Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:HR:AE4811.
HR, 10-11-2017, nr. 16/05288
16/05288
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-11-2017
- Zaaknummer
16/05288
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:2821, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑11‑2017; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑11‑2017
- Vindplaatsen
NLF 2017/2731 met annotatie van Sacha Bothof
BNB 2018/44 met annotatie van A.J.H. VAN SUILEN
NTFR 2017/2866 met annotatie van mr. J. Rolleman
DouaneUpdate 2017-0582
DouaneUpdate 2017-0608
FutD 2017-2816
Viditax (FutD) 2017111022
Uitspraak 10‑11‑2017
Partij(en)
10 november 2017
nr. 16/05288
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 september 2016, nr. 14/00905, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/1268) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft in 2012 op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan voor een uit België afkomstige gebruikte personenauto (hierna: de auto); dit met het oog op het doen registreren van de auto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.
2.1.2.
De auto is op 24 april 2003 in België voor het eerst toegelaten tot de openbare weg. De auto vertoonde ten tijde van de voldoening op aangifte schade.
2.1.3.
Blijkens een aan hem uitgereikte factuur van 26 oktober 2012 heeft belanghebbende de auto aangekocht voor € 12.500.
2.1.4.
Belanghebbende heeft het voor de auto verschuldigde bedrag aan bpm berekend met inachtneming van een vermindering (afschrijving) als bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2012; hierna: de Wet). Voor het bepalen van de hoogte van de afschrijving van de auto heeft hij – met toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7379, BNB 2012/147 – tegenover de som van de netto‑catalogusprijs van de auto en de bpm op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen, gezet de inkoopwaarde van een gebruikte, even oude personenauto van hetzelfde merk en type en vergelijkbare uitvoering die was vermeld in de koerslijst X‑RAY (hierna: de koerslijst), een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland. Vorenbedoelde handelsinkoopwaarde (volgens de koerslijst € 15.258) heeft belanghebbende vanwege de hiervoor in 2.1.2 bedoelde schade aan de auto verminderd met een door hem begroot schadebedrag van € 8328. Uitkomend op een bedrag van € 6930 als inkoopwaarde, heeft hij het bij de auto behorende bedrag aan bpm, bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, van de Wet, volgens het aldus verkregen afschrijvingspercentage verminderd.
2.1.5.
De Inspecteur heeft de auto laten taxeren. Aan de hand van deze taxatie, gebaseerd op gecorrigeerde vraagprijzen van twee gebruikte vergelijkbare personenauto’s, heeft hij de inkoopwaarde van de auto – rekening houdend met een waardevermindering van € 7500 als gevolg van de schade – gesteld op € 12.000. Met inachtneming van de aldus bepaalde afschrijving heeft de Inspecteur van belanghebbende een bedrag van € 1393 aan bpm nageheven.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat noch de door belanghebbende verdedigde noch de door de Inspecteur verdedigde inkoopwaarde van de auto bruikbaar is voor het bepalen van de afschrijving van de auto.
2.2.2.
Het Hof heeft vervolgens “met inachtneming van alle omstandigheden” de inkoopwaarde van de auto in goede justitie op € 12.000 vastgesteld en de naheffingsaanslag dienovereenkomstig verminderd tot op een bedrag van € 1017.
2.3.
Het middel betoogt dat het oordeel van het Hof dat de inkoopwaarde van de auto in goede justitie moest worden vastgesteld, ofwel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ofwel niet naar behoren is gemotiveerd. Daarbij merkt het middel op dat het niet bestrijdt het door de Inspecteur verdedigde standpunt dat de waardevermindering als gevolg van de hiervoor in 2.1.2 bedoelde schade aan de auto € 7500 bedraagt.
2.4.
Het middel slaagt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat het Hof op basis van alle voorliggende gegevens enerzijds van oordeel is dat het door de Inspecteur verdedigde bedrag van de inkoopwaarde van de auto moet worden verworpen, en anderzijds oordeelt dat de inkoopwaarde in goede justitie op dat bedrag moet worden vastgesteld.
2.5.
Gelet op het hiervoor in 2.4 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 251, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.
Beroepschrift 10‑11‑2017
Onderwerp: Beroep in cassatie tegen de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag d.d. 20 september 2016
1. Beroep in cassatie
Namens belanghebbenden, [X] h.o.d.n. [C], gevestigd te [Z], stel ik door middel van dit beroepschrift beroep in cassatie in, althans vul ik de gronden aan van het pro-forma beroep d.d. 31 oktober 2016, tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam d.d. 20 september 2016 met kenmerk 14/00905, ontvangen op 21 september 2016.
2. Middel
Middel 1 Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 110 VWEU, doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, eraan voorbij is gegaan dat de bewijslast bij de inspecteur ligt voor wat betreft de factoren die een rol spelen bij het vaststellen van de verschuldigde belasting.
3. Toelichting
3.1. Toelichting op middel 1
Middel 1 Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 110 VWEU, doordat het Hof op onjuiste gronden, althans op gronden die het besluit niet zelfstandig kunnen dragen, eraan voorbij is gegaan dat de bewijslast bij de inspecteur ligt voor wat betreft de factoren die een rol spelen bij het vaststellen van de verschuldigde belasting.
Momenteel is een andere zaak, van dezelfde belanghebbende, aanhangig bij uw raad met kenmerk 16/05289. In die zaak ligt de vraag heel zuiver: waar dient men vanuit te gaan voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en met name: bij wie ligt de bewijslast van die waarde. In casu heb ik gepoogd deze vraag eveneens zuiver te houden.
Bij arrest van 6 december 2002 heeft uw Raad als volgt beslist:1.
‘Het is, nu op de heffende autoriteit de verplichting rust ervoor te waken dat met het heffen van BPM wordt getreden buiten de in artikel 95 EG-verdrag neergelegde begrenzing van de nationale heffingsbevoegdheid, en met een berekening van de heffing conform de nationale wettelijke regeling aan die verplichting niet wordt voldaan, in eerste instantie aan de Inspecteur om In het geding na verwijzing gegevens in te brengen, waaruit kan blijken hoe de door belanghebbende voldane BPM zich verhoudt tot het restant aan BPM dat nog drukte op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde auto's (hierna: de referentie-auto's).’
Bij arrest van 22 september 2006 heeft uw Raad als volgt beslist:2.
‘Het door het Hof aangenomen bestaan van een mogelijkheid tot tegenbewijs vormt geen voldoende rechtvaardiging om te oordelen dat het stelsel van heffing van BPM verenigbaar is met artikel 90 EG. Daarvoor is noodzakelijk dat de belanghebbende kennis kan nemen van alle specifieke criteria die een rol hebben gespeeld bij de vaststelling van het uiteindelijke verlagingspercentage zodat het de belanghebbende duidelijk kan zijn op welk punt(en) een door hem te leveren tegenbewijs zinvol is.’
Uw Raad stelt in het arrest van 29 juni 2009 het volgende.3. Voor zover van belang, citeer ik:
‘In het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2006, nr. 41178, BNB 2007/55, is geoordeeld dat de forfaitaire afschrijvingstabel van artikel 10 van de Wet in strijd is met artikel 90 EG, nu niet is bekend gemaakt met welke factoren, andere dan de ouderdom van een voertuig, bij de bepaling van de hoogte van de afschrijving rekening is gehouden, zodat voor een concreet voertuig aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel niet is vast te stellen of en in hoeverre die forfaitaire afschrijvingstabel de werkelijke waardevermindering van dat voertuig weerspiegelt. Indien een belastingplichtige voor zijn situatie de toepassing van het wettelijke afschrijvingspercentage bestrijdt, rust in het licht van het hiervoor overwogene op de inspecteur de verplichting ter zake van dit afschrijvingspercentage de benodigde gegevens te verstrekken omtrent de aannames die in het concrete geval een rol hebben gespeeld bij de vaststelling van de maatstaf van heffing, zodat het de betrokken belanghebbende duidelijk kan zijn op welk(e) punt(en) een door hem te leveren tegenbewijs, gebaseerd op één of meer waarde bepalende kenmerken van de desbetreffende auto, al dan niet zinvol is. Voor zover het Hof heeft geoordeeld dat het in de eerste plaats op de weg van belanghebbende ligt feiten of omstandigheden aannemelijk te maken die afwijking van het ingevolge artikel 10 van de Wet voorgeschreven afschrijvingspercentage rechtvaardigen, geeft dat oordeel derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Middel 2 slaagt in zoverre.’
Uit de arresten van uw Raad blijkt duidelijk dat de inspecteur eerst aan zet is. Immers dient voor een belastingplichtige duidelijk te welke factoren een rol spelen bij het vaststellen van de verschuldigde belasting. Uw Raad heeft dan ook in het arrest van 6 december 2002 al als volgt gesteld:
- ‘4.
(…) De Inspecteur kan wat betreft het waardeverloop van laatstbedoelde auto's die gegevens eventueel verschaffen aan de hand van koerslijsten met richtprijzen, zoals die bij inkoop van gebruikte auto's in de handel plegen te worden gehanteerd. Voorzover in de door hem gehanteerde koerslijst wordt gedifferentieerd naar waardeverminderingsfactoren, zoals veroudering, merk, model, kilometerstand, type aandrijving, technische staat of staat van onderhoud, dient de Inspecteur dan met het oog op een doorzichtige vergelijking per door belanghebbende in het onderhavige tijdvak uit een andere EG-lidstaat ingevoerde auto aan te geven welke de in de koerslijst onderscheiden criteria zijn, waaraan die auto en de referentie-auto gemeenschappelijk voldoen. Waardeverminderingsfactoren als hierboven vermeld, die niet afzonderlijk in de koerslijst zijn opgenomen of die, ofschoon wel in de koerslijst opgenomen, door de Inspecteur voor de door belanghebbende ingevoerde auto's niet te bepalen zijn bij gebrek aan gegevens omtrent de staat van de concrete auto op het peilmoment, mogen behoudens tegenbewijs worden geacht op een gemiddeld niveau te liggen. Belanghebbende dient vervolgens de gelegenheid te hebben voor elke concrete auto te betwisten dat deze op het peilmoment voldeed aan de criteria waarvan de Inspecteur is uitgegaan.’
Sedertdien is in de Wet dan ook de mogelijkheid opgenomen om de waarde in onbeschadigde staat aan te geven op basis van een in de handel algemene toegepaste koerslijst, zie artikel 10, lid 7 Wet BPM. Dit zijn de factoren die wél bekend zijn en op basis waarvan een belastingplichtige de relevante factoren kan bepalen die een rol spelen bij het vaststellen van de verschuldigde belasting. Een belastingplichtige heeft vervolgens de mogelijkheid om aan te tonen welke factoren afwijken van de koerslijstwaarde: het bieden van tegenbewijs.
Ik merk tevens op dat er geen nadere eisen worden gesteld aan de koerslijstwaarde, anders dan dat het dient te gaan om ‘een in de handel algemeen toegepaste koerslijst’. De koerslijst die belanghebbende in casu heeft gehanteerd —X-Ray— is een in de handel algemene toegepaste koerslijst en koerslijsten van X-Ray worden ook als zodanig door de Belastingdienst gebruikt.
Ten overvloede wijs ik op een uitspraak van rechtbank Gelderland van 10 november 2015.4. Voor zover van belang citeer ik:
- ‘17.
In de wet of in gedelegeerde regelgeving zijn geen voorschriften voor een koerslijst opgenomen, noch voorwaarden waaronder de koerslijst kan worden toegepast. Anders dan verweerder meent, is de verwijzing naar gerealiseerde verkoopprijzen in de uitspraak van Gerechtshof Arnhem van 3 augustus 2010, ECLI:NL:GHARL:2010:BN4420, ook geen voorwaarde die aan het gebruik van de koerslijst kan worden verbonden, in die zin dat de koerslijst slechts bruikbaar zou zijn wanneer deze enkel en alleen op gerealiseerde verkoopprijzen zou berusten.(…)’
- 18.
Van eiseres hoeft niet verlangd te worden dat zij actief nader onderzoek instelt naar de wijze waarop de koerslijsten tot stand zijn gekomen, te meer niet nu de XRAY koerslijsten in het algemeen als aanvaardbare koerslijsten worden aangemerkt.’
Nu het eerst aan de inspecteur is om de relevante factoren kenbaar te maken en de koerslijstwaarde, waarvan belanghebbende de totstandkoming niet behoeft te onderzoeken, laat staan daaraan te twijfelen, hét uitgangspunt dient te zijn zoals uw Raad eerder heeft beslist, resteert vervolgens énkel nog de vraag of, en zo ja, in hoeverre er sprake is van factoren die afwijken van de gemiddelde staat van het voertuig.
Zowel de taxateur van belanghebbende, als de hertaxateur hebben eenzelfde methode gehanteerd: eerst wordt de waarde in onbeschadigde staat vastgesteld en daarna wordt rekening gehouden met factoren die afwijken van de gemiddelde staat.
De schade door de taxateur van belanghebbende is vastgesteld op € 8.328. Op basis van eerdere jurisprudentie van Gerechtshof Amsterdam5. heb ik me kunnen vinden in de door [B] toegepaste waardevermindering van € 7.500. Dit heb ik dan ter zitting ook uitdrukkelijk verklaard. Júist met het oog om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de vraag wat het uitgangspunt dient te zijn bij een taxatie ten behoeve van een BPM aangifte en bij wie hiervan de bewijslast ligt. Dit valt ook indirect af te leiden uit de overgelegde pleitnota, waar de vraag zich énkel nog richtte op de vaststelling van de waarde vóór aftrek van schade. Dit blijkt ook uit hetgeen [D] ter zitting heeft verklaard:
‘Het bedrag aan schade is inderdaad geen issue meer, alleen de handelsinkoopwaarde is nog in geschil. (…) Per auto is gespecificeerd aangegeven hoe de waarde ervan zich verhoudt tot de waarde van de auto die in geschil is.’
De inspecteur heeft nu —bij monde van de hertaxateur— aangetoond dat er € 9.005 aan schade op het voertuig aanwezig is, die niet op een voertuig in onbeschadigde staat aanwezig is. De hertaxateur heeft vervolgens bepaald dat € 7.500 van dit schadebedrag als waardeverminderend aangemerkt dient te worden.
Feit is dat in ieder geval de waardevermindering van € 7.500 ten opzichte van de waarde in onbeschadigde staat niet in geschil is.
De bewijslast voor de relevante factoren die van belang zijn voor het vaststellen van de verschuldigde belasting liggen bij de inspecteur. Het Hof had op basis van de beschikbare gegevens een Juiste handelsinkoopwaarde vast kunnen en zelfs moeten stellen, temeer nu er geen geschil bestond over de waardevermindering die in ieder geval van toepassing was ten opzichte van de factoren die van belang zijn voor het vaststellen van de verschuldigde belasting, te weten € 7.500.
Conclusie
De bewijslast voor de relevante factoren om de verschuldigde belasting vast te stellen, ligt bij de inspecteur. De inspecteur kan hieraan voldoen door het overleggen van een in de handel algemene toegepaste koerslijst, waar géén nadere eisen aan worden gesteld. In dit geval had het Hof dan ook moeten constateren dat de koerslijstwaarde hét uitgangspunt dient te zijn en dat enkel de vraag resteert óf, en zo ja, in hoeverre er sprake is van waardeverminderende factoren die een ‘correctie’ rechtvaardigen op de factoren die ten grondslag liggen aan de koerslijstwaarde.
Nu de inspecteur, bij monde van de hertaxateur, heeft vastgesteld dat een bedrag van € 7.500 als waardeverminderend aangemerkt dient te warden ten opzichte van de waarde in onbeschadigde staat, gegeven door de koerslijstwaarde, waarvan deze waardevermindering ten opzichte van het voertuig in onbeschadigde staat in ieder geval niet in geschil is geweest, had het Hof de waarde zonder meer kunnen en zelfs moeten vaststellen.
Zaak zelf afdoen
De koerslijstwaarde geeft een waarde van het voertuig in onbeschadigde staat van € 15.258 weer. De waardevermindering die de inspecteur heeft toegepast en door mij ter zitting zelfs uitdrukkelijk is erkend,6. had hierop in mindering gebracht dienen te worden. Dat dient alsdan te leiden tot een handelsinkoopwaarde van € 7.758.
Uitgaande van de overige gegevens van de inspecteur, die niet in (meer) in geschil zijn geweest, stel ik de verschuldigde BPM als volgt vast:
- | Historische nieuwprijs | € | 147.881 | (niet in geschil) |
- | Handelsinkoopwaarde | € | 7.758 | |
- | Bruto BPM | € | 36.912 | (bij rechtbank vastgesteld) |
- | Rest BPM | € | 1.936 | |
- | Op aangifte voldaan | € | 1.836 |
Op basis van deze gegevens die, behoudens de handelsinkoopwaarde met schade, niet (meer) in geschil zijn, dient de naheffing vastgesteld te worden op € 100.
Jurisprudentie
De vraag waar men vanuit dient te gaan in het kader van een BPM taxatie —koerslijstwaarde of marktonderzoek— is lange tijd een punt van discussie geweest. Inmiddels blijkt uit de jurisprudentie wat het uitgangspunt in een BPM taxatie dient te zijn, waarmee de inspecteur tevens aan zijn verplichtingen krachtens artikel 110 VWEU kan voldoen.
Ten eerste wijs ik op de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam —hetzelfde Hof dat in casu voorbij is gegaan aan de koerslijstwaarde als uitgangspunt— van 17 november 2016.7. Ik kan deze uitspraak overigens niet rijmen met de uitspraak die ik nu in cassatie bestrijd, terwijl er slechts één maand tussen deze uitspraken zit. Voor zover van belang:
‘4.3
De bewijslast ten aanzien van de handelsinkoopwaarde van de referentieauto rust op de inspecteur, nu de inspecteur tot naheffing is overgegaan en op de heffende autoriteit in dat geval de verplichting rust ervoor te zorgen dat met het heffen van bpm niet wordt getreden buiten de in artikel 110 VWEU neergelegde begrenzing van de nationale heffingsbevoegdheid (vgl. HR 6 december 2002, 37666, ECLI:NL:HR:2002:AE4811).’
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 7 juni 2016 —ongeveer— een 60 tal uitspraken gedaan met betrekking tot deze vraag.8. Ik merk op dat het Hof hier duidelijkheid heeft gegeven over hóe een BPM taxatie tot stand dient te komen, ondanks dat beide partijen de waarde niet exact aannemelijk gemaakt hebben.
Voor zover van belang citeer ik:
‘4.5
De omstandigheid dat de Nederlandse belastingautoriteit krachtens het Unierecht gehouden is geen hoger Bpm te heffen op vanuit andere lidstaten overgebrachte gebruikte auto's dan de Bpm die nog rust op de waarde van gelijksoortige, reeds op het grondgebied van Nederland geregistreerde auto's, is naar het oordeel van het Hof evenwel van invloed op de regels van bewijslastverdeling. Gelet op deze invloed, rust naar het oordeel van het Hof als uitgangspunt — abstraherend van de schade aan de overgebrachte auto's — op de Inspecteur de last aannemelijk te maken dat de Bpm die rust op de waarde (afgezien van de schade) van gelijksoortige auto's op het grondgebied van Nederland geregistreerde auto's niet lager is dan de Bpm die volgens hem, los van de schade, zou dienen te worden geheven op de uit een andere lidstaat overgebrachte auto. Dit betekent dat de Inspecteur de bewijslast heeft met betrekking tot, kort gezegd, de waarde van de te hanteren referentieauto's, meer in het bijzonder de historische nieuwprijs daarvan en de handelsinkoopwaarde die door een handelaar wordt betaald bij aankoop van een particulier (vóór aftrek vanwege schade).’
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gaat vervolgens uitgebreid in op waarom een marktonderzoek niet kan dienen, althans niet beter is dan de koerslijstwaarde in het licht van artikel 110 VWEU.
Gerechtshof 's‑Hertogenbosch heeft ook beslist dat de koerslijstwaarde hét uitgangspunt dient te zijn, althans dat het een juiste methode van waardebepaling is in het kader van een BPM aangifte.9.
Ook gerechtshof Den Haag heeft overeenkomstig beslist, hoewel niet met zoveel woorden.10. Dit was een principiële zaak. De koerslijstwaarde stond vast en de schade stond vast.
Tegen géén van deze uitspraken is door de Belastingdienst cassatie ingesteld. Deze lijn is dan ook onverkort overgenomen door de rechtbanken.11. Zelfs ná de inwerkingtreding van Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling BPM, waarin de eis van ‘3–5 referentievoertuigen’ wordt gesteld, is het oordeel van rechtbank Gelderland dat een koerslijstwaarde nog steeds het uitgangspunt dient te zijn.12.
4. Conclusie
Op grond van het voorgaande verzoek ik uw college, namens belanghebbende:
- —
De uitspraak van het gerechtshof Amsterdam d.d. 20 september 2016 met kenmerk 14/00905 te vernietigen;
- —
Primair: de zaak zelf af te doen en de handelsinkoopwaarde vast te stellen op € 7.758 en de naheffing vast te stellen op € 100;
- —
Subsidiair: de zaak terug te verwijzen naar een ander Gerechtshof;
- —
De inspecteur te veroordelen in de proceskosten in de bezwaar- beroeps- hoger beroepsfase en cassatie;
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑11‑2017
Hoge Raad 22 september 2006, ECLI:HR:NL:AY8649.
Hoge Raad 29 juni 2009, ECLI:NL:HR:2007:BA8063.
Rechtbank Gelderland 10 november 2015, AWB 14/3166.
O.a. Gerechtshof Amsterdam 1 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:822.
Helaas is de waardevermindering alsnog in geschil gehouden/gebracht en niet juist weergegeven in het proces verbaal.
Gerechtshof Amsterdam 17 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4800.
O.a. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4640.
Gerechtshof 's‑Hertogenbosch 14 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3001.
Gerechtshof Den Haag 3 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:950.
O.a. Rechtbank Zeeland — West-Brabant 29 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:6267; Rechtbank Den Haag 19 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9781.
Rechtbank Gelderland 8 december 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:6595.