NJB 2025/1796:Het als pleger ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van art. 420quater lid 1 Sr is vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig heeft. Dit ‘voorhanden hebben’ vereist feitelijke zeggenschap over het voorwerp en strekt zich uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Het is daarbij niet nodig dat de verdachte altijd direct over het voorwerp kan beschikken. Bij het als pleger ‘verwerven’ in de zin van art. 420quater lid 1 Sr gaat om het verrichten van een handeling die tot gevolg heeft dat de feitelijke zeggenschap over een voorwerp wordt verkregen. Deze zaak heeft betrekking op schuldwitwassen van geldbedragen na tegen vergoeding beschikbaar stellen van pinpas en pincode. Het hof kon oordelen dat de verdachte een geldbedrag van in totaal € 9.958 ‘voorhanden heeft gehad’, maar niet dat hij geldbedragen van in totaal € 9.958 heeft ‘verworven’, nu het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte zelf enige bemoeienis heeft gehad met de in de bewijsvoering genoemde transacties die met gebruikmaking van die bankrekening hebben plaatsvonden. Dit leidt echter niet tot cassatie. CAG: anders.