Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 08-05-2025, nr. C-530/23
ECLI:EU:C:2025:322
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
08-05-2025
- Magistraten
K. Jürimäe, K. Lenaerts, M. Gavalec, Z. Csehi, F. Schalin
- Zaaknummer
C-530/23
- Conclusie
T. Ćapeta
- Roepnaam
Barało
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:322, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 08‑05‑2025
ECLI:EU:C:2024:955, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 14‑11‑2024
Uitspraak 08‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Richtlijn (EU) 2016/1919 — Rechtsbijstand — Richtlijn 2013/48/EU — Recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures — Procedurele waarborgen voor kwetsbare personen — Vaststelling van de kwetsbaarheid van deze personen — Geen wettelijk vermoeden — Rechtstreekse werking — Ondervraging van een verdachte in afwezigheid van een advocaat — Toelaatbaarheid van bewijs dat is verkregen zonder eerbiediging van de procedurele rechten
K. Jürimäe, K. Lenaerts, M. Gavalec, Z. Csehi, F. Schalin
Partij(en)
In zaak C-530/23 [Barało]i.*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy we Włocławku (rechter in eerste aanleg Włocławek, Polen) bij beslissing van 17 augustus 2023, ingekomen bij het Hof op 17 augustus 2023, in de strafprocedure tegen
K.P.,
in tegenwoordigheid van:
Prokurator Rejonowy we Włocławku,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, M. Gavalec, Z. Csehi en F. Schalin, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Prokurator Rejonowy we Włocławku, vertegenwoordigd door T. Rutkowska-Szmydyńska,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, T. Suchá en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en M. Wasmeier als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van:
- —
artikel 6, leden 1 tot en met 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU;
- —
de artikelen 4 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’);
- —
artikel 1, lid 2, artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en de artikelen 8 en 9 van richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB 2016, L 297, blz. 1);
- —
artikel 3, lid 2, onder a) tot en met c), en lid 3, onder a) en b), van richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB 2013, L 294, blz. 1);
- —
de punten 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie van 27 november 2013 betreffende procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in strafprocedures (PB 2013, C 378, blz. 8; hierna: ‘aanbeveling van de Commissie’), en
- —
de beginselen van voorrang, doeltreffendheid en rechtstreekse werking van het Unierecht.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen K.P. wegens het bezit van verdovende middelen en psychotrope stoffen en wegens rijden onder invloed van verdovende middelen.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
De punten 23 en 32 van de beginselen en richtsnoeren betreffende de toegang tot rechtsbijstand in strafrechtsstelsels van de Verenigde Naties, die op 20 december 2012 zijn aangenomen bij resolutie 67/187 van de Algemene Vergadering, luiden als volgt:
- ‘23.
De politie, het openbaar ministerie en de rechters moeten ervoor zorgen dat personen die voor hen verschijnen en die niet over de middelen beschikken om een advocaat te betalen en/of die kwetsbaar zijn, rechtsbijstand krijgen.
[…]
- 32.
Er moeten bijzondere maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de rechtsbijstand daadwerkelijk toegankelijk is voor vrouwen, kinderen en groepen met bijzondere behoeften, met name, maar niet uitsluitend, […] geesteszieken [en] drugsgebruikers […]. In deze maatregelen moet rekening worden gehouden met de specifieke behoeften van deze groepen en zij moeten afgestemd zijn op geslacht en leeftijd.’
Unierecht
Richtlijn 2013/48
4
In de overwegingen 50 en 51 van richtlijn 2013/48 staat te lezen:
- ‘(50)
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat bij de beoordeling van de verklaringen die de verdachten of beklaagden afleggen of van het bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat, of in gevallen waarin overeenkomstig deze richtlijn een afwijking van dat recht was toegestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geëerbiedigd. In dit verband dient de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [(EHRM)] in acht te worden genomen, waarin wordt bepaald dat de rechten van de verdediging in principe onherstelbaar zijn geschonden als belastende verklaringen die tijdens een politieverhoor bij afwezigheid van een advocaat zijn gedaan, worden gebruikt voor een veroordeling. Dit laat onverlet het gebruik van verklaringen voor andere doelen die krachtens het nationale recht zijn toegestaan, zoals de noodzaak om spoedeisende onderzoekshandelingen uit te voeren of om het plegen van andere strafbare feiten of het optreden van ernstige negatieve gevolgen voor een persoon te voorkomen, dan wel de dringende noodzaak om te voorkomen dat strafprocedures substantiële schade wordt toegebracht, wanneer het verlenen van toegang tot een advocaat of het vertragen van het onderzoek onherstelbare schade zou toebrengen aan een lopend onderzoek naar een ernstig misdrijf. Voorts mag dit geen afbreuk doen aan de nationale voorschriften of systemen inzake de toelaatbaarheid van bewijs en mag het de lidstaten niet beletten een systeem te handhaven waarbij al het bestaande bewijs in rechte mag worden aangevoerd zonder dat de toelaatbaarheid ervan afzonderlijk of vooraf wordt beoordeeld.
- (51)
De zorgplicht ten aanzien van verdachten of beklaagden die in een mogelijk zwakke positie verkeren, ligt ten grondslag aan een eerlijke rechtsbedeling. Het openbaar ministerie, de rechtshandhavingsautoriteiten en de rechterlijke instanties moeten daarom de daadwerkelijke uitoefening door dergelijke verdachten of beklaagden van de rechten waarin deze richtlijn voorziet, bevorderen, bijvoorbeeld door rekening te houden met mogelijke kwetsbaarheid die hun vermogen aantast om het recht op toegang tot een advocaat en het recht een derde vanaf hun vrijheidsbeneming op de hoogte te laten brengen, uit te oefenen, en door passende maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat die rechten gewaarborgd worden.’
5
Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Toepassingsgebied’, bepaalt in lid 1:
‘Deze richtlijn is van toepassing op de verdachten of beklaagden in een strafprocedure, vanaf het ogenblik waarop zij er door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat door middel van een officiële kennisgeving of anderszins van in kennis worden gesteld dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, ongeacht of hen hun vrijheid is ontnomen. Zij is van toepassing totdat de procedure is beëindigd, dat wil zeggen totdat definitief is vastgesteld of de verdachte of beklaagde het strafbare feit al dan niet heeft begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.’
6
Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure’, bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen.
- 2.
De verdachten of beklaagden hebben zonder onnodig uitstel toegang tot een advocaat. In elk geval, hebben de verdachten of beklaagden toegang tot een advocaat vanaf de volgende momenten, ongeacht welk moment het vroegste is:
- a)
voordat zij door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord;
- b)
wanneer de onderzoeks- of andere bevoegde autoriteiten een tot onderzoek of andere vorm van bewijsgaring strekkende handeling verrichten, overeenkomstig lid 3, onder c);
- c)
zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming;
- d)
indien zij voor een in strafzaken bevoegde rechtbank zijn opgeroepen, binnen een redelijke termijn voordat zij voor deze rechtbank in rechte verschijnen.
- 3.
Het recht op toegang tot een advocaat houdt het volgende in:
- a)
de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren, ook voordat zij door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord;
- b)
de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun advocaat bij het verhoor aanwezig is en daaraan daadwerkelijk kan deelnemen. Deze deelname geschiedt overeenkomstig procedures in het nationale recht, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. Wanneer een advocaat aan het verhoor deelneemt, wordt het feit dat dergelijke deelname heeft plaatsgevonden, geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat;
[…]’
7
Artikel 12 van die richtlijn, met als opschrift ‘Rechtsmiddelen’, bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden in strafprocedures alsmede gezochte personen in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in gevallen waarin hun rechten op grond van deze richtlijn zijn geschonden.
- 2.
Onverminderd nationale bepalingen en stelsels inzake de toelaatbaarheid van bewijs zorgen de lidstaten er in strafprocedures voor dat bij de beoordeling van de verklaringen van verdachten of beklaagden of van bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat of in gevallen waarin overeenkomstig artikel 3, lid 6, een afwijking van dit recht was toegestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geëerbiedigd.’
8
In artikel 13 van richtlijn 2013/48 staat te lezen:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat bij de toepassing van deze richtlijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en kwetsbare beklaagden.’
Richtlijn 2016/1919
9
De overwegingen 1, 3, 4, 6, 17 tot en met 19, 23 en 24 van richtlijn 2016/1919 luiden:
- ‘(1)
Deze richtlijn heeft als doel ervoor te zorgen dat het recht op toegang tot een advocaat, zoals bedoeld in [richtlijn 2013/48] daadwerkelijk kan worden uitgeoefend door het beschikbaar stellen van bijstand van een door de lidstaten gefinancierde advocaat aan verdachten en beklaagden in strafprocedures […].
[…]
- (3)
In de derde alinea van artikel 47 van het Handvest […] is het recht op rechtsbijstand in strafprocedures overeenkomstig de in die [bepaling] genoemde voorwaarden vastgelegd. […]
- (4)
Op 30 november 2009 keurde de Raad [van de Europese Unie] een resolutie goed betreffende een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures [(PB 2009, C 295, blz. 1)] (‘de routekaart’). De routekaart, die uitgaat van een stapsgewijze benadering, vergt de vaststelling van maatregelen met betrekking tot het recht op vertaling en vertolking (maatregel A), het recht op informatie over de rechten en informatie over de beschuldiging (maatregel B), het recht op juridisch advies en rechtsbijstand (maatregel C), het recht te communiceren met familie, werkgever en consulaire autoriteiten (maatregel D) en bijzondere waarborgen voor kwetsbare verdachten of beklaagden (maatregel E).
[…]
- (6)
Tot dusver zijn er vijf maatregelen inzake procedurele rechten in strafprocedures vastgesteld op grond van de routekaart, namelijk [richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB 2010, L 280, blz. 1), richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1), richtlijn 2013/48, richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1), en richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in strafprocedures (PB 2016, L 132, blz. 1)].
[…]
- (17)
Overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder c), van het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ondertekend te Rome op 4 november 1950] moeten verdachten en beklaagden die onvoldoende middelen hebben om de bijstand van een advocaat te betalen, het recht hebben op rechtsbijstand indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. Op grond van dit minimumvereiste kunnen de lidstaten een draagkrachttoets, een gegrondheidstoets of beide toepassen. De toepassing van die tests mag niet leiden tot de beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die zijn gewaarborgd overeenkomstig het Handvest en het EVRM, zoals uitgelegd door het [Hof] en door het EHRM.
- (18)
De lidstaten dienen te voorzien in praktische regelingen betreffende het verlenen van rechtsbijstand. In deze regelingen kan worden bepaald dat rechtsbijstand wordt verleend op verzoek van een verdachte, een beklaagde of een gezochte persoon. Gezien met name de behoeften van kwetsbare personen mag dit verzoek evenwel geen materiële voorwaarde zijn voor het verlenen van rechtsbijstand.
- (19)
De bevoegde autoriteiten dienen rechtsbijstand te verlenen, zonder onnodig uitstel en uiterlijk voordat de betrokkene wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een gerechtelijke instantie, of vóór het verrichten van de in deze richtlijn genoemde onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal. Indien de bevoegde autoriteiten daartoe niet in staat zijn, dienen zij ten minste spoedrechtsbijstand of voorlopige rechtsbijstand te verlenen vóór dit verhoor of voordat die onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal worden verricht.
[…]
- (23)
Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat het grondrecht op rechtsbijstand, zoals neergelegd in het Handvest en in het EVRM, wordt geëerbiedigd. Hierbij dienen zij de beginselen en richtsnoeren betreffende de toegang tot rechtsbijstand in strafrechtsstelsels van de Verenigde Naties te eerbiedigen.
- (24)
Onverminderd de nationaalrechtelijke bepalingen betreffende de verplichte aanwezigheid van een advocaat, dienen beslissingen inzake het al dan niet verlenen van rechtsbijstand zonder onnodig uitstel te worden genomen door een bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit dient een onafhankelijke autoriteit te zijn die bevoegd is om beslissingen inzake het verlenen van rechtsbijstand te nemen, of een rechtbank, met inbegrip van een alleensprekende rechter. In dringende situaties dient het evenwel mogelijk te zijn de politie en het openbaar ministerie tijdelijk bij de zaak te betrekken voor zover dit noodzakelijk is voor het tijdig verlenen van rechtsbijstand.’
10
Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Onderwerp’, bepaalt:
- ‘1.
Deze richtlijn voorziet in gemeenschappelijke minimumvoorschriften met betrekking tot het recht op rechtsbijstand voor:
- a)
verdachten en beklaagden in strafprocedures; […]
[…]
- 2.
Deze richtlijn vormt een aanvulling op de richtlijnen [2013/48] en [2016/800]. Niets in de onderhavige richtlijn mag worden uitgelegd als een beperking van de in die richtlijnen neergelegde rechten.’
11
Artikel 2 van richtlijn 2016/1919, met als opschrift ‘Toepassingsgebied’, bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Deze richtlijn is van toepassing op verdachten en beklaagden in strafprocedures die recht op toegang tot een advocaat hebben uit hoofde van [richtlijn 2013/48], en:
- a)
van wie de vrijheid is ontnomen;
- b)
die dienen te worden bijgestaan door een advocaat overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht, of
- c)
van wie wordt verlangd of aan wie wordt toegestaan aanwezig te zijn bij een onderzoekshandeling of een handeling voor het vergaren van bewijsmateriaal, die ten minste het volgende omvat:
- i)
meervoudige confrontaties;
- ii)
confrontaties;
- iii)
reconstructies van de plaats van een delict.
- 2.
Deze richtlijn is ook van toepassing, bij aanhouding in de uitvoerende lidstaat, op gezochte personen die recht hebben op toegang tot een advocaat uit hoofde van [richtlijn 2013/48].’
12
Artikel 4 (‘Rechtsbijstand in strafprocedures’) van richtlijn 2016/1919 is als volgt verwoord:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden die onvoldoende middelen hebben om voor de bijstand van een advocaat te betalen, het recht op rechtsbijstand kunnen uitoefenen wanneer de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.
- 2.
De lidstaten kunnen een draagkrachttoets, een gegrondheidstoets of beide toepassen om te bepalen of rechtsbijstand moet worden verleend overeenkomstig lid 1.
[…]
- 5.
De lidstaten zorgen ervoor dat rechtsbijstand wordt verleend zonder onnodig uitstel, en uiterlijk voordat de betrokkene wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een gerechtelijke instantie, of vóór het verrichten van de in artikel 2, lid 1, onder c), genoemde onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal.
[…]’
13
Artikel 8 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Rechtsmiddelen’, bepaalt:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten, beklaagden en gezochte personen op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in gevallen waarin hun uit deze richtlijn voortvloeiende rechten zijn geschonden.’
14
Artikel 9 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Kwetsbare personen’, luidt als volgt:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten, beklaagden en gezochte personen.’
15
Artikel 11 van voornoemde richtlijn, met als opschrift ‘Non-regressie’, luidt:
‘Geen enkele bepaling van deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die zijn vastgelegd in het Handvest, het EVRM, of andere relevante bepalingen van het internationaal recht of van het recht van een lidstaat die een hoger beschermingsniveau biedt.’
Aanbeveling van de Commissie
16
De overwegingen 1, 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie luiden:
- ‘(1)
Deze aanbeveling heeft als doel de lidstaten ertoe aan te zetten de procedurele rechten te versterken van alle verdachten en beklaagden die door hun leeftijd, geestelijke of lichamelijke toestand of handicap niet in staat zijn een strafprocedure te begrijpen en er effectief aan deel te nemen (hierna ‘kwetsbare personen’ genoemd).
[…]
- (6)
Het is uiterst belangrijk dat de kwetsbaarheid van een verdachte of beklaagde in een strafprocedure onverwijld wordt vastgesteld en erkend. Met het oog daarop moeten politiebeambten en gerechtelijke of justitiële autoriteiten een eerste beoordeling uitvoeren. De bevoegde autoriteiten moeten ook een beroep kunnen doen op een onafhankelijke expert om de mate van kwetsbaarheid en de behoeften van een kwetsbare persoon te onderzoeken, en om na te gaan of de met betrekking tot de kwetsbare persoon genomen of overwogen maatregelen geschikt zijn.
- (7)
Verdachten of beklaagden moeten het recht hebben om overeenkomstig het nationaal recht de beoordeling van hun potentiële kwetsbaarheid in strafprocedures te betwisten, of hun advocaten moeten dat namens hen kunnen doen, in het bijzonder wanneer die beoordeling de uitoefening van hun grondrechten aanzienlijk zou hinderen of beperken. Dat recht houdt niet in dat de lidstaten moeten voorzien in een specifieke beroepsprocedure, een afzonderlijk mechanisme of een klachtenprocedure om het verzuim of de weigering aan te vechten.
[…]
- (11)
Personen die als bijzonder kwetsbaar worden erkend, zijn niet in staat de strafprocedure te volgen en te begrijpen. Om ervoor te zorgen dat hun recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd, mogen zij niet de mogelijkheid krijgen af te zien van hun recht op een advocaat.
[…]
- (13)
Kwetsbare personen zijn niet altijd in staat om de inhoud van politieverhoren waaraan zij worden onderworpen, te begrijpen. Om te vermijden dat discussie ontstaat over de inhoud van een verhoor en de betrokken persoon bijgevolg opnieuw moet worden ondervraagd, moet van het verhoor een audiovisuele opname worden gemaakt.’
17
Punt 4 van deze aanbeveling is opgenomen in afdeling 2 ervan, met als opschrift ‘Vaststelling van de kwetsbaarheid van personen’. In dit punt staat te lezen:
‘De kwetsbaarheid van personen moet onverwijld worden vastgesteld en erkend. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat alle bevoegde autoriteiten een beroep kunnen doen op een onafhankelijke expert om een medisch onderzoek uit te voeren teneinde de kwetsbaarheid van personen vast te stellen, te bepalen hoe kwetsbaar zij zijn en welke specifieke behoeften zij hebben. De expert kan een met redenen omkleed advies geven over de geschiktheid van de maatregelen die met betrekking tot de kwetsbare persoon zijn genomen of worden overwogen.’
18
Afdeling 3 van die aanbeveling, met als opschrift ‘Rechten van kwetsbare personen’, omvat tien onderdelen. Vier ervan hebben respectievelijk als titel: ‘Non-discriminatie’, ‘Vermoeden van kwetsbaarheid’, ‘Recht op toegang tot een advocaat’ en ‘Opname van verhoor’. Punt 6 van deze aanbeveling, dat is opgenomen in het eerste van deze vier onderdelen, luidt als volgt:
‘De aan kwetsbare personen toegekende procedurele rechten moeten tijdens de volledige strafprocedure worden geëerbiedigd, rekening houdend met de aard en de mate van kwetsbaarheid.’
19
Punt 7 van de aanbeveling van de Commissie, dat is opgenomen in het deel met het opschrift ‘Vermoeden van kwetsbaarheid’, bepaalt:
‘De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er ten aanzien van met name personen met een ernstige psychologische, intellectuele, lichamelijke of zintuiglijke beperking, of met een geestesziekte of cognitieve aandoening, die daardoor de procedure moeilijker begrijpen en er moeilijker effectief aan kunnen deelnemen, een vermoeden van kwetsbaarheid geldt.’
20
Punt 11 van deze aanbeveling, dat is opgenomen in het deel met als opschrift ‘Recht op toegang tot een advocaat’, luidt:
‘Als een kwetsbare persoon niet in staat is de procedure te begrijpen en te volgen, mag deze persoon geen afstand doen van het recht op toegang tot een advocaat overeenkomstig [richtlijn 2013/48].’
21
Punt 13 van die aanbeveling, dat is opgenomen in het deel met het opschrift ‘Opname van verhoor’, bepaalt:
‘Van alle verhoren die tijdens het vooronderzoek plaatsvinden, moet een audiovisuele opname worden gemaakt.’
Pools recht
22
Overeenkomstig artikel 6 van de ustawa — Kodeks postępowania karnego (wet houdende het wetboek van strafvordering) van 6 juni 1997 (Dz. U. van 2022, volgnr. 1375), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: ‘KPK’), geniet de beklaagde de rechten van de verdediging, daaronder begrepen het recht om te worden bijgestaan door een advocaat. De beklaagde wordt van dit recht in kennis gesteld.
23
Artikel 79, lid 1, KPK bepaalt dat een beklaagde in het kader van een strafprocedure toegang moet hebben tot een advocaat wanneer er gerede twijfel bestaat over de afwezigheid of wezenlijke aantasting van zijn vermogen om de betekenis van het hem ten laste gelegde feit te onderkennen of om zijn gedragingen te controleren ten tijde van het plegen van dat feit (punt 3), en indien er gerede twijfel bestaat over de vraag of zijn geestelijke gezondheid hem in staat stelt om deel te nemen aan de procedure of om zich op zelfstandige en redelijke wijze te verdedigen (punt 4). Artikel 79, lid 3, KPK bepaalt voorts dat in de met name in lid 1 bedoelde gevallen de aanwezigheid van een advocaat verplicht is ter terechtzitting en bij de zittingen waaraan de beklaagde moet deelnemen.
24
Op grond van artikel 168a KPK kan bewijs niet op de enkele grond dat het is verkregen zonder eerbiediging van de procedureregels of door middel van een verboden handeling als bedoeld in artikel 1, lid 1, van het wetboek van strafrecht als niet-ontvankelijk worden aangemerkt, tenzij dat bewijs door een ambtenaar is verkregen in het kader van de uitoefening van zijn functies, als gevolg van moord of doodslag, opzettelijke geweldpleging of vrijheidsberoving.
25
Artikel 300 KPK betreft het recht op informatie van een verdachte. Op grond van dat recht moet de verdachte vóór zijn eerste verhoor in kennis worden gesteld van zijn recht om te worden gehoord, om te zwijgen of om te weigeren antwoord te geven op vragen, van zijn recht om te worden geïnformeerd over de inhoud van de tenlastelegging en de wijzigingen ervan, van zijn recht om verzoeken in te dienen met het oog op de vervulling van handelingen van vooronderzoek of onderzoek, van zijn recht om te worden bijgestaan door een advocaat, daaronder begrepen het recht om in bepaalde gevallen — waarvan hij in kennis moet worden gesteld — te verzoeken om ambtshalve toevoeging van een advocaat, van zijn recht om kennis te nemen van de elementen in het einddossier van het strafrechtelijk onderzoek en van de in artikel 301 KPK genoemde rechten, alsmede van de in artikel 74 KPK genoemde verplichtingen en gevolgen. De verdachte moet deze informatie schriftelijk verkrijgen en bevestigen dat hij deze heeft ontvangen door een bevestiging van ontvangst van de mededeling te ondertekenen.
26
Overeenkomstig artikel 301 KPK wordt de verdachte op diens verzoek ondervraagd in aanwezigheid van de aangewezen advocaat. De afwezigheid van die advocaat vormt geen beletsel om het verhoor toch te laten plaatsvinden.
27
Op grond van artikel 344a KPK verwijst de aangezochte rechter de zaak terug naar de openbare aanklager ter aanvulling van het onderzoek, indien uit het dossier blijkt dat de procedure aanzienlijke tekortkomingen vertoont, in het bijzonder indien het nodig is om bewijsmateriaal te verzamelen, of wanneer deze rechter aanzienlijke moeilijkheden ondervindt bij het verrichten van de noodzakelijke handelingen. Bij het terugverwijzen van de zaak naar de openbare aanklager geeft die rechter aan in welke richting het verdere onderzoek moet uitgaan en, zo nodig, welke passende maatregelen moeten worden genomen. Tegen deze beschikking kan door de partijen beroep worden ingesteld.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
28
Er is bij de Sąd Rejonowy we Włocławku (rechter in eerste aanleg Włocławek, Polen), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak, een strafprocedure ingeleid tegen K.P.
29
Volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter is de strafvervolging ingesteld in de volgende context: op 22 juli 2022 werd K.P. staande gehouden door politieagenten, nadat zij op de hoogte waren gesteld van een aanrijding waarbij twee voertuigen betrokken waren. K.P. bevond zich buiten zijn voertuig, was zenuwachtig en sprak verward en onsamenhangend.
30
De politieagenten hebben hem verzocht om alle mogelijk verboden voorwerpen in zijn bezit aan hen te overhandigen. K.P. haalde plastic zakjes uit een tas. Deze zakjes bevatten wit poeder en gedroogd groen materiaal. Deze stoffen zijn in beslag genomen en werden vervolgens geïdentificeerd als potentieel respectievelijk amfetamine en marihuana.
31
Nadat K.P. staande was gehouden werd hij gearresteerd en naar het ziekenhuis gebracht, waar bloed werd afgenomen om na te gaan of hij verdovende middelen had gebruikt. Hij is in staat van beschuldiging gesteld wegens het bezit van verdovende middelen en van een psychotrope stof.
32
K.P. werd geïnformeerd over zijn recht om zich te laten bijstaan door een advocaat naar eigen keuze en over de mogelijkheid om ambtshalve een advocaat toegewezen te krijgen indien zijn financiële situatie hem niet in staat stelde zelf een advocaat te kiezen. Hij werd ook geïnformeerd over zijn recht om te worden gehoord, te zwijgen en niet te antwoorden op de vragen. Het proces-verbaal van het verhoor bevat de aantekening van een politieambtenaar dat ‘[K.P.] naar eigen zeggen gezond van geest is en geen psychiatrische, medicinale of neurologische behandeling ondergaat of heeft ondergaan’.
33
K.P. heeft geen afstand gedaan van zijn recht om zich te laten bijstaan door een advocaat, maar heeft evenmin verzocht om contact op te nemen met een advocaat. Er bestaat geen enkel bewijs dat de politieambtenaar K.P. heeft onderzocht om vast te stellen of hij tijdens zijn verhoor onder invloed was van producten of stoffen die afbreuk deden aan zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen om zich de feiten te herinneren, dan wel of hij onder invloed van verdovende middelen was.
34
De stoffen die K.P. in zijn bezit had en die in beslag waren genomen, evenals de bloedmonsters die in het ziekenhuis waren afgenomen, zijn wetenschappelijk onderzocht. Gelet op de concentratie amfetamine in deze monsters werd geconcludeerd dat K.P. zich bij de bloedafname ‘onder invloed van drugs met een soortgelijke werking als alcohol’ bevond. Op 7 augustus 2022 is hij daarom in staat van beschuldiging gesteld wegens het besturen van een voertuig onder invloed van een drug met een soortgelijke werking als alcohol.
35
De tenlastelegging is hem op 14 oktober 2022 overhandigd op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis waar hij verbleef. Hij is daar gehoord zonder dat er een advocaat aanwezig was. Bovendien heeft de openbare aanklager niet verzocht om hem ambtshalve een advocaat toe te wijzen. Van het verhoor is evenmin een audiovisuele opname gemaakt.
36
Voorafgaand aan dit verhoor heeft een psychiater die K.P. eerder had behandeld, op 22 augustus 2022 tijdens zijn eigen verhoor verklaard dat de psychische toestand van de betrokkene — meer specifiek de ernst van de symptomen van zijn psychische aandoening — hem niet in staat stelde deel te nemen aan procedurele handelingen. Hij verklaarde dat deze toestand gedurende ten minste meerdere weken kon aanhouden. Uit het medische dossier van K.P., dat op 23 september 2022 op verzoek is overgelegd aan de openbare aanklager, bleek daarenboven dat de betrokkene tussen 30 juni 2021 en 22 juli 2022 meerdere malen in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen ter behandeling van schizofrenie en schizo-affectieve stoornissen. Uit dat dossier blijkt ook dat hij aanvankelijk was gediagnosticeerd met een geestesstoornis en een stoornis die werd veroorzaakt door het afwisselend gebruik van verdovende middelen en psychoactieve stoffen, alsmede met een psychose.
37
Op 15 december 2022 is bij de verwijzende rechter de tenlastelegging ingediend waarmee het geding is ingeleid.
38
Op 28 februari 2023 heeft deze rechter op basis van artikel 344a, lid 1, KPK beslist om de zaak terug te sturen naar het openbaar ministerie voor een aanvullend onderzoek, opdat K.P. zou worden ondervraagd in aanwezigheid van een advocaat en het advies van een deskundig psychiater zou worden ingewonnen over de geestelijke gezondheidstoestand van K.P. ten tijde van het strafbaar feit alsmede gedurende de tegen hem ingeleide strafprocedure.
39
Deze beslissing werd echter na een beroep van het openbaar ministerie vernietigd door de Sąd Okręgowy we Włocławku (rechter in tweede aanleg Włocławek, Polen). De zaak is terugverwezen naar de verwijzende rechter voor het verdere verloop van de procedure.
40
In het kader van deze procedure geeft deze rechter aan dat hij met name heeft vastgesteld dat tijdens de onderzoeksprocedure geen individuele beoordeling heeft plaatsgevonden om na te gaan of K.P. zich in een kwetsbare situatie bevond die de aanwijzing van een ambtshalve toegevoegde advocaat noodzakelijk maakte. Evenmin is vastgesteld of zijn geestelijke gezondheidstoestand hem in staat stelde om op onafhankelijke en redelijke wijze aan de procedure deel te nemen of zijn verdediging te voeren.
41
De verwijzende rechter leidt uit deze vaststellingen af dat K.P. derhalve is beroofd van de minimumbescherming waarop hij krachtens richtlijn 2016/1919 recht heeft als verdachte en als potentieel kwetsbare persoon, en van de rechten waarop alle verdachten krachtens de richtlijnen 2012/13 en 2013/48 aanspraak kunnen maken. Het gaat voornamelijk om de waarborging van het recht van personen die als kwetsbaar worden beschouwd op bijstand van een advocaat, evenals om hun recht op rechtsbijstand zodra zij ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd.
42
Volgens de verwijzende rechter is deze situatie een gevolg van het feit dat die richtlijnen niet correct en volledig zijn omgezet en dat de aanbeveling van de Commissie niet in de Poolse rechtsorde is verwerkt. Derhalve moet in de eerste plaats worden nagegaan of de relevante bepalingen van genoemde richtlijnen voldoen aan de criteria om rechtstreekse werking te hebben.
43
De verwijzende rechter merkt voorts op dat de van kracht zijnde regels van strafprocesrecht geen voldoende nauwkeurige oplossingen bieden om eenieder die binnen de werkingssfeer van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 valt, alle rechten te waarborgen die in deze richtlijnen zijn neergelegd, zoals het recht op onmiddellijke toegang tot een advocaat, het recht op bijstand van een advocaat in een zo vroeg mogelijk stadium van de fase voorafgaand aan het proces, of het recht op onverwijlde identificatie van de behoeften alvorens als verdachte te worden ondervraagd. Indien deze regels niet in overeenstemming met het Unierecht kunnen worden uitgelegd, wenst de verwijzende rechter in de tweede plaats te vernemen of niet alleen de nationale rechterlijke instanties, maar meer in het algemeen alle nationale rechtshandhavingsinstanties verplicht zijn om die regels buiten toepassing te laten.
44
In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing geeft de verwijzende rechter in de derde plaats aan dat hij ‘een doeltreffende voorziening in rechte wilt creëren’ waarmee de gevolgen van de schending van de rechten die de verdachte in de voorafgaande fasen van de procedure toekwamen op grond van richtlijn 2016/1919, ongedaan kunnen worden gemaakt. Hij verwijst daartoe naar artikel 8 van deze richtlijn en naar artikel 12 van richtlijn 2013/48, alsmede naar de rechtspraak van het EHRM.
45
In de vierde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af wat de situatie is van een verdachte of beklaagde die is geïdentificeerd als een kwetsbare persoon aan wie overeenkomstig richtlijn 2016/1919 onverwijld rechtsbijstand moet worden verleend. Deze rechter vraagt zich af of de nationale autoriteiten die deelnemen aan de fase die voorafgaat aan het strafproces en deze fase leiden, zoals de openbare aanklager, krachtens deze richtlijn een doeltreffende rechtsbescherming moeten waarborgen indien op het betrokken strafbare feit een vrijheidsstraf staat. Een doeltreffende toepassing van het Unierecht vereist bovendien de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van niet alleen de rechterlijke instanties, maar ook de met strafvervolging belaste autoriteiten in zaken die aanknopingspunten met het Unierecht vertonen.
46
In deze omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy we Włocławku de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van [richtlijn 2016/1919], gelezen in samenhang met de overwegingen 18, 19, 24 en 27 van deze richtlijn en met artikel 3, lid 2, onder a) en b), en artikel 3, lid 3, onder a), van [richtlijn 2013/48], zoals uitgelegd in het licht van de punten 6, 7, 11 en 13 van [de aanbeveling van de Commissie], aldus worden uitgelegd dat zij een rechtstreeks toepasselijke en dwingende regel invoeren volgens welke een kwetsbare persoon of een persoon in een kwetsbare positie niet mag worden verhoord zonder de tussenkomst van een advocaat, wanneer er objectieve feitelijke gronden voor het verlenen van rechtsbijstand bestaan en de autoriteit die belast is met het vooronderzoek niet zonder onnodig uitstel ambtshalve rechtsbijstand (ook geen spoedrechtsbijstand of voorlopige rechtsbijstand) verleent voordat de betrokken (kwetsbare) persoon wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een rechterlijke autoriteit of voordat er specifieke onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal worden verricht?
- 2)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met de overwegingen 18, 19, 24 en 27 van [richtlijn 2016/1919] en met artikel 1, lid 2, ervan, zoals uitgelegd in het licht [van de punten 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie], aldus worden uitgelegd dat het in zaken die betrekking hebben op verboden handelingen waarop een vrijheidsstraf is gesteld, in geen geval is toegestaan [i)] om — ondanks het bestaan van feitelijke gronden voor onverwijlde vaststelling — in het kader van een procedure niet vast te stellen of een persoon zich potentieel in een kwetsbare positie bevindt of als kwetsbaar is aan te merken en [ii)] om die persoon niet de mogelijkheid te bieden de beoordeling van zijn potentiële kwetsbaarheid te betwisten en zonder onnodig uitstel ambtshalve een advocaat toegewezen te krijgen, alsmede dat de omstandigheden die aanleiding geven tot het genoemde verzuim tot vaststelling en tot het verzuim om ambtshalve een advocaat aan de betrokkene toe te voegen, expliciet moeten worden vermeld in een — in beginsel aanvechtbare — beslissing om hem zonder de tussenkomst van een advocaat te verhoren?
- 3)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met de overwegingen 18, 19, 24 en 27 van deze richtlijn en met artikel 1, lid 2, ervan, zoals uitgelegd in het licht van [de punten 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie], aldus worden uitgelegd dat het verzuim van een lidstaat om in het kader van de strafprocedure een vermoeden van kwetsbaarheid in te voeren de verdachte belet om een beroep te doen op de waarborg die is neergelegd in artikel 9 van [richtlijn 2016/1919], zoals uitgelegd in het licht [van punt 11 van de aanbeveling van de Commissie], zodat de autoriteiten die belast zijn met de rechtsbedeling, in een dergelijke situatie verplicht zijn om de bepalingen van [deze] richtlijn rechtstreeks toe te passen?
- 4)
Indien ten minste een van de [eerste drie] vragen bevestigend wordt beantwoord, moeten de in die vragen genoemde bepalingen van beide richtlijnen dan aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als:
- a)
artikel 301, tweede volzin, [KPK], waarin is bepaald dat een verdachte slechts op zijn verzoek in aanwezigheid van een aangewezen advocaat wordt verhoord en dat het feit dat de advocaat niet aanwezig is bij het verhoor van de verdachte geen beletsel voor dit verhoor vormt[;]
- b)
artikel 79, lid 1, punten 3 en 4, [KPK], waarin is bepaald dat een beklaagde (verdachte) in het kader van een strafprocedure [alleen] toegang moet hebben tot een advocaat wanneer er gerede twijfel bestaat of zijn vermogen om de betekenis van het hem ten laste gelegde feit te onderkennen of om zijn gedragingen te controleren niet onbestaand was of in aanzienlijke mate was beperkt ten tijde van het plegen van dat feit, en of zijn geestelijke gezondheid hem in staat stelt om deel te nemen aan de procedure of om zich op zelfstandige en redelijke wijze te verdedigen[?]
- 5)
Verplicht artikel 3, lid 2, onder a), gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3, onder b), van [richtlijn 2013/48], alsook in samenhang met het beginsel van voorrang en rechtstreekse werking van richtlijnen, de autoriteiten die belast zijn met het vooronderzoek, de rechterlijke autoriteiten en alle autoriteiten van de staat om bepalingen van nationaal recht die onverenigbaar zijn met [die] richtlijn, zoals die welke worden genoemd in de [vierde vraag], buiten toepassing te laten en bijgevolg, gelet op het verstrijken van de omzettingstermijn, om de genoemde nationale regeling te vervangen door de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van [die] richtlijn?
- 6)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met de overwegingen 19, 24 en 27 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat, wanneer er geen beslissing omtrent het verlenen van ambtshalve rechtsbijstand is of [wanneer] er wordt verzuimd om dergelijke bijstand te verlenen aan een kwetsbare persoon of een persoon van wie wordt vermoed dat hij zich in een kwetsbare positie bevindt als bedoeld in [punt 7 van de aanbeveling van de Commissie], de nationale rechter die de zaak behandelt in het kader van de aanhangige strafprocedure en elke andere autoriteit van de staat die in het kader van een dergelijke procedure belast is met de rechtsbedeling (en derhalve ook de autoriteiten die belast zijn met het vooronderzoek) verplicht zijn om bepalingen van nationaal recht die onverenigbaar zijn met [deze] richtlijn, zoals die welke worden genoemd in de [vierde vraag], buiten toepassing te laten en bijgevolg, gelet op het verstrijken van de omzettingstermijn, om de genoemde nationale regeling te vervangen door de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de richtlijn als er vervolgens in aanwezigheid van een dergelijke persoon onderzoekshandelingen worden verricht door een orgaan van de politie of door een andere rechtshandhavingsinstantie, waaronder handelingen die niet kunnen worden herhaald voor de rechter, ook al heeft die persoon een raadsman van zijn keuze aangewezen nadat het vooronderzoek (of onderzoek) is beëindigd en nadat de openbare aanklager een tenlastelegging heeft ingediend bij de bevoegde rechter?
- 7)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met de overwegingen 19, 24 en 27 van deze richtlijn en met artikel 1, lid 2, ervan, zoals uitgelegd in het licht [van de punten 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie], aldus worden uitgelegd dat een lidstaat ervoor moet zorgen dat de kwetsbaarheid van een verdachte onmiddellijk wordt vastgesteld en erkend en dat in het kader van de aanhangige strafprocedure ambtshalve rechtsbijstand wordt verleend aan verdachten of beklaagden van wie wordt vermoed dat zij zich in een kwetsbare positie bevinden of kwetsbaar zijn, en dat die bijstand een verplichtend karakter heeft, ook al heeft de bevoegde autoriteit niet verzocht om de ernst van de kwetsbaarheid alsmede de behoeften van de kwetsbare persoon en de geschiktheid van alle maatregelen die ten behoeve van deze persoon zijn getroffen of gepland te laten beoordelen door een onafhankelijke deskundige, alsmede dat deze verplichting blijft bestaan totdat die deskundige een passende beoordeling heeft verricht?
- 8)
Indien de [zevende vraag] bevestigend wordt beantwoord, moeten de genoemde bepalingen van [richtlijn 2016/1919] en de aanbeveling van de Commissie aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als die van artikel 79, lid 1, punten 3 en 4, [KPK], waarin is bepaald dat een beklaagde in het kader van een strafprocedure alleen toegang tot een advocaat moet hebben wanneer er gerede twijfel bestaat of zijn vermogen om de betekenis van het hem ten laste gelegde feit te onderkennen of om zijn gedragingen te controleren niet onbestaand was of in aanzienlijke mate was beperkt ten tijde van het plegen van dat feit, en of zijn geestelijke gezondheid hem in staat stelt om deel te nemen aan de procedure of om zich op zelfstandige en redelijke wijze te verdedigen?
- 9)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van [richtlijn 2016/1919], gelezen in samenhang met de overwegingen 19, 24 en 27 van deze richtlijn en met artikel 1, lid 2, ervan, zoals uitgelegd in het licht [van de punten 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie], en van het beginsel van het vermoeden van kwetsbaarheid aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten (openbaar ministerie, politie) de kwetsbaarheid van de verdachte in het kader van de aanhangige strafprocedure zonder onnodig uitstel, en uiterlijk voordat hij voor het eerst wordt verhoord door de politie of door een andere bevoegde autoriteit, dienen vast te stellen en te erkennen en dat zij aan een dergelijke verdachte rechtsbijstand dan wel op (tijdelijke) spoedbijstand dienen te verlenen en de verdachte pas mogen ondervragen wanneer ambtshalve een raadsman aan hem is toegevoegd of (tijdelijke) spoedbijstand aan hem is verleend?
- 10)
Indien de [negende vraag] bevestigend wordt beantwoord, moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van [richtlijn 2016/1919], gelezen in samenhang met de overwegingen 19, 24 en 27 van deze richtlijn en met artikel 1, lid 2, ervan, zoals uitgelegd in het licht [van de punten 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie], aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten verplichten om in hun nationale recht uitdrukkelijk vast te stellen op welke gronden en volgens welke criteria kan worden afgeweken van de onmiddellijke vaststelling en de erkenning van de kwetsbaarheid van een verdachte in het kader van een strafprocedure, en om ervoor te zorgen dat rechtsbijstand dan wel (tijdelijke) spoedbijstand aan een dergelijke verdachte wordt verleend, alsmede dat, wanneer daarvan wordt afgeweken, de afwijking evenredig moet zijn, in de tijd moet worden beperkt en geen afbreuk mag doen aan het beginsel van een eerlijk proces, dat tot dergelijke afwijkingen moet worden besloten door middel van een besluit waarbij de betreffende afwijking tijdelijk wordt toegestaan, en dat de betrokken partij in beginsel het recht moet hebben om dat besluit door de rechter te laten toetsen?
- 11)
Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, [VEU] en artikel 47 van het [Handvest], gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a), en artikel 3, lid 3, onder a) en b), van [richtlijn 2013/48], alsook in samenhang met artikel 1, lid 2, en overweging 27 en artikel 8 van [richtlijn 2016/1919], aldus worden uitgelegd dat wanneer de autoriteit die belast is met de procedure verzuimt om ambtshalve rechtsbijstand te verlenen aan een persoon van wie wordt vermoed dat hij zich in een kwetsbare positie bevindt en/of kwetsbaar is (zoals bedoeld [in de punten 7 en 11 van de aanbeveling van de Commissie]) en de genoemde autoriteit niet aangeeft op welke grond is besloten om geen dergelijke bijstand aan die persoon te verlenen, deze persoon een beroep moet kunnen doen op een doeltreffende voorziening in rechte en dat het recht op een dergelijke voorziening wordt beschermd door de regeling van nationaal procesrecht die is opgenomen in artikel 344a [KPK], waarin is bepaald dat de zaak naar de openbare aanklager wordt terugverwezen om:
- a)
de kwetsbaarheid van de verdachte in de strafprocedure te laten vaststellen en erkennen door de autoriteit die belast is met het vooronderzoek;
- b)
aan de verdachte de mogelijkheid te bieden om voorafgaand aan zijn verhoor een advocaat te raadplegen;
- c)
de verdachte te ondervragen in aanwezigheid van een advocaat en met een audiovisuele opname van het verhoor;
- d)
aan de advocaat de mogelijkheid te bieden om kennis te nemen van het procesdossier en om de kwetsbare persoon en de ambtshalve of door de verdachte aangewezen advocaat eventuele verzoeken om bewijsgaring te laten indienen?
- 12)
Moet artikel 4 van het [Handvest], gelezen in samenhang met artikel 6, leden 1 en 3, VEU en artikel 6, lid 3, VEU, alsook met artikel 3 [EVRM], […] en met het beginsel van vermoeden van kwetsbaarheid als bedoeld [in punt 7 van de aanbeveling van de Commissie], aldus worden uitgelegd dat er — wanneer een verdachte wordt verhoord door een politieagent of door een andere persoon die gemachtigd is om onderzoekshandelingen in een psychiatrisch ziekenhuis te verrichten, maar er geen rekening wordt gehouden met de situatie van onzekerheid en de omstandigheid dat de vrijheid van spreken van de verdachte in aanzienlijke mate is beperkt, hij als het ware geestelijk weerloos is en hij niet wordt bijgestaan door een advocaat — sprake is van een onmenselijke behandeling, zodat het verhoor moet worden geacht onbruikbaar te zijn omdat het in strijd is met de door de Unie gewaarborgde grondrechten?
- 13)
Indien de [twaalfde vraag] bevestigend wordt beantwoord, moeten de in die vraag genoemde bepalingen dan aldus worden uitgelegd dat zij aan de nationale rechter die uitspraak moet doen in een strafzaak die valt binnen de werkingssfeer van [richtlijn 2016/1919], gelezen in samenhang met [punt 7 van de aanbeveling van de Commissie], en binnen die van [richtlijn 2013/48], alsook aan alle andere strafrechtelijke autoriteiten die proceshandelingen in de zaak verrichten de bevoegdheid verlenen (of deze verplichten) om bepalingen van nationaal recht die onverenigbaar zijn met [richtlijn 2016/1919], zoals met name artikel 168a KPK, buiten toepassing te laten en bijgevolg — gelet op het verstrijken van de omzettingstermijn — om de nationale regeling te vervangen door de rechtstreeks toepasselijke richtlijnbepalingen, ook al heeft de betrokkene een advocaat van zijn keuze aangewezen nadat het onderzoek is beëindigd en nadat de openbare aanklager een tenlastelegging heeft ingediend bij de bevoegde rechter?
- 14)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van [richtlijn 2016/1919], gelezen in samenhang met de overwegingen 19, 24 en 27 van deze richtlijn, alsook met artikel 3, lid 2, onder [a) tot en met c)], en artikel 3, lid 3, onder b), van [richtlijn 2013/48] en met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat de openbare aanklager in het kader van het vooronderzoek in een strafzaak verplicht is om de rechtstreeks toepasselijke voorschriften van richtlijn 2016/1919 ten volle te eerbiedigen en er bijgevolg voor moet zorgen dat een verdachte of beklaagde die wordt beschermd door die richtlijn, in de procedure daadwerkelijk rechtsbescherming krijgt vanaf het vroegste van de hiernavolgende tijdstippen, namelijk:
- a)
voordat hij door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een rechterlijke autoriteit wordt verhoord;
- b)
wanneer de rechtshandhavingsinstanties of andere bevoegde autoriteiten onderzoekshandelingen of andere handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal verrichten in overeenstemming met artikel 3, lid 3, onder c), van richtlijn 2013/48;
- c)
onmiddellijk na de vrijheidsbeneming (waaronder ook het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis moet worden verstaan), en dat de openbare aanklager zo nodig verplicht is om de bevelen van hogere openbare aanklagers naast zich neer te leggen, indien hij ervan overtuigd is dat de naleving daarvan afbreuk zou doen aan de daadwerkelijke bescherming van een verdachte van wie wordt vermoed dat hij kwetsbaar is of zich in een kwetsbare positie bevindt en aan zijn recht op een eerlijk proces of aan een ander recht waarop deze verdachte een beroep kan doen uit hoofde van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met richtlijn 2013/48?
- 15)
Indien de veertiende vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, waarin het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming is neergelegd, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU en met het beginsel van eerbiediging van de rechtsstaat, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof [arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456], alsook met het in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof (arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C-64/16, EU:C:2018:117), dan aldus worden uitgelegd dat deze beginselen, gelet op de mogelijkheid dat de procureur-generaal of hogere openbare aanklagers bindende aanwijzingen geven aan lagere openbare aanklagers en hen daarbij gelasten rechtstreeks toepasselijke bepalingen van Unierecht buiten toepassing te laten of de toepassing daarvan te belemmeren, in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling waaruit blijkt dat het openbaar ministerie rechtstreeks afhankelijk is van een uitvoerende autoriteit zoals de minister van Justitie, alsook aan nationale bepalingen die strekken tot beperking van de onafhankelijkheid van de openbare aanklagers bij de toepassing van het Unierecht, waaronder met name: […] artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 1, punten 1 en 3, en artikel 7, leden 1 tot en met 6 en lid 8, alsmede artikel 13, leden 1 en 2, van de ustawa-Prawo o prokuraturze [(wet inzake het openbaar ministerie)] van 28 januari 2016 (Dz. U. van 2016, volgnr. 176, zoals gewijzigd), waarvan de bewoordingen erop wijzen dat de minister van Justitie, die tevens de procureur-generaal en de hoogste autoriteit binnen het openbaar ministerie is, aanwijzingen kan geven die bindend zijn voor lagere openbare aanklagers en daarbij ook de rechtstreekse toepassing van het Unierecht kan beperken of belemmeren?’
Procedure bij het Hof
47
De verwijzende rechter heeft het Hof tevens verzocht om de zaak overeenkomstig artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgens de versnelde procedure te behandelen. Bij beschikking van 8 november 2023, Barało (C-530/23, EU:C:2023:927), heeft de president van het Hof, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, dit verzoek afgewezen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
48
De vragen van de verwijzende rechter hebben in essentie betrekking op de uitlegging van meerdere bepalingen van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919. Met deze vragen wenst de verwijzende rechter hoofdzakelijk te vernemen wat de omvang is van het recht op toegang tot een advocaat en van het recht op rechtsbijstand van een kwetsbare persoon.
49
Naast de kern van het verzoek om een prejudiciële beslissing worden echter ook vragen gesteld over diverse begrippen van Unierecht en over meerdere procedurele aspecten. Zo rijzen onder meer vragen in verband met de rechtstreekse werking van sommige bepalingen van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919, evenals in verband met een eventuele verplichting om rechtsmiddelen in te voeren die in deze richtlijnen worden opgelegd. Deze aanvullende vragen overlappen elkaar bovendien gedeeltelijk qua formulering.
50
Gelet op de onderlinge samenhang tussen het geheel van deze vragen, moeten in de eerste plaats de eerste tot en met de tiende, de dertiende en de veertiende vraag gezamenlijk worden onderzocht, voor zover zij betrekking hebben op de omvang van het recht op toegang tot een advocaat en het recht op rechtsbijstand van een kwetsbare persoon en op de gevolgen van een eventuele niet-overeenstemming van een nationale wettelijke regeling met de uit de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 voortvloeiende verplichtingen, in de tweede plaats de tweede, de tiende en de elfde vraag, voor zover zij betrekking hebben op het vereiste van een doeltreffende voorziening in rechte in geval van schending van de uit deze richtlijnen voortvloeiende rechten en op de toelaatbaarheid van bewijs, in de derde plaats de twaalfde vraag, en in de vierde plaats, de vijftiende vraag.
De eerste tot en met de tiende, de dertiende en de veertiende vraag, voor zover zij betrekking hebben op de omvang van het recht op toegang tot een advocaat en het recht op rechtsbijstand van een kwetsbare persoon, alsook op de gevolgen van een eventuele niet-overeenstemming van een nationale wettelijke regeling met de verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919
51
Met zijn eerste tot en met tiende, dertiende en veertiende vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, lid 2, artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a) tot en met c), en artikel 3, lid 3, onder a) en b), van richtlijn 2013/48, aldus moeten worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om, ten eerste, ervoor te zorgen dat de kwetsbaarheid van een beklaagde of verdachte wordt vastgesteld en erkend voordat deze wordt ondervraagd in het kader van een strafprocedure of voordat er specifieke onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal worden verricht, en ten tweede, te waarborgen dat die personen in deze procedure toegang hebben tot een advocaat in het kader van rechtsbijstand.
52
Met deze vragen stelt de verwijzende rechter meerdere kwesties aan de orde die achtereenvolgens moeten worden geanalyseerd. Om te beginnen moeten de respectieve werkingssferen van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 worden onderzocht, evenals hun onderlinge verhouding. Vervolgens moet de omvang van het recht op toegang tot een advocaat en van het recht op rechtsbijstand van een kwetsbare persoon worden beoordeeld. Ten slotte moet worden onderzocht welke gevolgen het heeft wanneer een nationale wettelijke regeling niet in overeenstemming is met de verplichtingen die uit de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 voortvloeien, zodat de verwijzende rechter een volledig antwoord kan krijgen.
Respectieve werkingssfeer van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 en hun onderlinge verhouding
53
Uit artikel 1, lid 2, van richtlijn 2016/1919 blijkt uitdrukkelijk dat deze richtlijn een aanvulling vormt op richtlijn 2013/48, aangezien het recht op rechtsbijstand gekoppeld is aan de uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat. Volgens artikel 2, lid 1, onder a) tot en met c), is richtlijn 2016/1919 van toepassing op verdachten en beklaagden die op grond van richtlijn 2013/48 recht hebben op toegang tot een advocaat en die ofwel van hun vrijheid zijn beroofd, ofwel op grond van het Unierecht of het nationale recht moeten worden bijgestaan door een advocaat, ofwel worden verplicht of toegestaan om aanwezig te zijn bij bepaalde onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal.
54
Artikel 3, lid 2, onder a) tot en met d), van richtlijn 2013/48 bepaalt dat verdachten en beklaagden in een strafprocedure in vier gevallen hoe dan ook toegang hebben tot een advocaat. Dit recht moet hun worden gewaarborgd, ten eerste, voordat zij door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord, ten tweede, wanneer bepaalde onderzoeks- of bewijsvergaringsmaatregelen worden genomen, ten derde, zonder onnodig uitstel na vrijheidsbeneming of, ten vierde, binnen een redelijke termijn voordat zij voor een bevoegde rechtbank verschijnen.
55
Uit deze verschillende bepalingen volgt dus dat het intreden van de in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met d), van richtlijn 2013/48 opgesomde gebeurtenissen niet alleen bepalend is voor het ontstaan van het recht op toegang tot een advocaat, maar ook — tegelijkertijd — voor de toepasselijkheid van richtlijn 2016/1919 en het daarin neergelegde recht op rechtsbijstand.
56
De gelijktijdige bescherming die door deze twee richtlijnen wordt geboden vloeit ook voort uit artikel 4, lid 5, van richtlijn 2016/1919. Deze bepaling legt de lidstaten uitdrukkelijk de verplichting op om ervoor te zorgen dat rechtsbijstand wordt verleend zonder onnodig uitstel, en uiterlijk voordat de betrokkene wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een gerechtelijke instantie, of voordat de in artikel 2, lid 1, onder c), van deze richtlijn genoemde onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal worden verricht.
57
Overweging 24 van die richtlijn wijst op het belang van een vroegtijdige verlening van rechtsbijstand. Uit die overweging volgt dat het mogelijk moet zijn om de politie en het openbaar ministerie tijdens de procedure voor de toekenning van deze bijstand tijdelijk bij de zaak te betrekken voor zover dit in dringende situaties noodzakelijk is om tijdig die rechtsbijstand te kunnen verlenen.
58
Artikel 4, lid 5, van richtlijn 2016/1919 geeft daarmee uitvoering aan de doelstelling van deze richtlijn, die, zoals blijkt uit de eerste overweging ervan, ertoe strekt te waarborgen dat het recht op toegang tot een advocaat, zoals bedoeld in richtlijn 2013/48, daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, door aan verdachten en beklaagden in strafprocedures bijstand van een door de lidstaat gefinancierde advocaat beschikbaar te stellen.
59
Ten slotte is het recht op toegang tot een advocaat een grondrecht dat verdachten en beklaagden in staat moet stellen hun rechten van de verdediging in de praktijk daadwerkelijk uit te oefenen. Daarom moeten deze verdachten en personen zonder onnodig uitstel en in elk geval vanaf het intreden van een van de vier situaties opgesomd in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met d), van richtlijn 2013/48, waaronder ondervraging door de politie, toegang krijgen tot een advocaat (zie in die zin arrest van 14 mei 2024, Stachev, C-15/24 PPU, EU:C:2024:399, punten 47 en 48). Hieruit volgt dat de bijstand, wil zij doeltreffend zijn, in een vroeg stadium van de procedure moet plaatsvinden (zie naar analogie arrest van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom, C-467/18, EU:C:2019:765, punt 50).
Omvang van het recht op toegang tot een advocaat en van het recht op rechtsbijstand van een kwetsbare persoon
60
Wat betreft de situatie van kwetsbare personen, leggen artikel 13 van richtlijn 2013/48 en artikel 9 van richtlijn 2016/1919 de lidstaten, in soortgelijke bewoordingen, de verplichting op om ervoor te zorgen dat bij de toepassing van deze richtlijnen rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en beklaagden.
61
Ten eerste heeft het Hof in dit verband geoordeeld dat personen met een psychische stoornis behoren tot de in dat artikel 13 bedoelde categorie van kwetsbare personen (zie in die zin arrest van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom, C-467/18, EU:C:2019:765, punt 48). Aangezien richtlijn 2016/1919, zoals in punt 53 van het onderhavige arrest is aangegeven, richtlijn 2013/48 aanvult, en deze twee richtlijnen dezelfde doelstelling nastreven, namelijk de bescherming van de rechten van verdachten of beklaagden in het kader van een strafprocedure, kan hun respectieve werkingssfeer ratione personae niet verschillen. Hieruit volgt dat personen met psychische stoornissen ook behoren tot de categorie kwetsbare personen in de zin van artikel 9 van richtlijn 2016/1919.
62
Ten tweede, wat betreft de in de derde vraag van de verwijzende rechter genoemde vermeende verplichting voor de lidstaten om een vermoeden van kwetsbaarheid in te voeren in strafprocedures, moet worden vastgesteld dat de Uniewetgever niet nader heeft toegelicht wat de omvang is van de verplichtingen die krachtens artikel 13 van richtlijn 2013/48 of artikel 9 van richtlijn 2016/1919 op de lidstaten rusten. Uit deze twee bepalingen kan dan ook niet worden afgeleid dat de lidstaten in bepaalde omstandigheden een vermoeden van kwetsbaarheid van de verdachte of beklaagde moeten vaststellen.
63
Het is juist dat de aanbeveling van de Commissie, waarnaar de verwijzende rechter ter ondersteuning van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing verwijst, de lidstaten aanmoedigt om een dergelijk vermoeden in te voeren, met name voor personen met psychische stoornissen die hen ervan beletten de procedure te begrijpen en daar effectief aan te kunnen deelnemen.
64
Deze aanbeveling is echter een niet-bindende handeling die geen verplichtingen voor de lidstaten kan scheppen. Dit geldt des te meer in de context van een minimale harmonisatie, waarbij de Uniewetgever geen uitvoering heeft gegeven aan het voorstel om een bindende tekst vast te stellen over specifieke waarborgen voor kwetsbare verdachten of beklaagden — zoals genoemd in overweging 9 van richtlijn 2013/48 en in overweging 4 van richtlijn 2016/1919.
65
In overweging 23 van richtlijn 2016/1919 staat echter te lezen dat de lidstaten de naleving van de beginselen en richtsnoeren betreffende de toegang tot rechtsbijstand in strafrechtsstelsels van de Verenigde Naties dienen te waarborgen.
66
Volgens punt 23 van deze beginselen en richtsnoeren is het de taak van de politie, het openbaar ministerie en de rechters om ervoor te zorgen dat personen die voor hen verschijnen en die niet over de middelen beschikken om een advocaat te betalen en/of die kwetsbaar zijn, rechtsbijstand krijgen. Punt 32 van die beginselen en richtsnoeren preciseert voorts dat bijzondere maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de rechtsbijstand daadwerkelijk toegankelijk is voor groepen met bijzondere behoeften, met name geesteszieken en drugsgebruikers.
67
Daarenboven staat in overweging 51 van richtlijn 2013/48 te lezen dat zowel het openbaar ministerie als de rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten de daadwerkelijke uitoefening van de in deze richtlijn bedoelde rechten door personen die mogelijk in een zwakke positie verkeren, moeten bevorderen. Daartoe moeten zij, zoals uit die overweging blijkt, met name rekening houden met een mogelijke kwetsbaarheid die hun vermogen aantast om het recht op toegang tot een advocaat uit te oefenen en moeten zij passende maatregelen nemen die ervoor zorgen dat die rechten worden gewaarborgd.
68
Hieruit volgt dat de onderzoeksautoriteiten of enige andere rechtshandhavingsinstantie, zoals openbare aanklagers, ervoor moeten zorgen dat de kwetsbaarheid van een verdachte of beklaagde wordt opgespoord en erkend voordat die persoon wordt ondervraagd in het kader van een strafprocedure of voordat ten aanzien van hem specifieke onderzoeks- of bewijsvergarings-maatregelen worden genomen, teneinde deze persoon in staat te stellen zijn rechten van verdediging in de praktijk doeltreffend uit te oefenen, zoals in punt 59 van het onderhavige arrest is aangegeven.
69
Bovendien volgt uit overweging 18 van richtlijn 2016/1919 dat, met name gelet op de specifieke behoeften van kwetsbare personen, een door de verdachte of beklaagde ingediend verzoek om rechtsbijstand geen materiële voorwaarde voor het verlenen van die rechtsbijstand mag vormen.
70
Het blijkt dus dat de Uniewetgever evenwel geen vermoeden van kwetsbaarheid van verdachten of beklaagden heeft willen invoeren, maar evenmin de bedoeling had om de verlening van rechtsbijstand afhankelijk te stellen van een verzoek van een persoon in een kwetsbare situatie.
71
Ten derde mag de keuze van een lidstaat om overeenkomstig artikel 4, lid 2, van richtlijn 2016/1919 een draagkrachttoets toe te passen om te bepalen of rechtsbijstand moet worden verleend, geen vertraging opleveren bij de toekenning van rechtsbijstand aan een kwetsbare persoon. Zoals in overweging 19 van deze richtlijn staat te lezen, dienen de bevoegde autoriteiten, wanneer zij de betrokkene deze bijstand niet kunnen verlenen voordat hij door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie wordt verhoord of vóór het verrichten van specifieke onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal, spoedrechtsbijstand of voorlopige rechtsbijstand te verlenen vóór dit verhoor of voordat die specifieke handelingen worden verricht.
72
Hieruit volgt dat een kwetsbare persoon, zoals een persoon met psychische stoornissen, zonder onnodig uitstel en uiterlijk vóór het verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie, of vóór het verrichten van de onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal waaraan hij moet of mag deelnemen, toegang moet hebben tot een advocaat in het kader van rechtsbijstand.
Gevolgen van een eventuele niet-overeenstemming van een nationale wettelijke regeling met de uit de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 voortvloeiende verplichtingen
73
In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat de relevante bepalingen van het nationale recht, in het bijzonder artikel 79, lid 1, punten 3 en 4, KPK, bepalen dat een beklaagde toegang moet hebben tot een advocaat bij gerede twijfel over de afwezigheid of wezenlijke aantasting van zijn vermogen om de betekenis van het hem ten laste gelegde feit te onderkennen of om zijn gedragingen te controleren ten tijde van het plegen van dat feit, en over de vraag of zijn geestelijke gezondheid hem in staat stelt om deel te nemen aan de procedure of om zich op zelfstandige en redelijke wijze te verdedigen. Op grond van artikel 301 KPK moet bij het verhoor van een verdachte ook een aangewezen advocaat aanwezig zijn indien deze verdachte daarom heeft verzocht, maar vormt de afwezigheid van een advocaat geen beletsel voor dit verhoor.
74
De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of dergelijke bepalingen verenigbaar zijn met artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 2013/48 en met artikel 1, lid 2, artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919. Deze rechter vraagt zich bovendien af of de onderzoeksautoriteiten, de rechterlijke instanties of enig ander orgaan van de staat, nationale bepalingen die onverenigbaar zijn met het Unierecht buiten toepassing moeten laten en in de plaats daarvan de bepalingen van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 moeten toepassen, voor zover zij rechtstreekse werking hebben.
75
In dit verband staat het in het kader van de aan artikel 267 VWEU ten grondslag liggende taakverdeling tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties niet aan het Hof om bepalingen van nationaal recht uit te leggen of uitspraak te doen over de verenigbaarheid van een nationale maatregel met het Unierecht (zie in die zin arresten van 3 februari 1977, Benedetti, 52/76, EU:C:1977:16, punt 25; 21 januari 1993, Deutsche Shell, C-188/91, EU:C:1993:24, punt 27, en 15 oktober 2024, KUBERA, C-144/23, EU:C:2024:881, punt 53).
76
Het staat dus aan de verwijzende rechter om na te gaan of de genoemde bepalingen van nationaal recht verenigbaar zijn met het Unierecht. Het staat evenwel aan het Hof om hem bepaalde nuttige aanwijzingen te geven en daarbij rekening te houden met de informatie in de verwijzingsbeslissing [arresten van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van de procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punt 64, en 15 oktober 2024, KUBERA, C-144/23, EU:C:2024:881, punt 53].
77
In dit kader zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat, om de doeltreffendheid van het geheel van bepalingen van dat recht te waarborgen, het voorrangsbeginsel met name de nationale rechterlijke instanties verplicht om hun nationale recht zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en het doel van het Unierecht uit te leggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel [zie in die zin arresten van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C-397/01—C-403/01, EU:C:2004:584, punt 119; 29 juni 2017, Popławski, C-579/15, EU:C:2017:503, punt 31, en 5 september 2024, M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen), C-603/22, EU:C:2024:685, punt 116].
78
De verplichting van conforme uitlegging van het nationale recht kent echter bepaalde beperkingen en kan met name niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht [zie in die zin arresten van 29 juni 2017, Popławski, C-579/15, EU:C:2017:503, punt 33, en 5 september 2024, M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen), C-603/22, EU:C:2024:685, punt 117].
79
Indien het nationale recht niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan worden uitgelegd, verplicht het voorrangsbeginsel de nationale rechter om in het bij hem aanhangige geding de volle werking van de vereisten van dat recht te verzekeren. Daartoe is deze rechter verplicht om, indien nodig, elke nationale regeling of praktijk, zelfs een latere, die strijdig is met een bepaling van het Unierecht met rechtstreekste werking, op eigen gezag buiten toepassing te laten, zonder dat hij hoeft te verzoeken om de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure, of die opheffing hoeft af te wachten [zie in die zin arrest van 5 september 2024, M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen), C-603/22, EU:C:2024:685, punt 118].
80
De bevoegde nationale autoriteiten moeten immers de eerbiediging verzekeren van de rechten die de rechtstreeks betrokken natuurlijke of rechtspersonen ontlenen aan een bepaling van Unierecht die inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is [zie naar analogie arresten van 3 oktober 2019, Wasserleitungsverband Nördliches Burgenland e.a., C-197/18, EU:C:2019:824, punt 32, en 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C-569/20, EU:C:2022:401, punt 28].
81
Vanuit dit oogpunt staat het, bij gebreke van tijdig vastgestelde uitvoeringsmaatregelen of in geval van onjuiste omzetting van een richtlijn, aan de nationale rechterlijke instanties en aan alle organen van de staat om deze naleving te verzekeren. Net als de nationale rechter zijn deze organen — waaronder de rechtshandhavingsinstanties, zoals de politie en het openbaar ministerie — immers verplicht om elke bepaling van nationaal recht die niet in overeenstemming is met de onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige bepalingen van een richtlijn buiten toepassing te laten, en voorts deze bepalingen toe te passen voor zover zij rechten vastleggen die particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden [zie in die zin arresten van 19 januari 1982, Becker, 8/81, EU:C:1982:7, punt 25; 22 juni 1989, Costanzo, 103/88, EU:C:1989:256, punten 30 en 31; 19 november 1991, Francovich e.a., C-6/90 en C-9/90, EU:C:1991:428, punt 11, en 20 april 2023, Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (Gemeente Ginosa), C-348/22, EU:C:2023:301, punt 77].
82
Wat in de tweede plaats de rechtstreekse werking betreft van de in punt 74 van het onderhavige arrest bedoelde Unierechtelijke bepalingen, blijkt uit vaste rechtspraak dat een Unierechtelijke bepaling onvoorwaardelijk is wanneer zij een verplichting oplegt die aan geen enkele voorwaarde is gebonden en die voor haar uitvoering of werking niet afhangt van een handeling van de instellingen van de Unie of van de lidstaten — afgezien van de nationaalrechtelijke omzettingshandeling — en voldoende nauwkeurig is om door een justitiabele te kunnen worden ingeroepen en door de rechter te kunnen worden toegepast wanneer de erin vervatte verplichting in ondubbelzinnige bewoordingen is geformuleerd [zie in die zin arresten van 3 april 1968, Molkerei-Zentrale Westfalen/Lippe, 28/67, EU:C:1968:17, blz. 217 en 218; 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking), C-205/20, EU:C:2022:168, punt 18, en 1 augustus 2022, TL (Ontbreken van vertolking en vertaling), C-242/22 PPU, EU:C:2022:611, punt 50].
83
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat een richtlijn de lidstaten weliswaar een zekere beoordelingsmarge laat bij de vaststelling van de uitvoeringsmaatregelen daarvoor, maar dat een bepaling van deze richtlijn als onvoorwaardelijk en nauwkeurig kan worden beschouwd indien zij de lidstaten in ondubbelzinnige bewoordingen een nauwkeurige resultaatsverplichting oplegt waaraan geen voorwaarde is verbonden met betrekking tot de toepassing van de daarin vervatte regel [zie in die zin arresten van 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking), C-205/20, EU:C:2022:168, punt 19, en 1 augustus 2022, TL (Ontbreken van vertolking en vertaling), C-242/22 PPU, EU:C:2022:611, punt 51]. In dit verband is het van wezenlijk belang dat de door de betrokken richtlijn aan de lidstaten toegekende beoordelingsmarge er niet aan in de weg staat dat de inhoud van de minimale bescherming of minimale garantie die de met deze richtlijn geviseerde personen moeten genieten, wordt vastgesteld [zie in die zin arresten van 14 juli 1994, Faccini Dori, C-91/92, EU:C:1994:292, punt 17, en 20 april 2023, Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (Gemeente Ginosa), C-348/22, EU:C:2023:301, punt 65].
84
Wat ten eerste artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 2013/48 betreft, blijkt uit de bewoordingen zelf van artikel 3, lid 2, dat verdachten of beklaagden zonder onnodig uitstel en in elk geval uiterlijk vanaf het moment waarop voor het eerst een van de vier in de punten a) tot en met d) van die bepaling genoemde situaties heeft plaatsgevonden, toegang tot een advocaat hebben. Bijgevolg heeft die bepaling rechtstreekse werking, aangezien zij de lidstaten in ondubbelzinnige bewoordingen verplicht om de toegang tot een advocaat te waarborgen zodra specifieke situaties zich voordoen, zonder dat hun daarbij enige beoordelingsmarge toekomt of dat zij aanvullende voorwaarden aan deze verplichting mogen verbinden, terwijl evenmin een handeling van de Unie of de lidstaten nodig is.
85
Omdat artikel 3, lid 3, van die richtlijn de constitutieve elementen van dit recht op toegang tot een advocaat vaststelt, heeft die bepaling ook rechtstreekse werking, aangezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig wordt bepaald dat verdachten of beklaagden een minimumbescherming genieten.
86
Ten tweede bevat ook artikel 4, lid 5, van richtlijn 2016/1919 een duidelijk omschreven verplichting waarvan de nakoming onvoorwaardelijk is omschreven.
87
Volgens de bewoordingen van deze bepaling moet de rechtsbijstand zonder onnodig uitstel aan verdachten en beklaagden worden verleend, en uiterlijk voordat de betrokkene wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een gerechtelijke instantie, of vóór het verrichten van de in artikel 2, lid 1, onder c), van deze richtlijn genoemde onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal.
88
Hieruit volgt dat de lidstaten krachtens artikel 4, lid 2, van genoemde richtlijn weliswaar een draagkrachttoets, een gegrondheidstoets of beide mogen hanteren om te bepalen of rechtsbijstand moet worden verleend, maar dat deze beoordelingsmarge geen invloed mag hebben op het tijdstip waarop die bijstand moet worden verleend, aangezien dit tijdstip in artikel 4, lid 5, van de richtlijn duidelijk is vastgelegd met de aanduiding van een concrete tijdslimiet.
89
Wat ten derde artikel 9 van richtlijn 2016/1919 betreft, deze bepaling legt de lidstaten een duidelijke resultaatsverplichting op, zonder dat daarbij enige voorwaarde geldt voor de toepassing van deze regel. Deze bepaling verplicht de lidstaten namelijk om ervoor te zorgen dat bij de verlening van rechtsbijstand rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten of beklaagden.
90
De beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken met betrekking tot de wijze waarop zij rekening houden met de specifieke behoeften van verdachten of beklaagden in een situatie van bijzondere kwetsbaarheid, wordt begrensd door de in die bepaling gestelde algemene en ondubbelzinnige verplichting voor de lidstaten om bij de uitvoering ervan specifiek met deze personen rekening te houden.
91
Uit een en ander volgt dat het aan de verwijzende rechter staat om de met name in punt 73 van het onderhavige arrest genoemde nationale bepalingen zo veel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen, teneinde de volle werking ervan te verzekeren. Indien een dergelijke uitlegging niet mogelijk is, moet hij op eigen gezag de nationale bepalingen die onverenigbaar blijken te zijn met artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 2013/48 en met artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919 buiten toepassing laten en de betreffende bepalingen van deze richtlijnen toepassen, aangezien de daarin neergelegde verplichtingen gelden voor alle organen van de lidstaten, waaronder de rechtshandhavingsinstanties, zoals de politie en het openbaar ministerie.
Conclusie met betrekking tot de eerste tot en met de tiende, de dertiende en de veertiende vraag
92
Gelet op het voorgaande moet op de eerste tot en met de tiende, de dertiende en de veertiende vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a) tot en met c), en artikel 3, lid 3, van richtlijn 2013/48 aldus moeten worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om, ten eerste, ervoor te zorgen dat de kwetsbaarheid van een beklaagde of verdachte wordt vastgesteld en erkend voordat deze persoon of die verdachte wordt ondervraagd in het kader van een strafprocedure of voordat er specifieke onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal worden verricht, en ten tweede, te waarborgen dat die personen zonder onnodig uitstel en uiterlijk vóór het verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie, dan wel vóór het verrichten van de onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal waaraan die persoon of die verdachte moet of mag deelnemen, toegang hebben tot een advocaat in het kader van rechtsbijstand voor deze procedure.
Tweede, tiende, elfde en dertiende vraag, voor zover zij betrekking hebben op het vereiste van een doeltreffende voorziening in rechte en op de toelaatbaarheid van bewijs
93
Vooraf zij opgemerkt dat de verwijzende rechter in zijn elfde vraag verwijst naar artikel 8 van richtlijn 2016/1919 en niet naar artikel 12, lid 1, van richtlijn 2013/48. Deze rechter verwijst echter naar laatstgenoemde bepaling in de motivering van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing en de twee artikelen hebben betrekking op de rechtsmiddelen en zijn in vergelijkbare bewoordingen gesteld.
94
In die omstandigheden moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn tweede, tiende, elfde en dertiende vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 12 van richtlijn 2013/48 en artikel 8 van richtlijn 2016/1919 aldus moeten worden uitgelegd dat zij vereisen dat beslissingen betreffende, ten eerste, het onderzoek naar de mogelijke kwetsbaarheid van een verdachte of beklaagde en, ten tweede, de weigering om rechtsbijstand te verlenen aan een kwetsbare persoon, evenals de keuze om deze persoon te ondervragen zonder dat een advocaat aanwezig is, moeten worden gemotiveerd en aan een doeltreffende voorziening in rechte moeten kunnen worden onderworpen. Voorts wenst de verwijzende rechter te vernemen of die bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die een rechter in het kader van een strafprocedure niet toestaat om belastend bewijsmateriaal niet-ontvankelijk te verklaren, wanneer dat bewijsmateriaal is verkregen uit verklaringen die een kwetsbare persoon heeft afgelegd tijdens een verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie zonder eerbiediging van de door de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 gewaarborgde rechten.
95
In dit verband volgt om te beginnen uit de bewoordingen zelf van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2013/48 en artikel 8 van richtlijn 2016/1919 dat verdachten of beklaagden op grond van het nationale recht moeten beschikken over een doeltreffende voorziening in rechte in gevallen waarin hun uit deze richtlijnen voortvloeiende rechten zijn geschonden.
96
Het Hof heeft reeds geoordeeld dat artikel 12, lid 1, van richtlijn 2013/48 de lidstaten ertoe verplicht om de eerbiediging te waarborgen van het recht op een eerlijk proces en van de rechten van de verdediging, die zijn neergelegd in respectievelijk artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest, door te zorgen voor een doeltreffende voorziening in rechte die het voor elke verdachte of beklaagde mogelijk maakt om zich te wenden tot een rechterlijke instantie die moet onderzoeken of de rechten die hij aan richtlijn 2013/48 ontleent, al dan niet zijn geschonden [zie in die zin arrest van 7 september 2023, Rayonna prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering), C-209/22, EU:C:2023:634, punt 51].
97
Dezelfde uitlegging dringt zich op voor artikel 8 van richtlijn 2016/1919. Het verlenen van rechtsbijstand vormt immers een onderdeel van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat uitdrukkelijk is gewaarborgd in artikel 47, derde alinea, van het Handvest, terwijl het doel van richtlijn 2019/99 is om de doeltreffendheid van het in richtlijn 2013/48 neergelegde recht op toegang tot een advocaat te waarborgen. Door de wisselwerking tussen deze twee richtlijnen, dragen zij dus bij tot de verwezenlijking van het in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, aangezien de verlening van rechtsbijstand het recht op toegang tot een advocaat ondersteunt [zie in die zin arrest van 22 juni 2023, K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken), C-660/21, EU:C:2023:498, punt 44].
98
Hieruit volgt dat artikel 12, lid 1, van richtlijn 2013/48 en artikel 8 van richtlijn 2016/1919 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen elke nationale maatregel die het aanwenden van effectieve rechtsmiddelen in geval van schending van de door deze richtlijn gewaarborgde rechten belemmeren [zie in die zin arresten van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom, C-467/18, EU:C:2019:765, punten 57 en 58, en 22 juni 2023, K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken), C-660/21, EU:C:2023:498, punt 37].
99
Vervolgens moet worden gepreciseerd dat de artikelen 47 en 48 van het Handvest de lidstaten niet verplichten om te voorzien in autonome rechtsmiddelen die verdachten of beklaagden kunnen aanwenden om de hun bij genoemde richtlijnen toegekende rechten te doen gelden. Volgens vaste rechtspraak verplicht het Unierecht, met inbegrip van de bepalingen van het Handvest, de lidstaten er niet toe om andere rechtsmiddelen in te voeren dan die welke in het nationale recht zijn vastgesteld, tenzij uit de opzet van de betrokken nationale rechtsorde blijkt dat er geen rechtsgang is waarmee, al was het maar incidenteel, de eerbiediging van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, kan worden verzekerd [zie in die zin arresten van 13 maart 2007, Unibet, C-432/05, EU:C:2007:163, punt 71; 21 december 2021, Randstad Italia, C-497/20, EU:C:2021:1037, punt 62, en 7 september 2023, Rayonna prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering), C-209/22, EU:C:2023:634, punt 54].
100
Hieraan moet worden toegevoegd dat artikel 12, lid 1, van richtlijn 2013/48 en artikel 8 van richtlijn 2016/1919 bepalen dat het recht om eventuele schendingen van de bij deze richtlijnen verleende rechten te doen vaststellen, wordt verleend overeenkomstig ‘het nationale recht’, waarbij artikel 12, lid 2, van richtlijn 2013/48 preciseert dat de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal wordt geregeld door de nationale voorschriften en stelsels.
101
Die bepalingen leggen dus niet vast op welke wijze schendingen van deze rechten moeten kunnen worden aangevoerd, zodat de lidstaten een zekere beoordelingsmarge behouden bij het bepalen van de specifieke procedures die in dat verband zullen worden toegepast [zie in die zin arrest van 7 september 2023, Rayonna prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering), C-209/22, EU:C:2023:634, punt 52], met dien verstande dat, zoals blijkt uit artikel 12, lid 2, van richtlijn 2013/48, bij de beoordeling van de verklaringen van verdachten of beklaagden of van bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure moeten worden geëerbiedigd.
102
Bijgevolg verplicht niets in deze richtlijnen de nationale rechter ertoe om al het bewijsmateriaal dat is verkregen zonder eerbiediging van de door de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 verleende rechten, automatisch buiten beschouwing te laten. Volgens de rechtspraak van het EHRM — waarmee rekening moet worden gehouden, zoals blijkt uit de overwegingen 50 en 53 van eerstgenoemde richtlijn en de overwegingen 17 en 30 van laatstgenoemde richtlijn — staat het evenwel wanneer een procedurefout wordt vastgesteld aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of dit gebrek in de loop van de daaropvolgende procedure is verholpen (zie in die zin arrest van 14 mei 2024, Stachev, C-15/24 PPU, EU:C:2024:399, punt 96).
103
In het geval dat bewijs is verzameld in strijd met de voorschriften van deze richtlijnen, moet dus worden vastgesteld of, ondanks deze tekortkoming, op het tijdstip waarop de aangezochte rechter een beslissing moet nemen de strafprocedure in haar geheel beschouwd billijk kan worden geacht, waarbij rekening moet worden gehouden met een aantal factoren, waaronder de vraag of de verklaringen die in afwezigheid van een advocaat zijn afgenomen een integraal of belangrijk onderdeel vormen van de belastende stukken, alsmede de kracht van de andere elementen van het dossier (arrest van 14 mei 2024, Stachev, C-15/24 PPU, EU:C:2024:399, punt 97).
104
Hieruit volgt dat het Unierecht de lidstaten niet verplicht om te voorzien in de mogelijkheid voor een rechter om belastende bewijzen die zijn ontleend aan verklaringen die door een kwetsbare persoon zijn afgelegd tijdens een verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie dat zonder eerbiediging van de rechten van de richtlijnen 2013/48 of 2016/1919 is afgenomen, niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde evenwel dat die rechter in het kader van het strafproces kan toetsen of die rechten, gelezen in het licht van artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest, zijn nageleefd en alle gevolgen kan trekken die uit die niet-eerbiediging voortvloeien, in het bijzonder wat betreft de bewijskracht van de in die omstandigheden verkregen bewijzen [zie naar analogie arrest van 5 september 2024, M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen), C-603/22, EU:C:2024:685, punt 174].
105
Ten slotte volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de lidstaten bij de uitvoering van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 ervoor moeten zorgen dat wordt voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit zowel het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, zoals neergelegd in artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest, als de in artikel 48, lid 2, van het Handvest neergelegde rechten van de verdediging [zie in die zin arrest van 22 juni 2023, K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken), C-660/21, EU:C:2023:498, punt 40].
106
Volgens vaste rechtspraak is de mededeling van de motivering een onderdeel van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, aangezien daarmee een doeltreffende rechterlijke toetsing kan worden gewaarborgd. Om verdachten of beklaagden in staat te stellen hun uit deze richtlijnen voortvloeiende rechten optimaal te doen gelden en met volledige kennis van zaken te beslissen of het voor hen nuttig is om een beroep in rechte in te stellen, is de bevoegde nationale autoriteit bovendien verplicht om hen in kennis te stellen van de beweegredenen van haar weigering (zie in die zin arresten van 15 oktober 1987, Heylens e.a., 222/86, EU:C:1987:442, punt 15, en 17 maart 2011, Peñarroja Fa, C-372/09 en C-373/09, EU:C:2011:156, punt 63).
107
Gelet op een en ander moeten artikel 12 van richtlijn 2013/48 en artikel 8 van richtlijn 2016/1919 aldus worden uitgelegd dat zij vereisen dat beslissingen betreffende, ten eerste, het onderzoek naar de mogelijke kwetsbaarheid van een verdachte of beklaagde en, ten tweede, de weigering om rechtsbijstand te verlenen aan een kwetsbare persoon, evenals de keuze om deze persoon te ondervragen zonder dat een advocaat aanwezig is, worden gemotiveerd en aan een doeltreffende voorziening in rechte kunnen worden onderworpen.
108
Deze bepalingen verzetten zich daarentegen niet tegen een nationale regeling die in het kader van een strafprocedure niet toestaat dat een rechter belastend bewijsmateriaal dat is verkregen uit verklaringen die een kwetsbare persoon heeft afgelegd tijdens een verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie, zonder eerbiediging van de door de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 gewaarborgde rechten, niet-ontvankelijk verklaart, op voorwaarde evenwel dat die rechter in het kader van het strafproces, ten eerste, kan toetsen of die rechten, gelezen in het licht van artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest, zijn nageleefd en, ten tweede, alle gevolgen kan trekken die uit die niet-eerbiediging voortvloeien, in het bijzonder met betrekking tot de bewijskracht van het in die omstandigheden verkregen bewijsmateriaal.
Twaalfde vraag
109
Met zijn twaalfde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of het verhoor van een verdachte in het psychiatrisch ziekenhuis waar hij is opgenomen, zonder dat hij wordt bijgestaan door een advocaat en zonder dat rekening wordt gehouden met de situatie van onzekerheid van die verdachte, in omstandigheden van bijzonder beperkte vrijheid van spreken en specifieke psychische kwetsbaarheid, een onmenselijke behandeling vormt in de zin van artikel 4 van het Handvest.
110
Volgens vaste rechtspraak is het wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, noodzakelijk dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd. Deze rechter moet bovendien de precieze redenen vermelden waarom hij twijfelt over de uitlegging van het Unierecht en het noodzakelijk acht om het Hof een prejudiciële vraag te stellen (zie in die zin arresten van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C-320/90—C-322/90, EU:C:1993:26, punt 6; 8 september 2009, Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International, C-42/07, EU:C:2009:519, punt 40, en 29 juli 2024, LivaNova, C-713/22, EU:C:2024:642, punt 54).
111
Zoals artikel 94, onder a) en c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt, moet een verzoek om een prejudiciële beslissing met name een summier overzicht van de relevante feiten bevatten, of ten minste een uiteenzetting van de feitelijke gegevens waarop de vragen berusten, alsook een uiteenzetting van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich vragen te stellen over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het Unierecht, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling.
112
In casu bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen informatie over de omstandigheden van het verhoor van K.P. in het ziekenhuis. Uit dit verzoek kan evenmin worden opgemaakt in welk opzicht een antwoord op de twaalfde vraag noodzakelijk zou zijn om de verwijzende rechter in staat te stellen het hoofdgeding te beslechten.
113
Bijgevolg is de twaalfde vraag niet-ontvankelijk.
Vijftiende vraag
114
Met zijn vijftiende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het Unierecht zich verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat het openbaar ministerie rechtstreeks afhankelijk is van een uitvoerend orgaan en, zo ja, of de openbare aanklager in de fase voorafgaand aan het strafproces de bepalingen van een dergelijke regeling buiten toepassing moet laten.
115
In casu blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter dat in het kader van het hoofdgeding de fase die voorafgaat aan het strafproces is afgesloten. In die omstandigheden is de vraag of de openbare aanklager in het kader van deze fase verplicht is om met het Unierecht strijdige nationale bepalingen buiten toepassing te laten teneinde de doeltreffendheid van de rechten van die personen te waarborgen, niet gericht op een uitlegging van het Unierecht met het objectieve doel om de hoofdprocedure te beslechten, maar betreft het een vraag van algemene en hypothetische aard.
116
Het is vaste rechtspraak dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt om de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen en dat de rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing niet is gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding [zie in die zin arresten van 16 december 1981, Foglia, 244/80, EU:C:1981:302, punt 18; 18 oktober 1990, Dzodzi, C-297/88 en C-197/89, EU:C:1990:360, punt 33; 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punt 44, en 5 september 2024, M.S. e.a. (Procedurele rechten van een minderjarige), C-603/22, EU:C:2024:685, punt 75].
117
Bijgevolg is de vijftiende vraag niet-ontvankelijk.
Kosten
118
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a) tot en met c), en met artikel 3, lid 3, van richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming,
moeten aldus worden uitgelegd dat
de lidstaten verplicht zijn om, ten eerste, ervoor te zorgen dat de kwetsbaarheid van een beklaagde of verdachte wordt vastgesteld en erkend voordat deze persoon of die verdachte wordt ondervraagd in het kader van een strafprocedure of voordat er specifieke onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal worden verricht, en, ten tweede, te waarborgen dat die personen zonder onnodig uitstel en uiterlijk vóór het verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie, dan wel vóór het verrichten van de onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal waaraan die persoon of die verdachte moet of mag deelnemen, toegang hebben tot een advocaat in het kader van rechtsbijstand voor deze procedure.
- 2)
Artikel 12 van richtlijn 2013/48 en artikel 8 van richtlijn 2016/1919
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij vereisen dat beslissingen betreffende, ten eerste, het onderzoek naar de mogelijke kwetsbaarheid van een verdachte of beklaagde en, ten tweede, de weigering om rechtsbijstand te verlenen aan een kwetsbare persoon, evenals de keuze om deze persoon te ondervragen zonder dat een advocaat aanwezig is, worden gemotiveerd en aan een doeltreffende voorziening in rechte kunnen worden onderworpen.
Deze bepalingen verzetten zich daarentegen niet tegen een nationale regeling die in het kader van een strafprocedure niet toestaat dat een rechter belastend bewijsmateriaal dat is verkregen uit verklaringen die een kwetsbare persoon heeft afgelegd tijdens een verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie, zonder eerbiediging van de door de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 gewaarborgde rechten, niet-ontvankelijk verklaart, op voorwaarde evenwel dat die rechter in het kader van het strafproces, ten eerste, kan toetsen of die rechten, gelezen in het licht van artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest, zijn nageleefd en, ten tweede, alle gevolgen kan trekken die uit die niet-eerbiediging voortvloeien, in het bijzonder met betrekking tot de bewijskracht van het in die omstandigheden verkregen bewijsmateriaal.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑05‑2025
Procestaal: Pools.
Conclusie 14‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachten of beklaagden zijn in een strafprocedure — Recht op toegang tot een advocaat — Richtlijn 2013/48/EU — Richtlijn (EU) 2016/1919 — Toelaatbaarheid van bewijs
T. Ćapeta
Partij(en)
Zaak C-530/23 [Barało] i.1.
K.P.
In tegenwoordigheid van:
Prokurator Rejonowy we Włocławku
[Verzoek van de Sąd Rejonowy we Włocławku (rechter in eerste aanleg Włocławek, Polen) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Welke specifieke eisen stelt het Unierecht aan nationale autoriteiten wanneer zij een strafprocedure voeren waarbij kwetsbare personen betrokken zijn? Dit is de rode draad doorheen de 15 vragen die de verwijzende rechter in de onderhavige zaak heeft voorgelegd.
2.
Deze vragen hebben betrekking op richtlijn 2013/48/EU2. betreffende het recht op toegang tot een advocaat, en op richtlijn (EU) 2016/19193., die de doeltreffendheid van dat recht versterkt door de lidstaten te verplichten rechtsbijstand te waarborgen. Artikel 13 van richtlijn 2013/48 en artikel 9 van richtlijn 2016/1919 verplichten de lidstaten rekening te houden met de specifieke behoeften van kwetsbare personen.
3.
Aangezien de persoon in het hoofdgeding geestesziek en dus kwetsbaar is, wenst de verwijzende rechter te vernemen welke concrete verplichtingen hieruit voortvloeien voor de nationale autoriteiten die in deze context een strafprocedure voeren.
4.
Over richtlijn 2013/48 heeft het Hof zich reeds gebogen, maar richtlijn 2016/1919 heeft het nog niet eerder uitgelegd, afgezien van één terloopse opmerking4. en een aantal verwijzingen van advocaten-generaal.5.
II. Feiten, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
5.
K.P. is een persoon tegen wie een strafprocedure loopt wegens, ten eerste, het in bezit hebben van 8,50 gram cannabis en 33,83 gram amfetamine en, ten tweede, rijden onder invloed van een stof met een soortgelijke werking als alcohol en de aanwezigheid van amfetamine in zijn bloed. De beschuldigingen zijn als volgt tot stand gekomen.
6.
Volgens de verwijzende rechter merkten politieagenten op 21 juli 2022 kort voor middernacht een voertuig op dat op een vreemde manier rondreed en vreemde geluiden maakte. Zij benaderden het voertuig waarin K.P. reed, spraken met hem en reden vervolgens weer weg.
7.
Enkele ogenblikken later hoorden dezelfde politieagenten via de radio dat er een aanrijding had plaatsgevonden tussen twee voertuigen. Aangezien het voertuig van K.P. volgens hen voldeed aan de beschrijving van een van de bij de aanrijding betrokken voertuigen, keerden zij terug naar de plaats waar zij hem voor het eerst hadden gezien. K.P. bevond zich buiten het voertuig, leek nerveus en sprak verward. De politieagenten ondervroegen hem en vroegen hem om eventuele verboden voorwerpen te overhandigen.
8.
K.P. verklaarde dat hij niet de bestuurder van het voertuig was en overhandigde de in zijn bezit zijnde plastic zakjes, die wit poeder en gedroogd groen materiaal bevatten. Nadat hij was geboeid en gearresteerd (op 22 juli 2022 om 00.05 uur), werd hij naar het ziekenhuis gebracht, waar bloed van hem werd afgenomen voor onderzoek op de aanwezigheid van verdovende middelen.
9.
Nadat de stoffen waren getest en was vastgesteld dat het om cannabis en amfetamine ging, werd K.P. op 22 juli 2022 om 12.15 uur beschuldigd van het in bezit hebben van verboden middelen. Hij werd geïnformeerd over zijn recht om zich te laten bijstaan door een advocaat van zijn keuze en over de mogelijkheid om rechtsbijstand aan te vragen indien zijn economische situatie dit rechtvaardigde. Hij werd ook geïnformeerd over zijn recht om te worden gehoord en te zwijgen.
10.
K.P. heeft geen afstand gedaan van zijn recht om zich te laten bijstaan door een advocaat, maar heeft evenmin verzocht om toewijzing van een advocaat. Nergens is vastgelegd of de politieagent tijdens dit verhoor heeft getracht na te gaan of de verdachte onder invloed van verdovende middelen was of in staat was het gebeurde te begrijpen en het zich te herinneren.
11.
K.P. ontkende het vermeende strafbare feit te hebben gepleegd. Hij zweeg en weigerde na het onderzoek het proces-verbaal te ondertekenen of kennis te nemen van het dossier. Van het verhoor is geen audiovisuele opname gemaakt en er was geen raadsman bij aanwezig. De met het onderzoek belaste autoriteit heeft de rechter tevens niet verzocht om een raadsman aan te wijzen. Op 22 juli 2022 om 12.31 uur werd K.P. uit hechtenis ontslagen.
12.
In de loop van augustus en september 2022 heeft de politie een psychiater ondervraagd over de geestelijke gezondheid van K.P. en heeft de Prokurator Rejonowy we Włocławku (openbaar aanklager van het arrondissement Włocławek, Polen; hierna ‘openbaar aanklager’) inzage genomen in zijn medisch dossier uit het psychiatrische ziekenhuis waarin hij was opgenomen.
13.
Nadat de uitslagen van zijn bloedonderzoek bekend waren gemaakt, is K.P. op 7 augustus 2022 tevens beschuldigd van rijden onder invloed van verdovende middelen. Deze informatie is op 14 oktober 2022 aan K.P. meegedeeld. Hij was toen patiënt in het psychiatrisch ziekenhuis en is daar vervolgens verhoord.
14.
Dit tweede verhoor heeft, net als op 22 juli 2022, plaatsgevonden zonder dat er een advocaat aanwezig was. De openbaar aanklager heeft de rechter niet verzocht om K.P een advocaat toe te wijzen en er is geen audiovisuele opname van het verhoor gemaakt. Ook is hij geïnformeerd over zijn recht om zich te laten bijstaan door een advocaat, het recht om rechtsbijstand aan te vragen indien zijn economische situatie dit rechtvaardigde en zijn recht om te worden gehoord en te zwijgen. K.P. heeft verzocht om inzage in zijn dossier en in de motivering van de beschuldiging tegen hem. Al deze informatie is op 27 oktober 2022 schriftelijk aan zijn moeder overhandigd.
15.
Op 15 december 2022 heeft de openbaar aanklager de tenlastelegging tegen K.P. neergelegd bij de Sąd Rejonowy we Włocławku (rechter in eerste aanleg Włocławek, Polen). K.P. heeft zelf een advocaat in de arm genomen.
16.
Bij beslissing van 28 februari 2023 heeft de verwijzende rechter de openbaar aanklager van de Prokuratura Rejonowa we Włocławku (openbaar ministerie van het arrondissement Włocławek, Polen; hierna ‘openbaar ministerie’) gelast het onderzoek aan te vullen door K.P. te verhoren in aanwezigheid van een raadsman en door het advies van een deskundig psychiater in te winnen over de geestelijke gezondheidstoestand van K.P. ten tijde van de feiten en tijdens de procedure.
17.
Op 3 maart 2023 heeft de openbaar aanklager beroep ingesteld tegen deze beslissing, op grond dat het bewijsmateriaal niet hoefde te worden aangevuld en dat de reeds verkregen medische dossiers geen aanleiding gaven om K.P. door deskundigen te laten onderzoeken om zijn geestelijke gezondheidstoestand vast te stellen. Op 29 maart 2023 heeft de Sąd Okręgowy we Włocławku (rechter in tweede aanleg Włocławek, Polen) het beroep van de openbaar aanklager toegewezen en de zaak terugverwezen naar de verwijzende rechter.
18.
De verwijzende rechter is van oordeel dat richtlijn 2016/1919 en richtlijn 2013/48 niet juist en volledig in de Poolse rechtsorde zijn omgezet en dat daardoor de rechten die het Unierecht aan K.P. als kwetsbare persoon toekent, zijn geschonden.
19.
In het licht van deze feiten heeft de Sąd Rejonowy we Włocławku (de verwijzende rechter) het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
- ‘1)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van [richtlijn 2016/1919], gelezen in samenhang met de overwegingen 18, 19, 24 en 27 van deze richtlijn en met artikel 3, lid 2, onder a) en c), en artikel 3, lid 3, onder a), van [richtlijn 2013/48], zoals uitgelegd in het licht van de punten 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie van 27 november 2013 betreffende procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure [(PB 2013, C 378, blz. 8; hierna: ‘aanbeveling van de Commissie’)], aldus worden uitgelegd dat zij een rechtstreeks toepasselijke en dwingende regel invoeren volgens welke een kwetsbare persoon of een persoon in een kwetsbare positie niet mag worden verhoord zonder de tussenkomst van een raadsman, wanneer er objectieve feitelijke gronden voor het verlenen van rechtsbijstand bestaan en de autoriteit die belast is met het vooronderzoek niet onverwijld ambtshalve (ook niet op ad-hocbasis of op tijdelijke basis) rechtsbijstand verleent voordat de betrokken (kwetsbare) persoon wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsautoriteit of een rechterlijke autoriteit of voordat er specifieke onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal worden verricht?
- 2)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met de overwegingen 18, 19, 24 en 27 van deze richtlijn en met artikel 1, lid 2, ervan, zoals uitgelegd in het licht van de punten 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie […], aldus worden uitgelegd dat het in zaken die betrekking hebben op verboden handelingen waarop een vrijheidsstraf is gesteld, in geen geval is toegestaan om — ondanks het bestaan van feitelijke gronden voor onverwijlde vaststelling — in het kader van een procedure niet vast te stellen of een persoon zich potentieel in een kwetsbare positie bevindt of als kwetsbaar is aan te merken en om die persoon niet de mogelijkheid te bieden de beoordeling van zijn potentiële kwetsbaarheid te betwisten en onverwijld ambtshalve een raadsman toegewezen te krijgen, alsmede dat de omstandigheden die aanleiding geven tot het genoemde verzuim tot vaststelling en tot het verzuim om ambtshalve een raadsman aan de betrokkene toe te voegen, expliciet moeten worden vermeld in een — in beginsel aanvechtbare — beslissing om hem zonder de tussenkomst van een advocaat te verhoren?
- 3)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met de overwegingen 18, 19, 24 en 27 van deze richtlijn en met artikel 1, lid 2, ervan, zoals uitgelegd in het licht van afdeling 3, punt 7, van de aanbeveling van de Commissie […], aldus worden uitgelegd dat het verzuim van een lidstaat om in het kader van de strafprocedure een vermoeden van kwetsbaarheid in te voeren de verdachte belet om een beroep te doen op de waarborg die is neergelegd in artikel 9 van richtlijn 2016/1919, zoals uitgelegd in het licht van punt 11 van de aanbeveling, zodat de autoriteiten die belast zijn met de rechtsbedeling, in een dergelijke situatie verplicht zijn om de bepalingen van de richtlijn rechtstreeks toe te passen?
- 4)
Indien ten minste een van de eerste drie vragen bevestigend wordt beantwoord: moeten de in die vragen genoemde bepalingen van beide richtlijnen aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als:
- a)
artikel 301, tweede volzin, van de kodeks postępowania karnego [(wetboek van strafvordering; hierna: ‘Pools wetboek van strafvordering’)], waarin is bepaald dat een verdachte slechts op zijn verzoek in aanwezigheid van een aangewezen raadsman wordt gehoord en dat het niet verschijnen van de raadsman bij het verhoor van de verdachte geen beletsel voor dit verhoor vormt;
- b)
artikel 79, lid 1, punten 3 en 4, van het Poolse wetboek van strafvordering, waarin is bepaald dat een beklaagde (verdachte) in het kader van een strafprocedure [alleen] toegang moet hebben tot een raadsman wanneer er gerede twijfel bestaat of zijn vermogen om de betekenis van het hem ten laste gelegde feit te onderkennen of om zijn gedragingen te controleren niet onbestaand was of in aanzienlijke mate was beperkt ten tijde van het plegen van dat feit, en of zijn geestelijke gezondheid hem in staat stelt om deel te nemen aan de procedure of om zich op zelfstandige en redelijke wijze te verdedigen?
- 5)
Verplicht artikel 3, lid 2, onder a), gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3, onder b), van richtlijn 2013/48, alsook in samenhang met het beginsel van voorrang en rechtstreekse werking van richtlijnen, de autoriteiten die belast zijn met het vooronderzoek, de rechterlijke autoriteiten en alle autoriteiten van de staat om bepalingen van nationaal recht die onverenigbaar zijn met die richtlijn, zoals die welke worden genoemd in de vierde vraag, buiten toepassing te laten en bijgevolg, gelet op het verstrijken van de omzettingstermijn, om de genoemde nationale regeling te vervangen door de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de richtlijn?
- 6)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met de overwegingen 19, 24 en 27 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat, wanneer er geen beslissing omtrent het verlenen van ambtshalve rechtsbijstand is of [wanneer] er wordt verzuimd om dergelijke bijstand te verlenen aan een kwetsbare persoon of een persoon van wie wordt vermoed dat hij zich in een kwetsbare positie bevindt als bedoeld in afdeling 3, punt 7, van de aanbeveling van de Commissie […], de nationale rechter die de zaak behandelt in het kader van de aanhangige strafprocedure en elke andere autoriteit van de staat die in het kader van een dergelijke procedure belast is met de rechtsbedeling (en derhalve ook de autoriteiten die belast zijn met het vooronderzoek) verplicht zijn om bepalingen van nationaal recht die onverenigbaar zijn met de richtlijn, zoals die welke worden genoemd in de vierde vraag, buiten toepassing te laten en bijgevolg, gelet op het verstrijken van de omzettingstermijn, om de genoemde nationale regeling te vervangen door de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de richtlijn als er vervolgens in aanwezigheid van een dergelijke persoon onderzoekshandelingen worden verricht door een orgaan van de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit, waaronder handelingen die niet kunnen worden herhaald voor de rechter, ook al heeft die persoon een raadsman van zijn keuze aangewezen nadat het onderzoek is beëindigd en nadat de openbaar aanklager een tenlastelegging heeft ingediend bij de bevoegde rechter?
- 7)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met de overwegingen 19, 24 en 27 van deze richtlijn en met artikel 1, lid 2, ervan, zoals uitgelegd in het licht van de punten 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie […], aldus worden uitgelegd dat een lidstaat ervoor moet zorgen dat de kwetsbaarheid van een verdachte onmiddellijk wordt vastgesteld en erkend en dat in het kader van de aanhangige strafprocedure ambtshalve rechtsbijstand wordt verleend aan verdachten of beklaagden van wie wordt vermoed dat zij zich in een kwetsbare positie bevinden of kwetsbaar zijn, en dat die bijstand een verplichtend karakter heeft, ook al heeft de bevoegde autoriteit niet verzocht om de ernst van de kwetsbaarheid alsmede de behoeften van de kwetsbare persoon en de geschiktheid van alle maatregelen die ten behoeve van deze persoon zijn getroffen of gepland te laten beoordelen door een onafhankelijke deskundige, alsmede dat deze verplichting blijft bestaan totdat die deskundige een passende beoordeling heeft verricht?
- 8)
Indien de zevende vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten de genoemde bepalingen van de richtlijn en de aanbeveling van de Commissie aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als die van artikel 79, lid 1, punten 3 en 4, van het Poolse wetboek van strafvordering, waarin is bepaald dat een beklaagde in het kader van een strafprocedure alleen toegang tot een raadsman moet hebben wanneer er gerede twijfel bestaat of zijn vermogen om de betekenis van het hem ten laste gelegde feit te onderkennen of om zijn gedragingen te controleren niet onbestaand was of in aanzienlijke mate was beperkt ten tijde van het plegen van dat feit, en of zijn geestelijke gezondheid hem in staat stelt om deel te nemen aan de procedure of om zich op zelfstandige en redelijke wijze te verdedigen?
- 9)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met de overwegingen 19, 24 en 27 van deze richtlijn en met artikel 1, lid 2, ervan, zoals uitgelegd in het licht van de punten 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie […], en het beginsel van het vermoeden van kwetsbaarheid aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten (openbaar ministerie, politie) de kwetsbaarheid van de verdachte in het kader van de aanhangige strafprocedure onverwijld, en uiterlijk voordat hij voor het eerst wordt verhoord door de politie of door een andere bevoegde autoriteit, dienen vast te stellen en te erkennen en dat zij aan een dergelijke verdachte rechtsbijstand dan wel op ad-hocbasis (of op tijdelijke basis) […] bijstand dienen te verlenen en de verdachte pas mogen ondervragen wanneer ambtshalve een raadsman aan hem is toegevoegd of op ad-hocbasis (of op tijdelijke basis) bijstand aan hem is verleend?
- 10)
Indien de negende vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met de overwegingen 19, 24 en 27 van deze richtlijn en met artikel 1, lid 2, ervan, zoals uitgelegd in het licht van de punten 6, 7, 11 en 13 van de aanbeveling van de Commissie […], aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten verplichten om in hun nationale recht uitdrukkelijk vast te stellen op welke gronden en volgens welke criteria kan worden afgeweken van de onmiddellijke vaststelling en de erkenning van de kwetsbaarheid van een verdachte in het kader van een strafprocedure, en om ervoor te zorgen dat rechtsbijstand dan wel op ad-hocbasis (of op tijdelijke basis) […] bijstand aan een dergelijke verdachte wordt verleend, alsmede dat, wanneer daarvan wordt afgeweken, de afwijking evenredig moet zijn, in de tijd moet worden beperkt en geen afbreuk mag doen aan het beginsel van een eerlijk proces, dat tot dergelijke afwijkingen moet worden besloten door middel van een besluit waarbij de betreffende afwijking tijdelijk wordt toegestaan, en dat de betrokken partij in beginsel het recht moet hebben om dat besluit door de rechter te laten toetsen?
- 11)
Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, [VEU] en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’), gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a), en artikel 3, lid 3, onder a) en b), van richtlijn 2013/48, alsook in samenhang met artikel 1, lid 2, en overweging 27 en artikel 8 van richtlijn 2016/1919, aldus worden uitgelegd dat wanneer de autoriteit die belast is met de procedure verzuimt om ambtshalve rechtsbijstand te verlenen aan een persoon van wie wordt vermoed dat hij zich in een kwetsbare positie bevindt en/of kwetsbaar is (zoals bedoeld in de punten 7 en 11 van de aanbeveling van de Commissie […]) en de genoemde autoriteit niet aangeeft op welke grond is besloten om geen dergelijke bijstand aan die persoon te verlenen, deze persoon een beroep moet kunnen doen op een doeltreffende voorziening in rechte en dat het recht op een dergelijke voorziening wordt beschermd door de regeling van nationaal procesrecht die is opgenomen in artikel 344a van het Poolse wetboek van strafvordering, waarin is bepaald dat de zaak naar de openbaar aanklager wordt terugverwezen om:
- a)
de kwetsbaarheid van de verdachte in de strafprocedure te laten vaststellen en erkennen door de autoriteit die belast is met het vooronderzoek;
- b)
aan de verdachte de mogelijkheid te bieden om voorafgaand aan zijn verhoor een raadsman te raadplegen;
- c)
de verdachte te ondervragen in aanwezigheid van een raadsman en met een audiovisuele opname van het verhoor, en
- d)
aan de raadsman de mogelijkheid te bieden om kennis te nemen van het procesdossier en om de kwetsbare persoon en de ambtshalve of door de verdachte aangewezen advocaat eventuele verzoeken om bewijsgaring te laten indienen?
- 12)
Moet artikel 4 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 6, leden 1, 2 en 3, en artikel 2, VEU, alsook met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [(EVRM)], [ondertekend] te Rome op 4 november 1950 en vervolgens gewijzigd bij de Protocollen nrs. 3, 5 en 8 en aangevuld bij Protocol nr. 2, en met het beginsel van vermoeden van kwetsbaarheid als bedoeld in punt 7 van de aanbeveling van de Commissie […], aldus worden uitgelegd dat er — wanneer een verdachte wordt verhoord door een politieagent of door een andere persoon die gemachtigd is om onderzoekshandelingen in een psychiatrisch ziekenhuis te verrichten, maar er geen rekening wordt gehouden met de situatie van onzekerheid en de omstandigheid dat de vrijheid van spreken van de verdachte in aanzienlijke mate is beperkt, hij als het ware geestelijk weerloos is en hij niet wordt bijgestaan door een advocaat — sprake is van een onmenselijke behandeling, zodat het verhoor moet worden geacht onbruikbaar te zijn omdat het in strijd is met de door de Unie gewaarborgde grondrechten?
- 13)
Indien de twaalfde vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten de in die vraag genoemde bepalingen aldus worden uitgelegd dat zij aan de nationale rechter die uitspraak moet doen in een strafzaak die valt binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met punt 7 van de aanbeveling van de Commissie […], en binnen die van richtlijn 2013/48, alsook aan alle andere strafrechtelijke autoriteiten die proceshandelingen in de zaak verrichten de bevoegdheid verlenen (of deze verplichten) om bepalingen van nationaal recht die onverenigbaar zijn met de richtlijn, zoals met name artikel 168a van het Poolse wetboek van strafvordering, buiten toepassing te laten en bijgevolg — gelet op het verstrijken van de omzettingstermijn, om de nationale regeling te vervangen door de rechtstreeks toepasselijke richtlijnbepalingen, ook al heeft de betrokkene een raadsman van zijn keuze aangewezen nadat het onderzoek is beëindigd en nadat de openbaar aanklager een tenlastelegging heeft ingediend bij de bevoegde rechter?
- 14)
Moeten artikel 2, lid 1, onder b), artikel 4, lid 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met de overwegingen 19, 24 en 27 van deze richtlijn, alsook met artikel 3, lid 2, onder a), b) en c), en artikel 3, lid 3, onder b), van richtlijn 2013/48 en met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat de openbaar aanklager in het kader van het vooronderzoek in een strafzaak verplicht is om de rechtstreeks toepasselijke voorschriften van richtlijn 2016/1919 ten volle te eerbiedigen en er bijgevolg voor moet zorgen dat een verdachte of beklaagde die wordt beschermd door die richtlijn, in de procedure daadwerkelijk rechtsbescherming krijgt vanaf het vroegste van de hiernavolgende tijdstippen, namelijk:
- a)
voordat hij door de politie, een andere rechtshandhavingsautoriteit of een rechterlijke autoriteit wordt verhoord;
- b)
wanneer de rechtshandhavingsautoriteiten of andere bevoegde autoriteiten onderzoekshandelingen of andere handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal verrichten in overeenstemming met artikel 3, lid 3, onder c), van richtlijn 2013/48;
- c)
onmiddellijk na de vrijheidsbeneming (waaronder ook het verblijf in het psychiatrische ziekenhuis moet worden verstaan), en dat de openbaar aanklager zo nodig verplicht is om de bevelen van hogere openbaar aanklagers naast zich neer te leggen, indien hij ervan overtuigd is dat de naleving daarvan afbreuk zou doen aan de daadwerkelijke bescherming van een verdachte van wie wordt vermoed dat hij kwetsbaar is of zich in een kwetsbare positie bevindt en aan zijn recht op een eerlijk proces of aan een ander recht waarop deze verdachte een beroep kan doen uit hoofde van richtlijn 2016/1919, gelezen in samenhang met richtlijn 2013/48?
- 15)
Indien de veertiende vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, waarin het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming is neergelegd, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU en met het beginsel van eerbiediging van de rechtsstaat, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof [zie arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456], alsook met het in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof (zie arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C-64/16, EU:C:2018:117), aldus worden uitgelegd dat deze beginselen, gelet op de mogelijkheid dat de Prokurator Generalny [(procureur-generaal)] of hogere openbaar aanklagers bindende aanwijzingen geven aan lagere openbaar aanklagers en hen daarbij gelasten rechtstreeks toepasselijke bepalingen van Unierecht buiten toepassing te laten of de toepassing daarvan te belemmeren, in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling waaruit blijkt dat het openbaar ministerie rechtstreeks afhankelijk is van een uitvoerende autoriteit zoals de minister van Justitie, alsook aan nationale bepalingen die strekken tot beperking van de onafhankelijkheid van de openbaar aanklagers bij de toepassing van het Unierecht, waaronder met name:
- a)
Artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 1, punten 1 en 3, en artikel 7, leden 1 tot en met 6 en lid 8, alsmede artikel 13, leden 1 en 2, van de ustawa-Prawo o prokuraturze [(wet inzake het openbaar ministerie)] van 28 januari 2016, waarvan de bewoordingen erop wijzen dat de minister van Justitie, die tevens de procureur-generaal en de hoogste autoriteit binnen het openbaar ministerie is, aanwijzingen kan geven die bindend zijn voor lagere openbaar aanklagers en daarbij ook de rechtstreekse toepassing van het Unierecht kan beperken of belemmeren?’
20.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door het openbaar ministerie van Włocławek, de Tsjechische en de Poolse regering en de Europese Commissie.
21.
Er heeft geen terechtzitting plaatsgevonden.
III. Toepasselijke bepalingen
A. Richtlijn 2013/48
22.
In artikel 3, leden 1 tot en met 3, van richtlijn 2013/48 is het recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure als volgt verwoord:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen.
- 2.
De verdachten of beklaagden hebben zonder onnodig uitstel toegang tot een advocaat. In elk geval, hebben de verdachten of beklaagden toegang tot een advocaat vanaf de volgende momenten, ongeacht welk moment het vroegste is:
- a)
voordat zij door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord;
- b)
wanneer de onderzoeks- of andere bevoegde autoriteiten een tot onderzoek of andere vorm van bewijsgaring strekkende handeling verrichten, overeenkomstig lid 3, onder c);
- c)
zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming;
- d)
indien zij voor een in strafzaken bevoegde rechtbank zijn opgeroepen, binnen een redelijke termijn voordat zij voor deze rechtbank in rechte verschijnen.
- 3.
Het recht op toegang tot een advocaat houdt het volgende in:
- a)
de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren, ook voordat zij door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord;
- b)
de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun advocaat bij het verhoor aanwezig is en daaraan daadwerkelijk kan deelnemen. Deze deelname geschiedt overeenkomstig procedures in het nationale recht, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. Wanneer een advocaat aan het verhoor deelneemt, wordt het feit dat dergelijke deelname heeft plaatsgevonden, geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat;
- c)
de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden ten minste het recht hebben hun advocaat de volgende onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal te laten bijwonen, mits het handelingen betreft waarin het nationale recht voorziet en waarbij de aanwezigheid van de verdachte of beklaagde is vereist of hem dat is toegestaan:
- i)
meervoudige confrontaties;
- ii)
confrontaties;
- iii)
reconstructies van de plaats van een delict.’
23.
Artikel 12 van richtlijn 2013/48 heeft als opschrift ‘Rechtsmiddelen’ en luidt als volgt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden in strafprocedures alsmede gezochte personen in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in gevallen waarin hun rechten op grond van deze richtlijn zijn geschonden.
- 2.
Onverminderd nationale bepalingen en stelsels inzake de toelaatbaarheid van bewijs zorgen de lidstaten er in strafprocedures voor dat bij de beoordeling van de verklaringen van verdachten of beklaagden of van bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat of in gevallen waarin overeenkomstig artikel 3, lid 6, een afwijking van dit recht was toegestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geëerbiedigd.’
24.
Onder het opschrift ‘Kwetsbare personen’ bepaalt artikel 13 van richtlijn 2013/48 ten slotte:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat bij de toepassing van deze richtlijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en kwetsbare beklaagden.’
B. Richtlijn 2016/1919
25.
Richtlijn 2016/1919 regelt de verlening van rechtsbijstand aan verdachten, beklaagden en personen die op grond van een Europees aanhoudingsbevel worden gezocht.6. Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn omschrijft het toepassingsgebied ervan als volgt:
‘Deze richtlijn is van toepassing op verdachten en beklaagden in strafprocedures die recht op toegang tot een advocaat hebben uit hoofde van [richtlijn 2013/48], en:
- a)
van wie de vrijheid is ontnomen;
- b)
die dienen te worden bijgestaan door een advocaat overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht, of
- c)
van wie wordt verlangd of aan wie wordt toegestaan aanwezig te zijn bij een onderzoekshandeling of een handeling voor het vergaren van bewijsmateriaal, die ten minste het volgende omvat:
- i)
meervoudige confrontaties;
- ii)
confrontaties;
- iii)
reconstructies van de plaats van een delict.’
26.
Artikel 3 van richtlijn 2016/1919 omschrijft ‘rechtsbijstand’ als ‘de financiering door een lidstaat van de bijstand van een advocaat, waardoor de uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat mogelijk wordt gemaakt’.
27.
Artikel 4 van richtlijn 2016/1919 preciseert onder welke voorwaarden de rechtsbijstand in strafprocedures moet worden verleend, als volgt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden die onvoldoende middelen hebben om voor de bijstand van een advocaat te betalen, het recht op rechtsbijstand kunnen uitoefenen wanneer de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.
- 2.
De lidstaten kunnen een draagkrachttoets, een gegrondheidstoets of beide toepassen om te bepalen of rechtsbijstand moet worden verleend overeenkomstig lid 1.
- 3.
Wanneer een lidstaat een draagkrachttoets toepast, houdt hij rekening met alle relevante en objectieve factoren, waaronder inkomen, vermogen en gezinssituatie van de betrokkene, alsook de kosten van de bijstand van een advocaat en de levensstandaard in die lidstaat, om overeenkomstig de in die lidstaat toepasselijke criteria te bepalen of een verdachte of een beklaagde onvoldoende middelen heeft om voor de bijstand van een advocaat te betalen.
- 4.
Wanneer een lidstaat een gegrondheidstoets toepast, houdt hij rekening met de ernst van het strafbaar feit, de complexiteit van de zaak en de ernst van de sanctie die op het spel staat, om te bepalen of de belangen van een behoorlijke rechtspleging eisen dat rechtsbijstand wordt verleend. In elk geval wordt er in de volgende situaties van uitgegaan dat is voldaan aan de gegrondheidstoets:
- a)
wanneer een verdachte of een beklaagde voor een bevoegde rechtbank of rechter verschijnt met het oog op een beslissing over detentie in elk stadium van de procedures die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, en
- b)
tijdens detentie.
- 5.
De lidstaten zorgen ervoor dat rechtsbijstand wordt verleend zonder onnodig uitstel, en uiterlijk voordat de betrokkene wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een gerechtelijke instantie, of vóór het verrichten van de in artikel 2, lid 1, onder c), genoemde onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal.
- 6.
Rechtsbijstand wordt alleen verleend in het kader van de strafrechtelijke procedure waarin de betrokkene ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd.’
28.
Artikel 8 van richtlijn 2016/1919 bepaalt dat de lidstaten ‘ervoor [zorgen] dat verdachten, beklaagden en gezochte personen op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in gevallen waarin hun uit deze richtlijn voortvloeiende rechten zijn geschonden’.
29.
Ten slotte bepaalt artikel 9 van richtlijn 2016/1919 onder het opschrift ‘Kwetsbare personen’ dat de lidstaten ‘ervoor [zorgen] dat bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten, beklaagden en gezochte personen’.
IV. Analyse
30.
De 15 vragen van de verwijzende rechter hebben betrekking op verschillende aspecten van strafprocedures waarbij een kwetsbare persoon betrokken is. Ik zal deze vragen onderzoeken aan de hand van vijf onderwerpen, waarbij ik telkens naar de inhoud van de vraag zal kijken, maar ook naar de door sommige deelnemers aan de procedure opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid.
31.
De eerste 14 vragen hebben betrekking op vier onderwerpen die worden geregeld door de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919: kwetsbaarheid, doeltreffende voorzieningen in rechte, onmenselijke of onterende behandeling en rechtstreekse werking. De vijftiende vraag heeft betrekking op de onafhankelijkheid van de openbaar aanklager, een kwestie die buiten de werkingssfeer van beide richtlijnen valt. Na een korte analyse van de toepasselijkheid van de twee richtlijnen (onderdeel A) zal ik achtereenvolgens elk van de vijf onderwerpen behandelen (onderdelen B tot en met F).
A. Toepasselijkheid van de twee betrokken richtlijnen
32.
Volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 2013/48 is deze richtlijn van toepassing ‘vanaf het ogenblik waarop [de verdachten of beklaagden] er door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat door middel van een officiële kennisgeving of anderszins van in kennis worden gesteld dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, ongeacht of hen hun vrijheid is ontnomen’. Het Hof heeft reeds verduidelijkt dat dit een mededeling in welke vorm dan ook omvat; het is dus niet relevant hoe deze mededeling de persoon bereikt.7.
33.
Uit de feiten zoals die zijn uiteengezet in de punten 7 tot en met 9 van deze conclusie blijkt dat richtlijn 2013/48 van toepassing was op K.P. vanaf het moment waarop de politieagenten hem vroegen om eventuele verboden middelen te overhandigen, hem de handboeien omdeden en hem in hechtenis namen.8.
34.
Bovendien bepaalt artikel 2, lid 1, van richtlijn 2016/1919 dat deze richtlijn van toepassing is op personen die uit hoofde van richtlijn 2013/48 recht op toegang tot een advocaat hebben en van wie onder andere de vrijheid is ontnomen of die dienen te worden bijgestaan door een advocaat overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht.
35.
De toepasselijkheid van richtlijn 2016/1919 op K.P. hangt dus af van de vraag of hij op grond van richtlijn 2013/48 het recht heeft om zich te laten bijstaan door een advocaat.
36.
Volgens artikel 3, lid 2, van richtlijn 2013/48 hebben verdachten of beklaagden ‘zonder onnodig uitstel toegang tot een advocaat’. Ingevolge artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn geldt dit in elk geval ten minste ‘voordat zij door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord’. Ook in artikel 4, lid 5, van richtlijn 2016/1919 staat te lezen dat rechtsbijstand dient te worden verleend ‘zonder onnodig uitstel, en uiterlijk voordat de betrokkene wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een gerechtelijke instantie’.
37.
Ik concludeer dan ook dat K.P. op grond van richtlijn 2013/48 had moeten worden bijgestaan door een advocaat9. en dus binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/1919 viel.10.
B. Kwetsbaarheid (eerste, tweede, derde, zevende, negende en tiende vraag)
38.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de autoriteiten een persoon die kwetsbaar is niet in het kader van een strafprocedure mogen verhoren zonder de tussenkomst van een raadsman en zonder rechtsbijstand te verlenen, wanneer aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
39.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, ingeval de betrokkene wordt beschuldigd van een strafbare handeling waarop een vrijheidsstraf is gesteld, het feit dat niet is vastgesteld of een persoon kwetsbaar is, uitdrukkelijk in een beslissing moet worden vermeld en dit een voorwaarde is voor een verhoor zonder de aanwezigheid van een raadsman.
40.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of richtlijn 2016/1919 en richtlijn 2013/48 een vermoeden van kwetsbaarheid invoeren dat de autoriteiten van de lidstaten tijdens de strafprocedure in acht moeten nemen.
41.
Met zijn zevende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen in hoeverre richtlijn 2013/48 en richtlijn 2016/1919 aan de nationale autoriteiten verplichtingen opleggen als het gaat om het waarborgen van de erkenning van kwetsbaarheid en welke rechten daaruit in het kader van de strafprocedure voortvloeien voor de betrokkene.
42.
Met zijn negende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de met de strafprocedure belaste autoriteiten verplicht zijn de kwetsbaarheid van een verdachte onverwijld vast te stellen en te erkennen, dergelijke personen rechtsbijstand te verlenen en hen niet te verhoren zolang die bijstand niet is verleend.
43.
Ten slotte wenst de verwijzende rechter, ingeval de negende vraag bevestigend wordt beantwoord, met zijn tiende vraag te vernemen of de lidstaten in hun wetgeving moeten voorzien in gedetailleerde gronden en criteria voor elke uitzondering op de onverwijlde vaststelling en erkenning van kwetsbaarheid en de daaruit voortvloeiende verlening van rechtsbijstand. Bovendien vraagt deze rechter zich af of een dergelijke uitzondering evenredig moet zijn, in de tijd moet worden beperkt en het beginsel van een eerlijk proces moet eerbiedigen, en of de betrokken partij het recht moet hebben om de uitzondering in rechte te laten toetsen.
44.
Deze vragen hebben alle betrekking op het begrip ‘kwetsbaarheid’ en op de verplichtingen van nationale autoriteiten om deze tijdig vast te stellen en daaraan passende gevolgen te verbinden. Derhalve zal ik nu richtsnoeren geven voor de vaststelling of iemand een kwetsbare persoon is (onder 1), waarna ik zal ingaan op de uitlegging van de twee richtlijnen en de verplichtingen die zij opleggen aan de nationale autoriteiten wanneer de verdachte of beklaagde een kwetsbare persoon is (onder 2).
1. Wie is kwetsbaar?
45.
In 2009 heeft de Raad gevraagd om een stapsgewijze aanpak bij de regulering van verschillende procedurele rechten in strafprocedures, waaronder bijzondere waarborgen voor kwetsbare verdachten of beklaagden.11. Tot op heden is deze wetgevende ambitie met betrekking tot kwetsbare personen12. echter alleen bereikt voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure.13.
46.
Bij gebreke van verdere Uniewetgeving waarin kwetsbaarheid in de strafprocedure ruimer wordt gedefinieerd14. heeft de Commissie een aanbeveling gepubliceerd over procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure.15.
47.
Daarin worden ‘kwetsbare personen’ gedefinieerd als personen ‘die door hun leeftijd, geestelijke of lichamelijke toestand of handicap niet in staat zijn een strafprocedure te begrijpen en er effectief aan deel te nemen’.16.
48.
Bovendien wordt in de aanbeveling van de Commissie het ‘vermoeden van kwetsbaarheid’ geïntroduceerd, en wel als volgt: ‘De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er ten aanzien van met name personen met een ernstige psychologische, intellectuele, lichamelijke of zintuiglijke beperking, of met een geestesziekte of cognitieve aandoening, die daardoor de procedure moeilijker begrijpen en er moeilijker effectief aan kunnen deelnemen, een vermoeden van kwetsbaarheid geldt.’17.
49.
Geestesziekten en geestelijke stoornissen zijn over het algemeen moeilijker vast te stellen dan een kwetsbaarheid als gevolg van jonge leeftijd, en in de literatuur is kritiek geuit op de beslissing van de Commissie om een richtlijn op te stellen die uitsluitend betrekking heeft op kinderen, terwijl zij zich met betrekking tot de bescherming van kwetsbare volwassenen tot een aanbeveling beperkt.18.
50.
De aanbeveling van de Commissie is een niet-bindende handeling die rechtskracht mist, zodat aan de nationale autoriteiten in het kader van de strafprocedure geen definitieve verplichtingen kunnen worden opgelegd.
51.
In de zaak Grimaldi19. heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat aanbevelingen door nationale rechterlijke instanties in aanmerking moeten worden genomen, maar dit betekent niet dat aanbevelingen juridisch bindend zijn. Het Hof heeft slechts uitgesproken dat aanbevelingen bij de uitlegging van andere Unierechtelijke bepalingen niet buiten beschouwing mogen blijven en heeft niet gesuggereerd dat zij een resultaatsverplichting in het leven roepen. Aanbevelingen leggen de nationale rechterlijke instanties dus geen verplichting tot conforme uitlegging op.
52.
Ook het feit dat de Raad de lidstaten heeft opgeroepen om ‘rekening te houden’ met de aanbeveling van de Commissie20. verandert niets aan het niet-bindende karakter ervan. In feite heeft zelfs maar één lidstaat de Commissie maatregelen meegedeeld die nodig zijn om uitvoering te geven aan deze aanbeveling.21.
53.
Bijgevolg zijn noch de definitie van een kwetsbare persoon, noch het vermoeden van kwetsbaarheid van personen met bepaalde beperkingen, ziekten of aandoeningen, zoals voorgesteld in de aanbeveling van de Commissie (zie de punten 47 en 48 van deze conclusie), bindend voor de lidstaten.
54.
Bij gebreke van specifiekere bepalingen in het Unierecht dan de aanbeveling van de Commissie, resten ons slechts de spiegelbepalingen van artikel 13 van richtlijn 2013/4822. en artikel 9 van richtlijn 2016/191923., op grond waarvan de lidstaten ervoor moeten zorgen dat ‘rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en kwetsbare beklaagden’.24.
55.
Het Hof heeft in het kader van de uitlegging van artikel 13 van richtlijn 2013/48 geoordeeld dat een krankzinnige25. als kwetsbaar moet worden beschouwd — ongeacht het feit dat deze richtlijn niet uitdrukkelijk voorziet in categorieën kwetsbare personen.26.
56.
Deze benadering vindt steun in de rechtspraak van het EHRM. Het EHRM heeft geoordeeld dat deelname aan de strafprocedure effectief is wanneer ‘de beschuldigde een algemeen begrip heeft van de aard van het proces en wat er voor hem op het spel staat, met inbegrip van de strekking van eender welke straf die kan worden opgelegd’.27.
57.
Daarnaast heeft het EHRM een lijst van elementen opgesteld die relevant zijn voor de beoordeling of de strafprocedure over het geheel genomen eerlijk is verlopen. De eerste daarvan is ‘of de verzoeker bijzonder kwetsbaar was, bijvoorbeeld vanwege zijn leeftijd of geestelijke vermogens’.28.
58.
Tot slot heeft het EHRM ook geoordeeld dat een volwassene bijzonder kwetsbaar is in gevallen van chronisch alcoholisme en/of acute alcoholintoxicatie, een lichamelijke handicap of medische aandoening, het behoren tot een sociaal achtergestelde groep of een geestelijke stoornis.29.
59.
Al met al kan, zonder dat voor de onderhavige zaak een uitputtende definitie hoeft te worden gegeven van een ‘kwetsbare persoon’, met zekerheid worden vastgesteld dat personen met geestelijke stoornissen, zoals K.P., naar Unierecht als kwetsbare verdachten of beklaagden worden beschouwd.
60.
Ik zal nu ingaan op de verplichtingen die de twee betrokken richtlijnen aan de nationale autoriteiten opleggen met betrekking tot de behandeling van kwetsbare personen in de vooronderzoeksfase van een strafprocedure en de daaraan gerelateerde rechten van kwetsbare personen.
2. Verplichtingen van de nationale autoriteiten in het kader van de strafprocedure wanneer de verdachte of beklaagde een kwetsbare persoon is
61.
De Commissie betoogt dat artikel 9 van richtlijn 2016/1919 aldus moet worden gelezen dat het een verplichting voor de bevoegde autoriteiten invoert om de kwetsbaarheid te beoordelen wanneer zij elementen opmerken die op een bepaalde geestelijke stoornis of geestesziekte wijzen. Volgens deze instelling zou een andere uitlegging deze bepaling haar nuttig effect ontnemen. Voorts breidt de Commissie deze lezing uit door vast te stellen dat rechtsbijstand niet kan worden geweigerd aan kwetsbare personen zonder eerst de geestelijke toestand van de betrokken persoon te hebben onderzocht.
62.
De Poolse regering voert een vergelijkbaar argument aan: het Poolse recht bepaalt ook dat de bevoegde autoriteiten rechtsbijstand moeten verlenen wanneer zij merken dat de betrokken persoon kwetsbaar zou kunnen zijn. Anders dan de Commissie erkent deze regering echter geenszins een vermoeden van kwetsbaarheid zoals bedoeld in de aanbeveling van de Commissie.
63.
Ik ben het met de Poolse regering eens dat, zoals ik reeds heb uiteengezet30., de aanbeveling van de Commissie, volgens welke de lidstaten in hun rechtsorde in bepaalde situaties moeten voorzien in een vermoeden van kwetsbaarheid, juridisch niet bindend is. Ook ben ik in dit verband van mening dat het momenteel nog steeds aan de lidstaten is om te bepalen op welke wijze wordt vastgesteld of een persoon kwetsbaar is.
64.
De Commissie stelt echter terecht dat artikel 9 van richtlijn 2016/1919 — en overigens ook artikel 13 van richtlijn 2013/48 — zinledig zou worden wanneer de nationale autoriteiten geen enkele verplichting zouden hebben om de kwetsbaarheid van een verdachte of beklaagde naar behoren te erkennen en ernaar te handelen. De nationale rechterlijke instanties mogen het nationale recht niet zodanig uitleggen dat het Unierecht van zijn betekenis wordt beroofd.
65.
Artikel 9 van richtlijn 2016/1919 en artikel 13 van richtlijn 2013/48 moeten aldus worden uitgelegd dat zij de bevoegde autoriteiten verplichten alert te zijn op de mogelijkheid dat een verdachte of beklaagde kwetsbaar is omdat hij moeite heeft om de procedure te begrijpen of eraan deel te nemen.31. Deze verplichting heeft rechtstreekse werking. Bij een vermoeden van kwetsbaarheid moeten de autoriteiten er extra op toezien dat de rechten uit hoofde van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 worden beschermd.
66.
Met betrekking tot het recht op toegang tot een advocaat blijkt uit artikel 3, lid 2, van richtlijn 2013/48 dat K.P., zelfs indien hij niet kwetsbaar was geweest, tijdens politieverhoren door een advocaat had moeten worden bijgestaan, en zeker zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming. De eerbiediging van dit recht is des te belangrijker wanneer de betrokkene kwetsbaar is.
67.
Ik concludeer dan ook dat artikel 3, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 13, van richtlijn 2013/48, rechtstreekse werking heeft en aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten ervoor moeten zorgen dat een verdachte of beklaagde wordt bijgestaan door een advocaat wanneer zij merken dat hij kwetsbaar kan zijn.
68.
Een vergelijkbare uitlegging lijkt mij overtuigend voor het verlenen van rechtsbijstand.32.
69.
In situaties waarin richtlijn 2016/1919 van toepassing is, kan rechtsbijstand worden verleend op basis van een draagkrachttoets33., een gegrondheidstoets34., of beide. Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt in het algemeen dat ‘verdachten en beklaagden die onvoldoende middelen hebben om voor de bijstand van een advocaat te betalen, het recht op rechtsbijstand kunnen uitoefenen wanneer de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen’.
70.
Ik ben het met alle deelnemers aan deze procedure eens dat wanneer de kwetsbaarheid van een verdachte of beklaagde eenmaal is vastgesteld, zijn daadwerkelijke deelname aan de procedure in het gedrang kan komen indien geen rechtsbijstand wordt verleend. Dit is in overeenstemming met artikel 4, lid 5, van richtlijn 2016/1919, dat de lidstaten de verplichting oplegt ervoor te zorgen dat rechtsbijstand wordt verleend zonder onnodig uitstel, en uiterlijk voordat de betrokkene voor het eerst wordt verhoord door de politie.
71.
Dit geldt des te meer in een situatie als die in het hoofdgeding, waarin vrijheidsbeneming als sanctie is voorzien.35.
72.
Ik concludeer dan ook dat artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 en 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919 rechtstreekse werking heeft en aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten een verdachte of beklaagde rechtsbijstand moeten verlenen wanneer zij merken dat hij kwetsbaar kan zijn. Dit is met name van belang wanneer het vermeende strafbare feit wordt bestraft met vrijheidsbeneming.
3. Conclusie over kwetsbaarheid
73.
Naar de huidige stand van het Unierecht zijn de lidstaten niet verplicht om een vermoeden van kwetsbaarheid in te voeren. De vaststelling van de precieze modaliteiten en procedures om de kwetsbaarheid van een persoon te bepalen wordt aan het nationale recht overgelaten.
74.
Artikel 9 van richtlijn 2016/1919 en artikel 13 van richtlijn 2013/48 moeten aldus worden uitgelegd dat zij de bevoegde autoriteiten verplichten alert te zijn op de mogelijkheid dat een verdachte of beklaagde kwetsbaar is omdat hij moeite heeft om de procedure te begrijpen of eraan deel te nemen. Deze verplichting heeft rechtstreekse werking. Bij een vermoeden van kwetsbaarheid moeten de autoriteiten er extra op toezien dat de rechten uit hoofde van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 worden beschermd.
75.
Artikel 3, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 13, van richtlijn 2013/48, heeft rechtstreekse werking en moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten ervoor moeten zorgen dat een verdachte of beklaagde wordt bijgestaan door een advocaat wanneer zij merken dat hij kwetsbaar kan zijn.
76.
Artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 en 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919 heeft rechtstreekse werking en moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten een verdachte of beklaagde rechtsbijstand moeten verlenen wanneer zij merken dat hij kwetsbaar kan zijn. Dit is met name van belang wanneer het vermeende strafbare feit wordt bestraft met vrijheidsbeneming.
C. Rechtsmiddelen (tweede en tiende vraag)
77.
Met zijn tweede en tiende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de lidstaten verplicht zijn ervoor te zorgen dat zowel een beslissing om een kwetsbare persoon zonder de aanwezigheid van een advocaat te verhoren als een beslissing om niet onverwijld vast te stellen en te erkennen dat een persoon kwetsbaar is, vatbaar is voor rechterlijke toetsing.
78.
Zowel artikel 12 van richtlijn 2013/48 als artikel 8 van richtlijn 2016/1919 legt de lidstaten de verplichting op te voorzien in doeltreffende voorzieningen in rechte voor verdachten of beklaagden in het geval dat hun uit beide richtlijnen voortvloeiende rechten zijn geschonden.
79.
Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte omvat het recht op toegang tot een rechter die bevoegd is om de schending van het op het Unierecht gebaseerde recht te beoordelen en ongedaan te maken. Het Hof heeft dit reeds in zijn arrest in de zaak Johnston36. bevestigd en hetzelfde vereiste volgt thans uit artikel 47 van het Handvest.
80.
In de betrokken richtlijnen wordt echter niet gepreciseerd wat de gevolgen zijn indien een rechter vaststelt dat het recht op toegang tot een advocaat of op rechtsbijstand is geschonden. In plaats daarvan laten zij deze keuze over aan de lidstaten door enkel te verlangen dat het gekozen rechtsmiddel doeltreffend is.
81.
De richtlijnen geven met name geen antwoord op de vraag of het bewijsmateriaal dat in strijd met dit recht is verkregen, buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit lijkt mij centraal te staan in de vraag van de verwijzende rechter of bepaalde handelingen die de autoriteiten tijdens de onderzoeksprocedure hebben uitgevoerd, voor rechterlijke toetsing openstaan.
82.
De deelnemers, en met name het openbaar ministerie, leggen in hun schriftelijke opmerkingen voor het Hof veel nadruk op het feit dat geen van beide voornoemde bepalingen een regel bevatten op grond waarvan de nationale rechter het in strijd met de richtlijnen verkregen bewijs niet-ontvankelijk moet verklaren — een aangelegenheid waarover het Unierecht volledig zwijgt.
83.
Ik stel mij op hetzelfde standpunt als in de zaak M.S. e.a.37. en sluit mij aan bij de zienswijze van het openbaar ministerie: de relevante Uniewetgeving regelt de toelaatbaarheid van bewijs in nationale strafprocedures momenteel niet. De kwestie van de toelaatbaarheid van bewijs is vooralsnog een zaak van nationaal recht.38.
84.
Wanneer het Unierecht van toepassing is, mogen de relevante nationale bepalingen echter geen inbreuk maken op de artikelen 47 en 48 van het Handvest.39.
85.
Mijns inziens vereist de eerbiediging van de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest verankerde grondrechten dat nationale rechters zelf de flexibiliteit hebben die nodig is om te beoordelen of de procedure in haar geheel billijk is. Mochten zij van mening zijn dat een deel van het bewijs moet worden uitgesloten omdat het in strijd met de rechten van de verdediging is verkregen, dan moeten zij vrij zijn om dat te doen. Met andere woorden, het Unierecht regelt niet de toelaatbaarheid van bewijs maar verhindert wel dat nationaal recht de bevoegdheden van de bodemrechters beperkt om vrijelijk het bewijs te beoordelen en daaruit de gevolgtrekkingen te maken die zij noodzakelijk achten.40.
86.
Een soortgelijke benadering wordt ook gevolgd door het EHRM, dat heeft geoordeeld dat het EVRM de toelaatbaarheid van bewijs niet regelt41., aangezien het beperkt is tot de beoordeling of de algemene billijkheid van de procedure in het gedrang is gekomen.42.
87.
Concluderend kan worden gesteld dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vereist dat elke schending van een op het Unierecht gebaseerd recht door de rechter moet kunnen worden getoetst. Artikel 12 van richtlijn 2013/48 en artikel 8 van richtlijn 2016/1919 preciseren echter niet de passende rechtsmiddelen, maar laten deze keuze over aan de lidstaten door enkel te verlangen dat het gekozen rechtsmiddel doeltreffend is. De eerbiediging van de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest verankerde grondrechten vereist echter dat nationale rechters zelf de flexibiliteit hebben die nodig is om te beoordelen of de procedure in haar geheel billijk is. Mochten zij van mening zijn dat een deel van het bewijs moet worden uitgesloten omdat het in strijd met procedurele rechten is verkregen, waardoor de rechten van de verdediging zijn geschonden, dan moeten zij vrij zijn om dat te doen.
D. Onmenselijke en vernederende behandeling (twaalfde vraag)
88.
Met zijn twaalfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of er — wanneer een verdachte door een politieagent of een andere gemachtigde in een psychiatrisch ziekenhuis wordt verhoord, maar er geen rekening wordt gehouden met de situatie van onzekerheid en de omstandigheid dat de vrijheid van spreken van de verdachte in aanzienlijke mate is beperkt, hij als het ware geestelijk weerloos is en hij niet wordt bijgestaan door een advocaat — sprake is van een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest.
89.
Overeenkomstig artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet de verwijzende rechter een omschrijving geven van het feitelijke en juridische kader waarin zijn vragen moeten worden geplaatst, of op zijn minst de feitelijke hypothesen uiteenzetten waarop die vragen zijn gebaseerd.43.
90.
De verwijzende rechter heeft in de verwijzingsbeslissing uiteengezet dat K.P. ten tijde van het verhoor door de politie op 14 oktober 2022 was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Er worden echter geen nadere bijzonderheden gegeven met betrekking tot dit verhoor die het Hof in staat zouden stellen aanwijzingen te geven over een eventuele schending van het verbod op onmenselijke en vernederende behandeling.
91.
Daarom ben ik van mening dat het Hof, bij gebreke van voldoende informatie, de twaalfde vraag niet-ontvankelijk moet verklaren.
92.
Volledigheidshalve kan het Hof de nationale rechter niettemin de relevante criteria verschaffen, die het dan kan gebruiken om de feiten vast te stellen en te beslissen over een mogelijke schending van het verbod op onmenselijke en vernederende behandeling.
93.
Het Hof heeft in de zaak Jawo44. geoordeeld dat artikel 4 van het Handvest en artikel 3 EVRM dezelfde inhoud en reikwijdte hebben. Het is dus zinvol om te verwijzen naar de rechtspraak van het EHRM.45.
94.
In het arrest Khlaifia e.a. tegen Italië heeft het EHRM, met het oog op de vaststelling of er in het kader van een strafprocedure sprake was van een onmenselijke en vernederende behandeling van een kwetsbare persoon, geoordeeld dat de beoordeling van het onmenselijke en vernederende karakter van een behandeling ‘relatief [is] en [afhangt] van een geheel van omstandigheden, met name de duur van de behandeling, de lichamelijke en geestelijke gevolgen ervan en, in sommige gevallen, het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van het slachtoffer’.46.
95.
Het EHRM heeft voorbeelden gegeven van hetgeen het in aanmerking kan nemen om de ernst van de behandeling per geval te bepalen. Dit waren onder meer het doel waarvoor de mishandeling is uitgevoerd en de intentie of motivatie erachter, de context waarin die mishandeling is uitgevoerd, zoals een gespannen sfeer en sterke emoties, en de vraag of het slachtoffer zich in een kwetsbare situatie bevond, hetgeen normaliter het geval is bij personen die van hun vrijheid zijn beroofd.47.
96.
In het licht van voornoemde rechtspraak van het EHRM kunnen we met zekerheid concluderen dat het loutere feit dat K.P. in een psychiatrisch ziekenhuis zonder advocaat is verhoord, als zodanig geen onmenselijke en vernederende behandeling vormt.
97.
Het staat echter aan de nationale rechter om de feiten te beoordelen en een eventuele schending van artikel 4 van het Handvest vast te stellen.
E. Rechtstreekse werking (vierde, vijfde, zesde, achtste, elfde, dertiende en veertiende vraag)
98.
Met zijn vierde, vijfde, zesde, achtste, elfde, dertiende en veertiende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke gevolgen moeten worden verbonden aan de rechtstreekse werking van de relevante bepalingen van de betrokken richtlijnen.
99.
Het openbaar ministerie, de Poolse regering en de Commissie betogen dat de veertiende vraag, die ziet op de verplichtingen van de openbaar aanklager tijdens de vooronderzoeksfase, niet ter zake doet voor de oplossing van de zaak voor de verwijzende rechter en dus niet-ontvankelijk is.
100.
Ik ben het daar niet mee eens. Het is voor de verwijzende rechter van belang te weten of de handelingen van de openbaar aanklager tijdens de vooronderzoeksfase in overeenstemming waren met het Unierecht, om het bewijsmateriaal waarover hij beschikt naar behoren te kunnen beoordelen en eventueel uit te sluiten. Bijgevolg ben ik van mening dat de veertiende vraag ontvankelijk is.
101.
Hieraan moet worden toegevoegd dat het openbaar ministerie in zijn schriftelijke opmerkingen aanvoert dat de betrokken nationale bepalingen vanuit het oogpunt van het Unierecht geen problemen opleveren, maar dat veeleer fouten zijn begaan en nalatig is gehandeld jegens K.P. door degenen die bij de procedure betrokken waren.
102.
Aangezien het uiteindelijk aan de verwijzende rechter staat om dit vast te stellen, zal ik in deze conclusie enkel de gevolgen samenvatten van een situatie waarin het relevante Unierecht, zoals uitgelegd door het Hof, verschilt van het nationale recht zoals de verwijzende rechter dat opvat.
103.
Het Hof heeft de gevolgen van rechtstreekse werking reeds herhaaldelijk in zijn rechtspraak uiteengezet. Net als ik in de zaak M.S. e.a.48. heb gedaan, zal ik mij dus beperken tot het herhalen van enkel de belangrijkste gevolgen die betrekking hebben op de onderhavige zaak.
104.
Het Hof is krachtens artikel 19, lid 1, VEU en artikel 267, eerste alinea, VWEU evenwel als enige bevoegd om het Unierecht uit te leggen, terwijl nationale rechtbanken exclusief bevoegd zijn om het nationale recht uit te leggen.49.
105.
Volgens deze strikte taakverdeling tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is het Hof niet bevoegd om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van nationale wetgeving met het Unierecht.50. Het staat aan de verwijzende rechterlijke instantie om, zodra zij het antwoord van het Hof heeft ontvangen, daaraan de nodige consequenties te verbinden voor het toepasselijke nationale recht.51.
106.
De eventuele vaststelling door een nationale rechter van onverenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht heeft de volgende gevolgen.
107.
Indien een nationale rechter de bestaande bepalingen van nationaal recht kan uitleggen in overeenstemming met het Unierecht zoals uitgelegd door het Hof, moet hij dat doen.52. Een dergelijke conforme uitlegging van het nationale recht en de toepassing ervan zouden de verwijzende rechter tot dezelfde slotsom moeten brengen als die welke het toepasselijke Unierecht gebiedt. In casu betekent dit dat een kwetsbare persoon er recht op moet hebben dat de bevoegde autoriteiten zijn kwetsbaarheid vaststellen, en dat hij wordt verhoord in aanwezigheid van een advocaat of dat hem rechtsbijstand wordt verleend indien hij geen advocaat heeft.
108.
Als een nationale rechter het nationale recht niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen, gaat het beginsel van rechtstreekse werking een rol spelen. Volgens dit beginsel kunnen particulieren hun op het Unierecht gebaseerde rechten opeisen door zich voor de nationale rechter rechtstreeks op de bepalingen van het Unierecht te beroepen, en moet de nationale rechter derhalve deze rechten erkennen door de desbetreffende Unierechtelijke bepaling rechtstreeks toe te passen.53.
109.
Indien die rechten in strijd zijn met het bepaalde in nationaal recht, zijn nationale rechters krachtens het Unierecht bevoegd om die tegenstrijdige bepalingen van nationaal recht terzijde te schuiven. Deze bevoegdheid vloeit voort uit de gecombineerde werking van de grondwettelijke beginselen van de Unie van rechtstreekse werking en voorrang van het Unierecht.54.
110.
Kort gezegd, dient de verwijzende rechter mogelijke obstakels voor de erkenning van op het Unierecht gebaseerde rechten weg te nemen door de relevante bepalingen van nationaal recht dienovereenkomstig uit te leggen. Indien een Unierechtconforme uitlegging niet mogelijk blijkt, dient de verwijzende rechter de met het Unierecht strijdige nationale regels terzijde te schuiven en deze aan het Unierecht ontleende rechten te beschermen.
111.
Ten slotte dienen niet alleen nationale rechters, maar ook de nationale overheidsinstanties55. en alle andere overheidsorganen56. volle werking te geven aan Unierechtelijke bepalingen. De Unierechtconforme uitlegging, de rechtstreekse werking en de voorrang van het Unierecht binden dus alle overheidsorganen en ook zij moeten de op het Unierecht gebaseerde rechten erkennen.
112.
Dat betekent dat de openbaar aanklager en de politie in de vooronderzoeksfase van een strafprocedure de rechten van kwetsbare personen en hun eigen daaraan gerelateerde verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit de relevante richtlijnen, moeten erkennen. Zij moeten het nationale recht uitleggen in overeenstemming met de resultaten die deze richtlijnen vereisen. Subsidiair zijn zij verplicht de regels van nationaal recht buiten toepassing te laten om de eveneens door deze richtlijnen vereiste bescherming van kwetsbare personen mogelijk te maken. Dit omvat elke regel van nationaal recht die een met de zaak belaste openbaar aanklager zou beletten om het Unierecht ten volle toe te passen, zoals bindende aanwijzingen van een hogere openbaar aanklager of een ander orgaan.
113.
Indien de openbaar aanklager of een ander orgaan dat belast is met de strafprocedure, heeft nagelaten volle werking te verlenen aan het Unierecht (hetzij door nationale voorschriften niet zodanig uit te leggen dat zij in overeenstemming zijn met het Unierecht, hetzij door nationale regels toe te passen die strijdig zijn met het Unierecht), dient de rechter bij wie de strafzaak aanhangig is te oordelen dat deze staatsorganen hun uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen niet zijn nagekomen.
F. Onafhankelijkheid van de openbaar aanklager
114.
Met zijn vijftiende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 2 VEU, artikel 19, lid 1, VEU, de rechtsstaat, het beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid en artikel 47 van het Handvest vereisen dat een openbaar aanklager onafhankelijk is.
115.
Het openbaar ministerie, de Poolse regering en de Commissie hebben elk hun twijfels over de ontvankelijkheid van deze vraag.
116.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof ‘rust er een vermoeden van relevantie op de vragen […] die de nationale rechter stelt binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken’.57. Indien het Hof echter van oordeel is dat het antwoord op de overgelegde vragen niet noodzakelijk is om de verwijzende rechter in staat te stellen zijn vonnis te wijzen in de bij hem aanhangige zaak, verklaart het zich onbevoegd.58.
117.
Mijns inziens is een vraag over de algemene organisatie van de strafvervolging in Polen niet rechtstreeks relevant voor de bij de verwijzende rechter aanhangige strafprocedure. Ongeacht of de openbaar aanklager onafhankelijk is van de uitvoerende macht, is hij verplicht om de rechten van kwetsbare personen in de strafprocedure, die zij op grond van het Unierecht genieten, te waarborgen.59.
118.
Ik geef het Hof derhalve in overweging de vijftiende vraag niet-ontvankelijk te verklaren.
V. Conclusie
119.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Sąd Rejonowy we Włocławku te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
In antwoord op de eerste, tweede, derde, zevende, negende en tiende vraag van de verwijzende rechter: naar de huidige stand van het Unierecht zijn de lidstaten niet verplicht om een vermoeden van kwetsbaarheid in te voeren. De vaststelling van de precieze modaliteiten en procedures om de kwetsbaarheid van een persoon te bepalen wordt aan het nationale recht overgelaten.
Artikel 9 van richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en artikel 13 van richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming moeten aldus worden uitgelegd dat zij de bevoegde autoriteiten verplichten alert te zijn op de mogelijkheid dat een verdachte of beklaagde kwetsbaar is omdat hij moeite heeft om de procedure te begrijpen of eraan deel te nemen. Deze verplichting heeft rechtstreekse werking. Bij een vermoeden van kwetsbaarheid moeten de autoriteiten er extra op toezien dat de rechten uit hoofde van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 worden beschermd.
Artikel 3, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 13, van richtlijn 2013/48, heeft rechtstreekse werking en moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten ervoor moeten zorgen dat een verdachte of beklaagde wordt bijgestaan door een advocaat wanneer zij merken dat hij kwetsbaar kan zijn.
Artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 en 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919 heeft rechtstreekse werking en moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten een verdachte of beklaagde rechtsbijstand moeten verlenen wanneer zij merken dat hij kwetsbaar kan zijn. Dit is met name van belang wanneer het vermeende strafbare feit wordt bestraft met vrijheidsbeneming.
- 2)
In antwoord op de tweede en de tiende vraag van de verwijzende rechter: het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vereist dat elke schending van een op het Unierecht gebaseerd recht door de rechter moet kunnen worden getoetst. Artikel 12 van richtlijn 2013/48 en artikel 8 van richtlijn 2016/1919 preciseren echter niet de passende rechtsmiddelen, maar laten deze keuze over aan de lidstaten door enkel te verlangen dat het gekozen rechtsmiddel doeltreffend is. De eerbiediging van de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten vereist echter dat nationale rechters zelf de flexibiliteit hebben die nodig is om te beoordelen of de procedure in haar geheel billijk is. Mochten zij van mening zijn dat een deel van het bewijs moet worden uitgesloten omdat het in strijd met procedurele rechten is verkregen, waardoor de rechten van de verdediging zijn geschonden, dan moeten zij vrij zijn om dat te doen.
- 3)
Bij gebreke van voldoende informatie is de twaalfde vraag niet-ontvankelijk.
- 4)
In antwoord op de vierde, vijfde, zesde, achtste, elfde, dertiende en veertiende vraag: de verwijzende rechter dient mogelijke obstakels voor de erkenning van de bij richtlijn 2013/48 en richtlijn 2016/1919 verleende rechtstreeks werkende rechten weg te nemen door de relevante bepalingen van nationaal recht overeenkomstig deze richtlijnen uit te leggen. Indien dit niet mogelijk blijkt, moet de verwijzende rechter de met het Unierecht strijdige regels van nationaal recht op grond van rechtstreekse werking en de voorrang van het Unierecht terzijde schuiven. De Unierechtconforme uitlegging, de rechtstreekse werking en de voorrang van het Unierecht binden alle overheidsorganen en ook zij moeten de op het Unierecht gebaseerde rechten erkennen. Dat betekent dat de openbaar aanklager en de politie in de vooronderzoeksfase van de strafprocedure gehouden zijn de rechten van kwetsbare personen en hun eigen daaraan gerelateerde verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit de relevante richtlijnen, te erkennen. Indien zij dat hebben nagelaten, dient de rechter bij wie de strafzaak aanhangig is te oordelen dat deze staatsorganen hun uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen niet zijn nagekomen.
- 5)
De vijftiende vraag is niet-ontvankelijk, aangezien zij niet rechtstreeks relevant is voor het bij de verwijzende rechter aanhangige hoofdgeding.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑11‑2024
Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB 2013, L 294, blz. 1; hierna: ‘richtlijn 2013/48’).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB 2016, L 297, blz. 1; hierna: ‘richtlijn 2016/1919’).
Arrest van 22 juni 2023, K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken) (C-660/21, EU:C:2023:498, punten 44, 49 en 53).
Conclusies van advocaten-generaal Bobek in de zaak Moro (C-646/17, EU:C:2019:95, voetnoot 15); Pikamäe in de zaak Spetsializirana Prokuratura (Verklaring van rechten) (C-649/19, EU:C:2020:758, punten 53 en 81); Pikamäe in de zaak K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken) (C-660/21, EU:C:2023:52, voetnoot 58); Ćapeta in de zaak M.S. e.a. (C-603/22, EU:C:2024:157, voetnoten 14 en 34), en Pikamäe in de zaak 1Dream e.a. (C-767/22, C-49/23 en C-161/23, EU:C:2024:608, punt 55).
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 2016/1919 bepaalt: ‘Deze richtlijn vormt een aanvulling op de richtlijnen [2013/48] en (EU) 2016/800. Niets in de onderhavige richtlijn mag worden uitgelegd als een beperking van de in die richtlijnen neergelegde rechten.’
Arrest van 7 september 2023, Rayonna Prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering) (C-209/22, EU:C:2023:634, punt 37). Zie over de convergentie tussen deze ruime uitlegging en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak VW (Recht op toegang tot een advocaat bij niet-verschijning) (C-659/18, EU:C:2019:940, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Evenzo wordt iemand als verdachte beschouwd en valt hij dus binnen de werkingssfeer van die richtlijn in een situatie waarin de politieagenten ‘de betrokkene fouilleren en beslag leggen op hetgeen hij heeft verklaard in zijn bezit te hebben’. Deze handelingen ‘tonen […] aan dat die persoon thans door een bevoegde autoriteit wordt verdacht en stellen […] die persoon bovendien impliciet maar zeker in kennis van die verdenking’. Zie arrest van 7 september 2023, Rayonna Prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering) (C-209/22, EU:C:2023:634, punt 43).
Niets in het dossier wijst erop dat K.P. afstand heeft gedaan van zijn recht om zich door een advocaat te laten bijstaan. Indien hij dat wel had gedaan, zouden de autoriteiten echter de extra verantwoordelijkheid hebben gehad om K.P. ‘in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen duidelijke en toereikende informatie [te geven], rekening houdend met zijn hoedanigheid van kwetsbare persoon, over de inhoud van [het recht om te worden bijgestaan door een advocaat] en over de mogelijke gevolgen van het afstand doen daarvan’. Arrest van 14 mei 2024, Stachev, (C-15/24 PPU, EU:C:2024:399, punt 64).
Of hij onder de voorwaarden van richtlijn 2016/1919 daadwerkelijk in aanmerking kwam voor rechtsbijstand is een andere kwestie, die ik hieronder in deel IV.B.2 zal bespreken.
Resolutie van de Raad van 30 november 2009 over een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures (PB 2009, C 295, blz. 1).
De Commissie heeft erkend dat er tussen de lidstaten geen consensus bestaat over het begrip ‘kwetsbaarheid’ in het Werkdocument van de diensten van de Commissie ‘Effectbeoordelingsverslag bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdacht of beklaagd zijn in een strafprocedure’ van 27 november 2013 SWD(2013) 480 final, blz. 12–28.
Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB 2016, L 132, blz. 1), overwegingen 4–6.
Mergaerts, L., ‘Defence lawyers' views on and identification of suspect vulnerability in criminal proceedings’, International Journal of the Legal Profession, deel 29(3), 2022, blz. 281 en 283.
Aanbeveling van de Commissie van 27 november 2013 betreffende procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB 2013, C 378, blz. 8; hierna: ‘aanbeveling van de Commissie’). Zie voor een kritiek op die aanbeveling als algemeen en vaag Meysman, M., ‘Quo vadis with vulnerable defendants in the EU?’ European Criminal Law Review, deel 4 (2), 2014, blz. 179 en 188.
Aanbeveling van de Commissie, overweging 1. Zie voor een kritiek dat deze definitie te beperkt is Waddington, L., ‘Exploring vulnerability in EU Law: An analysis of ‘vulnerability’ in EU criminal law and consumer protection law’, European Law Review, deel 45(6), 2020, blz. 779 en 791.
Aanbeveling van de Commissie, punt 7. De Commissie heeft in 2003 vastgesteld dat personen met bepaalde geestestoestanden (bijvoorbeeld een psychische stoornis zoals schizofrenie) kwetsbaar zijn. Zie Groenboek van de Commissie — Procedurele waarborgen voor verdachten in strafzaken in de gehele Europese Unie [COM(2003) 75 final].
Zie over deze kritiek en meer in het algemeen over de terughoudendheid van de Commissie om aan te dringen op een juridisch bindende handeling met betrekking tot kwetsbare volwassenen en de daaruit voortvloeiende problemen Meysman, M., voetnoot 15, op. cit., blz. 191–193. Zie over de voorgeschiedenis die uiteindelijk heeft geleid tot de keuze van de Commissie voor een aanbeveling Van der Aa, S., ‘Variable vulnerabilities? Comparing the rights of adult vulnerable suspects and vulnerable victims under EU Law’, New Journal of European Criminal Law, deel 7(1), 2016, blz. 39, 43–47.
Nationale rechterlijke instanties ‘zijn namelijk gehouden de aanbevelingen bij de oplossing van de bij hen aanhangige geschillen in aanmerking te nemen, met name wanneer deze duidelijkheid verschaffen over de uitlegging van nationale bepalingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld of wanneer zij bedoeld zijn om dwingende communautaire bepalingen aan te vullen’. Arrest van 13 december 1989, Grimaldi/Fonds voor beroepsziekten(C-322/88, EU:C:1989:646, punt 18).
Conclusies van de Raad over de bescherming van kwetsbare volwassenen in de hele Europese Unie (PB 2021, C 330 I, blz. 1) (hierna: ‘Conclusies van de Raad), blz. 5 en 6. In hetzelfde document heeft de Raad de Commissie ook verzocht ‘te onderzoeken of het nodig is de procedurele waarborgen voor kwetsbare volwassenen die verdachte of beklaagde zijn in strafprocedures over de hele linie te versterken’.
Ibidem, punt 10.
Voorts staat in overweging 51 van richtlijn 2013/48 te lezen: ‘De zorgplicht ten aanzien van verdachten of beklaagden die in een mogelijk zwakke positie verkeren, ligt ten grondslag aan een eerlijke rechtsbedeling. Het openbaar ministerie, de rechtshandhavingsautoriteiten en de rechterlijke instanties moeten daarom de daadwerkelijke uitoefening door dergelijke verdachten of beklaagden van de rechten waarin deze richtlijn voorziet, bevorderen, bijvoorbeeld door rekening te houden met mogelijke kwetsbaarheid die hun vermogen aantast om het recht op toegang tot een advocaat en het recht een derde vanaf hun vrijheidsbeneming op de hoogte te laten brengen, uit te oefenen, en door passende maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat die rechten gewaarborgd worden.’
Voorts luidt overweging 18 van richtlijn 2016/1919: ‘De lidstaten dienen te voorzien in praktische regelingen betreffende het verlenen van rechtsbijstand. In deze regelingen kan worden bepaald dat rechtsbijstand wordt verleend op verzoek van een verdachte, een beklaagde of een gezochte persoon. Gezien met name de behoeften van kwetsbare personen mag dit verzoek evenwel geen materiële voorwaarde zijn voor het verlenen van rechtsbijstand.’
Een soortgelijke bepaling bestaat met betrekking tot het recht op informatie; zie artikel 3, lid 2, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1).
‘Krankzinnigen moeten derhalve worden beschouwd als kwetsbare personen in de zin van die bepaling, omdat zij wegens ernstige psychische stoornissen de hun verstrekte informatie over hun rechten mogelijk niet begrijpen.’ Arrest van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom (C-467/18, EU:C:2019:765, punt 47). In het arrest van 14 mei 2024, Stachev (C-15/24 PPU, EU:C:2024:399, punt 60) kwam het Hof tot dezelfde conclusie met betrekking tot een ongeletterd persoon.
Arrest van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom (C-467/18, EU:C:2019:765, punt 48).
EHRM, 10 november 2004, S.C. tegen het Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2004:0615JUD006095800, § 29. Zie ook EHRM, 23 maart 2016, Blokhin tegen Rusland, CE:ECHR:2016:0323JUD004715206, § 195.
EHRM, 13 september 2016, Ibrahim e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2016:0913JUD005054108, § 274.
EHRM, 31 maart 2009, Płonka tegen Polen CE:ECHR:2009:0331JUD002031002; 27 januari 2011, Bortnik tegen Oekraïne CE:ECHR:2011:0127JUD003958204; 16 maart 2010, Oršuš e.a. tegen Kroatië, CE:ECHR:2010:0316JUD001576603; 23 maart 2016, Blohkin tegen Rusland, CE:ECHR:2016:0323JUD004715206, en 16 december 2010, Borotyuk tegen Oekraïne, CE:ECHR:2010:1216JUD003357904. Zie voor een overzicht Mergaerts, L., en Dehaghani, R., ‘Protecting vulnerable suspects in police investigations in Europe: Lessons learned from England and Wales and Belgium’ New Journal of European Criminal Law, deel 11(3), 2020, blz. 313.
Zie punten 46–53 van deze conclusie.
Volgens de verwijzende rechter viel het de politieagenten op dat K.P. zich onsamenhangend gedroeg en dingen zei die geen steek hielden. Deze omstandigheid had hen er zeker toe kunnen brengen de mogelijkheid te overwegen dat K.P. een bepaalde kwetsbaarheid had.
In overweging 23 van richtlijn 2016/1919 staat te lezen dat de lidstaten de naleving van de beginselen en richtsnoeren betreffende de toegang tot rechtsbijstand in strafrechtsstelsels van de Verenigde Naties dienen te waarborgen. Volgens beginsel 10 van deze beginselen en richtsnoeren moeten de bevoegde autoriteiten specifieke maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat personen met onder andere een geestesziekte zinvolle toegang tot rechtsbijstand hebben. Beschikbaar op: https://www.unodc.org/documents/justice-and-prison-reform/UN_principles_and_guidlines_on_access_to_legal_aid.pdf.
Krachtens artikel 4, lid 3, van richtlijn 2016/1919, dienen lidstaten bij de uitvoering van een draagkrachttoets ‘rekening [te houden] met alle relevante en objectieve factoren, waaronder inkomen, vermogen en gezinssituatie van de betrokkene, alsook de kosten van de bijstand van een advocaat en de levensstandaard in die lidstaat, om overeenkomstig de in die lidstaat toepasselijke criteria te bepalen of een verdachte of een beklaagde onvoldoende middelen heeft om voor de bijstand van een advocaat te betalen’.
Krachtens artikel 4, lid 4, van richtlijn 2016/1919, dienen lidstaten bij de toepassing van een gegrondheidstoets ‘rekening [te houden] met de ernst van het strafbaar feit, de complexiteit van de zaak en de ernst van de sanctie die op het spel staat, om te bepalen of de belangen van een behoorlijke rechtspleging eisen dat rechtsbijstand wordt verleend. In elk geval wordt er in de volgende situaties van uitgegaan dat is voldaan aan de gegrondheidstoets: a) wanneer een verdachte of een beklaagde voor een bevoegde rechtbank of rechter verschijnt met het oog op een beslissing over detentie in elk stadium van de procedures die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, en b) tijdens detentie.’
Artikel 4, lid 4, van richtlijn 2016/1919 noemt bijvoorbeeld ‘de ernst van het strafbaar feit, de complexiteit van de zaak en de ernst van de sanctie die op het spel staat’ als factoren waarmee de lidstaten rekening kunnen houden wanneer zij op basis van een gegrondheidstoets bepalen dat rechtsbijstand moet worden verleend.
Arrest van 15 mei 1986, Johnston/Chief Constable of the Royal Ulster Constabulary (222/84, EU:C:1986:206, punt 58).
Conclusie van advocaat-generaal Ćapeta in de zaak M.S. e.a. (C-603/22, EU:C:2024:157, punten 118–127).
Het Hof heeft dit met betrekking tot richtlijn 2016/800 bevestigd bij arrest van 5 september 2024, M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen)(C-603/22, EU:C:2024:685, punten 169–174). De uitzondering hierop kan worden gevonden in de uitlegging door het Hof van artikel 14, lid 7, van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB 2014, L 130, blz. 1). Zie arrest van 30 april 2024, M.N. (EncroChat) (C-670/22, EU:C:2024:372, punten 126–131).
Arrest van 7 september 2023, Rayonna Prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering)(C-209/22, EU:C:2023:634, punten 58–61).
Zie voor dezelfde vaststelling met betrekking tot richtlijn 2016/800, wanneer de kwetsbare personen kinderen zijn, arrest van 5 september 2024, M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen)(C-603/22, EU:C:2024:685, punten 167, 168, en 174).
EHRM, 12 juli 1988, Schenk tegen Zwitserland, CE:ECHR:1988:0712JUD001086284, §§ 45 en 46); 1 maart 2007, Heglas tegen Tsjechië, CE:ECHR:2007:0301JUD000593502, § 84, en 11 juli 2017, Moreira Ferreira tegen Portugal (nr. 2), CE:ECHR:2017:0711JUD001986712, § 83.
EHRM, 17 januari 2017, Habran en Dalem tegen België, CE:ECHR:2017:0117JUD004300011, § 94.
Arrest van 21 maart 2024, Remia Com Impex (C-10/23, EU:C:2024:259, punt 29).
Arrest van 19 maart 2019, Jawo (C-163/17, EU:C:2019:218, punt 91).
Zoals het Hof herhaaldelijk heeft gedaan, bijvoorbeeld in het arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters)(C-791/19, EU:C:2021:596, punt 165).
EHRM, 15 december 2016, Khlaifia e.a. tegen Italië, CE:ECHR:2016:1215JUD001648312, § 159.
Het EHRM heeft hieraan toegevoegd dat ‘volgens deze bepaling de staat ervoor moet zorgen dat een persoon wordt gedetineerd in omstandigheden die verenigbaar zijn met de eerbiediging van zijn menselijke waardigheid, dat de wijze waarop de maatregel wordt uitgevoerd hem niet blootstelt aan lijden of aan een beproeving waarvan de intensiteit het onvermijdelijke niveau van lijden dat inherent is aan de detentie overstijgt, alsook dat zijn gezondheid en welzijn, gelet op de praktische vereisten van de opsluiting, afdoende zijn gewaarborgd’. Ibidem, § 160.
Mijn conclusie in de zaak M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen) (C-603/22, EU:C:2024:157, punten 128–135).
Arresten van 17 juni 1999, Piaggio (C-295/97, EU:C:1999:313, punt 29), en 15 januari 2013, Križan e.a. (C-416/10, EU:C:2013:8, punt 58).
Arrest van 21 januari 1993, Deutsche Shell (C-188/91, EU:C:1993:24, punt 27).
Zie in die zin arrest van 17 juni 1999, Piaggio (C-295/97, EU:C:1999:313, punt 32).
Arresten van 13 november 1990, Marleasing (C-106/89, EU:C:1990:395, punt 8), en 24 januari 2012, Dominguez (C-282/10, EU:C:2012:33, punten 23–27).
Arresten van 5 februari 1963, Van Gend en Loos/Administratie der Belastingen (26/62, EU:C:1963:1, blz. 13); 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking).(C-205/20, EU:C:2022:168, punt 37), en 5 september 2024, M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen)(C-603/22, EU:C:2024:685, punt 118).
Zie bijvoorbeeld arresten van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin (C-261/20, EU:C:2022:33, punten 25 en 26), en 24 juni 2019, Popławski (C-573/17, EU:C:2019:530, punten 53 en 54).
Arrest van 22 juni 1989, Costanzo (103/88, EU:C:1989:256, punt 31).
Arrest van 4 december 2018, Minister for Justice and Equality en Commissioner of An Garda Síochána (C-378/17, EU:C:2018:979, punt 38).
Arrest van 8 december 2022, Inspektor v Inspektorata kam Visshia sadeben savet (Doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens — Strafrechtelijk onderzoek) (C-180/21, EU:C:2022:967, punt 66).
Arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny (C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punten 43 en 45).
De vijftiende vraag komt nagenoeg letterlijk overeen met de veertiende vraag, onder b), die in de zaak M.S. e.a., is gesteld. Zoals ik in mijn conclusie in die zaak heb aangegeven, was deze vraag niet-ontvankelijk omdat zij, net als in casu, buiten de context van die zaak viel en dus hypothetisch was. Zie mijn conclusie in de zaak M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen) (C-603/22, EU:C:2024:157, punten 54–59).