RvS, 05-11-2012, nr. 201202169/2/A3.
ECLI:NL:RVS:2012:1
- Instantie
Raad van State
- Datum
05-11-2012
- Magistraten
Mr. P. van Dijk
- Zaaknummer
201202169/2/A3.
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2012:1, Uitspraak, Raad van State, 05‑11‑2012
Uitspraak 05‑11‑2012
Mr. P. van Dijk
Partij(en)
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 januari 2012 in zaak nr. 11/4240 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout.
Procesverloop
Bij brief van 14 december 2010 heeft het college bevestigd dat de locatiebeheerder van het zwembad [A] [appellant] op 11 november 2010 de toegang tot het zwembad voor twintig dagen heeft ontzegd en zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Bij besluit van 18 juli 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 18 januari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Overwegingen
1.
De rechtbank heeft overwogen dat het gebruik van het zwembad moet worden bezien in het kader van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente Oosterhout en [appellant], waarbij de gemeente als exploitant het zwembad ter beschikking stelt en [appellant] daar gebruik van maakt. Het ontzeggen van de toegang tot het zwembad is een beslissing in het kader van de privaatrechtelijke relatie van de exploitant van het zwembad met de gebruiker. Dat de exploitant een publiekrechtelijke rechtspersoon is, maakt van een dergelijke ontzegging geen publiekrechtelijke rechtshandeling, aldus de rechtbank. Het ontzeggen van de toegang is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft voorts overwogen dat, nu de ontzegging van de toegang tot het zwembad geen besluit is als bedoeld in voormelde bepaling, de brief waarin het verzoek om schadevergoeding van [appellant] is afgewezen, dat evenmin is. Het college heeft volgens de rechtbank terecht het door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.
[appellant] betoogt dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat hem met de ontzegging van de toegang tot het zwembad een bestaand publiekrechtelijk recht is ontnomen. De overeenkomst voor toegang tot het zwembad heeft hij gesloten met een overheidsinstantie. Van belang is dat de gemeente de strafwet heeft ontdoken, oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van zelfbedachte regelgeving die als wettelijk werd voorgesteld en gebruik heeft gemaakt van bevoegdheden van ambtenaren ten behoeve van het zwembad, dit alles gekoppeld aan de samenwerking van een aantal collega's om de behoorlijke behandeling van zijn klachten ongedaan te maken. Uit dit alles volgt dat de ontzegging van de toegang tot het zwembad publiekrechtelijk van aard is, aldus [appellant].
2.1.
Anders dan [appellant] betoogt, is hem met de ontzegging van de toegang tot het zwembad geen publiekrechtelijk recht ontnomen. Het recht op toegang tot het zwembad bestond uit hoofde van een overeenkomst tussen [appellant] en de gemeente als exploitant. Dat de gemeente een overheidslichaam is, maakt de overeenkomst niet publiekrechtelijk, omdat dat gegeven niet ziet op de aard van de overeenkomst maar op de aard van een der partijen. Hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd ter motivering van zijn betoog dat de brief van 14 december 2010 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, leidt evenmin tot het oordeel dat de ontzegging van de toegang tot het zwembad publiekrechtelijk van aard is, nu dat niet ziet op de aard van de overeenkomst maar op gedragingen van de gemeente.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de brief van het college van 14 december 2010 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het betoog faalt.
3.
Hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd, behoeft niet te worden besproken, nu dit ziet op de ontzegging van de toegang en niet op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de brief van 14 december 2010 geen besluit is.
4.
Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.
w.g. Van Dijk
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Reuveny
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2012
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).
- —
Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
- —
In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
- —
Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.
622.
Verzonden: 5 november 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser