Einde inhoudsopgave
Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking)
Artikel 189 Subsidiabele kosten
Geldend
Geldend vanaf 29-09-2024
- Bronpublicatie:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Inwerkingtreding
29-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
EU-recht / Financiering
1.
Voor de absolute waarde van subsidies wordt een algemeen maximum (maximale subsidiebedrag) in acht genomen, dat wordt vastgesteld op basis van:
- a)
het totale bedrag van niet aan kosten gekoppelde financiering, in het in artikel 125, lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde geval;
- b)
de geraamde subsidiabele kosten, waar mogelijk, in het in artikel 125, lid 1, eerste alinea, punt b), bedoelde geval;
- c)
het totale bedrag van de duidelijk vooraf vastgelegde geraamde subsidiabele kosten in de vorm van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste alinea, punten c), d) en e).
Onverminderd de basishandeling kunnen subsidies daarnaast worden weergegeven als een percentage van de geraamde subsidiabele kosten, zulks indien de subsidie de in de eerste alinea, punt b), bedoelde vorm aanneemt, of als een percentage van de in de eerste alinea, punt c), bedoelde vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage.
Wanneer de subsidie de in de eerste alinea, punt b), van dit lid bedoelde vorm aanneemt en wanneer de subsidie vanwege de specifieke kenmerken van een actie slechts als een absolute waarde kan worden uitgedrukt, vindt de controle van de subsidiabele kosten plaats overeenkomstig artikel 158, lid 4, en, waar van toepassing, artikel 158, lid 6.
2.
Onverminderd het in de basishandeling vastgestelde maximale medefinancieringspercentage, geldt het volgende:
- a)
de subsidie bedraagt niet meer dan de subsidiabele kosten;
- b)
wanneer de subsidie de in lid 1, eerste alinea, punt b), bedoelde vorm aanneemt en indien de geraamde subsidiabele kosten de in artikel 184, lid 8, bedoelde kosten voor vrijwilligerswerk omvatten, bedraagt de subsidie niet meer dan de andere geraamde subsidiabele kosten dan de kosten voor vrijwilligerswerk.
3.
Subsidiabele kosten die daadwerkelijk door de begunstigde zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste alinea, punt b), zijn gemaakt, voldoen aan elk van de volgende criteria:
- a)
zij worden gemaakt tijdens de looptijd van de actie of het werkprogramma, met uitzondering van de kosten die betrekking hebben op de eindverslagen en auditcertificaten;
- b)
zij zijn aangegeven in de geraamde totale begroting van de actie of het werkprogramma;
- c)
zij zijn noodzakelijk ter uitvoering van de actie die of het werkprogramma dat het voorwerp is van de subsidie;
- d)
zij zijn aanwijsbaar en verifieerbaar, zijn met name opgenomen in de boekhoudbescheiden van de begunstigde en zijn vastgesteld overeenkomstig de boekhoudkundige normen die van toepassing zijn in het land waar de begunstigde is gevestigd en overeenkomstig de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde;
- e)
zij voldoen aan de bepalingen van de toepasselijke fiscale en sociale wetgeving;
- f)
zij zijn redelijk en gerechtvaardigd en voldoen aan het beginsel van goed financieel beheer, met name wat zuinigheid en efficiëntie betreft.
4.
In oproepen tot het indienen van voorstellen wordt nader bepaald welke categorieën kosten in aanmerking komen voor financiering door de Unie.
Tenzij anders bepaald in de basishandeling en in aanvulling op lid 3 van dit artikel, zijn de volgende categorieën kosten subsidiabel voor zover de bevoegde ordonnateur deze als zodanig heeft aangemerkt in het kader van de oproep tot het indienen van voorstellen:
- a)
kosten die verband houden met een door de begunstigde verstrekte garantie voor voorfinancieringen, indien die garantie overeenkomstig artikel 156, lid 1, door de bevoegde ordonnateur wordt vereist;
- b)
kosten die verband houden met certificaten betreffende de financiële staten en operationele auditverslagen, indien dergelijke certificaten of verslagen door de bevoegde ordonnateur worden vereist;
- c)
btw, indien deze krachtens de nationale btw-wetgeving niet terugvorderbaar is en wordt betaald door een begunstigde die geen niet-belastingplichtige is in de zin van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (1);
- d)
afschrijvingskosten, op voorwaarde dat de begunstigde die werkelijk heeft gemaakt;
- e)
salariskosten van personeel van de nationale overheid, voor zover deze verband houden met de kosten van activiteiten die de betrokken overheidsinstantie niet zou ondernemen indien het betrokken project niet zou worden uitgevoerd.
Voor de toepassing van de tweede alinea, punt c):
- a)
wordt btw als niet terugvorderbaar beschouwd wanneer zij volgens het nationale recht toerekenbaar is aan een van de volgende activiteiten:
- i)
vrijgestelde activiteiten zonder recht op aftrek;
- ii)
activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de btw vallen;
- iii)
activiteiten zoals bedoeld in punt i) of ii) waarvoor de btw niet aftrekbaar is, maar wordt terugbetaald via specifieke terugbetalingsregelingen of compensatiefondsen die niet onder Richtlijn 2006/112/EG vallen, ook indien de regeling of het fonds bij de nationale btw-wetgeving is ingesteld;
- b)
Btw betreffende de in artikel 13, lid 2, van Richtlijn 2006/112/EG genoemde werkzaamheden wordt geacht door een begunstigde, andere dan een niet-belastingplichtige in de zin van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn, te zijn betaald, ongeacht of de werkzaamheden door de betrokken lidstaat worden beschouwd als zijnde verricht door publiekrechtelijke lichamen die als overheid optreden.
Voetnoten
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).