Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/94
Hawalabankieren. Medeplegen opzettelijk zonder vergunning optreden als betaaldienstverlener, terwijl hiervan een gewoonte is gemaakt, art. 2:3a lid 1 Wft. Kwalificatie bewezenverklaarde. Houden tll. en bewezenverklaring in dat feit is begaan door persoon ‘met zetel in Nederland’ a.b.i. art. 2:3a lid 1 Wft? Bestanddeel van verbodsnorm van art. 2:3a lid 1 Wft is dat bedrijf van betaaldienstverlener ‘met zetel in Nederland’ wordt uitgeoefend. O.g.v. art. 1:1 Wft kan onder ‘zetel’ ook worden verstaan ‘plaats waar die onderneming haar hoofdvestiging heeft’. Als (zoals in deze zaak) geen sprake is van rechtspersoon, moet art. 1:1 Wft zo worden uitgelegd dat die hoofdvestiging doorgaans samenvalt met plaats waar feitelijke werkzaamheden die als bedrijfsmatige betaaldienstverlening worden aangemerkt, in overwegende mate worden uitgeoefend en aangestuurd (vgl. HR 1 december 2020, NJ 2021/48, m.nt. W.H. Vellinga). Hof heeft vastgesteld dat verdachte in bewezenverklaarde periode in Nederland woonde en dat hij met zeer grote regelmaat contante geldtransacties heeft verricht, veelal in buurt van zijn woning in Nederland en met personen die Nederlandse telefoonnummers hadden. Verder heeft hof vastgesteld dat verdachte het geld en tokens voor transacties bij hem thuis in A (plaats in Nederland) bewaarde en dat daar ook 2 geldtelmachines stonden. Daar is ook schrift aangetroffen waarin administratie van geldtransacties is vastgelegd. Hof heeft op grond hiervan niet onbegrijpelijk geoordeeld dat bedrijf van betaaldienstverlener een zetel had in A en dus in Nederland en heeft dus (gelet op de aan hof voorbehouden wijze waarop hof de tll. heeft verstaan) met bewezenverklaring dat feit ‘in Nederland’ is begaan, tevens tot uitdrukking gebracht dat is bewezenverklaard dat bedrijf van betaaldienstverlener ‘met zetel in Nederland’ is uitgeoefend. Gelet hierop getuigt ’s hofs oordeel dat het handelen van verdachte als ‘medeplegen overtreding van voorschrift gesteld bij art. 2:3a lid 1 Wft, opzettelijk begaan, terwijl hiervan gewoonte is gemaakt’ kan worden gekwalificeerd, niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2024/95. Vervolg op HR 1 december 2020, NJ 2021/48, m.nt. W.H. Vellinga.
HR 10-12-2024, ECLI:NL:HR:2024:1818
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 december 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, F. Posthumus
- Zaaknummer
22/02736
- Conclusie
A-G mr. D.J.M.W. Paridaens
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1818, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑12‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:799, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
Essentie
Hawalabankieren. Medeplegen opzettelijk zonder vergunning optreden als betaaldienstverlener, terwijl hiervan een gewoonte is gemaakt, art. 2:3a lid 1 Wft. Kwalificatie bewezenverklaarde. Houden tll. en bewezenverklaring in dat feit is begaan door persoon ‘met zetel in Nederland’ a.b.i. art. 2:3a lid 1 Wft? Bestanddeel van verbodsnorm van art. 2:3a lid 1 Wft is dat bedrijf van betaaldienstverlener ‘met zetel in Nederland’ wordt uitgeoefend. O.g.v. art. 1:1 Wft kan onder ‘zetel’ ook worden verstaan ‘plaats waar die onderneming haar hoofdvestiging heeft’. Als (zoals in deze zaak) geen sprake is van rechtspersoon, moet ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.