Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.3.2
4.4.3.2 'Algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging' als pendant van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581920:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.3.3.
Zie over de betekenis van deze beginselen voor de rechterlijke functie uitgebreid Brenninkmeijer 2001b, p. 51-57.
Zie over deze bepaling ook Brenninkmeijer 2001b, p. 55.
Snijders 1997b, p. 1795.
Brenninkmeijer 1989, p. 1623.
Zie over dit aspect van het rechtszekerheidsbeginsel ook Drion 1981, p. 3; Pels Rijcken 1979, p. 312-313.
Aldus Scheltema in zijn noot onder HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118 (sub 10). Vgl. ook Widdershoven 1999, p. 361.
Zie hierover ook Schlóssels 2004, p. 22-24; De Haan, Drupsteen & Fernhout 2001, p. 104-105.
Vgl. Wiarda 1986a, p. 54-55.
Vgl. Drion 1981, p. 4-5.
Aldus Asser-Vranken 1995, nr. 132.
Aldus Asser-Vranken 1995, nr. 185.
Vgl. Martens 1997, p. 12 en 14.
Vgl. in dezelfde zin Martens 1997, p. 14; Van der Meulen 1997, p. 299; Snijders 1997b, p. 1797; Brenninkmeijer 2001b, p. 53-54.
Zie over rechtszekerheid en rechtsgelijkheid in relatie tot precedentwerking van rechterlijke uitspraken ook § 7.5.2.4.
Zie over de gebondenheid van de rechter aan precedenten uitgebreider hoofdstuk 7.
Vgl. Scheltema 1996, p. 26; Brouwer & Schilder 2000, p. 184-185.
In deze zin ook De Waard 1996, p. 92-94; Cleiren 1997, p. 31-32; De Waard 1998, p. 157-158; Alkema 2000, p. 1058; Brouwer & Schilder 2000, p. 184-185; Brenriinkmeijer 2001a, p. 58-61.
Vgl. De Waard 1996, p. 93-94. Zie over verdere invulling van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging uitgebreider De Waard 1987; Van der Heijden 1984; zie voorts Van der Wiel 2004, p. 170-181.
Vgl. De Haan, Drupsteen & Fernhout 2001, p. 107.
Vgl. in soortgelijke zin Jessurun d'Oliveira 1973a, p. 34.
Eerder is al uiteengezet dat bij de ontwikkeling van het denken over bestuurlijke beleidsregels de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijke rol gespeeld hebben. Uit het verbod van willekeur ontstond de eis dat bestuursorganen stelselmatig en consistent moeten beslissen ('beleid voeren', bijvoorbeeld in de vorm van algemene (beleids)regels). Ook het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel eisen dat bestuursorganen, voorzover dat mogelijk is, beleidsregels vaststellen omtrent de wijze waarop zij de door de wetgever gegeven beslissingsruimte zullen invullen.1
Het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel behoren echter niet alleen voor het bestuur, maar ook voor de rechter tot de fundamentele beginselen waaraan zijn optreden is onderworpen.2 Het belang van het gelijkheidsbeginsel in onze rechtsorde wordt reeds geïllustreerd door de plaats die dit beginsel in de Grondwet heeft gekregen: artikel 1. Daarnaast is in art. 14 lid 1ivbpr de 'gelijkheid voor de rechter' vastgelegd: allen zijn gelijk voor de rechter en de rechterlijke instanties.3 Hoewel deze bepaling geen rechtstreekse werking zal hebben, geeft zij wel aan welk belang aan gelijke rechtspraak gehecht moet worden. Het gelijkheidsbeginsel wordt dan ook wel gekenschetst als een 'fundamentele norm voor het rechtspreken',4 waarvan niet-machmeming te kwalificeren is als 'willekeur'.5 Het rechtszekerheidsbeginsel is voor de rechtspraak evenzeer van fundamenteel belang te achten. Met name is uit oogpunt van rechtszekerheid van groot belang dat rechterlijke uitspraken voorspelbaar zijn.6 Indien immers duidelijk is hoe door de rechter gehanteerde normen luiden, dan wel hoe van de wetgever afkomstige normen door de rechter ingevuld worden, kan de burger zijn gedrag hierop afstemmen. Daarnaast kan een grotere voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken procedures voorkomen en de totstandkoming van (op juiste gronden gebaseerde) schikkingen bevorderen. Al met al kan dan ook gezegd worden dat gelijkheid en voorspelbaarheid te beschouwen zijn als 'kernbegrippen van de rechterlijke oordeelsvorming'.7
Rechtsbeginselen als het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel zijn overigens niet te beschouwen als normen, die in iedere situatie rechtstreeks kunnen worden toegepast.8 Dergelijke beginselen hebben, zo lang zij niet tot regels zijn geconcretiseerd, in het algemeen niet een absolute gelding maar zijn veeleer te beschouwen als 'richtingaanwijzers'9 of argumenten10 die vóór een bepaalde beslissing pleiten, maar weerlegd kunnen worden door zwaarwegender tegenargumenten, zoals bijvoorbeeld te ontlenen aan andere beginselen. Door Vranken zijn de hier genoemde beginselen daarom gekarakteriseerd als 'zedelijkheidspostulaten', die in een concreet geval in het algemeen geen scherp houvast bieden.11 Dit betekent echter niet dat beginselen als rechtsgelijkheid en rechtszekerheid (ook) voor de rechter niet van grote betekenis zouden zijn. Deze betekenis gaat naar mijn mening verder dan het 'ervoor waken dat deze beginselen niet met voeten getreden worden':12 de rechter heeft tot taak in zijn rechtspraak rechtszekerheid en rechtsgelijkheid waar mogelijk actief na te streven.13 Dit geldt in het bijzonder in die gevallen waarin hij van de wetgever een (grote) beslissingsruimte heeft gekregen. Ook de rechter mag deze ruimte niet naar willekeur invullen door geen rekening te houden met hetgeen eerder door hemzelf of door andere rechters is beslist.14 Deze taak van de rechter komt overigens tevens tot uiting in de precedentwerking van rechterlijke uitspraken: de eisen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid15 brengen mee dat de rechter zich gebonden acht - en, naar tegenwoordig vrijwel algemeen aanvaard is, zich ook gebonden behoort te achten16 - aan uitspraken van zichzelf én van andere, met name: hogere, rechters.
Voor rechter en bestuur blijken derhalve uit algemene rechtsbeginselen vergelijkbare eisen te kunnen worden afgeleid ten aanzien van de invulling van hun beslissingsruimte. Dit is eigenlijk ook niet meer dan logisch. Waarom zouden immers op dit punt aan de rechter minder hoge eisen gesteld mogen worden dan voor het bestuur in de loop der tijd (juist door de rechter) zijn ontwikkeld?17 Net zoals het bestuur bij zijn beslissingen onderworpen is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, kan dan ook aangenomen worden dat de rechter bij zijn beslissingen onderworpen is aan algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging.18
Hiermee is overigens niet gezegd dat alle beginselen van behoorlijk bestuur onverkort en op dezelfde wijze van toepassing zouden zijn op rechterlijke beslissingen, maar dan onder de noemer 'algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging'. Anders dan voor de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geldt, is daarvoor tot nu toe in literatuur en rechtspraak onvoldoende uitgekristalliseerd wat precies onder deze algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging moet worden verstaan en in hoeverre zij zich lenen voor concrete toepassing.19 Daarnaast zijn rechtspraak en bestuur activiteiten van verschillende aard, hetgeen meebrengt dat niet alle behoorlijkheidsbeginselen die voor het bestuurshandelen gelden onverkort op de rechtspraak toegepast kunnen worden.20 Wel kan echter in meer algemene zin gezegd worden dat de beginselen van behoorlijke rechtspleging een normatief kader vormen voor de beslissingen van rechters, waarvan de betekenis in elk geval tot op zekere hoogte vergelijkbaar is met die van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voor het bestuursoptreden.21 In het bijzonder geldt dit voor de rol die de fundamentele beginselen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid spelen ten aanzien van de oordeelsvorming door de rechter: hierbij is het zeker zinvol, aansluiting te zoeken bij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In de eerste plaats is dit aan de orde bij de vraag naar fundering van de bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen (waarover hierna § 4.4.4). Algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging als het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel vormen voorts de grondslag voor binding van de rechter aan (bepaalde) rechtersregelingen (waarover nader § 4.4.5). Ook bij de gebondenheid van de rechter aan precedenten (waarop in hoofdstuk 7 en 8 uitgebreider zal worden ingegaan) spelen deze beginselen overigens een belangrijke rol.