Adviesrapport Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Het perspectiefbesluit in de jeugdbescherming, 2020
Hof 's-Hertogenbosch, 02-11-2023, nr. 200.312.964, 01
ECLI:NL:GHSHE:2023:3628
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
02-11-2023
- Zaaknummer
200.312.964_01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2023:3628, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 02‑11‑2023; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2022:1798
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2023:883
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2022:4162
ECLI:NL:GHSHE:2023:883, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 16‑03‑2023; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2023:3628
ECLI:NL:GHSHE:2022:4162, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 01‑12‑2022; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2023:3628
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2022:1798
- Wetingang
art. 262b Burgerlijk Wetboek Boek 1
art. 262b Burgerlijk Wetboek Boek 1
- Vindplaatsen
Jeugdrecht.nl JR-2022-0081
JR-Updates.nl 2022-0081
PFR-Updates.nl 2022-0081
Uitspraak 02‑11‑2023
Inhoudsindicatie
het hof komt terug op een eerdere beslissing waarbij het hof de GI ontvankelijk heeft verklaard in het verzoek tot toetsing van het perspectiefbesluit op grond van artikel 1:262b BW. Het hof verklaart de GI alsnog niet-ontvankelijk in het verzoek tot toetsing van het perspectiefbesluit.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 2 november 2023
Zaaknummer: 200.312.964/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/379300 / JE RK 22-201
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.A.M. Brugman,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;
en
- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de pleegouders van minderjarige 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 1] .
Als informanten in deze zaak worden aangemerkt:
[de voormalige pleegouders van minderjarige 2] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: de voormalige pleegouders van [minderjarige 2] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
9. De beschikking d.d. 16 maart 2023
Bij die (tussen)beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen met betrekking tot hetgeen in die beschikking onder rechtsoverweging 7.18 is overwogen en voor de pro forma datum van 18 juli 2023 rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten en partijen.
Het hof heeft iedere verdere beslissing pro forma aangehouden tot 18 juli 2023.
10. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
10.1.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 september 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Brugman;
-de GI vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1 van de GI] en [vertegenwoordiger 2 van de GI] ;
- de raad vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de pleegouders van [minderjarige 1] en de voormalige pleegouders van [minderjarige 2] .
10.2.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het rapport van de raad d.d. 30 mei 2023;
- de brief van de advocaat van de moeder d.d. 13 juli 2023;
- de brief van de GI d.d. 17 juli 2023;
- het emailbericht van de GI d.d. 14 september 2023 over de aanwezigheid op de mondelinge behandeling van de voormalige pleegouders van [minderjarige 2] .
10.3.
De minderjarige [minderjarige 1] is voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 16 januari 2023 in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt. Het hof heeft het in haar belang geacht haar niet nog een keer op te roepen voor een kindgesprek gelet op recente ontwikkeling in de jurisprudentie betreffende het perspectiefbesluit.
10.4.
Als gevolg van een beslissing van de verschoningskamer van het hof van 28 augustus 2023 is de samenstelling van de behandelend kamer in de onderhavige zaak gewijzigd. Partijen zijn hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld en daarbij geïnformeerd over de wijziging in de samenstelling van de behandelend kamer vanaf dat moment.
11. De verdere beoordeling
De feiten
11.1.
Voor de feiten verwijst het hof naar de tussenbeschikkingen van 1 december 2022 en 16 maart 2023.
11.2.
In het raadsrapport van 30 mei 2023 heeft de raad het hof - kort gezegd - geadviseerd om het hoger beroep van moeder af te wijzen en in te stemmen met het perspectiefbesluit van
de GI, te weten de beslissing dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien.
11.3.
De raad adviseert voor [minderjarige 1] dat het perspectief niet bij moeder ligt, maar bij het
netwerkpleeggezin, waar zij momenteel verblijft. De raad adviseert ook voor [minderjarige 2] dat het perspectief voor hem niet bij moeder ligt. Aangezien de situatie in het pleeggezin te complex is geworden, wordt er momenteel gezocht naar een passende plek voor [minderjarige 2] , waar hij ook behandeling kan krijgen. Van daaruit zal bekeken moeten worden waar hij verder op kan groeien. De raad vindt tot slot dat de huidige contactregeling tussen de kinderen en de moeder aandacht behoeft.
11.4.
De moeder erkent dat de terugplaatsing van de kinderen nu niet mogelijk is. De moeder wil wel graag dat de kinderen uiteindelijk naar huis komen. Ten aanzien van [minderjarige 1] , voor wie de aanvaardbare termijn nog niet lijkt te zijn verstreken, meent de moeder dat zij nog wel wat langer in een situatie kan verkeren waarin er nog geen definitieve beslissing wordt genomen. De moeder wil ten aanzien van [minderjarige 2] rust voor hem. Het is haar wens dat er over twee jaar opnieuw wordt gekeken of een terugplaatsing bij haar mogelijk is. Vooral het feit dat hij zo ver weg woont, is niet wenselijk. Voor het verdere herstel van de moeder is het essentieel om te werken naar een terugplaatsing bij haar thuis.
Nu vooruitgang bij de moeder zichtbaar is, is een definitief perspectiefbesluit nog altijd te vroeg. De moeder handhaaft daarom haar verzoeken en verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen.
11.5.
De GI benadrukt in de brief van 17 juli 2023 dat de reactie van de moeder (op het raadsrapport) onjuistheden bevat. De GI heeft de omgang aangepast ten aanzien van [minderjarige 1] gelet op hetgeen is opgenomen in het raadsadvies en niet omdat er vooruitgang bij de moeder zichtbaar is. Daarbij komt dat de omgang op 11 juli 2023 niet door is gegaan omdat er bij de GI signalen binnenkwamen dat de moeder gedronken had. Volgens de GI is de situatie van de moeder verre van stabiel. De GI concludeert dat de beslissing omtrent het perspectiefbesluit voor beide kinderen noodzakelijk is om de kinderen houvast te geven zodat zij zich op hun toekomst kunnen richten en zich goed kunnen ontwikkelen zonder onzekerheid en onduidelijkheid.
11.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI haar zorgen geuit over [minderjarige 2] . De recente crisisplaatsing heeft veel impact op hem gehad. De onzekerheid over de eventuele terugkeer naar de moeder kan hij er niet bij hebben. Hij heeft een muur om zich heen opgebouwd en wil er niet over praten. De voor hem ingezette therapie bevindt zich nog in een voorstadium. Voor het slagen van zijn traumaverwerking is het eerst nodig dat er met hem wordt gewerkt aan zijn emotieregulatie. Ten aanzien van [minderjarige 1] benoemt de GI dat zij het op veel fronten goed doet, maar dat er desondanks wel zorgen over haar zijn. Vanuit de GI is daarom een ervaringsdeskundige ingezet om haar te helpen. Ook [minderjarige 1] heeft rust en duidelijkheid nodig. De GI hoopt dat de (door de raad geadviseerde) aanpassingen in de omgang met de moeder helpend zijn voor [minderjarige 1] .
11.7.
De raad benoemt dat het voor de kinderen van groot belang is dat de moeder zich kan neerleggen bij het perspectiefbesluit van de GI. Volgens de raad is dit voor de kinderen de enige manier om rust te vinden en niet langer in onzekerheid (over de plek waar zij zullen opgroeien) te verkeren. De raad benoemt ook te zien dat er aan de kant van de moeder geen sprake is van een gebrek aan motivatie maar dat er, als gevolg van haar verslaving, sprake is van verregaande onmacht.
De moeder is bij uitstek diegene die een belangrijke rol kan spelen in het verwerkingsproces van de kinderen. Wanneer de moeder afziet van de (juridische) procedures die zij nu voert, geeft zij een signaal aan de kinderen dat zij zich, in hun belang, neerlegt bij de situatie. Op die manier zullen de kinderen de erkenning voelen voor wat zij in de afgelopen jaren hebben meegemaakt en toekomen aan hun eigen ontwikkeling.
11.8.
Het hof oordeelt als volgt.
Na de tussenbeschikking van 16 maart 2023, en voor de mondelinge behandeling van 19 september 2023, heeft het hof kennisgenomen van de uitspraak van de Hoge Raad van
1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148). De Hoge Raad overweegt (rov. 3.5.1.) het volgende:
‘Uit het wettelijk stelsel zoals hiervoor in 3.2.1-3.4.5 weergegeven, volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. De tekst van art. 1:262b BW en de toelichting daarbij geven onvoldoende grond voor de rechtsopvatting dat een perspectiefbesluit via de geschillenregeling zelfstandig ter beoordeling, goedkeuring of bekrachtiging aan de kinderrechter kan worden voorgelegd.’
11.9.
De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Het hof is op grond van de genoemde uitspraak van de Hoge Raad tot de conclusie gekomen dat het in de overwegingen van de tussenbeschikking van 16 maart 2023 met toepassing van een onjuiste maatstaf heeft beslist. Het hof ziet daarom aanleiding om terug te komen op de overwegingen 7.11. en 7.14. van die tussenbeschikking.
11.10.
Het hof heeft het voorgaande besproken en toegelicht tijdens de mondelinge behandeling van 19 september 2023, waarop vervolgens partijen en belanghebbenden op hebben kunnen reageren.
11.11.
Nu uit het voorgaande volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd, kan het hof niet anders dan de GI alsnog niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek in eerste aanleg om op grond van de geschillenregeling van artikel 1:262b BW te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij de ouders zullen opgroeien. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling.
Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen.
12. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 april 2021;
verklaart de GI alsnog niet-ontvankelijk in haar inleidend verzoek aan de rechtbank om op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek in te stemmen met het opvoedbesluit van de GI dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij de ouders zullen opgroeien;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, A.J.F. Manders en E.M.D.M. van der Linden en is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 16‑03‑2023
Inhoudsindicatie
GI ontvankelijk in verzoek tot toetsing van het perspectiefbesluit op grond van artikel 1:262b BW. Hof gaat inhoudelijk beoordelen en houdt verdere beslissing aan voor onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 16 maart 2023
Zaaknummer: 200.312.964/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/379300 / JE RK 22-201
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.A.M. Brugman,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;
en
- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
Als informanten in deze zaak worden aangemerkt:
[de pleegmoeder 1] en [de pleegvader 1],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 1] ,
[de pleegvader 2] en [de pleegmoeder 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 2] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
5. De beschikking d.d. 1 december 2022
Bij die beschikking heeft het hof de moeder ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep. Verder heeft het hof bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op 16 januari 2023 en de GI in de gelegenheid gesteld nader verweer te voeren.
6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Brugman;
-de GI vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de raad vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de pleegvader van [minderjarige 1] en de pleegouders van [minderjarige 2] .
6.2.
Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
6.3.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het verweerschrift met bijlagen van de GI, ingekomen ter griffie op 23 december 2022;
- de brief van de GI aan de moeder van 24 september 2021 (welke brief als bijlage ontbrak bij het verweerschrift van de GI), ingekomen ter griffie op 10 januari 2023.
7. De verdere beoordeling
De feiten
7.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 14 mei 2021 onder toezicht van de GI en deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 14 mei 2023. Sinds medio april 2021 wonen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ieder in een netwerkpleeggezin, eerst op vrijwillige basis en vanaf 14 mei 2022 op grond van een daartoe strekkende machtiging tot uithuisplaatsing. Deze machtiging tot uithuisplaatsing loopt tot 14 mei 2023.
7.2.
In eerste aanleg heeft de GI aan de kinderrechter een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI heeft de kinderrechter verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) een beslissing te nemen over het onderhavige geschil, te weten: in te stemmen met het opvoedbesluit van de GI dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien.
7.3.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien.
7.4.
In de beschikking van 1 december 2022 heeft het hof beslist dat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek in het hoger beroep.
De standpunten
7.5.
Uit hetgeen de moeder in haar beroepschrift en op de voorgezette mondelinge behandeling van het hof naar voren heeft gebracht begrijpt het hof dat zij primair zich op het standpunt stelt dat de kinderrechter zich niet in het kader van de geschillenregeling van artikel 1:262b BW had mogen uitlaten over het perspectiefbesluit. Zij meent dat deze rechtsgang zich daartoe niet leent. Zij verzoekt derhalve het hof de bestreden beschikking te vernietigen en om de GI alsnog op die grond niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek in eerste aanleg.
Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de redenen die aan het perspectiefbesluit ten grondslag liggen niet de juiste zijn. Ingeval het hof toekomt aan een inhoudelijke toetsing moet als toets de aanvaardbare termijn gehanteerd worden om op die manier de belastbaarheid van de kinderen te beoordelen. In dat kader voert de moeder het volgende aan.
De GI heeft heel snel doorgepakt naar deze beslissing over het perspectief van de kinderen. Pas sinds mei 2021 is er een ondertoezichtstelling en een formele uithuisplaatsing. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen sinds 2020 (gedeeltelijk) niet thuis. Bij de moeder is in 2016 baarmoederhalskanker geconstateerd, waaraan zij in 2020 is geopereerd. Dit is een zware periode geweest voor de moeder en voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Moeder kampt sinds langere tijd ook met een alcoholverslaving, maar het gaat nu beter met haar.
De aanvaardbare termijn is voor ieder kind en ieder (pleeg)gezin anders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen een langere tijd onzekerheid over het perspectief waar ze opgroeien aan dan de GI stelt, zonder dat zij schade oplopen. Zij verblijven immers bij familie zodat hechting aan het pleeggezin, afkomst en loyaliteit een kleinere rol spelen; er zal altijd contact tussen alle betrokkenen blijven. Het gaat goed met de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben berust in de situatie dat zij, al dan niet tijdelijk, bij de familie blijven. Doordat hun situatie stabiel is, heeft de moeder de tijd om zich te herpakken en te versterken voor een toekomst als gezin. De moeder werkt hard aan haar herstel. Aansluitend aan de mondelinge behandeling in hoger beroep gaat zij voor zes weken naar [plaats] , voor een behandeling voor haar alcoholprobleem.
7.6.
De GI voert aan dat de geschillenregeling ex artikel 1:262b BW zich leent voor toetsing van het perspectiefbesluit. Een dergelijke besluit is van zodanig gewicht dat toetsing door de kinderrechter mogelijk moet zijn. Op die manier kan er rechtsbescherming worden geboden aan - in dit geval - de moeder. De minister heeft op landelijk niveau alle gecertificeerde instellingen dan ook gevraagd om dit soort besluiten op grond van deze geschillenregeling aan de rechter voor te leggen. Nu er op dit moment geen andere wettelijke mogelijkheid om het perspectiefbesluit te toetsen bestaat is de geschillenregeling de (enige) aangewezen route.
Als toets voor de juistheid van het besluit, moet worden gekeken naar wat voor de kinderen aanvaardbaar is: hoe het met de kinderen gaat en voor welke termijn ze onzekerheid omtrent hun perspectief aankunnen. In dat kader voert de GI in het geval van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het volgende aan.
Het klopt dat de kinderen zich momenteel positief ontwikkelen; dat proces is echter juist meer op gang gekomen sinds het perspectiefbesluit in december 2021. Wanneer het perspectief weer onzeker wordt en er opnieuw onderzocht moet worden of thuisplaatsing bij moeder nog mogelijk is, gaat dit weer voor onrust en onduidelijkheid zorgen en zal dit zeker merkbaar worden bij de kinderen. De aanvaardbare termijn is verstreken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben allebei veel meegemaakt in de thuissituatie bij moeder, zijn vervolgens verhuisd naar hun oma en daarna naar de huidige pleeggezinnen. Het lukt de moeder niet om langere tijd abstinent te zijn. De GI heeft niet de verwachting dat dit op korte termijn zal veranderen en de moeder in staat zal zijn om stabiliteit en zekerheid aan de kinderen te bieden. De GI maakt zich grote zorgen over de verslaving van de moeder en de incidenten die zich daardoor hebben voorgedaan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben lang genoeg moeten afwachten of er verbetering kwam in de situatie en verdienen nu rust en duidelijkheid. De kinderen hebben hulp bij hun traumaverwerking nodig: dat kan pas als er sprake is van duidelijkheid over hun perspectief. De GI heeft het proces dat tot dit besluit heeft geleid zorgvuldig doorlopen en daarbij ook een gedragswetenschapper betrokken. In december 2021 is uiteindelijk dit besluit genomen omdat de GI zag dat de moeder niet stabiel bleef en bleef terugvallen in alcoholmisbruik. Dit besluit is overigens niet op schrift gesteld of anderszins gedocumenteerd en voorafgaand aan het nemen ervan alleen intern besproken. Het besluit is meegedeeld aan de kinderen en de moeder en de omgang is aangepast: de moeder heeft nu één keer in de vier weken omgang.
Tot slot heeft de GI, in reactie op moeders stelling dat het veel beter met haar gaat, erop gewezen dat in de week voorafgaand aan de mondelinge behandeling de moeder nog met spoed naar de eerste hulp van een ziekenhuis is gebracht in verband met het verlies van bewustzijn, waarbij een hoog alcoholpercentage in haar bloed is vastgesteld.
7.7.
De raad heeft op de voortgezette mondelinge behandeling verklaard dat het raadsonderzoek inzake een gezagsbeëindigende maatregel (zoals recent door de GI is verzocht) nog niet is gestart. De raad wil de mondelinge behandeling bij het hof eerst afwachten. De raad refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van het door het hof toe te passen toetsingskader. Voorop moet staan wat de kinderen nu nodig hebben. In een eerder raadsonderzoek in het kader van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is al bepaald dat het van belang is voor de kinderen dat er zo snel als mogelijk duidelijkheid komt. De onzekerheid voor de kinderen maakt dat zij niet verder kunnen gaan met het verwerken van het verleden. In zijn algemeenheid kan een termijn flexibel zijn. In deze zaak moet worden gekeken hoeveel last de kinderen hebben van wat er is gebeurd en van de onzekerheid omtrent hun perspectief. Ten aanzien van de verslavingsproblematiek van de moeder heeft de raad oog voor de onmacht aan de kant van de moeder. De raad vraagt zich echter af hoe lang de kinderen nog kunnen wachten en hoeveel kansen er aan de moeder moeten worden gegeven.
7.8.
De pleegvader van [minderjarige 2] heeft op de mondelinge behandeling verteld dat hij als broer van de moeder, in een lastige positie zit. Hij houdt van de moeder, maar ziet dat ze haar kinderen, en overigens ook de pleeggezinnen, door haar verslavingsproblematiek enorm belast. Hij dringt er op aan en hoopt dat de moeder haar verantwoordelijkheid neemt. Het ontnemen van perspectief zal [minderjarige 2] niet meer helpen. De pleegvader maakt zich grote zorgen over het effect van een dergelijke definitieve beslissing op de moeder en vreest dat dit desastreus voor haar zal zijn.
De motivering van de beslissing
7.9.
Het hof overweegt het volgende.
7.10.
Het hof zal eerst de vraag moeten beantwoorden de GI ontvankelijk is in het verzoek zoals gedaan in eerste aanleg en overweegt in dat kader als volgt.
7.11.
Wanneer gedurende een ondertoezichtstelling een kind uit huis is geplaatst dient de gecertificeerde instelling zo snel mogelijk te onderzoeken wat ervoor nodig om dit kind weer naar huis te laten terugkeren. De in te zetten hulp moet daarop gericht zijn. Gedurende dit traject kan de gecertificeerde instelling op enig moment beslissen dat het in het belang van het kind noodzakelijk is dat het kind ergens anders dan bij de ouder(s) zal opgroeien. Dat besluit wordt het opvoedbesluit of het perspectiefbesluit genoemd. Dit besluit heeft in verreweg de meeste gevallen grote consequenties voor de ouder(s) en het kind in de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het betekent namelijk dat de GI niet langer inzet op terugkeer van het kind naar de ouder(s), hetgeen - onder meer - directe gevolgen heeft voor de in te zetten hulpverlening. Deze hulpverlening is dan niet langer gericht op het verblijf van het kind bij de ouder(s), maar op acceptatie door de ouder(s) van de situatie dat het kind niet langer thuis woont. Daarnaast heeft een dergelijk besluit een effect op de emotionele en psychosociale ontwikkeling en de hechting van zowel de ouder(s) en het kind, als ook van de pleegouder(s) en eventueel andere in het netwerk betrokkenen.
7.12.
Landelijk is binnen de keten van instanties en personen die betrokken zijn bij de kinderbeschermingsmaatregelen in discussie of de wet voorziet in een rechterlijke toetsing van het perspectiefbesluit, en daarmee of er rechtsbescherming is voor ouders.
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft in het advies van 18 december 2020 geconstateerd dat een adequate rechtspositieregeling voor de betrokkenen bij een perspectiefbesluit ontbreekt. De RSJ beveelt aan om een rechtspositieregeling voor ouders en kinderen te realiseren, het perspectiefbesluit van een motivering te voorzien en het perspectiefbesluit binnen drie maanden nadat het genomen is ter toetsing voor te leggen aan de kinderrechter1..
De procureur-generaal bij de Hoge Raad, mr. M.L.C.C. Lückers, heeft in haar conclusie van 19 maart 2021 gesteld dat volgens haar het opvoedbesluit op grond van de geschillenregeling van artikel 1:262b BW aan de kinderrechter kan worden voorgelegd2..
In het rapport Eindevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (juli 2022)
wordt geconstateerd dat de rechtsbescherming van betrokkenen op verschillende onderdelen tekort schiet en de gebrekkige toetsing van het perspectiefbesluit de positie van ouders en minderjarigen kwetsbaar maakt3..
De minister voor Rechtsbescherming werkt aan een structurele oplossing voor een rechterlijke toets van het perspectiefbesluit door hiervoor een wettelijke basis te creëren.
In de brief van de minister van 18 november 2022 aan de voorzitter van de Tweede Kamer4.(“Plan ter verbetering van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming”) staat beschreven dat de werkwijze van de GI’s nu is, dat als zij een perspectiefbesluit hebben genomen – waarbij gezagsbeëindiging (nog) niet aan de orde is – zij het besluit voorleggen aan de kinderrechter via de geschillenregeling bij de ondertoezichtstelling (directe toets) of via een verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing (indirecte toets).
7.13.
Zoals hierboven vermeld heeft de GI de kinderrechter verzocht in te stemmen met het perspectiefbesluit van de GI, te weten de beslissing dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien. De GI heeft dit verzoek voorgelegd in het kader van de geschillenregeling van artikel 1: 262b BW. Dat is naar het oordeel van het hof te volgen, gezien enerzijds de rechtstreeks uit dit besluit voortvloeiende ingrijpende wijziging van de uitvoering van de ondertoezichtstelling, de impact van dit besluit op alle betrokkenen en anderzijds de hiervoor beschreven breed gedragen wens om ouder(s) rechtsbescherming te bieden bij een beslissing over het perspectief van hun kinderen. Van belang hierbij is dat de moeder zich op zichzelf niet verzet tegen de huidige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Het hof is van oordeel dat de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rechtsbescherming geboden moet worden, in die zin dat de kinderrechter deze beslissing kan toetsen. Het perspectiefbesluit is voor haar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] immers een van de meest ingrijpende beslissingen in uitvoering van de ondertoezichtstelling, met grote en definitieve gevolgen.
Gelet op het voorgaande wijst het hof het primaire verzoek van de moeder om de GI niet-ontvankelijk te verklaren, af. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de toewijzing van dit verzoek van de moeder ertoe leidt dat van rechtsbescherming voor de kinderen in het geheel geen sprake is, terwijl het perspectiefbesluit van de GI zijn werking blijft houden en, zoals gebleken is, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als gevolg van dat besluit een volstrekt andere invulling krijgt. Het hof is van oordeel dat dit niet in het belang van de kinderen is.
7.14.
Zoals in de beschikking van 1 december 2022 al overwogen, is het hof van oordeel dat van een beslissing met een dictum zoals in deze zaak, toetsing in twee instanties mogelijk moet zijn.
Het hof merkt hierbij in algemene zin nog op dat ouders bij een indirecte toets (als de kinderrechter zich uitspreekt over het perspectiefbesluit in het kader van een beslissing over een verlenging van een uithuisplaatsing) wél de mogelijkheid hebben om die beslissing in hoger beroep te laten beoordelen. Indien beoordeling in hoger beroep niet mogelijk zou zijn bij een directe toets, hangt de mate van rechtsbescherming voor de ouders en de kinderen af van de door de GI gekozen insteek voor de rechterlijke toetsing. Dat acht het hof onwenselijk. Dit alles klemt temeer nu de moeder zich tegen de huidige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet verzet (zolang het perspectief maar gericht is op het toewerken naar een thuisplaatsing) en aldus tegen een dergelijke beslissing geen beroep zou instellen.
Het hof zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling.
Inhoudelijke toets van de beslissing
7.15.
In het huidige wettelijk systeem komt de beantwoording van de vraag waar het opgroeiperspectief van een kind ligt, in feite eerst aan de orde in het kader van de beoordeling door de kinderrechter van een verzoek van de raad om het gezag van de ouders te beëindigen (artikel 1:266 e.v. BW) of bij een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (artikel 1: 265b en 265c BW). Het hof ziet aanleiding, mede op grond van hetgeen is besproken met partijen op de voortgezette mondelinge behandeling, om bij de toetsing in de onderhavige zaak, aansluiting te zoeken bij de in artikel 1:255 (de ondertoezichtstelling) en in artikel 1:266 BW genoemde aanvaardbare termijn.
7.16.
De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin het kind zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen.
Artikel 8 EVRM eist dat de belangen van het kind en die van de ouders tegen elkaar worden afgewogen. Een kinderbeschermingsmaatregel moet in beginsel tijdelijk zijn, maar de belangen van het kind om - na het verstrijken van een aanzienlijke periode - zijn feitelijke gezinssituatie bij pleegouders te kunnen voortzetten, kunnen prevaleren boven de belangen van de ouders bij gezinshereniging. Er dient een echte afweging te worden gemaakt tussen de belangen van het kind en die van zijn biologische familie, en de rechter moet bovendien de mogelijkheid van hereniging van het kind met zijn biologische familie serieus in overweging nemen (EHRM van 10 september 2019 zaak Strand Lobben/Noorwegen). Kort gezegd, moet een kinderbeschermingsmaatregel in beginsel tijdelijk zijn, maar de belangen van het kind om - na het verstrijken van een aanzienlijke periode - zijn feitelijke gezinssituatie bij pleegouders te kunnen voortzetten, kunnen prevaleren boven de belangen van de ouders bij gezinshereniging.
7.17.
De aanvaardbare termijn is voor ieder kind en ieder gezin anders, en de afweging hierover moet daarom inzichtelijk worden gemaakt. Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen op de voortgezette mondelinge behandeling naar voren is gekomen, acht het hof zich onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen over de vraag of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog langer in onzekerheid kunnen blijven over hun perspectief. Het hof mist in deze zaak een (met stukken) onderbouwd schriftelijk weergave van het door de GI genomen perspectiefbesluit en recente informatie over de kinderen.
Eerdere raadsonderzoeken (15 december 2020 en 16 april 2021), betroffen de noodzaak tot een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing en geven onvoldoende informatie over de huidige situatie van de kinderen en de vraag of het noodzakelijk is om een definitieve beslissing te nemen over de vraag waar zij verder zullen opgroeien. Met andere woorden het hof mist voldoende informatie om per kind afzonderlijk vast te kunnen stellen of de aanvaardbare termijn voor dat betreffende kind al dan niet is verstreken.
7.18.
Het hof zal daarom de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen naar en te rapporteren en adviseren omtrent het door de GI gedane inleidende verzoek van 1 februari 2022 aan de kinderrechter ofwel, zoals het hof begrijpt, het verzoek om in te stemmen met het perspectiefbesluit van de GI, te weten de beslissing dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien.
Hierbij dient de raad de volgende vragen te betrekken:
- 1.
Wat is voor [minderjarige 1] de termijn van onzekerheid over de vraag waar zij verder zal opgroeien, die zij aankan, zonder dat dit schade aan haar ontwikkeling oplevert, gelet op haar ontwikkelingsfase, geschiedenis en persoon?
- 2.
Wat is voor [minderjarige 2] de termijn van onzekerheid over de vraag waar hij verder zal opgroeien, die hij aankan, zonder dat dit schade aan zijn ontwikkeling oplevert, gelet op zijn ontwikkelingsfase, geschiedenis en persoon?
- 3.
Heeft de moeder, gelet op haar eigen problematiek, voldoende opvoedingsvaardigheden om [minderjarige 1] , gelet op haar kindgebonden factoren, binnen haar gezin te kunnen verzorgen en opvoeden?
- 4.
Heeft de moeder, gelet op haar eigen problematiek, voldoende opvoedingsvaardigheden om [minderjarige 2] , gelet op zijn kindgebonden factoren, binnen haar gezin te kunnen verzorgen en opvoeden?
- 5.
Is de verwachting dat de moeder binnen de voor deze kinderen aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen zelf kan dragen?
- 6.
Wat is het advies van de raad ten aanzien van het door de GI genomen perspectiefbesluit, te weten de beslissing dat [minderjarige 1] niet meer bij haar ouder(s) zal opgroeien.
- 7.
Wat is het advies van de raad ten aanzien van het door de GI genomen perspectiefbesluit, te weten dat [minderjarige 2] niet meer bij zijn ouder(s) zal opgroeien?
- 8.
Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen zijn van belang om in de rapportage en het advies te vermelden?
7.19.
In afwachting van dat onderzoek en het advies van de raad zal het hof iedere beslissing en de verdere behandeling van de zaak vier maanden aanhouden.
7.20.
Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad. Zo nodig bepaalt het hof een nadere mondelinge behandeling.
8. De beslissing
Het hof:
verzoekt de raad een onderzoek in te stellen met betrekking tot hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 7.18 is overwogen;
verzoekt de raad voor de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 18 juli 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.P. de Beij, A.J.F. Manders, en is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑03‑2023
Mariëlle R. Bruning e.a., Eindevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen, Den Haag: Boom Juridisch, 2022
Kamerstukken 31839-913 brief van de regering
Uitspraak 01‑12‑2022
Inhoudsindicatie
opvoedbesluit/perspectiefbesluit GI ontvankelijkheid
Partij(en)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 1 december 2022
Zaaknummer: 200.312.964/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/379300 / JE RK 22-201
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.A.M. Brugman,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Deze zaak gaat over:
[minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;en[minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
1. 1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 april 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De rechtbank heeft in het kader van de geschillenregeling van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 juli 2022, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de kinderen de kans op terugplaatsing naar de moeder nog dient te worden geboden.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 augustus 2022, heeft de GI verzocht de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren en de beschikking van 19 april 2022 de rechtbank Oost-Brabant in stand te laten.
2.3.
Het hof heeft betrokkenen laten weten dat het vooreerst de ontvankelijkheid van de moeder in haar hoger beroep wil behandelen. De mondelinge behandeling hierover heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- -
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- -
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- -
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 31 maart 2022;
- -
het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 13 juli 2022;
- -
de e-mail van de advocaat van de moeder van 1 augustus 2022.
3. De beoordeling
De feiten
3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader) zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
De vader heeft de kinderen erkend.
De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.
3.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 14 mei 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 14 mei 2023.
3.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben tot februari 2020 bij hun moeder gewoond. Van februari 2020 tot april 2021 hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (gedeeltelijk) bij de grootmoeder moederszijde gewoond.
3.4.
Sinds april 2021 wonen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ieder in een netwerkpleeggezin, eerst op vrijwillige basis en vanaf 14 mei 2022 op grond van een daartoe strekkende machtiging tot uithuisplaatsing. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is laatstelijk verlengd tot 14 mei 2023.
3.5.
De GI heeft in eerste aanleg aan de kinderrechter een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
De GI heeft daarbij verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) een beslissing te nemen oven over het onderhavige geschil, te weten: in te stemmen met het opvoedbesluit van de GI dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien.
3.6.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank
(in meervoudige samenstelling) bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien.
3.7.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.8.
De moeder voert - samengevat - aan dat het in deze zaak gaat om terugplaatsing van de kinderen naar hun moeder, die op grond van de bestreden beschikking nooit meer naar huis zouden mogen, als gevolg waarvan er zonder meer sprake is van een zeer ingrijpende beslissing. De moeder is dan ook van mening dat haar grieven voor een beoordeling door het hof vatbaar zijn.
Zij verwijst daarbij tijdens de mondeling behandeling naar de volgende uitspraak: ECLI:NL:HR:2021:1003.
Ook daar ging het om de situatie dat de rechtbank evenals hier het geval is, buiten het toepassingsgebied van artikel 1:262b is getreden. Grond voor de doorbreking van het appelverbod van artikel 807 Rv.
3.9.
De GI voert - kort samengevat - aan dat naar de mening van de GI geen sprake is van een doorbreking van het appelverbod. In het beroepschrift van de moeder staan geen doorbrekingsgronden vermeld. De door de moeder aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad ziet op een geheel andere procedure, waarbij er voor de ouder een ruimere rechtsbescherming was op basis van artikel 1:265e BW. In onderhavige procedure is daar geen sprake van. De GI wijst wat betreft het perspectiefbesluit op een leemte in de wet. Dit is ook aan de orde gesteld door de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), waarbij de aanbeveling is om een rechtspositieregeling te realiseren voor ouders en kinderen. De GI deelt die visie. Doordat deze rechtspositie nog niet bestaat zoeken de gecertificeerde instellingen naar een zo goed mogelijke (tijdelijke) ‘second best’ oplossing om ouders en kinderen toch rechtsbescherming te bieden, waardoor er in onderhavige zaak is gekozen voor een verzoek ex artikel 1:262b BW. De praktijk leert dat nadat door de GI een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel bij de raad wordt gedaan, een onderzoek en daarop mogelijk verzoek tot gezagsbeëindiging, vele maanden duurt. Het gevolg hiervan is dat wanneer er geen verzoek in het kader van de geschillenregeling wordt gedaan, er gedurende lange tijd geen rechtsbescherming is voor de ouders. De landelijke projectgroep van gecertificeerde instellingen omtrent het perspectiefbesluit heeft contact met de rechtspraak over dit onderwerp, waarbij er door de rechtspraak wordt aangemoedigd om het perspectiefbesluit middels de geschillenregeling ex artikel 1: 262b BW door de rechtbanken te laten toetsen. In ECLI:NL:PHR:2021:283 overweegt de Procureur-Generaal van de Hoge Raad het volgende: ‘’Terzijde merk ik het volgende op. In deze zaak is pas ruim een jaar nadat het opvoedbesluit genomen was om gezagsbeëindiging verzocht. Dit lijkt niet wenselijk omdat na het opvoedbesluit, zoals in casu, de hulpverlening doorgaans niet meer gericht is op het werken naar thuisplaatsing, maar op het bevorderen van een bestendige toekomst van het kind in het pleeggezin en ondersteunen van de ouder(s) bij het invullen van hun rol van ouder op afstand. De kinderrechter die langere tijd na het nemen van een opvoedbesluit over de gezagsbeëindiging moet oordelen, kan zo voor een voldongen feit worden geplaatst. In discussie is of de wet voorziet in rechterlijke toetsing van het opvoedbesluit. Ik ben van mening dat het opvoedbesluit op grond van de geschillenregeling van artikel 1:262b BW aan de kinderrechter kan worden voorgelegd. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft in een in december 2020 gepubliceerd advies geconstateerd dat op dit moment een adequate rechtspositieregeling voor de betrokkenen bij een opvoedbesluit (perspectiefbesluit) ontbreekt. De RSJ beveelt aan dat er een rechtspositieregeling wordt gerealiseerd en dat wettelijk wordt vastgelegd dat het perspectiefbesluit binnen drie maanden nadat het genomen is ter toetsing wordt voorgelegd aan de kinderrechter.’’ De GI merkt hierbij op dat de lagere rechtspraak hierbij aansluit, bijvoorbeeld in ECLI:NL:RBZWB:2022:2824 en in onderhavige procedure.
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft echter een belangrijke uitspraak gedaan waarmee de gecertifieerde instellingen in hun maag zitten, door te beslissen dat de geschillenregeling zich niet leent voor toetsing van een perspectiefbesluit.
De GI vindt het wel van groot belang dat er adequate rechtsbescherming bij de rechter is in het kader van het door de GI te nemen perspectiefbesluit.
Het verzoek aan de raad om onderzoek te doen naar een verder strekkende maatregel in onderhavige zaak is in mei 2022 ingediend. De raad heeft aan de GI medegedeeld dat dit verzoek in januari/februari 2023 in behandeling zal worden genomen. De GI geeft aan dat ongeacht de huidige procedure die loopt, het door de GI ingediende VTO (naar het hof begrijpt is dit een verzoek tot onderzoek naar een verder strekkende maatregel) gehandhaafd blijft.
3.10.
De raad refereert zich aan het oordeel van het hof met betrekking tot de ontvankelijkheid van het appel. Rechtsbescherming bij de rechter in het kader van het perspectiefbesluit acht de raad van zeer groot belang.
De motivering van de beslissing
3.11.
Het hof overweegt het volgende.
Allereerst is aan de orde de vraag of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep.
3.11.1.
Half december 2021 heeft de GI het opvoedbesluit genomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duurzaam in een andere verblijfsituatie dan bij hun moeder zullen opgroeien. Daarnaast is de GI van mening dat plaatsing bij de vader ook niet haalbaar is. Door de GI is op 1 februari 2022 een verzoek aan de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant gedaan waarbij de GI heeft verzocht een beslissing te nemen op het onderhavige geschil, te weten: in te stemmen met het opvoedbesluit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien (het opvoedbesluit of het perspectiefbesluit). De beslissing van de rechtbank dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien, is een kantelpunt. Het betreft een beslissing, waarvan de gevolgen uiteindelijk diep ingrijpen in het leven van de kinderen en de ouders, in dit geval de moeder (appellante). De beslissing is genomen in de situatie dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht staan en uithuisgeplaatst zijn. Het gevolg van de beslissing is, zoals de GI ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard, dat de hulpverlening na die beslissing niet meer gericht is op het werken naar thuisplaatsing, maar op het bevorderen van een bestendige toekomst van de kinderen in het pleeggezin en ondersteunen van de ouder(s) bij het invullen van hun rol van ouder op afstand en dat in veel gevallen toegewerkt wordt naar een gezagsbeëindiging. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI een dergelijk verzoek ook heeft gedaan aan de raad. De beslissing van de rechtbank betekent een inbreuk op het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op gezinsleven van de moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3.11.2.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank heeft beslist op basis van artikel 1:262b BW.
Op grond van artikel 807 Rv is tegen een dergelijke beslissing slechts beperkte rechtsbescherming mogelijk nu er geen andere voorziening (hoger beroep/cassatie) mogelijk is dan cassatie in het belang van de wet. Dat zou betekenen dat de moeder in haar verzoek in hoger beroep niet ontvankelijk verklaard zou moeten worden tenzij door de moeder doorbrekingsgronden gesteld zijn.
Vaststaat dat de moeder in haar beroepschrift geen doorbrekingsgronden gesteld heeft. Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder met verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1003 zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied van artikel 1:262b BW is getreden.
Wat ook zij van de vraag of de moeder tijdig een doorbrekingsgrond gesteld heeft, het hof overweegt het navolgende.
Het hof is van oordeel dat de beperkte rechtsbescherming die artikel 807 Rv biedt door hoger beroep uit te sluiten en doorbreking van dit uitgangspunt afhankelijk te stellen van doorbrekingsgronden, in een geval als dit, onvoldoende rechtsbescherming biedt.
3.11.3.
De wet zelf noemt het opvoedbesluit of perspectiefbesluit zoals genomen door de GI nergens, zodat de vraag of van een beslissing van de rechtbank waarbij is bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien (en het perspectief dus niet meer bij de ouders ligt) hoger beroep ingesteld kan worden in de wet niet beantwoord wordt.
Het hof is van oordeel dat, gelet op het feit dat bovengenoemde beslissing diep ingrijpt in het gezinsleven van de moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , rechtsbescherming dient te worden geboden die ruimer is dan de beperkte rechtsbescherming in zaken in het kader van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing die voortvloeit uit de toepassing van artikel 807 Rv. Het hof zoekt hierbij aansluiting bij verzoeken van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing die leiden tot beslissingen waarvan wél (gewoon) hoger beroep mogelijk is, zoals verzoeken van de GI om een contact- of omgangsregeling te beperken of verzoeken van de GI gebaseerd op artikel 1:265e BW.
Reeds op die grond is het hof van oordeel dat de moeder in haar verzoek in hoger beroep ontvankelijk is.
3.11.6.
Derhalve zal het hof de moeder, belanghebbende in de zin van artikel 798 Rv, in haar hoger beroep ontvankelijk verklaren en een nieuwe datum bepalen voor de voortzetting van de mondelinge behandeling zoals hierna opgenomen in het dictum.
4. De beslissing
Het hof
verklaart de moeder ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep;
bepaalt dat de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op 16 januari 2023 om 13.00 uur;
stelt de GI in de gelegenheid tot uiterlijk 22 december 2022 nader verweer te voeren;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de moeder en haar advocaat, de GI en de raad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, E.M.C. Dumoulin en M.I. Peereboom - Van Drunick en is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2022 in tegenwoordigheid van mr. R. Jelicic, griffier.