De kwalificatie luidt: “feitelijke leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.”
HR, 03-06-2025, nr. 21/04018
ECLI:NL:HR:2025:808
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-06-2025
- Zaaknummer
21/04018
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:808, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑06‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:380
ECLI:NL:PHR:2025:380, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:808
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0200
Uitspraak 03‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Feitelijk leiding geven aan door rechtspersoon opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting, art. 69.2 AWR. Laatste woord gegeven voorafgaand aan repliek en dupliek, art. 311.4 Sv. Uit p-v van tz. in hoger beroep blijkt niet dat (nadat aan verdachte het recht was gelaten het laatst te spreken, AG daarna had gerepliceerd en raadsman vervolgens had gedupliceerd) aan verdachte opnieuw het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat voorschrift dat in art. 311.4 Sv op straffe van nietigheid is gegeven, niet in acht is genomen. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG (strekking): algehele vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 21/04019.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04018
Datum 3 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2021, nummer 21-005117-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R. Zilver bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de verdachte niet het recht is gelaten het laatst te spreken.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over.
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart:
Het is ruim vijf jaar heel akelig voor ons en ons gezin geweest. We hebben van het begin af aan naar oplossingen gezocht zodat we door kunnen gaan. Nu willen we de zaak afsluiten.
In repliek antwoordt de advocaat-generaal:
Uit het pleidooi zou je kunnen afleiden dat het verdachte is die een groot onrecht is aangedaan. Als er een controle door de belastingdienst gedaan is en daar rijst een vermoeden van strafbare feiten uit, dan wordt die controle niet voortgezet. De beleidsregels van de belastingdienst schrijven dan voor dat er niet wordt onderhandeld met de belastingplichtige.
Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven. Belastingaangifte is een normale activiteit binnen een B.V. Die aangifte is opzettelijk onjuist gedaan. Als je zegt dat je dan je verantwoordelijkheid neemt, moet je dat ook doen. Verdachte zegt dat te doen, maar blijft naar anderen wijzen. Misschien vindt verdachte boekhouden niet leuk, maar hij was daar wel verantwoordelijk voor.
In dupliek antwoordt de raadsman:
Verdachte wil aangeven dat hij verkeerd is voorgelicht, niet zijn straatje schoonvegen. Hij heeft LTS als hoogst genoten opleiding. Hij heeft echt te weinig kennis op het gebied van administratie. Zeker met betrekking tot de BTW verlegd. Kennelijk is hij de enige begunstigde, kennelijk was er een verkeerde rekening-courantverhouding, maar op dat moment had hij daar geen wetenschap van. We willen geen vingerwijzen, maar [betrokkene 1] is wel naar Oostenrijk gevlucht. Mijn cliënt neemt wel degelijk verantwoordelijkheid, maar hoeft die niet ook in strafrechtelijke zin helemaal op zich te nemen.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 17 september 2021 te 14:00 uur.”
2.3
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat – nadat aan de verdachte het recht was gelaten het laatst te spreken, de advocaat-generaal daarna had gerepliceerd en de raadsman vervolgens had gedupliceerd – aan de verdachte opnieuw het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het voorschrift dat in artikel 311 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering op straffe van nietigheid is gegeven, niet in acht is genomen.
2.4
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel en het zesde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2025.
Conclusie 25‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangiften. Gegronde klacht dat uit het p-v van tz. in hoger beroep niet blijkt dat, nadat aan verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken en A-G en raadsman vervolgens het woord hebben gevoerd tot repliek respectievelijk dupliek, aan de verdachte niet opnieuw het recht is gelaten het laatst te spreken. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat dit in strijd met art. 311.4 Sv niet is gebeurd. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 21/04019.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/04018
Zitting 25 maart 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 17 september 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, voor het feitelijke leiding geven aan het door [medeverdachte] B.V. (medeverdachte) opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangiften,1.veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 21/04019 ( [medeverdachte] B.V.). In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 27 september 2021 ingesteld namens de verdachte. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft zes middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel is gericht tegen de afwijzing door het hof van een verzoek tot het horen van twee getuigen. In het tweede middel wordt geklaagd dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. In (de toelichting op) het derde middel wordt geklaagd dat het hof heeft verzuimd een gemotiveerde beslissing te nemen op een door de verdediging gevoerd verweer met betrekking tot de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond. Het vierde middel houdt in dat het hof niet, althans onvoldoende heeft gerespondeerd op een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de strafmaat. In het vijfde middel wordt geklaagd dat het hof de verdachte niet het recht heeft gelaten het laatste te spreken. In het zesde middel wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
1.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak.
2. Het vijfde middel
2.1
In het middel wordt geklaagd over “schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder de artikelen 311 en 415 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het hof ten onrechte niet het laatste woord heeft gelaten aan [de verdachte].”
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2021 houdt onder meer in:
“De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] .
Als raadsman van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. N.E. Koelemaij, advocaat te Assen.
(…)
De advocaat-generaal voert het woord leest de vordering voor en legt die aan het hof over.
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart:
Het is ruim vijf jaar heel akelig voor ons en ons gezin geweest. We hebben van het begin af aan naar oplossingen gezocht zodat we door kunnen gaan. Nu willen we de zaak afsluiten.
In repliek antwoordt de advocaat-generaal:
Uit het pleidooi zou je kunnen afleiden dat het verdachte is die een groot onrecht is aangedaan. Als er een controle door de belastingdienst gedaan is en daar rijst een vermoeden van strafbare feiten uit, dan wordt die controle niet voortgezet. De beleidsregels van de belastingdienst schrijven dan voor dat er niet wordt onderhandeld met de belastingplichtige.
Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven. Belastingaangifte is een normale activiteit binnen een B.V. Die aangifte is opzettelijk onjuist gedaan. Als je zegt dat je dan je verantwoordelijkheid neemt, moet je [dat] ook doen. Verdachte zegt dat te doen, maar blijft naar anderen wijzen. Misschien vindt verdachte boekhouden niet leuk, maar hij was daar wel verantwoordelijk voor.
In dupliek antwoordt de raadsman:
Verdachte wil aangeven dat hij verkeerd is voorgelicht, niet zijn straatje schoonvegen. Hij heeft LTS als hoogst genoten opleiding. Hij heeft echt te weinig kennis op het gebied van administratie. Zeker met betrekking tot de BTW verlegd. Kennelijk is hij de enige begunstigde, kennelijk was [er] een verkeerde rekening-courantverhouding, maar op dat moment had hij daar geen wetenschap van. We willen geen vingerwijzen, maar [betrokkene 1] is wel naar Oostenrijk gevlucht. Mijn cliënt neemt wel degelijk verantwoordelijkheid, maar hoeft die niet ook in strafrechtelijke zin helemaal op zich te nemen.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 17 september 2021 te 14:00 uur.”
Het juridisch kader
2.3
Art. 311 lid 4 Sv luidt:
“Aan de verdachte wordt op straffe van nietigheid het recht gelaten om het laatst te spreken.”
2.4
Op grond van art. 311 lid 4 Sv moet op straffe van nietigheid aan de verdachte het recht worden gelaten het laatst te spreken. Dit betekent dat de verdachte (of bij zijn afwezigheid de op grond van art. 279 Sv gemachtigde raadsman) als laatste in de gelegenheid wordt gesteld nog aan te voeren wat dienstig kan zijn voor de beoordeling van de zaak.2.De ratio hierachter is “dat geen onderdeel van het onderzoek hetwelk ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken door deze onweersproken behoeft te blijven”.3.Zo moet de verdachte opnieuw het recht worden gelaten het laatst te spreken als de advocaat-generaal bij het hof na het laatste woord van de verdachte nog uitlatingen doet die worden vergezeld van “inhoudelijk op de strafzaak van de verdachte betrekking hebbende argumenten”.4.Verder biedt het recht als laatste te spreken de verdachte de gelegenheid het menselijk element in het strafproces nog eens doordringend te laten klinken. Het kan een verzuchting, een exclamatie, een ernstige beschuldiging, een roep om begrip, een verontschuldiging of een (nieuw) pleidooi zijn waarin nog eens wordt overgedaan wat de raadsman reeds heeft gepresteerd.5.De bevoegdheid om het laatst te spreken komt zowel de verdachte als diens raadsman toe,6.maar als de verdachte aanwezig is, gaat het natuurlijk in het bijzonder om hem. De rechter moet de verdachte ambtshalve de gelegenheid bieden het laatste woord te voeren.7.Als de raadsman van die bevoegdheid gebruik wil maken, zal hij zelf moeten bewaken dat hem daartoe de gelegenheid wordt geboden.8.Dat aan de verdachte de mogelijkheid is geboden om het laatst te spreken, moet nadrukkelijk blijken uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting.9.Het gaat immers om de naleving van een zittingsvoorschrift en het proces-verbaal van de terechtzitting is in beginsel de enige kenbron in cassatie van alles wat op de terechtzitting van de feitenrechter is voorgevallen en daarmee voor de al dan niet inachtneming van de wettelijke voorschriften. Op hetgeen wat in het proces-verbaal is opgetekend, pleegt de Hoge Raad af te gaan.10.
De bespreking van het middel
2.5
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat – nadat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken en de advocaat-generaal bij het hof daarna heeft gerepliceerd – ten onrechte aan de verdachte niet opnieuw het recht is gelaten het laatst te spreken.
2.6
In het onderhavige geval blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2021 dat de advocaat-generaal bij het hof het woord heeft gevoerd, de vordering heeft voorgelezen en die vordering heeft overgelegd aan het hof. Hierna heeft de raadsman van de verdachte gepleit overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Vervolgens is aan de verdachte het recht op het laatste woord gelaten. De verdachte heeft van dat recht gebruik gemaakt. Daarna hebben de advocaat-generaal en de raadsman het woord gevoerd tot repliek respectievelijk dupliek, waarbij zij zich inhoudelijk hebben uitgelaten over de strafzaak tegen de verdachte. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de verdachte hierna (nogmaals) het recht is gelaten het laatst te spreken en zich uit te laten over de in repliek en dupliek naar voren gebrachte inhoudelijke, op de strafzaak van de verdachte betrekking hebbende, argumenten. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in art. 311 lid 4 Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen.11.
2.7
Het vijfde middel slaagt. Dit zal dienen te leiden tot vernietiging van het bestreden arrest. Gelet daarop behoeven de overige middelen geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, word ik graag in de gelegenheid gesteld ten aanzien van de overige middelen aanvullend te concluderen.
3. Slotsom
3.1
Het vijfde middel slaagt. De overige middelen behoeven geen bespreking.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑03‑2025
HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1239, NJ 2015/298, m.nt. N. Rozemond, rov. 2.4 en HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:972, NJ 2017/249, rov. 2.4.
HR 10 januari 1950, ECLI:NL:HR:1950:45, NJ 1950/317 en HR 20 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1069, NJ 1995/710, rov. 5.1.
Vgl. HR 20 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1069, NJ 1995/710, rov. 5.2-5.4. en HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:364, rov. 2.3. Zie ook de conclusie van (thans) P-G Bleichrodt, randnrs. 3.7 e.v., vóór HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:79.
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 772.
Vgl. T.N.B.M. Spronken, Verdediging. Een onderzoek naar de normering van het optreden van advocaten in strafzaken (diss. Maastricht), Deventer: Gouda Quint 2001, p. 250-251.
Vgl. de noot van J. de Hullu onder HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820, NJ 1998/243 en P.H.P.H.M.C. van Kempen in Melai/Groenhuijsen, art. 311 Sv, aant. 7.2 (online, actueel tot en met 1 februari 2004).
HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820, NJ 1998/243, m.nt. J. de Hullu.
HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4134; HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3773; HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:503; HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1965; HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:681; HR 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1475; HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1109.
HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219, m.nt. T.M.C.J. Schalken, rov. 3.3 en HR 13 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9111, rov. 2.3. Zie ook A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 244-246.
Vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:364 en HR 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1475.