Parketnr. 20-003336-23.
HR, 20-01-2026, nr. 24/03291
ECLI:NL:HR:2026:67
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-01-2026
- Zaaknummer
24/03291
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:67, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑01‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1231
ECLI:NL:PHR:2025:1231, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:67
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑06‑2025
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed (art. 8.2.a WVW 1994) en rijden terwijl rijbewijs is (in)gevorderd (art. 9.7 WVW 1994). Hof heeft verdachte n-o verklaard in hoger beroep omdat het te laat is ingesteld, art. 408.2 Sv. Verontschuldigbare termijnoverschrijding omdat o.a. alcoholproblematiek ernstige beperking in het geestelijk en lichamelijk functioneren van verdachte veroorzaakte op moment dat rechtsmiddel had moeten worden ingesteld? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2004:AN8587 m.b.t. bijzondere omstandigheden die overschrijding van termijn voor h.b. door verdachte verontschuldigbaar doen zijn. Hof heeft geoordeeld dat termijnoverschrijding voor instellen van h.b. door verdachte niet verontschuldigbaar is. Hof heeft daartoe uitsluitend overwogen dat “reden van voornoemde termijnoverschrijding invoelbaar is, doch dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat deze van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn”. Dit oordeel is, in het licht van wat namens verdachte is aangevoerd over de door alcoholverslaving veroorzaakte ernstige beperking in geestelijk en lichamelijk functioneren van verdachte op moment dat dit rechtsmiddel had moeten worden ingesteld, niet zonder meer begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03291
Datum 20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 augustus 2024, nummer 20-003336-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. Straten bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep niet verontschuldigbaar is.
2.2.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt mede dat op grond van de stukken uit het dossier is gebleken dat de uitspraak mondeling vonnis op 24 juni 2023 aan de verdachte in persoon is uitgereikt en dat hij eerst op 8 december 2023 hoger beroep heeft ingesteld, waardoor het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn van 14 dagen na bekendwording met de uitspraak is ingesteld.
De raadsman deelt mede:
Mr. [betrokkene 2] heeft in haar appelschriftuur d.d. 19 december 2023 reeds het grootste gedeelte van de reden van deze termijnoverschrijding toegelicht. Waar het op neerkomt is dat het lange tijd niet goed is gegaan met mijn cliënt. Dit is voor hem een warrige periode geweest en daarna kwam het moment dat er puin moest worden geruimd. Zijn toenmalige begeleidster heeft vervolgens gezien dat het vonnis waarvan beroep, was gewezen en heeft vervolgens hierover gebeld. Mijn cliënt stelt dat hij dusdanig warrig was dat hij niet goed door had wat er allemaal gebeurde. Hij was in die periode absoluut niet op de hoogte van zijn administratie. Op 28 november 2023 is er dus gebeld en toen kwam mijn cliënt erachter dat hij een groot probleem had. De door de politierechter opgelegde gevangenisstraf heeft namelijk grote gevolgen voor de behandeling die hij thans ondergaat. Het standpunt van de verdediging is derhalve dat de verdachte niet eerder dan 28 november 2023 echt inhoudelijk in kennis is gesteld van de beslissing van de politierechter, zodat hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld en derhalve ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
De voorzitter deelt mede dat zij in het dossier heeft gelezen dat het langere tijd slecht met de verdachte is gegaan, maar dat hij nu begeleiding heeft en dat het beter lijkt te gaan met hem. Ook deelt zij mede dat zij ziet dat er iemand met hem mee is gekomen naar de zitting en heeft plaatsgenomen in de zittingszaal.
De advocaat-generaal deelt hierop mede:
Er is sprake van een duidelijke overschrijding van de wettelijke termijn om hoger beroep tegen het betreffende vonnis in te stellen. De vraag waar het thans om gaat is of deze overschrijding verschoonbaar is. De verdediging voert aan dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu de verdachte in die tijd in een warrige periode verkeerde en zijn zaken niet op orde had. Dit is echter niet een bijzondere situatie waarover in de jurisprudentie wordt gesproken om een overschrijding van de termijn verschoonbaar te laten zijn. Nu de uitspraak aan de verdachte in persoon is uitgereikt, hij niet binnen 14 dagen hoger beroep heeft ingesteld en niet is gebleken van een bijzondere situatie die deze termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn, vorder ik dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.
De raadsman deelt hierop nog mede dat in de appelschriftuur reeds is aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de uitreiking van de uitspraak leed aan een psychische stoornis.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart:
Het afgelopen jaar was een zware periode voor mij. Het was echt het diepste punt in mijn leven. Omdat het echt niet meer ging, heb ik hulp gezocht en alles aan de kant gezet om mijn leven weer op orde te krijgen. Sindsdien ben ik echt heel ver gekomen.”
2.2.2
De namens de verdachte ingediende appelschriftuur, waarvan de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 weergegeven producties deel uitmaken, houdt onder meer in:
“3. Volledigheidshalve wenst appellant op te merken dat hij pas zeer recent bekend is geworden met onderhavige uitspraak van de politierechter, te weten 28 november 2023. Op die datum heeft de begeleidster van appellant van [zorginstelling 1] , [betrokkene 1] , hierover telefonisch contact gezocht met het Openbaar Ministerie. Naar aanleiding hiervan heeft appellant zijn raadsvrouw geraadpleegd die vervolgens op 8 december namens hem hoger beroep tegen het vonnis van 19 oktober 2021 heeft ingesteld.
Ontvankelijkheid
4. Artikel 408 lid 1 Sv bepaalt dat er in beginsel binnen veertien dagen na de einduitspraak hoger beroep dient te worden ingesteld. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak aan de verdachte bekend is (artikel 408 lid 2 Sv). Verdachte moet daarmee daadwerkelijk bekend zijn. Het is onvoldoende als verdachte er mee bekend kon zijn (zie HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7689, NJ 2010/247).
5. Appellant stelt zich primair op het standpunt dat hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat hij pas op 28 november 2023 bekend is geworden met onderhavig vonnis. Er is toen terstond actie ondernomen en namens appellant werd er binnen veertien dagen na het bekend worden met dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Psychische stoornis
6. De Hoge Raad oordeelde op 12 juni 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB2064, NJ 2001/696) dat onder omstandigheden een termijnoverschrijding die het gevolg is van een psychische stoornis niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Hierbij dient de rechter te onderzoeken of en zo ja gedurende welke periode na het vonnis de verdachte aan een psychische stoornis leed en niet in staat was te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld. De termijnoverschrijding gedurende deze periode kan de verdachte niet worden toegerekend.
7. Appellant stelt zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding over de hoger beroepstermijn ten gevolge van een psychische stoornis. Appellant kampt reeds circa vijftien jaren met een ernstige alcoholverslaving. Inmiddels is hij langere tijd clean. Hij schat dat zijn verslaving is begonnen toen hij ongeveer twintig jaar oud was. Om van zijn verslaving af te komen heeft hij in 2010 in Polen in een afkickkliniek gezeten. Aanvankelijk leek het toen beter met hem te gaan maar al snel kreeg hij weer een terugval. In 2018 werd er bij appellant trombose gediagnostiseerd. Dit werd niet goed behandeld waardoor er bij hem ernstige complicaties optraden. In dezelfde periode is zijn vriendin met hun twee kinderen bij hem weggegaan. Dit heeft appellant veel verdriet gedaan waardoor hij langzaam steeds verder afgleed. Teneinde dit verhaal te onderbouwen worden medische gegevens van appellant overgelegd uit het jaar 2020 (productie 2). Hieruit blijkt dat dat er sprake is van ernstig middelenmisbruik en dat appellant ook bij de huisarts geregeld zijn afspraken niet nakwam. Dat er sprake was van zeer ernstige problematiek blijkt ook uit het feit dat appellant op 19 juni 2020 bij de Spoedeisende Hulp is geweest ten gevolge van een alcoholintoxicatie (productie 3).
8. De afgelopen jaren zijn voor appellant niet helder. Door toedoen van zijn verslaving is hij op enig moment dakloos geraakt, is hij zijn baan verloren en heeft hij schulden gemaakt. Appellant begon vaak al om 04:30 uur in de ochtend met drinken om de lichamelijke afkickverschijnselen van zijn verslaving (trillen) tegen te gaan. Gedurende de dag dronk hij dan één hele fles wodka. In deze periode was het voor appellant vrijwel niet mogelijk om voor zichzelf te zorgen. Hij wilde het liefste thuis blijven en wilde niet naar buiten gaan. Appellant verbleef soms bij vrienden, soms op straat en soms bij [zorginstelling 2] . Zijn kamer opruimen, douchen of zijn afspraken nakomen, was gedurende deze periode voor hem vrijwel onmogelijk.
9. In de periode vanaf 26 juli 2023 tot en met 14 september 2023 heeft appellant in afkickkliniek [zorginstelling 3] verbleven na eerst een succesvolle detox in de kliniek [zorginstelling 4] te hebben afgerond. Er is toen de primaire diagnose ‘ernstige stoornis in alcoholgebruik’ gesteld (productie 4). Appellant heeft het afgelopen jaar een geslaagde afkickpoging ondernomen en sedertdien is hij clean. Sinds 18 september 2023 staat hij onder begeleiding van [zorginstelling 1] . Hier woont hij niet alleen maar wordt hij ook geholpen met zijn dagelijkse structuur, het verwerken van poststukken en wordt er gekeken naar de toekomst van appellant. Zo wordt er bijvoorbeeld gezocht naar een zinvolle dagbesteding. Appellant wenst zijn ervaringen in de toekomst te delen met lotgenoten om hun zo te helpen met hun verslaving. Een schrijven d.d. 14 december 2023 van psycholoog en psychomotorisch therapeut [betrokkene 1] wordt overgelegd als productie 5.
10. Uit voormeld schrijven komt naar voren dat appellant door toedoen van zijn problematiek langere tijd niet bewust is geweest van zijn verantwoordelijkheden. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij door toedoen zijn psychische problematiek zeer instabiel was. Het was voor hem niet mogelijk om voor zichzelf te zorgen, laat staan om zijn verantwoordelijkheden te nemen en afspraken na te komen. Dit wordt ook bevestigd door de medische gegevens die zijn ingebracht. Daarbij komt dat ernstige alcoholintoxicatie tot vertroebeling van de waarneming en herinnering leidt. Hij heeft bijvoorbeeld geen, althans geen heldere, actieve herinneringen meer aan de strafbare feiten waarvan hij verdacht wordt. Ook kan hij zich niet herinneren of hij op dat moment een advocaat gesproken heeft. Verder is hij er niet mee bekend dat er een zitting bij de rechter heeft plaatsgevonden. Zijn psychische gesteldheid was niet alleen in de periode waarin de strafbare feiten hebben plaatsgevonden maar ook in de periode tot en met zijn verblijf in [zorginstelling 3] zodanig, dat hem niet kan worden verweten dat hij mogelijk te laat zou zijn met het instellen van hoger beroep. Er is sprake van een bijzondere appellant niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn. Appellant was door zijn psychische stoornis niet in staat om zich op de hoogte te (laten) stellen van het verdere verloop van zijn strafzaak en om te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld.”
2.2.3
Het hof heeft het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft hierover overwogen:
“Op 19 oktober 2021 heeft de politierechter bij verstek vonnis gewezen en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren.
Blijkens een zich in het dossier bevindende akte van uitreiking van een mededeling uitspraak is dit verstekvonnis op 24 juni 2023 aan de verdachte in persoon betekend.
Op grond van het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het hoger beroep te worden ingesteld binnen 14 dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, in casu de uitreiking van het verstekvonnis op zaterdag 24 juni 2023 aan de verdachte in persoon. De verdachte had derhalve tot en met maandag 10 juli 2023 om hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen. Namens de verdachte is eerst op 8 december 2023 hoger beroep ingesteld en derhalve na voornoemde wettelijk termijn.
Het hof is van oordeel dat de reden van voornoemde termijnoverschrijding invoelbaar is, doch dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat deze van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn. Nu ook voor het overige niet is gebleken van omstandigheden die deze termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn, dient de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
2.3
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit moet gebeuren. Die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte, zoals in dit geval, betekent in de regel dat dit hoger beroep niet-ontvankelijk is. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarvan kan sprake zijn in het geval dat, op het moment dat het rechtsmiddel had moeten worden ingesteld, sprake was van een zodanig ernstige beperking in het geestelijk en/of lichamelijk functioneren dat als gevolg daarvan het rechtsmiddel niet tijdig is ingesteld. (Vgl., in enigszins andere bewoordingen, HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587.)
2.4
Het hof heeft geoordeeld dat, anders dan de verdediging heeft betoogd, de overschrijding door de verdachte van de termijn voor het instellen van het hoger beroep niet verontschuldigbaar is. Het hof heeft daartoe uitsluitend overwogen dat “de reden van voornoemde termijnoverschrijding invoelbaar is, doch dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat deze van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn”. Dit oordeel is, in het licht van wat namens de verdachte – mede onder verwijzing naar de appelschriftuur met de daarvan deel uitmakende producties – is aangevoerd over, kort gezegd, de door een alcoholverslaving veroorzaakte ernstige beperking in het geestelijk en lichamelijk functioneren van de verdachte op het moment dat dit rechtsmiddel had moeten worden ingesteld, niet zonder meer begrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
Conclusie 11‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Klacht over de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep. Verontschuldigbare termijnoverschrijding wegens psychische gesteldheid? Verdachte worstelde met ernstige alcoholverslaving en is een maand na betekening vonnis klinisch opgenomen i.v.m. verslaving. Oordeel hof dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat reden van termijnoverschrijding van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn, is ontoereikend gemotiveerd volgens de A-G. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03291
Zitting 11 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 16 augustus 2024 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch1.niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 19 oktober 2021, waarbij de verdachte bij verstek wegens:
- feit 1 (in de zaak met parketnummer 96-305765-20): “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994”;
- feit 2 (in de zaak met parketnummer 96-305765-20): “overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en
- feit 1 (in de zaak met parketnummer 96-199124-20): “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994”,
is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. Straten, advocaat in Maastricht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep. Geklaagd wordt dat de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging dat sprake was van een verontschuldigbare termijnoverschrijding van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
3. Het verweer van de verdediging
3.1
De namens de verdachte ingediende appelschriftuur houdt het volgende in met betrekking tot de ontvankelijkheid van de verdachte in het ingestelde hoger beroep:
“3. Volledigheidshalve wenst appellant op te merken dat hij pas zeer recent bekend is geworden met onderhavige uitspraak van de politierechter, te weten 28 november 2023. Op die datum heeft de begeleidster van appellant van [zorginstelling 1] , [betrokkene 1] , hierover telefonisch contact gezocht met het Openbaar Ministerie. Naar aanleiding hiervan heeft appellant zijn raadsvrouw geraadpleegd die vervolgens op 8 december namens hem hoger beroep tegen het vonnis van 19 oktober 2021 heeft ingesteld.
Ontvankelijkheid
4. Artikel 408 lid 1 Sv bepaalt dat er in beginsel binnen veertien dagen na de einduitspraak hoger beroep dient te worden ingesteld. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak aan de verdachte bekend is (artikel 408 lid 2 Sv). Verdachte moet daarmee daadwerkelijk bekend zijn. Het is onvoldoende als verdachte er mee bekend kon zijn (zie HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7689, NJ 2010/247).
5. Appellant stelt zich primair op het standpunt dat hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat hij pas op 28 november 2023 bekend is geworden met onderhavig vonnis. Er is toen terstond actie ondernomen en namens appellant werd er binnen veertien dagen na het bekend worden met dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Psychische stoornis
6. De Hoge Raad oordeelde op 12 juni 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB2064, NJ 2001/696) dat onder omstandigheden een termijnoverschrijding die het gevolg is van een psychische stoornis niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Hierbij dient de rechter te onderzoeken of en zo ja gedurende welke periode na het vonnis de verdachte aan een psychische stoornis leed en niet in staat was te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld. De termijnoverschrijding gedurende deze periode kan de verdachte niet worden toegerekend.
7. Appellant stelt zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding over de hoger beroepstermijn ten gevolge van een psychische stoornis. Appellant kampt reeds circa vijftien jaren met een ernstige alcoholverslaving. Inmiddels is hij langere tijd clean. Hij schat dat zijn verslaving is begonnen toen hij ongeveer twintig jaar oud was. Om van zijn verslaving af te komen heeft hij in 2010 in Polen in een afkickkliniek gezeten. Aanvankelijk leek het toen beter met hem te gaan maar al snel kreeg hij weer een terugval. In 2018 werd er bij appellant trombose gediagnostiseerd. Dit werd niet goed behandeld waardoor er bij hem ernstige complicaties optraden. In dezelfde periode is zijn vriendin met hun twee kinderen bij hem weggegaan. Dit heeft appellant veel verdriet gedaan waardoor hij langzaam steeds verder afgleed. Teneinde dit verhaal te onderbouwen worden medische gegevens van appellant overgelegd uit het jaar 2020 (productie 2). Hieruit blijkt dat dat er sprake is van ernstig middelenmisbruik en dat appellant ook bij de huisarts geregeld zijn afspraken niet nakwam. Dat er sprake was van zeer ernstige problematiek blijkt ook uit het feit dat appellant op 19 juni 2020 bij de Spoedeisende Hulp is geweest ten gevolge van een alcoholintoxicatie (productie 3).
8. De afgelopen jaren zijn voor appellant niet helder. Door toedoen van zijn verslaving is hij op enig moment dakloos geraakt, is hij zijn baan verloren en heeft hij schulden gemaakt. Appellant begon vaak al om 04:30 uur in de ochtend met drinken om de lichamelijke afkickverschijnselen van zijn verslaving (trillen) tegen te gaan. Gedurende de dag dronk hij dan één hele fles wodka. In deze periode was het voor appellant vrijwel niet mogelijk om voor zichzelf te zorgen. Hij wilde het liefste thuis blijven en wilde niet naar buiten gaan. Appellant verbleef soms bij vrienden, soms op straat en soms bij [zorginstelling 2] . Zijn kamer opruimen, douchen of zijn afspraken nakomen, was gedurende deze periode voor hem vrijwel onmogelijk.
9. In de periode vanaf 26 juli 2023 tot en met 14 september 2023 heeft appellant in afkickkliniek [zorginstelling 3] verbleven na eerst een succesvolle detox in [zorginstelling 4] te hebben afgerond. Er is toen de primaire diagnose ‘ernstige stoornis in alcoholgebruik' gesteld (productie 4). Appellant heeft het afgelopen jaar een geslaagde afkickpoging ondernomen en sedertdien is hij clean. Sinds 18 september 2023 staat hij onder begeleiding van [zorginstelling 1] . Hier woont hij niet alleen maar wordt hij ook geholpen met zijn dagelijkse structuur, het verwerken van poststukken en wordt er gekeken naar de toekomst van appellant. Zo wordt er bijvoorbeeld gezocht naar een zinvolle dagbesteding. Appellant wenst zijn ervaringen in de toekomst te delen met lotgenoten om hun zo te helpen met hun verslaving. Een schrijven d.d. 14 december 2023 van psycholoog en psychomotorisch therapeut [betrokkene 1] wordt overgelegd als productie 5.
10. Uit voormeld schrijven komt naar voren dat appellant door toedoen van zijn problematiek langere tijd niet bewust is geweest van zijn verantwoordelijkheden. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij door toedoen zijn psychische problematiek zeer instabiel was. Het was voor hem niet mogelijk om voor zichzelf te zorgen, laat staan om zijn verantwoordelijkheden te nemen en afspraken na te komen. Dit wordt ook bevestigd door de medische gegevens die zijn ingebracht. Daarbij komt dat ernstige alcoholintoxicatie tot vertroebeling van de waarneming en herinnering leidt. Hij heeft bijvoorbeeld geen, althans geen heldere, actieve herinneringen meer aan de strafbare feiten waarvan hij verdacht wordt. Ook kan hij zich niet herinneren of hij op dat moment een advocaat gesproken heeft. Verder is hij er niet mee bekend dat er een zitting bij de rechter heeft plaatsgevonden. Zijn psychische gesteldheid was niet alleen in de periode waarin de strafbare feiten hebben plaatsgevonden maar ook in de periode tot en met zijn verblijf in [zorginstelling 3] zodanig, dat hem niet kan worden verweten dat hij mogelijk te laat zou zijn met het instellen van hoger beroep. Er is sprake van een bijzondere appellant niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn. Appellant was door zijn psychische stoornis niet in staat om zich op de hoogte te (laten) stellen van het verdere verloop van zijn strafzaak en om te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld.
11. Mocht U E.A. onvoldoende overtuigd zijn van de invloed die de psychische problematiek van appellant op zijn handelen heeft gehad dan wil ik U verzoeken om een deskundige te (laten) benoemen die aan de hand het medisch dossier en de stukken van de behandelaars van appellant hierover zal oordelen.”
3.2
Bij de appelschriftuur zijn de volgende producties bijgevoegd:
( i) medische gegevens van de verdachte uit 2020 en 2023 waarin melding wordt gemaakt van alcoholproblematiek (productie 2), waaronder:
a. een aantekening in het huisartsjournaal van 24 februari 2020, die inhoudt:
“Subjectief (AJO)
Komen hier met 4 mensen aan de balie... vriendin van dhr is er bij. Zij spreekt engels en legt uit dat hij gisteren veel alcohol heeft gedronken en sinds vandaag gedraagt hij zich heel raar. dit is zichtbaar op de gang... weet heel veel dingen niet...
(ELA) Drinkt sinds 10 jaar veel alcohol, sinds 5 maanden drinkt elke dag 0,5lit vodka en 6 flessen bier van 500ml. Zijn geheugen is achteruitgegaan, kan niet werken, relatieprobleem, wil graag hulp
Evaluatie
(ELA) ICPC: P15.00, Chronisch alcoholmisbruik
Plan (ELA) Verwijzing -> ziekenhuis: [ziekenhuis 1] , locatie [plaats] (specialisme: Psychiatrie) ZD65972461”
b. een aantekening in het huisartsjournaal van 20 april 2023, die onder meer inhoudt:
“Evaluatie
P15, Chronisch alcoholmisbruik.
Plan
(…) Verwijzing naar: [zorginstelling 4] / Geestelijke gezondheidszorg > Volwassenen (18 - 65 jaar) >Verslavingsproblemen / Verwijsafspraak Specialistische GGZ Detox drugsverslaving”
c. een bevestiging van een detox-opname in [zorginstelling 4] op 13 juli 2023, die onder meer inhoudt:
“303.90
Stoornis in alcoholgebruik ernstig (primair)
305.1
Stoornis in tabaksgebruik matig, ernstig
296.32
Depressieve stoornis recidiverende episode – matig
elders gesteld
V60.9
Ongespecificeerde huisvestings- of economisch probleem
V62.89
Andere problemen verband houdend met psychosociale omstandigheden
Hulp vanuit de WMO
V61.20
Ouder-kindrelatieprobleem”
( ii) een brief van de Spoedeisende Hulp, [ziekenhuis 2] , van 26 juni 2020 (productie 3), die onder meer inhoudt:
“Bovengenoemde patiënt bezocht op 19-06-2020 de afdeling Spoedeisende Hulp.
Reden van komst
Alcoholintoxicatie
(….)
Overdracht ambulance
Hr. van Poolse afkomst. Verminderd aanspreekbaar aangetroffen door de bewoners van een gebouw op de [a-straat] , lag daar in de urine in een lift. Aldaar niet woonzaam (zou vriend van hem wonen), zelf woonachtig in [plaats] . Glucose 5.5 mmol/L, temp 36.6.
Anamnese
Gisteren flink gedronken, enkel bier. Laatste bier gedronken om 05:00u afgelopen nacht. Enkel bier gedronken en geen andere middelen gebruikt. Kan zich niet meer herinneren wat er gebeurd is. Geen pijn of koorts.
(…)
Conclusie
(…)
1. Ernstige alcohol intoxicatie met ethanol spiegel 5.3. waarvoor opname voor rehydratie en observatie”
( iii) een voorlopige eindevaluatie van behandeling van de kliniek [zorginstelling 3] van 14 september 2023 (productie 4), die onder meer inhoudt:
“Veranderingen ten aanzien van de DSM V
Stoornis in alcoholgebruik ernstig (303.90) (Primaire diagnose)
Uiteenvallen van gezin door scheiding of echtscheiding (V61.03)
Dakloosheid (V60.0)
(…)
Nazorgplan en advies
- Volgen van een nazorgtraject bij [zorginstelling 1] ”
( iv) een brief van psycholoog en psychomotorisch therapeut [betrokkene 1] van [zorginstelling 1] van 14 december 2023 (productie 5), die inhoudt:
“Op 18-09-2023 is de klinische behandeling van dhr. [verdachte] gestart bij [zorginstelling 1] , met betrekking tot de huidige verslavingsproblematiek. Dhr. is al voor lange tijd bekend met een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en tabak, op dit moment is dhr. abstinent van alcohol. Dhr. woont op een van onze locaties, samen met andere patiënten.
Dhr. werd aangemeld voor behandeling na een succesvolle detox in [zorginstelling 4] en daarna behandeling in kliniek [zorginstelling 3] . Dhr. zit momenteel in de beginfase van zijn behandeling. We steken binnen de behandeling in op onderliggende problematiek, zoals onderhoudende factoren van het alcohol gebruik om dhr. weer te laten functioneren op verschillende levensgebieden en op die manier kans op terugval te verkleinen. Onderhoudende factoren hierin zijn: werk, financiële en sociale problemen. Op dit moment is dhr. nog niet in staat om te werken en heeft hij op financieel gebied schulden. Dhr. heeft hiervoor hulp vanuit [zorginstelling 1] , bewindvoering en toezicht vanuit de gemeente om hier zicht op en structuur in te krijgen.
In het verleden is er mogelijk sprake geweest van depressieve perioden (onder invloed van alcohol) door werkeloos en dakloos te zijn. Mogelijk was er sprake van suïcidale ideaties tijdens de depressieve periode. Daarnaast heeft dhr ernstige somatische problemen die zij mobiliteit serieus belemmeren, namelijk een trombosebeen. Hij heeft dit eerder niet goed kunnen laten behandelen, zijn alcoholgebruik weerhield hem hiervan. Op dit moment wordt dhr. door een medicus gevolgd om te kijken wat de mogelijkheden zijn omtrent zijn trombosebeen. Hierin is zichtbaar dat dhr. weer met ondersteuning verantwoordelijkheden aan het oppakken is die hij lange tijd niet de nodige aandacht kon geven door de mentale problematiek.
De problematiek van dhr. heeft er namelijk toe geleid dat hij zich niet bewust was van zijn al zijn verantwoordelijkheden. Wat er vervolgens toe heeft geleid dat dhr. niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen in de rechtszaak. Hij was in die periode niet in staat om zich te realiseren wat de gevolgen van dit verzuim zouden zijn. Inmiddels werken we aan het herstel van dhr., dit gaat vooralsnog goed. Dhr. is gemotiveerd en pakt steeds meer verantwoordelijkheden op met de hulp die aangeboden wordt om zich heen.
Met deze brief bevestig ik dat dhr. kampt met verslavingsproblematiek en dit invloed heeft gehad op hoe hij omging met zijn verantwoordelijkheden. Inmiddels is dhr. goed bezig wat betreft met zijn herstel en verantwoordelijkheden oppakken. Zodoende hoop ik u genoeg geïnformeerd te hebben over het toestandsbeeld van dhr. C. Mochten er nog vragen zijn kan er altijd contact met mij worden opgenomen. Deze informatie wordt u verstrekt met medeweten en instemming van betrokkene.”
4. De behandeling ter terechtzitting in hoger beroep
4.1
Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft zich tijdens de terechtzitting in hoger beroep onder meer het volgende voorgedaan:
“De voorzitter deelt mede dat op grond van de stukken uit het dossier is gebleken dat de uitspraak mondeling vonnis op 24 juni 2023 aan de verdachte in persoon is uitgereikt en dat hij eerst op 8 december 2023 hoger beroep heeft ingesteld, waardoor het hoger beroep niet binnen de wettelijk termijn van 14 dagen na bekendwording met de uitspraak is ingesteld.
De raadsman deelt mede:
Mr. [betrokkene 2] heeft in haar appelschriftuur d.d. 19 december 2023 reeds het grootste gedeelte van de reden van deze termijnoverschrijding toegelicht. Waar het op neerkomt is dat het lange tijd niet goed is gegaan met mijn cliënt. Dit is voor hem een warrige periode geweest en daarna kwam het moment dat er puin moest worden geruimd. Zijn toenmalige begeleidster heeft vervolgens gezien dat het vonnis waarvan beroep, was gewezen en heeft vervolgens hierover gebeld. Mijn cliënt stelt dat hij dusdanig warrig was dat hij niet goed door had wat er allemaal gebeurde. Hij was in die periode absoluut niet op de hoogte van zijn administratie. Op 28 november 2023 is er dus gebeld en toen kwam mijn cliënt erachter dat hij een groot probleem had. De door de politierechter opgelegde gevangenisstraf heeft namelijk grote gevolgen voor de behandeling die hij thans ondergaat. Het standpunt van de verdediging is derhalve dat de verdachte niet eerder dan 28 november 2023 echt inhoudelijk in kennis is gesteld van de beslissing van de politierechter, zodat hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld en derhalve ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
De voorzitter deelt mede dat zij in het dossier heeft gelezen dat het langere tijd slecht met de verdachte is gegaan, maar dat hij nu begeleiding heeft en dat het beter lijkt te gaan met hem. Ook deelt zij mede dat zij ziet dat er iemand met hem mee is gekomen naar de zitting en heeft plaatsgenomen in de zittingszaal.
De advocaat-generaal deelt hierop mede:
Er is sprake van een duidelijke overschrijding van de wettelijke termijn om hoger beroep tegen het betreffende vonnis in te stellen. De vraag waar het thans om gaat is of deze overschrijding verschoonbaar is. De verdediging voert aan dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu de verdachte in die tijd in een warrige periode verkeerde en zijn zaken niet op orde had. Dit is echter niet een bijzondere situatie waarover in de jurisprudentie wordt gesproken om een overschrijding van de termijn verschoonbaar te laten zijn. Nu de uitspraak aan de verdachte in persoon is uitgereikt, hij niet binnen 14 dagen hoger beroep heeft ingesteld en niet is gebleken van een bijzondere situatie die deze termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn, vorder ik dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.
De raadsman deelt hierop nog mede dat in de appelschriftuur reeds is aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de uitreiking van de uitspraak leed aan een psychische stoornis.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart:
Het afgelopen jaar was een zware periode voor mij. Het was echt het diepste punt in mijn leven. Omdat het echt niet meer ging, heb ik hulp gezocht en alles aan de kant gezet om mijn leven weer op orde te krijgen. Sindsdien ben ik echt heel ver gekomen.”
5. De beslissing van het hof
5.1
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:
“Op 19 oktober 2021 heeft de politierechter bij verstek vonnis gewezen en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren.
Blijkens een zich in het dossier bevindende akte van uitreiking van een ‘mededeling uitspraak’ is dit verstekvonnis op 24 juni 2023 aan de verdachte in persoon betekend.
Op grond van het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek Van Strafvordering dient het hoger beroep te worden ingesteld binnen 14 dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, in casu de uitreiking van het verstekvonnis op zaterdag 24 juni 2023 aan de verdachte in persoon. De verdachte had derhalve tot en met maandag 10 juli 2023 2023 om hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen. Namens de verdachte is eerst op 8 december 2023 hoger beroep ingesteld en derhalve na voornoemd wettelijk termijn.
Het hof is van oordeel dat de reden van voornoemde termijnoverschrijding invoelbaar is, doch dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat deze van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn. Nu ook voor het overige niet is gebleken van omstandigheden die deze termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn, dient de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
6. De bespreking van het middel
6.1
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit moet gebeuren. Die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte, zoals in dit geval, betekent in de regel dat dit hoger beroep niet-ontvankelijk is.2.Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een zodanig ernstige beperking in het geestelijk en/of lichamelijk functioneren dat als gevolg daarvan het rechtsmiddel niet tijdig is ingesteld.3.Als sprake is van een dergelijke bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid, mag van de verdachte worden verlangd dat hij zo spoedig mogelijk alsnog het rechtsmiddel instelt of doet instellen nadat die omstandigheid zich niet meer voordoet. Het alsnog (doen) instellen van het rechtsmiddel binnen de – in strafprocedures gebruikelijke – termijn van veertien dagen nadat de betreffende omstandigheid zich niet meer voordoet, geldt daarbij in elk geval als zo spoedig mogelijk.4.
6.2
Als duidelijk en gemotiveerd verweer is gevoerd dat een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, bijvoorbeeld wegens de psychische gesteldheid van de verdachte, moet de rechter bij verwerping daarvan uitdrukkelijk de redenen van die beslissing geven.5.Het hof moet in een dergelijk geval in zijn beslissing doen blijken een onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of en zo ja gedurende welke periode na het vonnis de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld.6.
6.3
In het geval van een ernstige beperking in het geestelijk functioneren lijkt niet het vereiste te worden gesteld dat sprake is van een erkende, als zodanig geclassificeerde psychische stoornis. Anderzijds is de enkele aanwezigheid van een dergelijke stoornis op zichzelf niet meteen voldoende om een verontschuldigbare termijnoverschrijding aan te nemen. De beperking in de psychische gesteldheid moet dermate ernstig zijn dat het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend.7.De beschrijving van de psychische problematiek moet zich dan ook niet beperken tot een globale omschrijving van het ziektebeeld, maar ook aangeven waarom dit ziektebeeld nu juist de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maakt.8.
6.4
In de strafzaak tegen de verdachte heeft de politierechter op 19 september 2021 bij verstek vonnis gewezen. Dit verstekvonnis is op 24 juni 2023 aan de verdachte in persoon betekend. Op 8 december 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Daarmee is de termijn voor het instellen van hoger beroep met vijf maanden overschreden. Door de verdediging is het verweer gevoerd dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is gelet op de psychische gesteldheid van de verdachte. Daartoe is in de kern het volgende aangevoerd. De verdachte worstelde al ten tijde van de strafbare feiten en ook nog ten tijde van de betekening van het vonnis met een ernstige alcoholverslaving, als gevolg waarvan hij werk- en dakloos raakte en niet in staat was voor zichzelf te zorgen, hetgeen uiteindelijk resulteerde in een klinische opname van 26 juli 2023 tot en met 14 september 2023. De ernstige alcoholintoxicatie heeft voorts zijn waarneming en herinneringen vertroebeld. De verdachte kan zich dan ook niet meer helder herinneren van welke strafbare feiten hij verdacht wordt, of hij op dat moment een advocaat gesproken heeft en dat er een zitting bij de politierechter heeft plaatsgevonden. In deze omstandigheden was de verdachte niet in staat om zijn administratie te voeren, om zich op de hoogte te (laten) stellen van het verdere verloop van zijn strafzaak en om te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld. Na de klinische opname is de verdachte onder behandeling en begeleiding komen te staan bij de zorgorganisatie [zorginstelling 1] , waar hij woont en dagbesteding krijgt en tevens wordt geholpen met het verwerken van zijn poststukken. Op 28 november 2023 heeft de begeleider van de verdachte, [betrokkene 1] , psycholoog en psychotherapeut bij [zorginstelling 1] , telefonisch contact gezocht met het Openbaar Ministerie over het betekende vonnis van de politierechter en is de verdachte pas bekend geworden met dit vonnis. Vervolgens is onmiddellijk contact gezocht met een advocaat en is alsnog binnen veertien dagen hoger beroep ingesteld.
6.5
Ter onderbouwing van dit verweer zijn onder meer medische gegevens verstrekt, waaruit samengevat volgt dat de verdachte:
- is gediagnosticeerd met een ernstige stoornis in alcoholgebruik;
- reeds in 2020 ernstige problemen met alcohol had;
- op 20 april 2023 door de huisarts is doorverwezen naar specialistische detox-zorg van de GGZ in verband met zijn alcoholverslaving;
- op 13 juli 2023 is opgenomen in de detox-kliniek [zorginstelling 4] ;
- van 26 juli 2023 tot en met 14 september 2023 opgenomen is geweest in de verslavingskliniek [zorginstelling 3] ;
- op 18 september 2023 is gestart met een nazorgtraject bij [zorginstelling 1] , waar hij woont en begeleiding krijgt.
6.6
Tevens is bijgevoegd een brief van [betrokkene 1] van 14 december 2023, waarin zij schrijft dat:
- de verdachte al lange tijd bekend is met een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en tabak;
- de verdachte in de beginfase van zijn behandeling zit en nog niet in staat is om te werken en schulden heeft;
- de verdachte in het verleden mogelijk ook (onder invloed van alcohol) last heeft gehad van depressieve perioden;
- de problematiek van de verdachte ertoe heeft geleid dat hij zich niet bewust was van zijn verantwoordelijkheden, waaronder met betrekking tot deze strafzaak en dat hij in die periode niet in staat was om zich te realiseren wat de gevolgen van dit verzuim zouden zijn.
6.7
Het hof heeft het gevoerde verweer verworpen en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Daartoe heeft het hof overwogen dat de reden van de termijnoverschrijding invoelbaar is, maar dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat deze van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn.
6.8
In de toelichting op het middel worden twee mogelijke lezingen van voormeld oordeel van het hof onderscheiden, namelijk dat (i) het hof niet aannemelijk acht dat sprake is (geweest) van een ‘abnormale psychische gesteldheid’, en dat (ii) het hof weliswaar meent dat sprake is (geweest) van een ‘abnormale psychische gesteldheid’, maar niet aannemelijk acht dat deze zodanig ernstig was dat het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend. In beide gevallen getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk, zo luidt het middel.
6.9
Met de steller van het middel ga ik ervan uit dat de overwegingen van het hof op de onder (ii) bedoelde manier moeten worden uitgelegd. Uitgaande van die lezing, voert het middel aan dat het hof, naar aanleiding van het door de verdediging gevoerde verweer, een onderzoek had moeten instellen naar de verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding alvorens een beslissing te nemen omtrent de ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep. Volgens de steller van het middel heeft het hof met voormelde overwegingen er geen blijk van gegeven zelf onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of de abnormale psychische gesteldheid van de verdachte zodanig ernstig was dat de termijnoverschrijding niet aan de verdachte kan worden toegerekend, waardoor het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend.
6.10
Daarover klaagt het middel mijns inziens terecht. De verdediging heeft (kort gezegd) het verweer gevoerd dat de verdachte op het moment van de betekening van het verstekvonnis wegens zijn ernstige alcoholverslaving geheugenproblemen ervoer en mede gezien de daarmee samenhangende werk- en dakloosheid niet in staat was zijn verantwoordelijkheden te overzien, laat staan zelf zijn administratie te voeren, en niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld en zich te realiseren wat de gevolgen van het verzuim om niet tijdig hoger beroep in te stellen zouden zijn.9.Pas op 28 november 2023 is de verdachte echt inhoudelijk in kennis is gesteld van de beslissing van de politierechter en heeft hij vervolgens hoger beroep ingesteld, aldus de raadsman. Door slechts te overwegen dat niet aannemelijk is geworden dat de reden van de termijnoverschrijding van dusdanige aard is dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, heeft het hof de juistheid van hetgeen door de verdediging is aangevoerd en met objectieve stukken – waaronder een verklaring van de psycholoog van de verdachte – is onderbouwd10.in het midden gelaten.11.Voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat niet is gebleken dat de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld, is dat oordeel, mede bezien in het licht van het gevoerde verweer, ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers niet inzichtelijk gemaakt op welke gronden dit oordeel steunt en heeft aldus niet doen blijken enig onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of en zo ja gedurende welke periode na de betekening van het verstekvonnis de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld.12.Daarmee is de mogelijkheid open gebleven dat omstandigheden meebrengen dat het verzuim om het hoger beroep tijdig in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend.
6.11
Voor het geval de overwegingen van het hof toch in die zin moeten worden uitgelegd dat het hof niet aannemelijk acht dat sprake is (geweest) van een ‘abnormale psychische gesteldheid’ (hiervoor onder (i)) mag duidelijk zijn dat het oordeel van het hof gelet op het voorgaande en in het bijzonder hetgeen ik hiervoor onder 6.4 heb vermeld niet zonder meer begrijpelijk is.
7. Slotsom
7.1
Het middel slaagt.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑11‑2025
Zie over de noodzaak om dergelijke ‘scherpe en vaste grenzen te trekken’: HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108, rov. 2.3.
O.a. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1523, HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:189, HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1082, NJ 2019/315 en (in enigszins andere bewoordingen) HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181. Zie eerder ook HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2064, NJ 2001/696, m.nt. J. de Hullu en HR 7 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AB9757, NJ 1998/577.
HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1523.
Zie o.a. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:390, waarin de Hoge Raad verwijst naar de conclusie van (destijds plv.) A-G Van Wees van 11 februari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:172, randnrs. 2.2 tot en met 2.9, HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2397 en HR 22 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3700.
HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1345, HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429, NJ 2011/136 en HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2064, NJ 2001/696 m.nt. J. de Hullu. Zie ook de conclusie van A-G Knigge van 4 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:586, randnr. 4.10, waarin hij stelt dat wanneer sprake is van een vermoeden van (ernstige) psychische kwetsbaarheid van de verdachte, de bewijslast als het ware omkeert en het aan het hof is nader te motiveren waarom die kwetsbaarheid niet maakt dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is.
Zie de conclusie van A-G Knigge van 4 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:586, randnrs. 4.9-4.11 en de daar genoemde rechtspraak, alsook de conclusie van A-G Bleichrodt van 19 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:485, randnr. 19 en de conclusie van A-G Keulen van 21 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1234, randnr. 12.
Zie de conclusie van A-G Machielse van 25 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1008, randnr. 3.2.
Ik merk ten overvloede op dat niet is gebleken dat de verdachte in eerste aanleg werd bijgestaan door een advocaat (vgl. de conclusie van A-G Bleichrodt van 19 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:485, randnr. 19).
Reeds hierom onderscheidt deze zaak zich van het geval in HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:189, waarin de verdachte had gesteld dat ze zich “in een moeilijke periode” bevond, waardoor zij niet “de innerlijke rust” had om de inhoud van het verstekvonnis tot zich te laten doordringen, maar verdere objectieve informatie van bijvoorbeeld een psycholoog of psychiater ontbrak.
Vgl. o.a. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1082, NJ 2019/315 en HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2065.
Vgl. o.a. HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1345. Vervolgens moet worden beoordeeld of de verdachte, nadat de bedoelde verhindering is opgeheven, alsnog zo spoedig mogelijk hoger beroep heeft ingesteld (zie ook recent HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1523).
Beroepschrift 25‑06‑2025
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienr.: 24/03291
CASSATIESCHRIFTUUR
INZAKE:
[verdachte],
Advocaat: mr. T. Straten
Wilhelminasingel 97
Postbus 3084
(6202 NB Maastricht).
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, mr. T. Straten, advocaat te Maastricht, door requirant tot cassatie bepaaldelijk gevolmachtigd tot ondertekening en indiening van deze cassatieschriftuur, heeft de eer het navolgende middel van cassatie voor te stellen:
I.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of de niet-naleving zodanige nietigheid met zich meebrengt, doordat het hof requirant ontoereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, aangezien het hof het namens requirant gevoerde verweer dat sprake was van een verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van appel, omdat requirant in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan hem kan worden toegerekend, heeft verworpen door te overwegen dat de reden van de termijnoverschrijding invoelbaar is, doch dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat deze van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn en er voor het overige ook niet is gebleken van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn.
Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is omdat niet aannemelijk is dat er bij requirant sprake was van een abnormale psychische gesteldheid, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk, aangezien ook een abnormale psychische gesteldheid die geen erkende psychische stoornis oplevert een termijnoverschrijding verontschuldigbaar kan doen zijn, en omdat het oordeel dat er bij requirant geen sprake was van een abnormale psychische gesteldheid, in het licht van de vaststelling van het hof dat de reden voor de termijnoverschrijding invoelbaar is en de opmerking van de voorzitter dat zij in het dossier heeft gelezen dat het langere tijd slecht met requirant is gegaan, zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk is.
Als in het oordeel van het hof besloten ligt dat de abnormale psychische gesteldheid niet zodanig ernstig was dat de termijnoverschrijding in verband daarmee niet aan requirant kan worden toegerekend, dan getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel evenmin begrijpelijk, aangezien het hof in het namens requirant aangevoerde aanleiding had moeten vinden daarnaar een onderzoek in te stellen alvorens een beslissing te nemen omtrent de ontvankelijkheid van requirant in zijn hoger beroep. Doordat het hof enkel heeft overwogen dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat de reden voor de termijnoverschrijding van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn, zonder dat het hof er blijk van heeft gegeven zelf onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of de abnormale psychische gesteldheid zodanig ernstig was dat de termijnoverschrijding in verband daarmee niet aan requirant kan worden toegerekend, heeft het hof de mogelijkheid opengelaten dat het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen niet aan requirant kan worden toegerekend.
Toelichting:
In de onderhavige zaak is na het verstrijken van de wettelijke appeltermijn door requirant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in eerste aanleg. In een dergelijk geval dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep, tenzij sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn. In de jurisprudentie van Uw Raad zijn twee voorbeelden te vinden van gevallen waarin er sprake kan zijn van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Volgens Uw Raad kan er namelijk sprake zijn van een verontschuldigbare termijnoverschrijding (1) als er door binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt (2) of als er bij de verdachte sprake is van een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan hem kan worden toegerekend.1. In enigszins andere bewoordingen heeft Uw Raad ook gesteld dat deze tweede categorie zich voordoet in het geval dat, op het moment dat het rechtsmiddel had moeten worden ingesteld, sprake was van een zodanig ernstige beperking in het geestelijk en/of lichamelijk functioneren dat als gevolg daarvan het rechtsmiddel niet tijdig is ingesteld.2.
Indien duidelijk en gemotiveerd het verweer is gevoerd dat de termijn voor het instellen van hoger beroep verontschuldigbaar is overschreden, dient de rechter daarop uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen.3.
In de onderhavige zaak heeft de raadsman van requirant zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de termijn in hoger beroep in te stellen verschoonbaar is, omdat het langere tijd niet goed ging met requirant en omdat hij dusdanig warrig was dat hij niet goed doorhad wat er allemaal gebeurde:
‘De raadsman deelt mede:
Mr. [betrokkene 2] heeft in haar appelschriftuur d.d. 19 december 2023 reeds het grootste gedeelte van de reden van deze termijnoverschrijding toegelicht. Waar het op neerkomt is dat het lange tijd niet goed is gegaan met mijn cliënt. Dit is voor hem een warrige periode geweest en daarna kwam het moment dat er puin moest worden geruimd. Zijn toenmalige begeleidster heeft vervolgens gezien dat het vonnis waarvan beroep, was gewezen en heeft vervolgens hierover gebeld. Mijn cliënt stelt dat hij dusdanig warrig was dat hij niet goed door had wat er allemaal gebeurde. Hij was in die periode absoluut niet op de hoogte van zijn administratie. Op 28 november 2023 is er dus gebeld en toen kwam mijn cliënt erachter dat hij een groot probleem had. De door de politierechter opgelegde gevangenisstraf heeft namelijk grote gevolgen voor de behandeling die hij thans ondergaat. Het standpunt van de verdediging is derhalve dat de verdachte niet eerder dan 28 november 2023 echt inhoudelijk in kennis is gesteld van de beslissing van de politierechter, zodat hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld en derhalve ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
(…)
De raadsman deelt hierop nog mede dat in de appelschriftuur reeds is aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de uitreiking van de uitspraak leed aan een psychische stoornis.’
Hierbij heeft de raadsman van requirant verwezen naar de appelschriftuur. In die appelschriftuur heeft de verdediging bepleit dat er sprake was van een verschoonbare overschrijding van de appeltermijn:
- ‘6.
De Hoge Raad oordeelde Op 12 juni 2001 (ECLI:NL:HR:2001: AB 2064, NJ 2001/696) dat onder omstandigheden een termijnoverschrijding die het gevolg is van een psychische stoornis niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Hierbij dient de rechter te onderzoeken of en zo ja gedurende welke periode na het vonnis de verdachte aan een psychische stoornis leed en niet in staat was te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld. De termijnoverschrijding gedurende deze periode kan de verdachte niet worden toegerekend.
- 7.
Appellant stelt zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding over de hoger beroepstermijn ten gevolge van een psychische stoornis. Appellant kampt reeds circa vijftien jaren met een ernstige alcoholverslaving. Inmiddels is hij langere tijd clean. Hij schat dat zijn verslaving is begonnen toen hij ongeveer twintig jaar oud was. Om van zijn verslaving af te komen heeft hij in 2010 in Polen in een afkickkliniek gezeten. Aanvankelijk leek het toen beter met hem te gaan maar al snel kreeg hij weer een terugval. In 2018 werd er bij appellant trombose gediagnostiseerd. Dit werd niet goed behandeld waardoor er bij hem ernstige complicaties optraden. In dezelfde periode is zijn vriendin met hun twee kinderen bij hem weggegaan. Dit heeft appellant veel verdriet gedaan waardoor hij langzaam steeds verder afgleed. Teneinde dit verhaal te onderbouwen worden medische gegevens van appellant overgelegd uit het jaar 2020 (productie 2). Hieruit blijkt dat dat er sprake is van ernstig middelenmisbruik en dat appellant ook bij de huisarts gereld zijn afspraken niet nakwam. Dat er sprake was van zeer ernstige problematiek blijkt ook uit het feit dat appellant op 19 juni 2020 bij de Spoedeisende Hulp is geweest ten gevolge van een alcoholintoxicatie (productie 3).
- 8.
De afgelopen jaren zijn voor appellant niet helder. Door toedoen van zijn verslaving is hij op enig moment dakloos geraakt, is hij zijn baan verloren en heeft hij schulden gemaakt. Appellant begon vaak al om 04:30 uur in de ochtend met drinken om de lichamelijke afkickverschijnselen van zijn verslaving (trillen) tegen te gaan. Gedurende de dag dronk hij dan één hele fles wodka. In deze periode was het voor appellant vrijwel niet mogelijk om voor zichzelf te zorgen. Hij wilde het liefste thuis blijven en wilde niet naar buiten gaan. Appellant verbleef soms bij vrienden, soms op straat en soms bij [zorginstelling 2]. Zijn kamer opruimen, douchen of zijn afspraken nakomen, was gedurende deze periode voor hem vrijwel onmogelijk.
- 9.
In de periode vanaf 26 juli 2023 tot en met 14 september 2023 heeft appellant in afkickkliniek [zorginstelling 3] verbleven na eerst een succesvolle detox in de kliniek [zorginstelling 4] te hebben afgerond. Er is toen de primaire diagnose ‘ernstige stoornis in alcoholgebruik’ gesteld (productie 4). Appellant heeft het afgelopen jaar een geslaagde afkickpoging ondernomen en sedertdien is hij clean. Sinds 18 september 2023 staat hij onder begeleiding van [zorginstelling 1]. Hier woont hij niet alleen maar wordt hij ook geholpen met zijn dagelijkse structuur, het verwerken van poststukken en wordt er gekeken naar de toekomst van appellant. Zo wordt er bijvoorbeeld gezocht naar een zinvolle dagbesteding. Appellant wenst zijn ervaringen in de toekomst te delen met lotgenoten om hun zo te helpen met hun verslaving. Een schrijven d.d. 14 december 2023 van psycholoog en psychomotorisch therapeut mevrouw [betrokkene 1] wordt overgelegd als productie 5.
- 10.
Uit voormeld schrijven komt naar voren dat appellant door toedoen van zijn problematiek langere tijd niet bewust is geweest van zijn verantwoordelijkheden. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij door toedoen zijn psychische problematiek zeer instabiel was. Het was voor hem niet mogelijk om voor zichzelf te zorgen, laat staan om zijn verantwoordelijkheden te nemen en afspraken na te komen. Dit wordt ook bevestigd door de medische gegevens die zijn ingebracht. Daarbij komt dat ernstige alcoholintoxicatie tot vertroebeling van de waarneming en herinnering leidt. Hij heeft bijvoorbeeld geen, althans geen heldere, actieve herinneringen meer aan de strafbare feiten waarvan hij verdacht wordt. Ook kan hij zich niet herinneren of hij op dat moment een advocaat gesproken heeft. Verder is hij er niet mee bekend dat er een zitting bij de rechter heeft plaatsgevonden. Zijn psychische gesteldheid was niet alleen in de periode waarin de strafbare feiten hebben plaatsgevonden maar ook in de periode tot en met zijn verblijf in [zorginstelling 3] zodanig, dat hem niet kan worden verweten dat hij mogelijk te laat zou zijn met het instellen van hoger beroep. Er is sprake van een bijzondere appellant niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn. Appellant was door zijn psychische stoornis niet in staat om zich op de hoogte te (laten) stellen van het verdere verloop van zijn strafzaak en om te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld.
- 11.
Mocht U E.A. onvoldoende overtuigd zijn van de invloed die de psychische problematiek van appellant op zijn handelen heeft gehad dan wil ik U verzoeken om een deskundige te (laten) benoemen die aan de hand het medisch dossier en de stukken van de behandelaars van appellant hierover zal oordelen.’
Ter terechtzitting heeft requirent daar zelf nog het volgende aan toegevoegd:
‘Het afgelopen jaar was een zware periode voor mij. Het was echt het diepste punt in mijn leven. Omdat het echt niet meer ging, heb ik hulp gezocht en alles aan de kant gezet om mijn leven weer op orde te krijgen. Sindsdien ben ik echt heel ver gekomen.’
De verdediging heeft zich in hoger beroep dus op het standpunt gesteld dat de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden als gevolg van een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan requirant kan worden toegerekend.
In dat geval is het volgens Uw Raad aan het hof is om een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing te nemen op het verweer dat termijnoverschrijding de verdachte wegens zijn psychische gesteldheid niet kan worden toegerekend. In casu heeft de voorzitter ter terechtzitting het volgende opgemerkt:
‘De voorzitter deelt mede dat zij in het dossier heeft gelezen dat het langere tijd slecht met de verdachte is gegaan, maar dat hij nu begeleiding heeft en dat het beter lijkt te gaan met hem. Ook deelt zij mede dat zij ziet dat er iemand met hem mee is gekomen naar de zitting en heeft plaatsgenomen in de zittingszaal.’
Vervolgens heeft het hof het verweer dat er sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding verworpen. Daarbij heeft het hof het volgende overwogen:
‘Het hof is van oordeel dat de reden van voornoemde termijnoverschrijding invoelbaar is, doch dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat deze van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn. Nu ook voor het overige niet is gebleken van omstandigheden die deze termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn, dient de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.’
Wanneer door een verdachte het verweer wordt gevoerd dat de overschrijding van de appeltermijn hem vanwege zijn toenmalige psychische gesteldheid niet kan worden toegerekend, dienen er door het hof twee stappen te worden gezet, zo blijkt uit een conclusie van voormalig Advocaat-Generaal Knigge. Allereerst dient het hof te bekijken of aannemelijk is geworden dat de verdachte ten tijde van de procedure in eerste aanleg in een abnormale psychische gesteldheid verkeerde. Als dat het geval is, dient er over te worden gegaan naar de tweede stap. Er moet dan worden bekeken of er een causaal verband bestond tussen de abnormale geestgesteldheid en de overschrijding van de appeltermijn:
‘De Hoge Raad heeft blijkens zijn jurisprudentie oog voor de positie van kwetsbare verdachten in het strafproces. Ik beperk mij hier tot jurisprudentie die betrekking heeft op de vraag of de verdachte in staat is om tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. De Hoge Raad zet de beantwoording van die vraag in de sleutel van de verschoonbaarheid van de overschrijding van de beroepstermijn. Daarbij pleegt hij te refereren aan de maatstaf neergelegd in HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181, waarin hij overwoog dat bij ‘bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de termijn verontschuldigbaar doen zijn’, gedacht kan worden aan onder meer ‘een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend’. Hieruit kan in de eerste plaats afgeleid worden dat sprake moet zijn van een psychische gesteldheid die, wil zij een ‘bijzondere omstandigheid’ kunnen opleveren, tenminste abnormaal moet zijn, dat wil zeggen afwijkend van wat bij de mens gebruikelijk is. In de tweede plaats kan daaruit afgeleid worden dat de aanwezigheid van een abnormale psychische gesteldheid niet voldoende is voor een geslaagd beroep op verschoonbare termijnoverschrijding. Die gesteldheid moet zodanig zijn dat de overschrijding ‘in verband daarmee’ niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Op welk ‘verband’ de Hoge Raad het oog heeft, blijkt uit de gebezigde formulering niet, maar aannemelijk lijkt mij dat er een causaal verband moet zijn tussen de abnormale geestesgesteldheid en de termijnoverschrijding en dat het dit causale verband is dat grond kan opleveren om de termijnoverschrijding niet aan de verdachte toe te rekenen.’4.
Wanneer het oordeel van het hof in de onderhavige zaak met het oog op deze twee stappen wordt bekeken, dan lijkt het verweer dat er sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding niet op de eerste stap te zijn stuk gelopen.
Het is dan allereerst relevant dat er binnen de eerste stap slechts moet worden gekeken of er sprake was van een abnormale psychische gesteldheid. Dat betekent niet dat er ook sprake moet zijn van een erkende, als zodanig geclassificeerde psychische stoornis. Er kan dan worden verwezen naar een arrest van Uw Raad van 15 november 2011.5. De verdachte in die zaak had aangegeven dat hij de zitting was vergeten omdat zijn vrouw in het ziekenhuis was opgenomen en omdat zijn zoontje te vroeg geboren was en na anderhalve week overleed. Volgens Uw Raad was het oordeel van het hof niet ontoereikend gemotiveerd. In dit geval deed zich dus niet de situatie voor dat het hof het verweer enkel had kunnen verwerpen, ook al was er geen sprake van een erkende psychische stoornis. Voormalig Advocaat-Generaal Knigge komt op basis van dit arrest dan ook tot de conclusie dat binnen de eerste stap enkel dient te worden bekeken of er sprake is van een psychische gesteldheid die afwijkt van wat bij de mens gebruikelijk is:
‘Hieruit kan in de eerste plaats afgeleid worden dat sprake moet zijn van een psychische gesteldheid die, wil zij een ‘bijzondere omstandigheid’ kunnen opleveren, tenminste abnormaal moet zijn, dat wil zeggen afwijkend van wat bij de mens gebruikelijk is.
(…)
Dat een abnormale psychische gesteldheid is vereist, wil nog niet zeggen dat sprake moet zijn van een erkende, als zodanig geclassificeerde psychische stoornis. De Hoge Raad lijkt dat laatste inderdaad niet te eisen. Dat kan afgeleid worden uit HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2681, waarin de verdachte aanvoerde dat hij ‘alles’ vergeten was toen zijn zoontje te vroeg geboren werd en na anderhalve week overleed. De Hoge Raad casseerde omdat het hof had nagelaten op dit beroep op verschoonbare termijnoverschrijding in te gaan. Hij was dus kennelijk niet van oordeel dat het hof dit beroep slechts had kunnen verwerpen.’6.
In dat verband ook worden verwezen naar een conclusie van de edelhoogachtbare heer Advocaat-Generaal Bleichrodt uit 2020:
- ‘19.
In geval een beroep wordt gedaan op de laatstgenoemde grond, is niet vereist dat een deskundigenrapport wordt overgelegd waarin een psychiatrisch ziektebeeld wordt beschreven. Aan te nemen valt dat geen sprake hoeft te zijn van een als zodanig geclassificeerde psychische stoornis. De Hoge Raad hanteert in dit verband de term ‘psychische gesteldheid’ en niet het begrip ‘psychische stoornis’. Denkbaar is dat een verdachte zodanig in de war is geraakt, bijvoorbeeld als gevolg van een ingrijpende gebeurtenis, dat overschrijding van de appeltermijn hem niet kan worden toegerekend, al is geen sprake van een als zodanig geclassificeerde psychische stoornis.’7.
In casu heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat het niet goed ging met requirant op het moment dat het hoger beroep moest worden ingesteld en dat requirant dusdanig warrig was dat hij niet goed door had wat er allemaal gebeurde. Daarmee heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er bij requirant sprake was van een abnormale psychische gesteldheid, in welk geval er door moet worden gegaan naar de tweede stap. Het verweer dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was kon niet worden verworpen met de overweging dat niet voldoende is komen vast te staan dat er bij requirant sprake was van een psychische stoornis. Wanneer de overweging van het hof wordt bekeken, lijkt het hof het verweer ook niet om die reden te hebben verworpen. Indien dat wel in de overweging van het hof besloten zou liggen, zou dat gelet op het voorgaande getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.
Het hof lijkt in het kader van de eerste stap ook wel te hebben aangenomen dat er bij requirant op het moment dat het hoger beroep moest worden ingesteld sprake was van een abnormale psychische gesteldheid. De voorzitter heeft ter terechtzitting immers opgemerkt dat zij in het dossier heeft gelezen dat het langere tijd slecht met requirant is gegaan. Tevens heeft het hof overwogen dat de reden van de termijnoverschrijding ‘invoelbaar’ is. Dit duidt erop dat er bij requirant geen sprake was van een normale psychische gesteldheid. Voor zover in het oordeel van het hof wel besloten ligt dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat er op het moment dat het hoger beroep moest worden ingesteld bij requirant sprake was van een abnormale psychische gesteldheid, is dat oordeel gelet op de hiervoor benoemde overweging van het hof zonder nadere motivering van het hof, welke ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk.
Dan dient er nog te worden gekeken naar de tweede stap. Er moet dan worden benadrukt dat als aannemelijk is geworden dat de verdachte ten tijde van de procedure in eerste aanleg in een abnormale psychische gesteldheid verkeerde, het op de weg ligt van het hof om te onderzoeken of deze gesteldheid zodanig was dat de overschrijding van de beroepstermijn de verdachte niet kan worden toegerekend.
In dit verband kan worden gewezen op een conclusie van de edelhoogachtbare Advocaat-Generaal Hofstee uit 2011. De eerder genoemde twee stappen die door voormalig Advocaat-Generaal Knigge zijn beschrijven zijn ook in de overwegingen van Hofstee duidelijk terug te vinden. Wanneer men bij de tweede stap is aangekomen, moet het hof volgens Hofstee onderzoek verrichten naar het causale verband tussen de psychische gesteldheid van de verdachte en de termijnoverschrijding. Dit om te voorkomen dat de mogelijkheid wordt opengelaten dat het verzuim om hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend:
- ‘10.
Het hof heeft in de hiervoor onder punt 5 weergegeven passage uit zijn arrest uitdrukkelijk op het verweer beslist. In zoverre heeft het hof aan zijn responsieplicht voldaan. De vraag is echter of deze beslissing voldoende met redenen is omkleed. Naar mijn mening moet deze vraag in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer en de in mijn voetnoten 6 en 7 aangehaalde arresten van de Hoge Raad ontkennend worden beantwoord. Het hof had, gelet op hetgeen terzake door de verdediging ter zitting is aangevoerd, gemotiveerd inzicht dienen te geven in zijn beweegredenen om (toch) tot verwerping van het gevoerde verweer te komen. Nu het hof de aan de verwerping ten grondslag gelegde overwegingen in het midden heeft gelaten, kan daarnaar slechts worden gegist. Wellicht heeft naar 's hofs (impliciete) oordeel de verdediging het bestaan van een psychische stoornis onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat oordeel zou, lijkt mij, tegen de achtergrond van het ter terechtzitting gevoerde verweer en de documenten die zijdens de verdediging het hof zijn toegezonden, niet zonder meer begrijpelijk zijn. Ook mogelijk is echter, dat het hof de psychische stoornis van verzoeker als onvoldoende ernstig heeft aangemerkt, welk (impliciet) oordeel zonder nadere motivering, die dus ontbreekt, eveneens niet begrijpelijk is. Door de raadsman van verzoeker is immers onderbouwd gesteld dat verzoeker niet kan worden verweten dat hij tardief heeft geappelleerd, in verband met zijn toenmalige psychische klachten. Derhalve had — indien althans de onderhavige gedachtegang ten grondslag heeft gelegen aan de verwerping van het verweer — het hof in het door de verdediging aangevoerde aanleiding moeten vinden daarnaar een onderzoek in te stellen alvorens een beslissing te nemen omtrent de ontvankelijkheid van verzoeker in zijn hoger beroep. Door daaromtrent niets nader te overwegen, heeft het hof de mogelijkheid opengelaten dat de betekenis van de uitgereikte inleidende dagvaarding respectievelijk de betekenis van zijn bekendheid met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg niet tot verzoeker is doorgedrongen, dan wel dat dientengevolge het verzuim om het hoger beroep tijdig in te stellen niet aan hem kan worden toegerekend. In beide scenario's had verzoeker ontvankelijk verklaard moeten worden in zijn hoger beroep.’8.
In het arrest dat volgde op deze conclusie wees Uw Raad op het feit dat aannemelijk was geworden dat de verdachte aan een depressieve stoornis had geleden en dat de raadsman had aangevoerd dat de termijnoverschrijding de verdachte daardoor niet kon worden toegerekend. Om die redenen had het hof volgens Uw Raad moeten doen blijken een onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of en zo ja gedurende welke periode na het vonnis in eerste aanleg de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld:
‘2.3.
Vooropgesteld dient te worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 6 januari 2004, UN AN8587, NJ 2004/181).
2.4.
Gelet op hetgeen door de raadsman onder verwijzing naar de verklaring van drs P. Dessing — waarin sprake is van een depressieve stoornis — is aangevoerd, had het Hof zijn beslissing nader dienen te motiveren. Het had moeten doen blijken een onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of en zo ja gedurende welke periode na het vonnis van de Kantonrechter de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld. Een termijnoverschrijding gedurende een zodanige periode zou de verdachte niet kunnen worden toegerekend. In dat geval is de verdachte ontvankelijk in het door hem ingestelde rechtsmiddel indien hij, nadat een verhindering als hiervoor bedoeld is opgeheven, alsnog zo spoedig mogelijk hoger beroep heeft ingesteld of doen instellen.’9.
Deze redenering komt ook terug in een conclusie van de edelhoogachtbare heer Advocaat-Generaal Bleichrodt uit 2015 en het daaropvolgende arrest van Uw Raad. In deze zaak had het hof overwogen dat op basis van de enkele mededeling dat de verdachte psychische problemen had niet kon worden aangenomen dat de overschrijding van de appeltermijn niet aan de verdachte kon worden toegerekend. Deze overweging hield geen stand, omdat de raadsvrouwe had verwezen naar stukken waaruit bleek dat het aannemelijk was dat bij de verdachte sprake was van een abnormale psychische gesteldheid. Het was vervolgens aan het hof om te onderzoeken of die abnormale psychische gesteldheid zodanig was dat de verdachte niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld:
- ‘12.
Het hof heeft ter motivering van zijn oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep onder meer overwogen dat op basis van de enkele mededeling dat de verdachte psychische problemen had niet kan worden aangenomen dat het te laat instellen van het hoger beroep niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Gelet op hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte onder verwijzing naar een tweetal rapportages heeft aangevoerd, had het hof zijn beslissing in het licht van hetgeen hiervoor onder 10 is voorop gesteld nader dienen te motiveren. Van een ‘enkele mededeling’ was geen sprake. De raadsvrouwe heeft ter onderbouwing van het verweer dat de verdachte kampte met ernstige psychiatrische problemen waardoor hij niet tijdig hoger beroep heeft kunnen instellen immers verwezen naar de hiervoor onder 6 weergegeven rapportage en het hiervoor onder 7 weergegeven reclasseringsadvies. Uit die stukken kan worden afgeleid dat de zwakbegaafde verdachte (ook) gedurende de termijn waarin hij hoger beroep diende in te stellen kampte met ernstige psychiatrische problemen, waarvoor hij diende te worden behandeld in een forensisch psychiatrische kliniek. Ook volgt daaruit dat de verdachte last had van angstaanvallen en psychoses en dat hij een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken had. Gelet op het aangevoerde, had het hof dienen te onderzoeken of en, zo ja, gedurende welke periode na het vonnis van de politierechter de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid heeft verkeerd dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat het hof een dergelijk onderzoek heeft verricht. Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde verweer onvoldoende gemotiveerd verworpen en de verdachte ontoereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.’10.
‘2.6.
Gelet op hetgeen door de raadsvrouwe onder verwijzing naar de hiervoor onder 2.4 weergegeven stukken — die onder meer inhouden dat de verdachte zwakbegaafd is, kampt met psychosen en kort voor de terechtzitting van de Politierechter van 20 juni 2012 wegens psychiatrische problematiek naar de ‘Bijzondere Zorg Afdeling’ van P.I. [a-plaats] is geplaatst — is aangevoerd, had het Hof zijn beslissing nader dienen te motiveren. Het had moeten doen blijken een onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of en zo ja gedurende welke periode na het vonnis van de Politierechter de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld. Een termijnoverschrijding gedurende een zodanige periode zou de verdachte niet kunnen worden toegerekend. In dat geval is de verdachte ontvankelijk in het door hem ingestelde rechtsmiddel indien hij, nadat een verhindering als hiervoor bedoeld is opgeheven, alsnog zo spoedig mogelijk hoger beroep heeft ingesteld of doen instellen.’11.
Voormalig Advocaat-Generaal Knigge stelt aan de hand van voornoemd arrest uit 2015 dat haast kan worden gezegd dat de bewijslast wordt omgedraaid als aannemelijk is geworden dat de verdachte ten tijde van de procedure in eerste aanleg last had van psychische problematiek:
‘Iets anders is dat een beroep op door (tragische) gebeurtenissen veroorzaakte emoties zonder dat sprake is van een psychische stoornis of handicap in het algemeen weinig kans van slagen heeft. De lat ligt hier wat de invulling van de motiveringseis betreft niet hoog. Dat wordt anders als wel een beroep wordt gedaan op een psychische handicap of stoornis, vooral als dat beroep is onderbouwd met rapportage. Zie bijvoorbeeld HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1345, waarin uit een rapport van de reclassering en een rapport van de penitentiaire inrichting onder meer bleek dat de verdachte zwakbegaafd was en gebaat bij structuur. Er was sprake van psychoses waarvan niet helder was of zij werden veroorzaakt door cocaïnegebruik of door schizofrenie. In het Huis van Bewaring was de verdachte op de BZA (Bijzondere Zorg Afdeling) geplaatst en daar ‘ingesteld’ op een anti-psychoticum. Het hof volstond met de overweging dat op basis van de enkele mededeling dat de verdachte psychische problemen had, niet kan worden aangenomen dat de termijnoverschrijding niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Inderdaad had de raadsman van de verdachte enkel gewezen op de psychiatrische problematiek die uit de rapportages bleek en niets specifieks aangevoerd omtrent het (kennelijk door hem veronderstelde) verband tussen die problematiek en de termijnoverschrijding, maar de Hoge Raad casseerde. Het hof had zijn oordeel nader moeten motiveren. Bij een vermoeden van (ernstige) kwetsbaarheid, zou men haast zeggen, keert de bewijslast om.’12.
De edelhoogachtbare heer Advocaat-Generaal Bleichrodt spreekt eveneens over een ‘vermoeden van kwetsbaarheid’ op het moment dat aannemelijk is dat bij de verdachte sprake was van een zodanige psychische gesteldheid. Het is dan aan het hof om te onderzoeken of de verdachte voldoende in staat was om te beoordelen of hij hoger beroep moest instellen. Volgens Bleichrodt kan daarbij ook belang toekomen aan de vraag of de verdachte in eerste aanleg al dan niet door een raadsman werd bijgestaan:
‘Wel zal sprake moeten zijn van een psychische gesteldheid waarvan de aard en intensiteit zodanig zijn dat het laten verlopen van de termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel de verdachte niet kan worden toegerekend. De enkele omstandigheid dat sprake is van een psychische stoornis of van psychische problematiek is onvoldoende. De aard van de psychische gesteldheid, de periode waarin deze zich heeft gemanifesteerd en de invloed daarvan op het functioneren zijn bepalend ter beoordeling of de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. In geval van een vermoeden van kwetsbaarheid, ligt het op de weg van het hof te onderzoeken of het benodigde beoordelingsvermogen aanwezig was. Daarbij kan belang toekomen aan de vraag of de verdachte in eerste aanleg al dan niet door een raadsman werd bijgestaan.’13.
Ten slotte heeft Uw Raad in 2019, in navolging op de hiervoor reeds meermalen aan bod gekomen conclusie van de heer Knigge, benadrukt dat het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd is als de mogelijkheid open is gebleven dat omstandigheden meebrengen dat het verzuim om het hoger beroep tijdig in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend:
‘2.5.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep niet verschoonbaar is, op de grond dat ‘uit de overgelegde rapportage en vonnissen (…) weliswaar [blijkt] dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en dat in het verleden steeds jeugdstrafrecht is toegepast’ maar dat ‘niet [blijkt] dat de verdachte, die zijn MBO-diploma niveau 1 heeft behaald, in het geheel niet heeft begrepen of kunnen begrijpen dat hij binnen 14 dagen na uitreiking van het vonnis hoger beroep moest (laten) instellen’. Door slechts te beoordelen of de verdachte dit ‘in het geheel niet heeft begrepen of kunnen begrijpen’ heeft het Hof de juistheid in het midden gelaten van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, onder meer inhoudende dat de verdachte vanwege hem niet toe te rekenen psychische problematiek, bestaande uit een gedragsstoornis en zwakbegaafdheid of zwakzinnigheid, hulp nodig heeft bij onder meer het openen van zijn post en het daarmee iets doen, dat hij bij het nemen van belangrijke beslissingen volledig afhankelijk is van derden en dat hij de verschillende procedures niet uit elkaar kan houden. Daarmee is de mogelijkheid open gebleven dat omstandigheden meebrengen dat het verzuim om het hoger beroep tijdig in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Het oordeel van het Hof is daarom ontoereikend gemotiveerd.’14.
Eerder is al aan bod gekomen dat het hof binnen de eerste stap niet heeft geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat er bij requirant sprake was van een abnormale psychische gesteldheid, en dat als dit wel in het oordeel van het hof besloten ligt, dat dit oordeel zonder nadere motivering dan niet begrijpelijk is. Als er dan verder wordt gekeken, dan dient te worden geconcludeerd dat zich binnen de tweede stap evenmin de situatie voordoet dat het hof het verweer enkel had kunnen verwerpen. Op het moment dat het aannemelijk is dat bij de verdachte sprake was van een abnormale psychische gesteldheid, is het immers aan het hof om te onderzoeken of die psychische gesteldheid zodanig was dat de termijnoverschrijding de verdachte daardoor niet kan worden toegerekend. Daarvan moet het hof blijk geven in diens beslissing. Dat is hier niet gebeurd. Het hof had het hoger beroep met het oog op de toets binnen de tweede stap niet zonder enige motivering ten aanzien van het causaal verband tussen de psychische gesteldheid van requirant en de termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mogen verklaren. Het oordeel van het hof dat de abnormale psychische gesteldheid niet zodanig ernstig was dat de termijnoverschrijding in verband daarmee niet aan requirant kan worden toegerekend, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dit oordeel is niet begrijpelijk, aangezien het hof in het door requirant aangevoerde aanleiding had moeten vinden daarnaar een onderzoek in te stellen alvorens een beslissing te nemen omtrent de ontvankelijkheid van requirant in zijn hoger beroep. De overweging dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat de reden voor de termijnoverschrijding van dusdanige aard is dat het de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn, is in dat kader niet voldoende, omdat hieruit niet volgt dat het hof zelf een onderzoek heeft ingesteld naar de vraag of de abnormale psychische gesteldheid zodanig was dat de termijnoverschrijding requirant niet kan worden toegerekend. Hieruit volgt dat de bewijslast dat de gestelde abnormale psychische gesteldheid zodanig was dat de termijnoverschrijding requirant niet kan worden toegerekend volledig bij requirant is komen te rusten. Daarmee heeft het hof de mogelijkheid opengelaten dat het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen niet aan requirant kan worden toegerekend.
Concluderend kan worden gesteld dat de beslissing van het hof dat de overschrijding van de termijn om hoger beroep in te stellen niet verschoonbaar is getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet zonder meer begrijpelijk is, zodat de beslissing van het hof om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren ontoereikend gemotiveerd is. Dit dient tot cassatie te leiden, omdat zich in casu niet het geval voordoet dat het hof het verweer enkel had kunnen verwerpen.
Maastricht, 25 juni 2025
mr. T. Straten
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑06‑2025
HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587.
HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:189.
HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3700.
Conclusie van A-G Knigge van 4 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:586.
HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2681
Conclusie van A-G Knigge van 4 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:586.
Conclusie van A-G Bleichrodt van 19 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:485.
Conclusie van A-G Hofstee van 15 maart 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP2429.
HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429.
Conclusie van A-G Bleichrodt van 24 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:677.
HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1345.
Conclusie van A-G Knigge van 4 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:586.
Conclusie van A-G Bleichrodt van 19 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:485.
HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1082.