouden binnen 2 kilometer gemeten rond woonadres van aangeefster, adres A. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 28 mei 2019, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga m.b.t. aantasting in persoon ‘op andere wijze’. Hof heeft geoordeeld dat niet alleen bewezenverklaarde mishandeling, maar ook bewezenverklaarde belaging tot ontstaan van immateriële schade van b.p. heeft geleid. Daarbij houdt toekenning door hof van bedrag aan immateriële schadevergoeding kennelijk niet alleen verband met opgelopen lichamelijk letsel maar ook met aantasting op andere wijze in persoon a.g.v. inbreuk op persoonlijke levenssfeer van b.p. Het in beslissing van hof besloten liggende oordeel dat bewezenverklaarde feiten hebben geleid tot aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106 sub b BW is (ook als daarbij in aanmerking wordt genomen wat door b.p. ter onderbouwing van die vordering is aangevoerd, dat er op neerkomt dat gevoelens van angst en onveiligheid zijn ontstaan) niet toereikend gemotiveerd. Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, NJ 2019/380, m.nt. W.H. Vellinga). Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. beslissing over de door b.p. gevorderde immateriële schadevergoeding en oplegging van schadevergoedingsmaatregel. CAG: anders t.a.v. omvang van cassatieberoep.
HR 09-09-2025, ECLI:NL:HR:2025:1220
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
9 september 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, C. Caminada, T.B. Trotman
- Zaaknummer
23/00405
- Conclusie
A-G mr. P.M. Frielink
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1220, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:614, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑05‑2025
Essentie
Mishandeling (art. 300 lid 1 Sr) en belaging (art. 285b lid 1 Sr) van ex-partner. 1. Omvang van cassatieberoep. Aan cassatieakte gehechte brief houdt in dat advocaat aan griffier bijzondere volmacht heeft verleend om cassatieberoep in te stellen ‘tegen bewezenverklaring van het meer subsidiaire feit 3’, maar cassatieakte maakt geen melding van deze beperking. 2. Voldoende precieze omschrijving van gebiedsverbod als vrijheidsbeperkende maatregel, art. 38v lid 2 sub a Sr. Kon hof oordelen dat verdachte zich niet zal ophouden binnen 2 kilometer rond woonadres van aangeefster, ‘thans bekend als’ adres A? 3. Vordering ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.