Einde inhoudsopgave
Verordening (EG) Nr. 1768/95 houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers
Artikel 5 Hoogte van de vergoeding
Geldend
Geldend vanaf 24-12-1998
- Bronpublicatie:
03-12-1998, PbEG 1998, L 328 (uitgifte: 01-01-1998, regelingnummer: 2605/98)
- Inwerkingtreding
24-12-1998
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-12-1998, PbEG 1998, L 328 (uitgifte: 01-01-1998, regelingnummer: 2605/98)
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Bijzondere onderwerpen
1.
De hoogte van de billijke vergoeding die overeenkomstig artikel 14, lid 3, vierde streepje, van de basisverordening aan de houder moet worden betaald, kan worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de houder en de betrokken landbouwer.
2.
Wanneer geen dergelijke overeenkomst is gesloten of wanneer ze niet van toepassing is, moet de vergoeding aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in hetzelfde gebied in licentie produceren van teeltmateriaal van de laagste categorie van hetzelfde ras die voor officiële certificering in aanmerking komt.
Wanneer in het gebied waar het bedrijf van de landbouwer zich bevindt, geen produktie in licentie van teeltmateriaal van het betrokken ras heeft plaatsgevonden en wanneer de hoogte van voornoemd bedrag niet in de gehele Gemeenschap gelijk is, moet de vergoeding aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat normaliter voor voornoemd doel wordt begrepen in de prijs waartegen teeltmateriaal van de laagste categorie van dat ras die voor officiële certificering in aanmerking komt, in dat gebied wordt verkocht, met dien verstande dat ze niet hoger mag zijn dan voornoemd bedrag dat in rekening wordt gebracht in het gebied waar dat teeltmateriaal is geproduceerd.
3.
De vergoeding wordt overeenkomstig het bepaalde in lid 2 als aanmerkelijk lager in de zin van artikel 14, lid 3, vierde streepje, van de basisverordening beschouwd, indien ze niet hoger is dan noodzakelijk om, als economische factor die bepaalt in welke mate van de afwijking gebruik wordt gemaakt, een redelijk evenwichtige verhouding tot stand te brengen of in stand te houden tussen het gebruik van in licentie geproduceerd teeltmateriaal en de aanplanting van het oogstprodukt van de verschillende rassen waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend. Deze verhouding wordt als redelijk evenwichtig beschouwd, indien daardoor wordt gewaarborgd dat de houder over het geheel genomen een passende beloning voor het totale gebruik van zijn ras ontvangt.
4.
Wanneer in het in lid 2 bedoelde geval de hoogte van de vergoeding is vastgelegd in overeenkomsten tussen organisaties van houders en organisaties van landbouwers of loonwerkers, die in de Gemeenschap op communautair, nationaal of regionaal niveau zijn opgericht, dient de overeengekomen hoogte van de vergoedingen als richtsnoer voor het bepalen van de vergoeding die in het betrokken gebied en voor de betrokken soort moet worden betaald, op voorwaarde dat de hoogte van deze vergoedingen en de desbetreffende voorwaarden door gemachtigde vertegenwoordigers van de betrokken organisaties schriftelijk ter kennis van de Commissie zijn gebracht en op grond daarvan de overeengekomen hoogte van de vergoedingen en de desbetreffende voorwaarden in het ‘Mededelingenblad’ van het Communautair Bureau voor plantenrassen zijn gepubliceerd.
5.
Wanneer in het in lid 2 bedoelde geval geen overeenkomst als bedoeld in lid 4, geldt, moet een vergoeding worden betaald die gelijk is aan 50 % van de bedragen die worden aangerekend voor het in licentie produceren van teeltmateriaal, als bedoeld in lid 2.
Indien een lidstaat de Commissie evenwel vóór 1 januari 1999 heeft meegedeeld dat in de zeer nabije toekomst op nationaal of regionaal niveau een overeenkomst als bedoeld in lid 4 tussen de betrokken organisaties zal worden gesloten, moet in het betrokken gebied en voor de betrokken soort slechts een vergoeding van 40 %, in plaats van vorenvermelde 50 % worden betaald, indien vóór de inwerkingtreding en uiterlijk 1 april 1999 van dergelijke overeenkomst gebruik is gemaakt van de afwijking ten gunste van landbouwers.
6.
Wanneer in het in lid 5 bedoelde geval de landbouwer in de bedoelde periode voor meer dan 55 % van zijn totale productie van het betrokken ras gebruik heeft gemaakt van de afwijkende regeling, moet in het betrokken gebied en voor de betrokken soort een vergoeding worden betaald die gelijk is aan de vergoeding die voor dat ras van toepassing zou zijn, mocht dat ras in de betrokken lidstaat op grond van de nationale regeling inzake kwekersrechten beschermd zijn, op voorwaarde dat er een nationale regeling is die in een dergelijke vergoeding voorziet, en op voorwaarde dat deze vergoeding hoger is dan 50 % van de bedragen die worden aangerekend voor het in licentie produceren van teeltmateriaal, als bedoeld in lid 2. Als in de nationale regeling niet in een dergelijke vergoeding is voorzien, is het bepaalde in lid 5 van toepassing, ongeacht de mate waarin van de afwijking gebruik is gemaakt.
7.
Het bepaalde in lid 5, eerste alinea, en in lid 6 wordt uiterlijk op 1 januari 2003 opnieuw bezien in het licht van in het kader van deze verordening opgedane ervaring en van de ontwikkeling van de in lid 3 bedoelde verhouding met het oog op de eventuele aanpassing daarvan op uiterlijk 1 juli 2003 voorzover dat nodig zou blijken om in de gehele Gemeenschap of in een deel daarvan de redelijk evenwichtige verhouding als bedoeld in vorengenoemd lid 3 tot stand te brengen of in stand te houden.