NJB 2025/10
Het ‘met zetel in Nederland’ uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning, art. 2:3a lid 1 Wft: op grond van art. 1:1 Wft kan onder de ‘zetel’ ook worden verstaan ‘de plaats waar die onderneming haar hoofdvestiging heeft’. Als – zoals in deze zaak – geen sprake is van een rechtspersoon, moet art. 1:1 Wft zo worden uitgelegd dat die hoofdvestiging doorgaans samenvalt met de plaats waar de feitelijke werkzaamheden die als bedrijfsmatige betaaldienstverlening worden aangemerkt, in overwegende mate worden uitgeoefend en aangestuurd.
HR 10-12-2024, ECLI:NL:HR:2024:1818
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 december 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, F. Posthumus
- Zaaknummer
22/02736
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1818, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑12‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:799, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
- Wetingang
Essentie
Het ‘met zetel in Nederland’ uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning, art. 2:3a lid 1 Wft: op grond van art. 1:1 Wft kan onder de ‘zetel’ ook worden verstaan ‘de plaats waar die onderneming haar hoofdvestiging heeft’. Als – zoals in deze zaak – geen sprake is van een rechtspersoon, moet art. 1:1 Wft zo worden uitgelegd dat die hoofdvestiging doorgaans samenvalt met de plaats waar de feitelijke werkzaamheden die als bedrijfsmatige betaaldienstverlening worden aangemerkt, in overwegende mate worden uitgeoefend en aangestuurd.
Uitspraak
Inleiding
Verdachte ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.