NJB 2025/2696:Het ‘wederrechtelijk binnendringen’ in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten een politiebureau, art. 139 lid 1 Sr: van ‘binnendringen’ is sprake als het betreden van een voor de openbare dienst bestemd lokaal plaatsvindt tegen de – blijkens een verklaring van de rechthebbende of een andere omstandigheid – onmiskenbare wil van de rechthebbende. Door toevoeging van het woord ‘wederrechtelijk’ is buiten twijfel gesteld dat het binnentreden niet strafbaar is als dit op een andere grond gerechtvaardigd is. Het betreden van een voor de openbare dienst bestemd lokaal nadat de betrokkene schriftelijk de toegang daartoe is ontzegd, levert in beginsel wederrechtelijk binnendringen op. Dat kan anders zijn onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als de rechter het aannemelijk acht dat het lokaalverbod onrechtmatig is. Of het opleggen van een lokaalverbod onrechtmatig is, wordt beheerst door het burgerlijk recht, in het bijzonder het eigendomsrecht of het met de eigenaar overeengekomen contractuele gebruiksrecht van de rechthebbende. De Hoge Raad gaat in op onder meer de art. 5:1 lid 2 en 3:14 BW. In casu kon het hof oordelen dat sprake was van een voldoende ernstige vorm van overlast en dat het lokaalverbod daarom niet onrechtmatig is.