H.J. Smidt, herzien en aangevuld door J.W. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 86, en D. Simons, Leerboek van het Nederlandsche strafrecht; tweede deel, Groningen: F. Noordhoff N.V. 1941, p. 250 en 253-254..
HR, 11-11-2025, nr. 23/03898
ECLI:NL:HR:2025:1674
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-11-2025
- Zaaknummer
23/03898
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Politierecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1674, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:680
ECLI:NL:PHR:2025:680, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1674
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑08‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0349
JB 2026/2
Uitspraak 11‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Lokaalvredebreuk door ondanks opgelegd lokaalverbod bij politiebureau naar binnen te gaan, art. 139.1 Sr. Bewijsklacht “wederrechtelijk” binnendringen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1464 t.a.v. vereisten voor wederrechtelijk binnendringen. Antwoord op vraag of het opleggen van lokaalverbod onrechtmatig is, wordt beheerst door burgerlijk recht, i.h.b. eigendomsrecht of met eigenaar overeengekomen contractueel gebruiksrecht van rechthebbende. Uit eigendomsrecht voortvloeiend gebruiksrecht is o.g.v. art. 5:1.2 BW in beginsel exclusief. Dit recht vindt echter zijn beperking in rechten van anderen alsmede in wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht, waaronder (als rechthebbende een overheidslichaam is of overheidstaak uitoefent) eventueel toepasselijke geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht a.b.i. art. 3:14 BW. Tot publiekrecht behoren algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Vraag of oplegging van lokaalverbod uit zijn eigendoms- of gebruiksrecht voortvloeiende vrijheid van rechthebbende overschrijdt, laat zich niet in het algemeen beantwoorden maar is afhankelijk van omstandigheden van geval. Niet is vereist dat lokaalverbod zijn grond vindt in geconstateerd strafbaar feit, ook voldoende ernstige vormen van overlast kunnen daarvoor grond geven. Als het gaat om voor publiek toegankelijke ruimte van openbare dienst zal in strijd met discriminatieverbod of kennelijk willekeurig opgelegd lokaalverbod niet rechtmatig zijn. Hof heeft vastgesteld dat lokaalverbod aan verdachte is opgelegd vanwege feit dat hij zich in periode voorafgaand aan dat lokaalverbod diverse keren niet fatsoenlijk heeft gedragen t.o.v. politiemedewerkers bij bezoek aan politiebureau, dat dit het jaar ervoor eveneens aan de orde was en dat sprake was van grensoverschrijdend gedrag van verdachte in de richting van politiemedewerkers. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen kennelijk geoordeeld dat sprake was van voldoende ernstige vorm van overlast en dat lokaalverbod daarom niet onrechtmatig is. Dit oordeel is (ook in het licht van wat namens verdachte is aangevoerd en tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld) niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03898
Datum 11 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 september 2023, nummer 20-002598-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.H.A. Augustin bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte ‘wederrechtelijk’ een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten een politiebureau, is binnengedrongen.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 28 september 2022 te [plaats] in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten politiebureau, gelegen aan de [a-straat 1] , wederrechtelijk is binnengedrongen.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 28 september 2022, dossierpagina’s 3-4, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :(...)
Op 28 september 2022 waren we beiden in politieuniform gekleed en bevonden ons in het politiebureau, welke gelegen is aan de [a-straat 1] in [plaats] . Wij waren dusdanig als politie herkenbaar.Op 28 september 2022 kregen wij van de chef van dienst, [betrokkene 1] , de opdracht om [verdachte] aan te houden voor lokaalvredebreuk. [verdachte] zou zich ophouden bij de ontvangsthal van het politiebureau in [plaats] . Wij hoorden van [betrokkene 1] dat op 3 maart 2022 aan verdachte [verdachte] een lokaalverbod voor het politiebureau in [plaats] , gelegen aan de [a-straat 1] , werd uitgereikt.Op 28 september 2022 liepen wij naar de ontvangsthal van het politiebureau in [plaats] . Daar zagen wij, voor ons ambtshalve bekend, [verdachte] staan in de aankomsthal. Hierop hielden wij verdachte [verdachte] aan op basis van artikel 139 Wetboek van Strafrecht.
2. Het lokaalverbod:Geachte [verdachte] , Naar aanleiding van het feit dat u zich de afgelopen periode diverse keren niet fatsoenlijk heeft gedragen, t.o.v. mijn collega’s, bij uw bezoek aan het bureau van politie [betrokkene 2] te [plaats] , [a-straat 1] en het feit dat dit vorig jaar eveneens aan de orde was, deel ik u mede dat u tot en met 31 december 2022 niet meer welkom bent in genoemd politiebureau. Indien u in de toekomst een beroep wenst te doen op de politie [plaats] kunt u 0900-8844 hierover, telefonisch dan wel via het internet, een verzoek indienen. Hierna zal door ons worden beoordeeld of en hoe wij hier op in zullen gaan.Datum: 3 maart 2022[betrokkene 2] , Chef basisteam [plaats]
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2022, dossierpagina’s 6-8, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :(...)
Op 3 maart 2022 bevonden wij ons bij de woning, gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] , gemeente [...] . Wij waren aldaar om de verdachte [verdachte] een lokaalverbod uit te reiken voor het politiebureau gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . Dit lokaalverbod werd vandaag, 3 maart 2022, opgemaakt door de teamchef van het basisteam [plaats] in verband met het grensoverschrijdende gedrag van [verdachte] in de richting van politiemedewerkers.Op voornoemd adres is de verdachte [verdachte] woonachtig. [verdachte] is mij, [verbalisant 4] , in mijn hoedanigheid als wijkagent ambtshalve bekend.Ik, [verbalisant 4] , deelde [verdachte] mede dat hij een lokaalverbod kreeg voor het politiebureau [plaats] , gelegen aan de [a-straat 1] , per direct ingaande en geldend tot en met 31 december 2022. Ik, [verbalisant 4] , wilde hem het lokaalverbod uitreiken, maar we hoorden dat [verdachte] zei dat hij deze niet aan wilde nemen.
4. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 9 november 2022:Als ik wist dat ik niet op het politiebureau mocht komen, dan was ik niet gegaan. Ik kwam niet op het politiebureau met een bijl, maar om aangifte te doen.
5. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 29 september 2023:U, voorzitter, vraagt mij of ik mij op 28 september 2022 in het politiebureau te [plaats] bevond om aangifte te doen, terwijl ik een lokaalverbod voor dit politiebureau had. Dat klopt.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar onder meer aangevoerd:
“Het staat niet ter discussie dat cliënt op 28 september 2022 in het politiebureau in [plaats] is geweest. De verdediging stelt dat de wederrechtelijkheid niet bewezen kan worden omdat op grond van het dossier niet kan worden getoetst of het lokaalverbod voor het politiebureau van 3 maart 2022 rechtmatig is afgegeven. Er zit geen proces-verbaal in het dossier waaruit blijkt op grond van welke gedragingen van cliënt het lokaalverbod is afgegeven. Cliënt heeft video’s van die dag en daarop is te zien dat hij zich netjes heeft gedragen. Er is geen reden om aan te nemen dat hij op andere dagen niet netjes is geweest. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat het lokaalverbod van 3 maart 2022 onrechtmatig is.
De belangen van cliënt dienen te worden afgewogen tegen het belang van een locatieverbod; een lokaalverbod van zes maanden is een ingrijpend middel en schendt de bewegingsvrijheid van cliënt. Het is een recht van cliënt om ten allen tijden aangifte te mogen doen.
Het beschermd belang van art. 139 Sr is 'de vrede in voor openbare dienst bestemde lokalen'. Uit het dossier blijkt niet dat dit belang in het geding is of is geweest. Er zijn geen gebeurtenissen beschreven waaruit hinderlijk gedrag van cliënt blijkt op het politiebureau te [plaats] . In het lokaalverbod zelf staat enkel beschreven dat cliënt zich 'de afgelopen periode diverse keren niet fatsoenlijk heeft gedragen t.o.v. mijn collega's, bij uw bezoek aan het bureau van de politie te [plaats] , [a-straat 1] en het feit dat dit vorig jaar eveneens aan de orde was.' Wat deze gedragingen zouden zijn en op welke wijze deze gedragingen 'de vrede' in het politiebureau zouden aantasten, is niet beschreven. Het lokaalverbod ex. art. 139 Sr is bedoeld voor personen die ernstige overlast veroorzaken in lokalen. Deze gedragingen blijken niet uit het dossier.
Voorts wil de verdediging wijzen op een uitspraak van de rechtbank Limburg d.d. 18 februari 2009, zoals genoemd in de appelmemorie. In die zaak ging het om een gebiedsontzegging en werd niet beschreven welke gedragingen aan de orde zijn geweest. De verdachte in die zaak is vrijgesproken omdat het bestanddeel ‘wederrechtelijkheid’ niet kon worden bewezen.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 139 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
- artikel 3:14 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):
“Een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht.”
“1. Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben.2. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen.”
2.4.1
Van ‘binnendringen’ in de zin van artikel 139 lid 1 Sr is sprake als het betreden van een voor de openbare dienst bestemd lokaal plaatsvindt tegen de – door een verklaring van de rechthebbende of op grond van een andere omstandigheid – onmiskenbare wil van de rechthebbende. Door toevoeging van het woord ‘wederrechtelijk’ is buiten twijfel gesteld dat het binnentreden – ook als dit tegen de wil van de rechthebbende is – niet strafbaar is als dit op een andere grond gerechtvaardigd is.Het betreden van een voor de openbare dienst bestemd lokaal nadat de betrokkene schriftelijk de toegang daartoe is ontzegd, levert in beginsel wederrechtelijk binnendringen in de zin van artikel 139 lid 1 Sr op. Dat kan anders zijn onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als de rechter het aannemelijk acht dat het lokaalverbod onrechtmatig is. (Vgl., in iets andere bewoordingen met betrekking tot artikel 138 lid 1 Sr, HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1464.)
2.4.2
Vanwege de redenen die zijn vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.13 tot en met 3.18 moet worden aangenomen dat het antwoord op de vraag of het opleggen van een lokaalverbod onrechtmatig is, wordt beheerst door het burgerlijk recht, in het bijzonder het eigendomsrecht of het met de eigenaar overeengekomen contractuele gebruiksrecht van de rechthebbende. Een uit het eigendomsrecht voortvloeiend gebruiksrecht is op grond van artikel 5:1 lid 2 BW in beginsel exclusief. Dit recht vindt echter zijn beperking in de rechten van anderen, alsmede in wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht, waaronder – als de rechthebbende een overheidslichaam is of een overheidstaak uitoefent – eventueel toepasselijke geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht, zoals bepaald in artikel 3:14 BW. Tot het publiekrecht behoren de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of de oplegging van een lokaalverbod de uit zijn eigendoms- of gebruiksrecht voortvloeiende vrijheid van de rechthebbende overschrijdt, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Niet is vereist dat het lokaalverbod zijn grond vindt in een geconstateerd strafbaar feit, ook voldoende ernstige vormen van overlast kunnen daarvoor grond geven. Als het gaat om een voor het publiek toegankelijke ruimte van een openbare dienst zal een in strijd met het discriminatieverbod of een kennelijk willekeurig opgelegd lokaalverbod niet rechtmatig zijn.
2.4.3
Het hof heeft vastgesteld dat het lokaalverbod aan de verdachte is opgelegd vanwege het feit dat hij zich in de periode voorafgaand aan dat lokaalverbod diverse keren niet fatsoenlijk heeft gedragen ten opzichte van politiemedewerkers bij een bezoek aan het politiebureau aan de [a-straat 1] in [plaats] , dat dit het jaar ervoor eveneens aan de orde was en dat sprake was van grensoverschrijdend gedrag van de verdachte in de richting van politiemedewerkers. Het hof heeft op grond van deze vaststellingen kennelijk geoordeeld dat sprake was van een voldoende ernstige vorm van overlast en dat het lokaalverbod daarom niet onrechtmatig is. Dit oordeel is – ook in het licht van wat namens de verdachte is aangevoerd en tegen de achtergrond van wat onder 2.4.2 is vooropgesteld – niet onbegrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 1.000, waarvan € 500 voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2025.
Conclusie 01‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Lokaalvredebreuk na verbod op politiebureau te komen (139 Sr). M1 over ontbreken vordering tot verwijdering faalt. M2 over onrechtmatigheid lokaalverbd faalt. AG gaat in op wijze van toetsing lokaalverbod door de strafrechter. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03898
Zitting 1 juli 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 29 september 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen", veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,- waarvan € 500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en B.H.A. Augustin, advocaat in Urmond, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.
2.1
Het eerste middel richt zich, zo begrijp ik, tegen de bewezenverklaring.
2.2
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“Hij op of omstreeks 28 september 2022 te [plaats 1] in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten politiebureau (gelegen aan de [a-straat 1] ) wederrechtelijk is binnengedrongen.”
2.3
Deze tenlastelegging is toegesneden op art. 139 lid 1 Sr. Dit artikel luidt:
“Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
2.4
Ten laste van de verdachte is uiteindelijk bewezenverklaard dat:
“Hij op 28 september 2022 te [plaats 1] in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten politiebureau, gelegen aan de [a-straat 1] , wederrechtelijk is binnengedrongen.”
2.5
In het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding is gewaarschuwd, welke eis zou voortvloeien uit het onderdeel van artikel 139 lid 1 Sr dat strafbaar stelt degene die “zich niet op vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert”.
2.6
Dat de verdachte zich niet op vordering van de bevoegde ambtenaar heeft verwijderd is echter niet tenlastegelegd en evenmin bewezenverklaard. Ten laste van de verdachte is immers het in de wet afzonderlijk strafbaar gestelde ‘wederrechtelijk binnendringen’ bewezenverklaard. Van wederrechtelijk binnendringen is sprake als het voor de openbare dienst bestemde lokaal wordt betreden tegen de onmiskenbare wil van de gebruiker. Een vordering van een bevoegde ambtenaar om zich te verwijderen is daarvoor niet vereist.
2.7
Het middel faalt.
Het tweede middel
3.
3.1
In het tweede middel wordt geklaagd dat het hof ten onrechte de tenlastegelegde ‘wederrechtelijkheid’ van het binnendringen heeft bewezenverklaard omdat niet een zodanig zwaarwegende grond voor de oplegging van het toegangsverbod is aangetoond, dat daarmee de inbreuk gerechtvaardigd is die dit verbod maakt op de rechten van de verdachte die voortvloeien uit art. 8 EVRM.
3.2
Ik zal hieronder eerst de door het hof gebruikte bewijsmiddelen aanhalen en ook een aantal relevante passages uit het proces-verbaal ter terechtzitting. Het arrest bevat geen afzonderlijke inhoudelijke bewijsoverweging van het hof.
De bewijsmiddelen en de behandeling ter terechtzitting
3.3
De aantekening van het mondelinge arrest bevat de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 28 september 2022, dossierpagina’s 3-4, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
(Dossierpagina 3) Op 28 september 2022 waren we beiden in politieuniform gekleed en bevonden ons in het politiebureau, welke gelegen is aan de [a-straat 1] in [plaats 1] . Wij waren dusdanig als politie herkenbaar.
Op 28 september 2022 kregen wij van de chef van dienst, [betrokkene 1] , de opdracht om [verdachte] aan te houden voor lokaalvredebreuk. [verdachte] zou zich ophouden bij de ontvangsthal van het politiebureau in [plaats 1] . Wij hoorden van [betrokkene 1] dat op 3 maart 2022 aan [verdachte] een lokaalverbod voor het politiebureau in [plaats 1] , gelegen aan de [a-straat 1] , werd uitgereikt.
Op 28 september 2022 liepen wij naar de ontvangsthal van het politiebureau in [plaats 1] . Daar zagen wij, voor ons ambtshalve bekend, [verdachte] staan in de aankomsthal. Hierop hielden wij [verdachte] aan op basis van artikel 139 Wetboek van Strafrecht.
2. Het lokaalverbod:
Geachte [verdachte] , Naar aanleiding van het feit dat u zich de afgelopen periode diverse keren niet fatsoenlijk heeft gedragen, t.o.v. mijn collega’s, bij uw bezoek aan het bureau van politie [betrokkene 2] te [plaats 1] , [a-straat 1] en het feit dat dit vorig jaar eveneens aan de orde was, deel ik u mede dat u tot en met 31 december 2022 niet meer welkom bent in genoemd politiebureau. Indien u in de toekomst een beroep wenst te doen op de politie [plaats 2] kunt u 0900-8844 hierover, telefonisch dan wel via het internet, een verzoek indienen. Hierna zal door ons worden beoordeeld of en hoe wij hier op in zullen gaan.
Datum: 3 maart 2022[betrokkene 2] , Chef basisteam [plaats 2]
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2022, dossierpagina’s 6-8, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] : (Dossierpagina 6) Op 3 maart 2022 bevonden wij ons bij de woning, gelegen aan [b-straat 1] te [geboorteplaats] , gemeente [plaats 1] . Wij waren aldaar om de [verdachte] een lokaalverbod uit te reiken voor het politiebureau gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats 1] . Dit lokaalverbod werd vandaag, 3 maart 2022, opgemaakt door de teamchef van het basisteam [plaats 2] in verband met het grensoverschrijdende gedrag van [verdachte] in de richting van politiemedewerkerkers.
Op voornoemd adres is de [verdachte] woonachtig. [verdachte] is mij, [verbalisant 4] , in mijn hoedanigheid als wijkagent ambtshalve bekend.
Ik, [verbalisant 4] , deelde [verdachte] mede dat hij een lokaalverbod kreeg voor het politiebureau [plaats 1] , gelegen aan de [a-straat 1] , per direct ingaande en geldend tot en met 31 december 2022. Ik, [verbalisant 4] , wilde hem het lokaalverbod uitreiken, maar we hoorden dat [verdachte] zei dat hij deze niet aan wilde nemen.
4. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 9 november 2022: Als ik wist dat ik niet op het politiebureau mocht komen, dan was ik niet gegaan. Ik kwam niet op het politiebureau met een bijl, maar om aangifte te doen.
5. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 29 september 2023:
U, voorzitter, vraagt mij of ik mij op 28 september 2022 in het politiebureau te [plaats 1] bevond om aangifte te doen, terwijl ik een lokaalverbod voor dit politiebureau had. Dat klopt.”
3.4
Aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof kan verder het volgende worden ontleend:
“De verdachte verklaart als volgt:
U, voorzitter, vraagt mij of ik mij op 28 september 2022 in het politiebureau te [plaats 1] bevond om aangifte te doen, terwijl ik een lokaalverbod voor dit politiebureau had. Dat klopt. Dat lokaalverbod hebben ze op 3 maart 2022 getracht aan mij uit te reiken. Het lokaalverbod was niet terecht en ik kan dus daarvoor niet gestraft worden. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik een lokaalverbod heb gekregen in verband met het grensoverschrijdend gedrag in de richting van politiemedewerkers en dat ik het lokaalverbod niet wilde aannemen. Ik begrijp er niets van. Ik heb op 3 maart 2022 de situatie gefilmd. Ik heb op band staan dat ik toen netjes heb gevraagd wat er aan de hand was omdat ik het niet begreep. Ik heb de verbalisanten gevraagd om het mij uit te leggen. Ik bleef netjes. Waarom krijg ik een lokaalverbod als ik mij netjes gedraag?
(…)
Ik heb een briefje gekregen. Dat is geen besluit. Ik heb nooit iets gekregen. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik het lokaalverbod niet aan wilde nemen. Ik heb niets gedaan. Hoezo kan ik een verbod van de politie krijgen? Ik heb begrepen dat alleen de rechter dit kan. Ik heb begrepen dat als je iets strafbaars hebt gedaan, de rechter kan zeggen dat je in een bepaalde publieke locatie niet mag komen. Als ik niet wil dat iemand mijn woning betreed dan is dat mijn goed recht. Dit ging echter om een publieke ruimte. Ik wilde aangifte doen. Het hof zal moeten beoordelen of hier iets is gebeurd wat niet door de beugel kan. Ik bleef netjes. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik mij volgens de politie diverse keren niet fatsoenlijk heb gedragen en dat ik om die reden op 3 maart 2022 een lokaalverbod heb gekregen. Ik zou willen weten wat ik dan heb gedaan. U, voorzitter, vraagt mij of ik telefonisch of via internet aangifte had kunnen doen. Ik snap er niets van. Ik bleef netjes. Ik blijf altijd netjes. Ik bedreig nooit iemand. Het kan wel zo zijn dat ik niet altijd even leuke vragen stel. Dit kan echter niet de reden zijn om iemand te beletten aangifte te doen. De politie heeft mij belet om aangifte in persoon te kunnen doen. Ik ben niet van het digitale. Ik heb het recht om op een politiebureau aangifte te doen. Ik begrijp gewoon niet waarom ik niet op het politiebureau mocht zijn.
(…)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt:
Het staat niet ter discussie dat cliënt op 28 september 2022 in het politiebureau in [plaats 1] is geweest. De verdediging stelt dat de wederrechtelijkheid niet bewezen kan worden omdat op grond van het dossier niet kan worden getoetst of het lokaalverbod voor het politiebureau van 3 maart 2022 rechtmatig is afgegeven. Er zit geen proces-verbaal in het dossier waaruit blijkt op grond van welke gedragingen van cliënt het lokaalverbod is afgegeven. Cliënt heeft video’s van die dag en daarop is te zien dat hij zich netjes heeft gedragen. Er is geen reden om aan te nemen dat hij op andere dagen niet netjes is geweest. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat het lokaalverbod van 3 maart 2022 onrechtmatig is.
De belangen van cliënt dienen te worden afgewogen tegen het belang van een locatieverbod; een lokaalverbod van zes maanden is een ingrijpend middel en schendt de bewegingsvrijheid van cliënt. Het is een recht van cliënt om ten allen tijden aangifte te mogen doen.
Het beschermd belang van art. 139 Sr is ’de vrede in voor openbare dienst bestemde lokalen'. Uit het dossier blijkt niet dat dit. belang in het geding is of is geweest. Er zijn geen gebeurtenissen beschreven waaruit hinderlijk gedrag van cliënt blijkt op het politiebureau te [plaats 1] . In het lokaalverbod zelf staat enkel beschreven dat cliënt zich 'de afgelopen periode diverse keren niet fatsoenlijk heeft gedragen t.o.v. mijn collega's, bij uw bezoek aan het bureau van de politie te [plaats 1] , [a-straat 1] en het feit dat dit vorig jaar eveneens aan de orde was.' Wat deze gedragingen zouden zijn en op welke wijze deze gedragingen ‘de vrede’ in het politiebureau zouden aantasten, is niet beschreven. Het lokaalverbod ex. art. 139 Sr is bedoeld voor personen die ernstige overlast veroorzaken in lokalen. Deze gedragingen blijken niet uit het dossier.
Voorts wil de verdediging wijzen op een uitspraak van de rechtbank Limburg d.d. 18 februari 2009, zoals genoemd in de appelmemorie. In die zaak ging het om een gebiedsontzegging en werd niet beschreven welke gedragingen aan de orde zijn geweest. De verdachte in die zaak is vrijgesproken omdat het bestanddeel ‘wederrechtelijkheid’ niet kon worden bewezen.”
Juridisch kader
3.5
Het middel stelt de vraag aan de orde of en, zo ja, hoe de strafrechter de rechtmatigheid van een vooraf gegeven toegangsverbod kan toetsen bij het oordeel of een verdachte wederrechtelijk is binnengedrongen in een voor de openbare dienst bestemd lokaal.
3.6
3.7
Art. 138 lid 1 Sr luidt:
“Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
3.8
Het bedoelde arrest is HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2029:1464. In de zaak die ten grondslag lag aan dit arrest was aan de verdachte een winkelverbod opgelegd door de eigenaar van een supermarkt vanwege een door de verdachte gepleegde winkeldiefstal. Bij het hof had de verdediging aangevoerd dat dit verbod niet voldeed aan eisen die werden genoemd in een brief van de minister van Justitie en dat het verbod daarom niet rechtsgeldig was. Het hof had overwogen dat deze brief geen deel uitmaakt van de delictsomschrijving van art. 138 Sr en dat ook het overigens aangevoerde niet tot de conclusie leidde dat geen sprake was van een rechtsgeldig winkelverbod. De Hoge Raad overwoog:
“2.4.1 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De strekking van art. 138, eerste lid, Sr brengt mee dat als ‘binnendringen’ in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd het betreden van een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, indien degene die zich daarin of daarop begeeft, zulks doet tegen de voor hem - hetzij door een verklaring van de rechthebbende, hetzij op grond van enige andere omstandigheid - onmiskenbare wil van de rechthebbende. Door toevoeging van het woord ‘wederrechtelijk’ is buiten twijfel gesteld dat het binnentreden - ook al geschiedt dit tegen de wil van de rechthebbende - niet strafbaar is indien dit uit anderen hoofde gerechtvaardigd zou zijn.Het betreden van een winkel nadat aan de betrokkene een schrijven is uitgereikt met de strekking dat hem de toegang daartoe is ontzegd, levert in beginsel wederrechtelijk binnendringen in de zin van art. 138, eerste lid, Sr op. Bijzondere omstandigheden kunnen tot een ander oordeel nopen. (Vgl. met betrekking tot het betreden van een flatgebouw HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5282.) Van een dergelijke omstandigheid is sprake in het geval de rechter aannemelijk heeft geoordeeld dat het desbetreffende winkelverbod onrechtmatig is.
2.4.2
Het antwoord op de vraag of het opleggen van een winkelverbod onrechtmatig is, wordt beheerst door het burgerlijk recht, in het bijzonder het eigendomsrecht of het met de eigenaar overeengekomen contractuele gebruiksrecht van de winkelier. Een uit het eigendomsrecht voortvloeiend gebruiksrecht is op grond van art. 5:1, tweede lid, BW in beginsel exclusief. Dit recht vindt echter zijn beperking in de rechten van anderen, alsmede in wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht. De vraag of de oplegging van een winkelverbod de uit zijn eigendoms- of gebruiksrecht voortvloeiende vrijheid van de winkelier overschrijdt, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Niet is vereist dat het winkelverbod zijn grond vindt in een geconstateerd strafbaar feit, ook voldoende ernstige vormen van overlast kunnen daarvoor grond geven. Indien het gaat om een voor een algemeen publiek toegankelijke winkel zal een in strijd met het discriminatieverbod of een kennelijk willekeurig opgelegd winkelverbod niet rechtmatig zijn.
2.5.1
Verweer en middel doen een beroep op een brief van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 29 september 2004 over winkelverboden, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 15. In die brief staat onder meer dat een winkelverbod jegens de verdachte alleen kan worden uitgevaardigd bij betrapping op heterdaad van een strafbaar feit.Het middel neemt, in navolging van het verweer, tot uitgangspunt dat de oplegging van een winkelverbod alleen rechtmatig is wanneer aan de in de brief vermelde voorwaarden is voldaan. Die opvatting is, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.1 en 2.4.2 is vooropgesteld, onjuist omdat de enkele omstandigheid dat niet voldaan is aan de in de brief genoemde voorwaarden niet met zich brengt dat de oplegging van het winkelverbod onrechtmatig is. Het middel faalt in zoverre.”
3.9
Kort samengevat komt dit erop neer dat bij overtreding van een winkelverbod in beginsel sprake is van wederrechtelijk binnendringen in de zin van art. 138 lid 1 Sr, maar dat deze wederrechtelijkheid niet bestaat als de rechter aannemelijk acht dat het winkelverbod onrechtmatig is. Een dergelijk winkelverbod wordt daarbij gezien als de uitoefening van een (afgeleid) eigendomsrecht. De onrechtmatigheid van dat verbod kan dan voortvloeien uit de beperkingen die gelden voor dit eigendomsrecht. Ik citeer het in het arrest genoemde art. 5:1 lid 1 en 2 BW:
“1. Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben.2. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen.”
3.10
Dat dit kader uit het arrest van 29 oktober 2019 onverkort van toepassing is op het strafbare feit van art. 139 lid 1 Sr is niet vanzelfsprekend. Art. 138 lid 1 en art. 139 lid 1 Sr stellen weliswaar beide strafbaar degene die wederrechtelijke binnendringt en degene die wederrechtelijk ergens verblijft en zich niet meteen na een vordering verwijdert. Volgens de wettekst bestaan tussen deze bepalingen echter ook drie verschillen:
- het object van het binnendringen of verblijf: bij huisvredebreuk is dit de “woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik” en bij lokaalvredebreuk een “voor de openbare dienst bestemd lokaal”;
- de kwaliteit van degenen die de vordering tot verwijdering kan doen: de “rechthebbende” bij huisvredebreuk en “de bevoegde ambtenaar” bij lokaalvredebreuk; en
- de strafmaat, waaronder: maximaal één jaar gevangenisstraf bij huisvredebreuk en drie maanden bij lokaalvredebreuk.
3.11
Deze verschillen geven uitdrukking aan een onderscheid in beschermd belang en suggereren ook een verschil in grondslag voor het beperken van de toegang tot het lokaal. De strafbaarstelling van huisvredebreuk strekt tot bescherming van het aan de persoonlijke levenssfeer gerelateerde woonrecht en van het eigendomsrecht in het algemeen. De strafbaastelling van lokaalvredebreuk heeft tot doel de taakuitoefening van de overheid mogelijk te maken. Dit verschil in beschermde rechtsgoederen verklaart het verschil in strafmaximum.1.Het gebruik van de termen ‘openbare dienst’ en ‘ambtenaar’ zou verder aanleiding kunnen zijn voor de aanname dat de toegang(sbeperking) wordt geregeld door het publieke en niet door het burgerlijke recht. Zo wordt in de oudere literatuur gesteld dat: “de vraag, wanneer het binnendringen en het vertoeven wederrechtelijk is, zal moeten worden beantwoord naar de bestemming van het lokaal en naar de geldende administratieve voorschriften”.2.
3.12
Ik zal dit nader onderzoeken, waarbij ik vooropstel dat ik geen reden zie het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ in art. 139 Sr op zichzelf anders uit te leggen dan in art. 138 Sr. Gelet op de gelijke bewoordingen en structuur van de wettekst ligt het voor de hand ook voor art. 139 Sr ervan uit te gaan dat binnentreden of ergens vertoeven tegen de wil van de rechthebbende niet wederrechtelijk is als dit uit anderen hoofde is gerechtvaardigd. Overigens lijkt de onrechtmatigheid van een gegeven winkelverbod op het eerste gezicht niet te gaan over een rechtvaardiging, oftewel een eigen of beter recht, om ergens binnen te treden. Eerder lijkt het te gaan om het recht van de eigenaar of gebruiker om het verbod uit te vaardigen. Uiteindelijk komt het echter in beide gevallen aan op de onderlinge verhouding van twee rechten.
3.13
Wat de grondslag van de toegangsbeperking betreft, dient in het oog te worden gehouden dat niet ieder voor de openbare dienst bestemd lokaal voor het publiek toegankelijk is. In een gemeentehuis bijvoorbeeld zijn immers zowel de publieksruimte, met balies en spreekkamers, als het kantoorgedeelte van de ambtenaren en de wethouders voor de openbare dienst bestemd. Voor die publieksruimte gelden bovendien openingstijden en zal ook de toegang tot die ruimten in beginsel beperkt zijn tot degenen die zaken willen doen met de gemeente.3.
3.14
Verder dient in het oog te worden gehouden dat de toegang van het publiek tot een voor de openbare dienst bestemd lokaal slechts zelden door een wettelijk voorschrift wordt geregeld, maar meestal voortvloeit uit de taak die de overheid dient te vervullen en die persoonlijke interactie veronderstelt tussen de overheid en een burger.4.Slechts een enkele keer is dit anders, bijvoorbeeld als het gaat om een vergadering van de gemeenteraad. Deze vergadering is volgens de wet in beginsel openbaar (art. 23 Gemeentewet) zodat gedurende de vergadering recht bestaat op toegang tot de vergaderzaal5., met dien verstande dat de voorzitter bevoegd is toehoorders die de orde verstoren te doen vertrekken (art. 26 lid 1 Gemeentewet).
3.15
Hieruit volgt dat ook het reguleren van de toegang tot overheidsgebouwen in de meeste gevallen zal zijn gebaseerd op het (afgeleide) eigendomsrecht van het betreffende, rechtspersoonlijkheid bezittende overheidslichaam. Dit vindt ook bevestiging in de rechtspraak.
3.16
Zo heeft de Hoge Raad op basis van de wetsgeschiedenis van art. 138 en 139 Sr overwogen dat “moet worden aangenomen dat de woorden 'vordering van den "bevoegden" ambtenaar' in art. 139, eerste lid, Sr enkel tot uitdrukking brengen dat de vordering moet zijn gedaan vanwege de rechthebbende - bijvoorbeeld de Staat of de gemeente - van het voor de openbare dienst bestemde lokaal”.6.Dat het daarbij gaat om een civielrechtelijke rechthebbende volgt uit de in het citaat opgenomen voorbeelden. Genoemd worden niet de (bestuurs)organen van de Staat of de gemeente, maar de rechtspersoonlijkheid bezittende overheidslichamen. De Hoge Raad heeft deze zelfde overweging gebruikt in een zaak waarin het ging om lokaalvredebreuk bij een vergadering van de gemeenteraad, een situatie waarin de toegang tot de vergaderzaal wel publiekrechtelijk is geregeld.7.Ik wijs ten slotte op een zaak waarin de Hoge Raad bij zijn oordeel of sprake is van een ‘ambtenaar’, in dit geval een beveiliger van de TU Delft, ook expliciet in zijn overweging betrok dat de universiteit rechtspersoonlijkheid bezat.8.
3.17
De rechtspraak van de bestuursrechter is hiermee in overeenstemming. De Centrale Raad van Beroep heeft verschillende keren uitgemaakt dat het beperken van de toegang van een uitkeringsrechtigde tot het gebouw van de uitkeringsinstantie geen gebruik is van een publiekrechtelijke bevoegdheid en dus geen besluit oplevert in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb. Een dergelijke maatregel wordt getroffen als eigenaar van het gebouw, terwijl het beheren van een pand niet het uitoefenen van een publiekrechtelijke taak is.9.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde op vergelijkbare wijze.10.
3.18
Uit het voorgaande valt af te leiden dat in het geval een eigenaar van een zaak ten aanzien van die zaak eigenaarsbevoegdheden hanteert, hij handelt op privaatrechtelijke titel. Dat is niet anders als de overheid eigenaar is van een zaak met een publieke bestemming.11.
3.19
Dat neemt echter niet weg dat bij het oordeel of een toegangsverbod rechtmatig is, rekening moet worden gehouden met eventueel toepasselijke geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht. Ik roep art. 5:1 lid 2 BW in herinnering dat bepaalt dat een eigenaar bij de uitoefening van zijn rechten de beperkingen in acht moet nemen die zijn gegrond op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht. Met dit laatste wordt met name gedoeld op de ongeschreven regels van burgerlijk recht.12.Art. 3:14 BW houdt echter expliciet in dat “[e]en bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, [niet mag] worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht”. Dit brengt mee dat het overheidslichaam dat een burgerlijk recht uitoefent daarbij is gebonden aan de grondrechten13.en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.14.
3.20
Dat de toetsing van het toegangsverbod zoals beschreven in het arrest van 29 oktober 2019 heel anders wordt door daar ook het ongeschreven publiekrecht bij te betrekken, staat voor mij overigens niet vast. Volgens dit arrest:
- dient te worden gekeken naar de omstandigheden van het geval;
- dient een grond te bestaan voor de oplegging van het verbod, die ook kan bestaan uit een voldoende ernstige vorm van overlast; en
- kan bij een voor het algemeen publiek toegankelijke (winkel)ruimte een verbod (in ieder geval) onrechtmatig zijn als bij oplegging wordt gehandeld in strijd met het discriminatieverbod of als sprake is van een kennelijk willekeurig opgelegd toegangsverbod.
3.21
Dit alles lijkt mij eveneens van toepassing op de toetsing van een door een overheidslichaam opgelegd toegangsverbod. Het gelijkheidsbeginsel15.en het verbod op willekeur zijn ook twee belangrijke materiële algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het kader van het willekeurbeginsel zal ook aan de orde kunnen komen of het belang dat de betrokkene heeft bij de uitoefening van de publieke taak van de overheid in het betreffende gebouw, zodanig veel zwaarder weegt dan het met het toegangsverbod verbonden belang van orde en rust, dat het onredelijk zou zijn om dit te verbod op te leggen of te handhaven. Of daarvan sprake is, zal onder andere afhangen van de aard van de taak, het belang daarvan voor de betreffende persoon, het bestaan van alternatieven voor de fysieke aanwezigheid in het gebouw en de mogelijkheid om uitzonderingen te maken op het toegangsverbod.16.
3.22
Ter afronding van het juridisch kader zou ik nog een opmerking willen maken over de in het geciteerde arrest geformuleerde maatstaf om de onrechtmatigheid van een toegangsverbod vast te stellen, namelijk dat de rechter dit “aannemelijk heeft geoordeeld”. Ik begrijp dit zo dat niet het onrechtmatigheidsoordeel zelf, maar de feiten die ten grondslag liggen aan dit oordeel (slechts) aannemelijk moeten zijn geworden. De in het arrest gebruikte formulering laat verder open wie dergelijke feiten moet aandragen. Omdat de onrechtmatigheid van het toegangsverbod een vorm is van een “bijzondere” omstandigheid die een uitzondering vormt op de regel dat overtreding van zo’n verbod “in beginsel’ wederrechtelijk binnendringen oplevert, ga ik ervan uit dat het voor een bewezenverklaring niet nodig is dat de rechtmatigheid van het toegangsverbod uit de bewijsmiddelen volgt.
Bespreking van het middel
3.23
Bij de toepassing van het door mij geschetste kader is van belang om vast te stellen dat in deze zaak de (beperking van de) toegang tot een politiebureau niet als zodanig in enig publiekrechtelijk voorschrift is geregeld. De politie bezit volgens art. 26 van de Politiewet 2012 rechtspersoonlijkheid, zodat zij (afgeleide) eigendomsrechten kan uitoefenen.
3.24
De door het hof gehanteerde bewijsmiddelen houden in dat het verbod aan de verdachte om het politiebureau aan [a-straat ] in [plaats 1] te betreden is neergelegd in een brief van 3 maart 2022. De inhoud van dit verbod is nog op dezelfde dag aan de verdachte medegedeeld. Als reden voor de oplegging van het toegangsverbod noemt de brief dat de verdachte zich in de afgelopen periode op het politiebureau niet fatsoenlijk heeft gedragen tegenover politieambtenaren en dat dit in het voorgaande jaar ook het geval was geweest.
3.25
Dat dit toegangsverbod op directe wijze inbreuk maakt op de rechten van de verdachte die worden gewaarborgd door art. 8 EVRM, volg ik niet. Deze verdragsbepaling geeft iedere burger een “recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie”. Het verblijf op een politiebureau valt daar niet zonder meer onder. De vergelijking met het door de steller van het middel aangehaalde vonnis van de rechtbank Limburg, wat daar verder ook van zij, gaat mank.17.In die zaak ging het om een persoon die een toegangsverbod opgelegd had gekregen voor het AZC waar hij verbleef, zonder dat hij beschikte over onderdak elders of over voldoende middelen van bestaan. In een dergelijk geval komen de door art. 8 EVRM beschermde rechten wel in beeld.
3.26
Het in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel van het hof dat het niet aannemelijk heeft geoordeeld dat het toegangsverbod onrechtmatig is, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat herhaald onfatsoenlijk gedrag jegens politieambtenaren een voldoende ernstige vorm van overlast kan opleveren, mede gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof dat hij zich filmend in het politiebureau bevond en dat het kan zijn dat hij daar “niet altijd even leuke vragen” stelde. Aangezien bovendien geen sprake was van de door de verdachte gestelde inbreuk op art. 8 EVRM, was het hof niet gehouden nadere vaststellingen te doen over de feitelijke grondslag van het toegangsverbod.
3.27
Het middel faalt.
4.
Afronding
4.1
Alle middelen falen.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑07‑2025
D. Simons, a.w., p. 253 en 254.
Onderscheid ontleend aan J.W. Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 139 Sr, aant. 3 (online; actueel tot en met 1 augustus 2019). L. Wiggers-Rust, S. Lierman e.a. (red.), ‘Goederen met een publieke bestemming naar publiek- en privaatrecht: (private) eigendom en algemeen belang’ (Platform voor publiek- en privaatrecht in dialoog – reeks nr. 4), Zutphen: Uitgeverij Paris 2023, p.14, spreekt van ‘semiopenbare zaken’.
Een voor de openbare dienst bestemd lokaal is een ruimte die in gebruik is voor het vervullen van een overheidstaak. Vgl. HR 12 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4260, rov. 3.4.2 en al eerder HR 17 december 1928, NJ 1929, p. 638.
Dus niet tijdens de schorsing van de vergadering, HR 17 december 1928, NJ 1929, p. 638.
HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2100, rov. 3.3.2.
HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:13, rov. 2.4.2.
HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2599, rov. 4.8.
CRvB 10 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1967 en CRvB 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:853.
AbRS 7 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0392, rov. 3.1. Zie ook AbRS 5 november 2012, AB 2013/305 waarin de ontzegging van de toegang werd gebaseerd op een overeenkomst.
L. Wiggers-Rust, S. Lierman a.w., p.16, en G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, bijzonder deel (Monografieën BW nr. A26b), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 27 en 28.
S. de Groot, in: GS Vermogensrecht, art. 5:1 BW, aant. 60 (online; actueel tot en met 1 december 2020).
Grondrechten zijn ook rechtstreeks, dus zonder de omweg van art, 3:14 BW, van toepassing op privaatrechtelijke overheidshandelingen: G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, algemeen deel (Monografieën BW nr. A26a), Deventer: Wolters Kluwer 2011, p. 15.
Zie M.W. Scheltema, in: GS Vermogensrecht, art. 3:14 BW, aant. 4 (online; actueel tot en met 27 december 2021) en L. Wiggers-Rust, S. Lierman e.a., a.w. p. 30 en 32. De rol van algemene beginselen van behoorlijk bestuur bij het aangaan van overeenkomsten door de overheid was onder het vóór 1992 geldende Burgerlijk Wetboek al aan de orde geweest in HR 27 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5565. Vgl. ook HR 26 april 1996, AB 1996/372, rov. 3.5.1.
Op grond van art. 3:1 lid 2 Awb zijn onder andere ook art. 3:2 en 3:4 Awb van toepassing op privaatrechtelijke handelingen van bestuursorganen. Deze artikelen verplichten bestuursorganen de relevante feiten en belangen te inventariseren en om een belangenafweging te maken die niet onevenredig mag uitvallen. Zie hierover G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, algemeen deel (Monografieën BW nr. A26a), Deventer: Wolters Kluwer 2011, p. 74-77. Of in deze zaak de politieambtenaar die het lokaalverbod heeft uitgevaardigd moet worden aangemerkt als een bestuursorgaan staat overigens geenszins vast, zie AbRS 7 augustus 2013, AB 2013/407 m.nt. L.M. Koenraad en J.A.F. Peters, met name randnr. 6 van die noot.
Rechtbank Limburg 7 mei 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:CA3951.
Beroepschrift 01‑08‑2024
Hoge Raad
Afdeling straf
Parketnummer: 03-246052-22
cassatieschriftuur
Inzake
De heer [verdachte];
woonplaats kiezende te [woonplaats];
verdachte;
advocaat: mr. BHA Augustin.
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen,
Bij akte d.d. 10 oktober 2023 heeft verdachte tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 29 september 2023, bij Uw Raad bekend onder parketnummer 03-246052.
Uw Raad heeft ondergetekende op 14 juni jl. in kennis gesteld dat de aanzegging ex art. 435 lid 1 Sv op 14 juni jl. is betekend, waarop de termijn van 60 dagen is gaan lopen.
Middels onderstaand betoog zullen de middelen van cassatie worden geformuleerd.
Relevante feiten:
Uit het onderliggende dossier blijkt dat er op 3 maart 2022 door de korpschef [korpschef] een lokaalverbod is uitgevaardigd.
Voorts wordt gesteld dat verdachte voormeld lokaalverbod zou hebben overtreden en wederrechtelijk het bedoelde lokaal zou hebben betreden op 28 september 2022. Letterlijk wordt in de bewijsvoering hieromtrent het navolgende aangegeven:
Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 28 september 2022, dossierpagina's 3–4, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
(Dossierpagina 3)
Op 28 september 2022 waren we beiden in politie-uniform gekleed en bevonden ons in het politiebureau, welke gelegen is aan de [a-straat 01] in [a-plaats]. Wij waren dusdanig als politie herkenbaar.
Op 28 september 2022 kregen wij van de chef van diénst, [betrokkene 1], de opdracht om [verdachte] aan te houden voor lokaalvredebreuk. [verdachte] zou zich ophouden bij de ontvangsthal van het politiebureau in [a-plaats]. Wij hoorden van [betrokkene 1] dat óp 3 maart 2022 aan verdachte [verdachte] een lokaalverbod voor het politiebureau in [a-plaats], gelegen aan de [a-straat 01], werd uitgereikt.
Op 28 september 2022 liepen wij naar de ontvangsthal van het politiebureau in [a-plaats]. Daar zagen wij, voor ons ambtshalve bekend, [verdachte] staan in de aankomsthal. Hierop hielden wij verdachte [verdachte] aan op basis van artikel 139 Wetboek van Strafrecht.
Middelen van cassatie:
- 1)
Er is geen sprake van een schending van art. 139 Sr, nu verbalisanten verdachte niet gemaand hebben zich te verwijderen, doch simpelweg hem direct hebben aangehouden.
- 2)
Er is geen sprake van wederrechtelijkheid, nu het uitgevaardigde lokaalverbod niet voldoet aan de eisen die art. 8 EVRM daaraan stelt;
Geen schending art. 139 Sr:
Zelfs wanneer er sprake zou zijn van een rechtmatig uitgebracht lokaalverbod — quod non — (zie hieromtrent middel II) staat in ieder geval volstrekt vast dat niet aan de vereisten ex art. 139 lid 1 Sr is voldaan. Het artikel lid luidt als volgt:
1.
Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert (onderstreept door advocaat), wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
De wet schrijft derhalve voor dat aan de verdachte een waarschuwing gegeven dient te worden om te voorkomen dat hij opgepakt wordt wegens schending lokaalverbod. Deze waarschuwing dient gegeven te worden door de daartoe bevoegde ambtenaar, aan welke waarschuwing direct gehoor dient te worden gegeven.
Uit het procesdossier blijkt genoegzaam dat aan dit vereisten niet is voldaan. Ná binnenkomst in het betreffende lokaal is direct opdracht gegeven verdachte aan te houden. De passage waaruit dit blijkt wordt onderstaand nogmaals geciteerd:
‘Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 28 september 2022, dossierpagina's 3–4, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
(Dossierpagina 3)
Op 28 september 2022 waren we beiden in politie-uniform gekleed en bevonden ons in het politiebureau, welke gelegen is aan de [a-straat 01] in [a-plaats]. Wij waren dusdanig als politie herkenbaar.
Op 28 september 2022 kregen wij van de chef van diénst, [betrokkene 1], de opdracht om [verdachte] aan te houden voor lokaalvredebreuk. [verdachte] zou zich ophouden bij de ontvangsthal van het politiebureau in [a-plaats]. Wij hoorden van [betrokkene 1] dat óp 3 maart 2022 aan verdachte [verdachte] een lokaalverbod voor het politiebureau in [a-plaats], gelegen aan de [a-straat 01], werd uitgereikt.
Op 28 september 2022 liepen wij naar de ontvangsthal van het politiebureau in [a-plaats]. Daar zagen wij, voor ons ambtshalve bekend, [verdachte] staan in de aankomsthal. Hierop hielden wij verdachte [verdachte] aan op basis van artikel 139 Wetboek van Strafrecht.’
Uit bovenstaande kan niet anders worden opgemaakt dan dat aan verdachte geen bevel (waarschuwing) is gegeven om vrijwillig te vertrekken; hij is per direct aangehouden. Met PG Harteveld is ondergetekende van oordeel dat er pas sprake is van wederrechtelijkheid wanneer geen gehoor wordt gegeven aan herhaalde vordering zich te verwijderen. Letterlijk concludeert de PG het navolgende in diens conclusie van 16 oktober 2016.1.
‘3.7.
Van wederrechtelijkheid van het verblijf van een persoon in een voor de openbare dienst bestemd lokaal in de zin van art. 139 Sr kan worden gesproken ingeval door diegene geen gehoor wordt gegeven aan een (herhaalde) vordering om zich te verwijderen.’
Gezien bovenstaande rest geen andere mogelijkheid dan het bestreden arrest te vernietigingen, nu niet voldaan is aan de vereisten die de wet heeft gesteld; er is namelijk geen sprake van wederrechtelijkheid doordat niet het bevel is gegeven om vrijwillig alsnog te vertrekken.
Voor zover mogelijk verzoekt verdachte Uw Raad om, voormelde om verdere vertraging te voorkomen, zelf in de zaak te voorzien.
Geen wederrechtelijkheid:
Uit onder meer het vonnis van de rechtbank Limburg d.d. 7 mei 20132. blijkt dat het opleggen van een lokaalverbod ex art. 139 Sr een schending oplevert van art. 8 EVRM en derhalve getoetst dient te worden aan de proportionaliteit alsook de subsidiariteit. Enkele van belang zijnde passages in dit vonnis zijn:
‘Verdachte verblijft als asielzoeker in het [A] ([A]) te [b-plaats]. Het [B] ([B]) heeft verdachte een lokaalverbod gegeven; in dat verbod wordt als reden voor het opleggen daarvan genoemd dat verdachte ‘overlast’ heeft veroorzaakt. De politierechter constateert dat het lokaalverbod voor het overige niet is onderbouwd en dat het lokaalverbod niet is gegrond op agressie van de zijde van verdachte.
Het door het [B] opgelegd verbod hield in dat verdachte vanaf 9 april tot 16 april 2013 niet meer op het terrein van het [A] te [b-plaats] mocht komen. Op 9 april 2013 heeft verdachte het lokaalverbod genegeerd en heeft hij het terrein van het [A] betreden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard zich daartoe genoodzaakt te voelen omdat hij in het [A] woont en omdat hij anders geen onderdak, eten en overige middelen van bestaan had.
De politierechter beschouwt het uitvaardigen van dat lokaalverbod door het [B] — een zelfstandig bestuursorgaan — als een inbreuk op zowel de lichamelijke integriteit als de persoonlijke levenssfeer van verdachte en daarmee op het privéleven van verdachte als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het [B] is immers verantwoordelijk voor de opvang en begeleiding van asielzoekers — personen in een doorgaans kwetsbare positie — en voor het verschaffen van huisvesting en het verstrekken van middelen van bestaan. Het gevolg van het lokaalverbod is dat verdachte gedurende 7 dagen geen onderdak en douchegelegenheid heeft terwijl verdachte van het [B] wekelijks slechts € 55,51 ontvangt en geen andere bronnen van inkomsten heeft.
De inbreuk op artikel 8 van het EVRM is naar het oordeel van de politierechter op geen enkele wijze gerechtvaardigd. Bovendien kan ‘overlast’ naar het oordeel van de politierechter geen legitiem doel opleveren in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM welk doel door het opleggen van een lokaalverbod gerechtvaardigd zou zijn.’
De verdediging heeft zowel in eerste aanleg alsook in hoger beroep bepleit dat het lokaalverbod d.d. 3 maart 2022 onrechtmatig was uitgevaardigd.
Immers, behoudens de opmerking dat het zou gaan om grensoverschrijdend gedrag zijdens verdachte werd niets gesteld.
Sterker nog, uit de processtukken in eerste aanleg blijkt dat er geeneens enig dossier bestaat omtrent het lokaalverbod en de onderbouwing hieromtrent. Letterlijk is door de OVJ in eerste aanleg hieromtrent het navolgende aangegeven:
‘In repliek voert de officier van justitie het vólgende aan: In dit geval is er voldaan aan de motiveringsplicht ten aanzien van het lokaalverbod. Het lokaalverbod is gebaseerd op het gedrag van verdachte bij het politiebureau. Net zoals een winkeldiefstal aanleiding is voor een winkelverbod. Ondanks dat er geen dossier bestaat met betrekking tot deze gebeurtenissen, heeft verdachte zich kennelijk (onderstreept door advocaat verdachte) toch meermaals misdragen bij het politiebureau.’3.
Uit de reactie van de OvJ blijkt genoegzaam dat in de onderhavige zaak géén verifieerbare bewijsstukken voorhanden zijn waaraan getoetst kan worden of er daadwerkelijk een gedegen grondslag bestond om verdachte diens fundamentele grondrecht ex art. 8 EVRM te schenden middels het uitvaardigen van het thans centraal staande lokaalverbod.
Sterker nog, uit het gebruik van het woord ‘kennelijk’ moet maar worden aangenomen dat hetgeen de korpschef heeft aangegeven omtrent het wangedrag van verdachte simpelweg aangenomen dient te worden. Voormelde staat uiteraard haaks op de regels aangaande het bewijsrecht.
Het OM had, zeker na herhaaldelijk verzoek van de verdediging, middels verifieerbare gegevens aan moeten tonen dat het lokaalverbod op gedegen wijze tot stand was gekomen. Immers, het thans ter discussie staande lokaalverbod is de grondslag geweest voor de aanhouding van verdachte op 28 september 2022. Het behoeft geen betoog dat wanneer voormelde grondslag (lokaalverbod) komt te vervallen wegens strijd met art. 8 EVRM daarmee eveneens de rechtmatigheid van de aanhouding d.d. 28 september 2022 is komen te vervallen.
Gezien bovenstaande verzoekt verdachte Uw Raad van ook om het bestreden arrest te vernietigen.
Mitsdien:
Het Uw Raad moge behage om bij arrest te vernietigen het bestreden arrest d.d. 29 september 2023, bij Uw Raad bekend onder parketnummer 03-246052, dan wel, voor zover mogelijk, zelf in de zaak te voorzien.
Urmond, 1 augustus 2024
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 01‑08‑2024
Parket bij de Hoge Raad d.d. 16 oktober 2016 (ECLI:NL:PHR:2018:858)
Rechtbank Limburg 7 mei 2013 (ECLI:NL:RBLIM:2013:CA3951)
Vide proces-verbaal rechtbank pag. 3.