Dit arrest is niet gepubliceerd.
HR, 03-03-2026, nr. 24/01587
ECLI:NL:HR:2026:256
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-03-2026
- Zaaknummer
24/01587
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:256, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑03‑2026; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1350
ECLI:NL:PHR:2025:1350, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:256
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑07‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0069
Uitspraak 03‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op “hardware wallet” met 6 bitcoins onder broer van klager i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen klager en zijn broer (zaak A), waarna strafzaken tegen klager en zijn broer zijn geseponeerd en ex art. 94a Sv beslag is gelegd op “hardware wallet” i.v.m. eerdere ontnemingszaak tegen broer van klager en die ontnemingszaak eerder onherroepelijk is geworden dan daarmee samenhangende strafzaak (zaak B). 1. Ontvankelijkheid beklag en einde van vervolgde zaak a.b.i. art. 552a.3 en 552a.4 Sv. Kon hof oordelen dat beklag zowel ex art. 552a.4 Sv als ex art. 552a.3 Sv n-o is omdat klaagschrift niet tijdig is ingediend? 2. Wanneer is behandeling van ontnemingsvordering tot einde gekomen a.b.i. art. 552a.3 Sv als t.t.v. indienen van klaagschrift de beslissing in ontnemingsprocedure onherroepelijk is geworden maar veroordeling a.b.i. art. 36e Sr niet onherroepelijk is? Ad 1. Uit art. 552a.3 Sv volgt dat o.g.v. art. 552a Sv zo spoedig mogelijk na inbeslagneming ingediend klaagschrift ontvankelijk is zolang er nog geen 3 maanden zijn verstreken sinds vervolgde zaak tot einde is gekomen. Als voorwerp o.g.v. art. 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, is voor beantwoording van vraag of vervolgde zaak tot einde is gekomen, beslissend of vervolging van degene ten laste van wie beslag is gelegd in strafzaak of (als het gaat om conservatoir beslag tot bewaring van recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel) behandeling van de tegen hem ingestelde ontnemingsvordering tot einde is gekomen (vgl. HR:2019:135). Hof heeft klaagschrift n-o verklaard, omdat het niet is ingediend binnen de in art. 552a.4 Sv genoemde termijn die geldt in geval vervolging (nog) niet is ingesteld. Dat oordeel is onjuist, nu uit ’s hofs vaststellingen volgt dat sprake is van vervolging, zodat ontvankelijkheid van klaagschrift had moeten worden beoordeeld aan de hand van art. 552a.3 Sv. Door hof gegeven overweging ten overvloede dat ook als sprake zou zijn van situatie a.b.i. art. 552a.3 Sv klaagschrift n-o zou zijn verklaard omdat zaak tegen klager is geseponeerd, is niet begrijpelijk, omdat hof in die overweging andere strafzaak tot uitgangspunt neemt. Ad 2 HR (n.a.v. CAG) O.g.v. art. 6:4:9 jo. 6:4:4.2 Sv geldt onherroepelijke uitspraak op ontnemingsvordering OM als titel a.b.i. art. 704.1 Rv. O.g.v. art. 6:1:16.2 Sv kan deze uitspraak pas worden tenuitvoergelegd nadat en v.zv. veroordeling a.b.i. art. 36e Sr onherroepelijk is geworden, terwijl o.g.v. art. 511i Sv uitspraak op ontnemingsvordering van rechtswege vervalt doordat en v.zv. uitspraak als gevolg waarvan veroordeling van verdachte a.b.i. art. 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat. In geval dat op ontnemingsvordering al onherroepelijk is beslist terwijl veroordeling a.b.i. art. 36e Sr dan nog niet onherroepelijk is, zal ontnemingszaak pas tot einde komen a.b.i. art. 552a.3 Sv op moment dat (ook) veroordeling a.b.i. art. 36e Sr onherroepelijk wordt. Hoewel beschikking hof niet in stand kan blijven, leidt dit niet tot terugwijzing van zaak. In HR:2024:1292 heeft HR het cassatieberoep in strafzaak tegen broer van klager verworpen. Dat betekent dat al eerder onherroepelijk geworden uitspraak in ontnemingszaak van broer van klager ten uitvoer gelegd kan worden. Volgens art. 6:4:4.1 Sv vindt verhaal op voorwerpen die inbeslaggenomen zijn o.g.v. art. 94a Sv plaats op wijze die is voorzien in Rv. Bepalingen van dat wetboek zijn o.g.v. art. 6:4:4.3 Sv van toepassing t.a.v. derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op deze inbeslaggenomen voorwerpen. Dat betekent dat klager, die stelt dat onder zijn broer inbeslaggenomen “wallet” met daarin 6 bitcoins aan hem toebehoort, zich o.g.v. de van toepassing zijnde bepalingen uit Rv tot civiele rechter kan wenden. Omdat hof na terugwijzing van zaak slechts niet-ontvankelijkheid van klaagschrift kan uitspreken (vgl. HR:2015:601 en HR:2026:8), zal HR de zaak zelf afdoen. HR verklaart klaagschrift n-o. CAG (strekking): vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01587 B
Datum 3 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 april 2024, nummer RK 000681-23, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar het hof Den Bosch om op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het beklag niet-ontvankelijk is omdat het klaagschrift niet tijdig is ingediend.
2.2
De beschikking van het hof houdt onder meer in:
“Parketnummers: 20-000445-15 en 20-001930-18
(...)
Het beklag richt zich tot opheffing van het onder [beslagene] (hierna: beslagene) d.d. 7 december 2020 gelegde conservatoir beslag op een hardware wallet met daarin 6 bitcoins en teruggave daarvan aan klager.
(...)
In het kader van de zaak ‘Rockport’ is op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering een hardware wallet met daarin 6 bitcoins in beslag genomen onder de beslagene. In voornoemd onderzoek waren zowel klager als beslagene verdachten. De zaak tegen beslagene is op 29 maart 2021 geseponeerd. De zaak tegen klager is tevens op 29 maart 2021 geseponeerd, hetgeen schriftelijk is bevestigd bij brief van 15 november 2021. Op 7 december 2020 is conservatoir beslag gelegd op voornoemde hardware wallet met inhoud, ter zake van een door het Openbaar Ministerie gestelde ontnemingsvordering op de beslagene.
De strafzaak en de ontnemingszaak tegen beslagene waren bij het hof bekend onder bovengenoemde parketnummers. In de strafzaak tegen beslagene is op 22 november 2021 arrest gewezen. Beslagene is veroordeeld ter zake van - zakelijk weergegeven - het medeplegen van opzettelijk inbreuk maken op auteursrecht, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk ter verveelvoudiging of verspreiding voorhanden hebben, invoeren en bewaren van voorwerpen waarin met inbreuk op auteursrecht een werk is vervat, terwijl hij het plegen van deze misdrijven als bedrijf uitoefent. Aan beslagene is een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden opgelegd, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek. Beslagene heeft tegen dit arrest cassatieberoep bij de Hoge Raad der Nederlanden ingesteld. In de procedure in cassatie is tot op heden nog geen beslissing genomen. Bij arrest van 7 oktober 2019 is beslagene door het hof niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van het niet tijdig ingestelde hoger beroep in de ontnemingszaak.
Bij beslissing van 25 juli 2023 van de rechtbank Oost-Brabant, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen, gelet op het bepaalde in artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
In het klaagschrift wordt gesteld dat de hardware wallet en de bitcoins niet toebehoren aan de beslagene maar aan klager. Klager onderbouwt dit aan de hand van een belastingaangifte inkomstenbelasting, waaruit blijkt dat klager voornoemde vermogensbestanddelen in zijn belastingaangifte heeft opgenomen. Klager voert aan dat hij de wallet op de avond voorafgaand aan de beslaglegging heeft overhandigd aan beslagene om de bitcoins te gelde te maken zodat klager met de liquiditeiten nieuwe investeringen kon gaan doen. De reden voor de overdracht is dat beslagene meer kennis en kunde heeft van technologische ontwikkelingen dan klager en derhalve zorg droeg voor de verkoop.
Klager voert aan dat het noodzakelijk is om het conservatoir beslag op te heffen, zodat klager in zijn levensonderhoud kan voldoen en andere financiële verplichtingen kan nakomen. Tevens voert klager aan dat de koers van de bitcoins tanende is en dat het de verwachting van klager is dat dit zal doorzetten.
De advocaat-generaal heeft ter zitting in raadkamer naar voren gebracht dat het klaagschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het klaagschrift niet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn is ingediend.
De raadsman heeft ter zitting in raadkamer aangevoerd dat hij zich op het standpunt stelt dat het klaagschrift tijdig is ingediend, zowel op grond van de termijn zoals bedoeld in artikel 552a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering als de termijn zoals bedoeld in artikel 552a lid 4 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof oordeelt dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend. Op grond van artikel 552a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard, indien het klaagschrift is ingediend op een tijdstip waarop twee jaren zijn verstreken na de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking en een vervolging niet of nog niet is ingesteld. Blijkens de voorhanden zijnde stukken is het conservatoir beslag gelegd op 7 december 2020. Tegen klager is voorts, met name gelet op de hem betreffende sepotbeslissing als voormeld, geen vervolging ingesteld. Nu het klaagschrift is ingediend op 29 december 2022, is het klaagschrift niet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn ingediend.
Ten overvloede overweegt het hof dat, ook als sprake zou zijn van de situatie zoals bedoeld in artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, het klaagschrift eveneens niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. Op grond van artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift alsdan niet-ontvankelijk te worden verklaard, indien het klaagschrift is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. De zaak tegen klager is op 29 maart 2021 geseponeerd. Als zou worden uitgegaan van de datum van 29 maart 2021 (en overigens ook als zou worden uitgegaan van de schriftelijke bevestiging van de sepotbeslissing op 15 november 2021) is het klaagschrift niet binnen de in artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn van drie maanden ingediend, immers eerst op 29 december 2022. Hetgeen ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
Gelet op het bovenstaande zal het hof - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING:
Het hof:
Verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 511i van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht vervalt van rechtswege, doordat de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, als bedoeld in artikel 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat.”
“3. Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen (...) ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.4. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming, (...) ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming (...) is geschied (...).”
- Artikel 6:1:16 lid 2 Sv:
“Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, kan ten uitvoer worden gelegd nadat de veroordeling, als bedoeld in artikel 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, onherroepelijk is geworden.”
- Artikel 6:4:4 Sv:
“1. Op voorwerpen, inbeslaggenomen op grond van artikel 94a, geschiedt verhaal op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering krachtens het onherroepelijke vonnis of arrest of de onherroepelijke strafbeschikking waarbij de geldboete, de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.
2. Dit vonnis of arrest of deze strafbeschikking geldt als de titel bedoeld in artikel 704, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Betekening van deze titel aan de veroordeelde en, zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze, kan plaatsvinden door betekening van een kennisgeving inhoudende de bij het vonnis of arrest dan wel de strafbeschikking opgelegde straf, voor zover voor het nemen van verhaal van belang.
3. Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de inbeslaggenomen voorwerpen zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.”
2.4.1
Uit artikel 552a lid 3 Sv volgt dat een op grond van artikel 552a Sv zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming ingediend klaagschrift ontvankelijk is zolang er nog geen drie maanden zijn verstreken sinds de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Als een voorwerp op grond van artikel 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, is voor de beantwoording van de vraag of de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, beslissend of de vervolging van degene ten laste van wie het beslag is gelegd in de strafzaak of – als het gaat om conservatoir beslag tot bewaring van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel – de behandeling van de tegen hem ingestelde ontnemingsvordering tot een einde is gekomen. (Vgl. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:135, rechtsoverweging 2.8 en 2.9.)
2.4.2
Het gaat in deze zaak om een beklag dat strekt tot opheffing van het onder de broer van de klager gelegde conservatoir beslag op een hardware wallet met daarin zes bitcoins en tot teruggave daarvan aan de klager.
2.4.3
Het hof heeft het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet is ingediend binnen de in artikel 552a lid 4 Sv genoemde termijn die geldt in het geval een vervolging (nog) niet is ingesteld. Dat oordeel is onjuist, nu uit de vaststellingen van het hof volgt dat sprake is van vervolging, zodat de ontvankelijkheid van het klaagschrift had moeten worden beoordeeld aan de hand van artikel 552a lid 3 Sv.
2.4.4
De door het hof gegeven overweging ten overvloede, dat ook als sprake zou zijn van de situatie zoals bedoeld in artikel 552a lid 3 Sv het klaagschrift niet-ontvankelijk zou zijn verklaard omdat de zaak tegen de klager op 29 maart 2021 is geseponeerd, is niet begrijpelijk, omdat het hof in die overweging de strafzaak Rockport tegen de klager tot uitgangspunt neemt, terwijl het beklag zich richt tegen het in een andere zaak gelegde conservatoir beslag.
2.5
De Hoge Raad ziet aanleiding om de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.9 opgeworpen vraag te bespreken wanneer de behandeling van de ontnemingsvordering tot een einde is gekomen in de zin van artikel 552a lid 3 Sv als ten tijde van het indienen van het klaagschrift de beslissing in de ontnemingsprocedure onherroepelijk is geworden, maar de veroordeling als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet onherroepelijk is.Op grond van artikel 6:4:9 Sv in samenhang met artikel 6:4:4 lid 2 Sv geldt de onherroepelijke uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, als titel als bedoeld in artikel 704 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op grond van artikel 6:1:16 lid 2 Sv kan deze uitspraak pas worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling als bedoeld in artikel 36e Sr onherroepelijk is geworden, terwijl op grond van artikel 511i Sv een uitspraak op een ontnemingsvordering van rechtswege vervalt doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte als bedoeld in artikel 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat. In het geval dat op de ontnemingsvordering al onherroepelijk is beslist terwijl de veroordeling als bedoeld in artikel 36e Sr dan nog niet onherroepelijk is, zal de ontnemingszaak pas tot een einde komen in de zin van artikel 552a lid 3 Sv op het moment dat (ook) de veroordeling als bedoeld in artikel 36e Sr onherroepelijk wordt.
2.6
Gelet op wat in 2.4 is overwogen, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld en kan de beschikking van het hof niet in stand blijven. Dit leidt echter om de volgende reden niet tot terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad heeft op 24 september 2024 het cassatieberoep in de strafzaak tegen de broer van de klager verworpen (ECLI:NL:HR:2024:1292). Dat betekent dat de al eerder onherroepelijk geworden uitspraak in de ontnemingszaak van de broer van de klager ten uitvoer gelegd kan worden. Volgens artikel 6:4:4 lid 1 Sv vindt het verhaal op voorwerpen die inbeslaggenomen zijn op grond van artikel 94a Sv, plaats op de wijze die is voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De bepalingen van dat wetboek zijn op grond van artikel 6:4:4 lid 3 Sv van toepassing ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op deze inbeslaggenomen voorwerpen. Dat betekent dat de klager, die stelt dat de onder zijn broer inbeslaggenomen wallet met daarin zes bitcoins aan hem toebehoort, zich op grond van de van toepassing zijnde bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot de civiele rechter kan wenden. Omdat het hof na terugwijzing van de zaak slechts de niet-ontvankelijkheid van het klaagschrift kan uitspreken (vgl. HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:601 en HR 6 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:8), zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door het klaagschrift niet-ontvankelijk te verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het hof;
- verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2026.
Conclusie 09‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag a.b.i. art. 552a Sv. Conservatoir beslag op hardware wallet met daarin 6 bitcoins. Slagende klacht dat hof ten onrechte de klager niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend. AG gaat in op de vraag wanneer een ontnemingsvordering “ten einde is gekomen” en de ontnemingsprocedure “is voltooid” (art. 552a.3 Sv) in het atypische geval dat de beslissing in de ontnemingsprocedure vóór het indienen van het klaagschrift onherroepelijk is geworden, maar de uitspraak in de onderliggende strafzaak (nog) niet. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01587 B
Zitting 9 december 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 11 april 2024 (RK-nummer 000681-23) de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder zijn broer conservatoir in beslag genomen hardware wallet met daarin 6 bitcoins.
1.2
Het cassatieberoep is op 16 april 2024 ingesteld namens de klager. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag.
1.3
Het middel is terecht voorgesteld. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak.
2. Het verloop van de zaak
2.1
Uit de stukken van het geding en na raadpleging van de administratie van de Hoge Raad kan over de procesgang bij de Hoge Raad tot nu toe het volgende worden opgemaakt.
2.2
De broer van de klager is bij arrest van 7 oktober 2019 (parketnummer 20-001930-18) door het hof Den Bosch niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 mei 2018 (parketnummer 02-997152-09) in een (andere) tegen hem ingestelde ontnemingsprocedure. De rechtbank heeft bij dat vonnis de broer van de klager – ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel – de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 2.272.536,67 aan de Staat.
2.3
Op 16 juni 2020 (griffienummer 19/04690) heeft de Hoge Raad de broer van de klager met een op art. 80a RO gebaseerde overweging niet-ontvankelijk verklaard in het tegen het arrest van het hof ingestelde cassatieberoep.1.Daarmee is het hierboven genoemde ontnemingsvonnis onherroepelijk geworden.
2.4
Op 24 november 2020 is in het kader van het strafrechtelijk onderzoek onder de naam “Rockport” gericht tegen de klager en zijn broer op grond van art. 94 Sv onder de broer van de klager de onder randnr. 1.1 genoemde wallet met bitcoins in beslag genomen.
2.5
Op 7 december 2020 is in het kader van de hiervoor onder randnr. 2.2 genoemde ontnemingsprocedure tegen de broer van de klager ter bewaring van het recht tot verhaal van de aan hem opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op de wallet met bitcoins (ook) conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv gelegd.
2.6
Op 29 maart 2021 is in het onderzoek “Rockport” de stafzaak tegen de broer van de klager geseponeerd. Op 3 juni 2021 is in het onderzoek “Rockport” de strafzaak tegen de klager geseponeerd. Het Openbaar Ministerie heeft deze sepotbeslissing bij brief van 15 november 2021 nog eens aan de klager bevestigd, omdat hij daarvan eerder mogelijk geen bericht heeft gehad. Het op grond van art. 94 Sv op de wallet met bitcoins gelegde (klassiek) strafrechtelijke beslag heeft het Openbaar Ministerie in verband met deze sepotbeslissingen opgeheven. Dat geldt niet voor het onder de broer van de klager in de onder randnr. 2.2 genoemde ontnemingszaak gelegde conservatoire beslag.2.
2.7
Bij arrest van 22 november 2021 (parketnummer 20-000445-15) is de broer van de klager door het hof Den Bosch in de aan de onder randnr. 2.2 genoemde ontnemingsprocedure ten grondslag liggende strafzaak veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van bedrijfsmatige illegale productie, invoer en handel van/in dvd’s en cd’s en deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft illegale dvd’s en cd’s te produceren en te verkopen.
2.8
Op 21 november 2022 is namens de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 7 december 2020 onder de broer van de klager gelegde conservatoir beslag en tot teruggave aan de klager van de bovengenoemde wallet met bitcoins.
2.9
Op 29 december 2022 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het klaagschrift doorgezonden naar de rechtbank Oost-Brabant op de grond dat de laatstgenoemde rechtbank eerder beslissingen in de zaak heeft genomen.
2.10
Op 25 juli 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant zich onbevoegd verklaard van het klaagschrift kennis te nemen en bepaald dat de griffier het klaagschrift zal doorzenden naar het hof Den Bosch. In dat verband heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat de ontnemingsprocedure en de daarmee samenhangende strafzaak tegen de broer van de klager in feitelijke aanleg voor het laatst werd vervolgd bij het hof Den Bosch, zodat het klaagschrift op grond van art. 552a lid 3 Sv door dat hof moet worden behandeld.
2.11
Op 16 november 2023 en 14 december 2023 heeft de raadkamer van het Hof Den Bosch de behandeling van de zaak aangehouden na een daartoe strekkend verzoek van de raadsman van de klager bij schrijven van 3 oktober 2023 respectievelijk 13 december 2023.
2.12
Op 14 maart 2024 is het klaagschrift in raadkamer behandeld. In het proces-verbaal van die raadkamerzitting is het volgende te lezen:
“De voorzitter houdt kort de inhoud van het klaagschrift voor en deelt daarnaast mede:
Het hof wil eerst stilstaan bij de ontvankelijkheid van het klaagschrift, waaraan het Openbaar Ministerie tevens aandacht heeft besteed in het schriftelijk advies. In het voornoemde schriftelijk advies heeft het Openbaar Ministerie geconcludeerd dat het klaagschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het klaagschrift niet tijdig zou zijn ingediend.
De raadsman voert aan:
Ik heb een pleitnota opgesteld. De pleitnota omvat zowel de formele als de materiële aspecten.
De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud die is opgenomen onder punt 4 ‘Ontvankelijkheid’ van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
De voorzitter stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid om betreffende de ontvankelijkheid zijn standpunt kenbaar te maken.
De advocaat-generaal brengt naar voren:
Uit de pleitnota leid ik af dat u bekend was met een eerder, andersluidend, standpunt van het Openbaar Ministerie. Dat standpunt is mij niet bekend. Voor zover überhaupt sprake is van een andersluidend standpunt, is het standpunt dat thans door het Openbaar Ministerie wordt ingenomen, het geldende standpunt. In zoverre kunnen weinig rechten worden ontleend aan het eerdere standpunt van het Openbaar Ministerie.
Er is in deze zaak een aantal ijkpunten, namelijk het einde van de zaak Rockport op 15 november 2021, het einde van de ontnemingszaak op 16 juni 2020 en de omzetting van het beslag in het kader van de ontnemingszaak is op 11 december 2020 bekendgemaakt aan de beslagene. Ik concludeer dat het klaagschrift te laat is ingediend. Het klaagschrift is namelijk pas op 21 november 2022 ingediend. In de handreiking beklag, die te raadplegen is op het internet, zijn de termijnen opgenomen voor het indienen van een klaagschrift. Indien er nog geen vervolging is ingesteld dan dient het klaagschrift zo spoedig mogelijk te worden ingediend en uiterlijk binnen 2 jaar na de inbeslagneming. Indien er wel vervolging is ingesteld dan dient het klaagschrift zo spoedig mogelijk te worden ingediend na de inbeslagneming van de voorwerpen en in ieder geval binnen 3 maanden nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Dientengevolge stelt het Openbaar Ministerie zich thans op het standpunt dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend. Voor het overige heb ik ook nog een aantal opmerkingen, maar daar zal ik nog even mee wachten.
De raadsman voert aan
Volgens mij wordt er een aantal dingen door elkaar gehaald. Het klaagschrift dient te worden ingediend binnen 2 jaar na de inbeslagneming. De inbeslagneming heeft plaatsgevonden op 7 december 2020. Derhalve is het klaagschrift binnen 2 jaar ingediend. Dat wordt ook erkend door het Openbaar Ministerie in de eerdere brief. Indien er aansluiting wordt gezocht bij de termijn dat het klaagschrift dient te worden ingediend binnen 3 maanden na het eindigen van de zaak, merk ik op dat de kwestie momenteel nog lopende is. Dat heeft de raadkamer van de rechtbank ook opgemerkt. Derhalve is het klaagschrift tijdig ingediend.
De voorzitter deelt mede dat het hof de behandeling van het klaagschrift onderbreekt voor beraad.
De voorzitter hervat de behandeling van het klaagschrift.
De voorzitter deelt mede:
Eerst dient het hof meer duidelijkheid te verkrijgen omtrent de ontvankelijkheid van het klaagschrift. Dat lukt op dit moment niet. Het onderzoek zal nu worden gesloten en de uitspraak zal later volgen. Dat zal ofwel een tussenuitspraak zijn waarna het onderzoek zal worden heropend, ofwel een einduitspraak ertoe strekkende dat het klaagschrift niet-ontvankelijk is. We hebben zojuist getracht direct duidelijkheid te krijgen omtrent de ontvankelijkheid van het klaagschrift, maar om dat goed uit te zoeken heeft het hof meer tijd nodig.
De voorzitter sluit het onderzoek in raadkamer en deelt mede dat het hof voornemens is om op 11 april 2024 beschikking te wijzen.”
2.13
De schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie waar in het hiervoor geciteerde proces-verbaal van de raadkamerzitting van het hof van 14 maart 2024 naar wordt verwezen betreft een reactie van 14 december 2022. Die reactie op het klaagschrift van 21 november 2022 houdt onder meer het volgende in:
“A. Ontvankelijkheid klaagschrift
Het klaagschrift is:
(…)
[X] Niet-ontvankelijk:
[X] niet binnen drie maanden na beëindiging vervolging ingediend.
(…)
B. Casus
Op 24 november 202 [A-G: ik begrijp 2020] zijn doorzoekingen verricht bij verdachten [klager] ( [klager] ) en [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ). Bij de doorzoekingen is onder [betrokkene 1] een Ledger (hardware wallet) in beslag genomen met daarop 5.99985216 bitcoins. Het onderzoek heeft uiteindelijk niet geresulteerd in een strafzaak: beide zaken zijn geseponeerd. De zaak tegen [klager] is op 3 juni 2021 geseponeerd; dit is bij brief van 15 november 2021 nog eens aan klager bevestigd omdat hij daarvan eerder mogelijk geen bericht had gehad. De zaak tegen medeverdachte [betrokkene 1] is op 29 maart 2021 geseponeerd.
(…)
Het verzoek is daarom evident niet-ontvankelijk.
(…)
C. Stand van zaken strafzaak
De zaken zijn geseponeerd in 2021.
D. Beslag
In beslag genomen en nog niet geretourneerde goederen m.b.t. dit klaagschrift:
een Ledger (hardware wallet) in beslag genomen met daarop 5.99985216 bitcoins
Beslagene:
[betrokkene 1]
Status beslag:
[X] gedeponeerd (…)
Het beslag waarop het klaagschrift zich richt is in onderzoek Rockport opgeheven; de zaak is geëindigd en de beslagen zijn in verband daarmee opgeheven. Dit met uitzondering van enige waardebeslag onder [betrokkene 1] : dit beslag is gebruikt om een onherroepelijke ontnemingsvordering die tegen [betrokkene 1] voorligt mede te innen. Daartoe is het beslag middels een zogeheten Model E na machtiging van de RC het beslag "overgenomen" onder het parketnummer dat bij die onherroepelijke ontnemingszaak hoort.
Grondslag handhaving beslag
(…)
[X] Artkel 94a Sv (conservatoir beslag):
(…)
[X] ontnemingsmaatregel
E. Reden handhaven beslag
Het OM verzet zich tegen teruggave aan klager, want:
Klager is niet-ontvankelijk.”
2.14
De op de raadkamerzitting van 14 maart 2024 door de raadsman overgelegde pleitnota houdt over de ontvankelijkheid van het klaagschrift het volgende in:
“4. Aanvankelijk had het OM in [zijn] brief van 19 juli 2023 uitdrukkelijk de ontvankelijkheid erkend. Het OM stelt dat: “In tegenstelling tot het standpunt dat het OM tegen de vorige raadkamer innam, is het verzoek wel ontvankelijk, te weten op grond van artikel 552a lid 4 Sv. Immers van een vervolgde zaak in de zin van artikel 552a lid 3 Sv is, aldus HR 15 april 2008, NbSr 2008/184, NJ 2008/250, géén sprake wanneer een zaak, zonder dat een rechter in de zaak betrokken is, met een sepot is geëindigd. In een dergelijk geval is sprake van een situatie waarin geen vervolging is ingesteld zoals bedoeld in artikel 552a lid 4 Sv, zodat een klaagschrift uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming of kennisneming daarvan moet zijn ingediend” en concludeert dat het klaagschrift tijdig is ingediend, te weten binnen de 2 jaarstermijn o.g.v. [art. 552a] lid 4 [Sv]. Daarentegen heeft de rechtbank Oost-Brabant onderhavige kwestie doorverwezen naar uw gerechtshof op grond van artikel 552a lid 3 Sv. Gelet op het feit dat de procedure van broer (op basis waarvan beslag was gelegd) thans nog loopt, is naar mening van klager het klaagschrift tijdig – los van de erkenning door het OM – ingediend zodat naar de bescheiden mening van [klager] de kwestie zich toespitst op de materiële inhoud.”
2.15
Het hof heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag. De beschikking houdt hierover het volgende in:
“De beoordeling
In het kader van de zaak ‘Rockport' is op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering een hardware wallet met daarin 6 bitcoins in beslag genomen onder de beslagene. In voornoemd onderzoek waren zowel klager als beslagene verdachten. De zaak tegen beslagene is op 29 maart 2021 geseponeerd. De zaak tegen klager is tevens op 29 maart 2021 geseponeerd, hetgeen schriftelijk is bevestigd bij brief van 15 november 2021. Op 7 december 2020 is conservatoir beslag gelegd op voornoemde hardware wallet met inhoud ter zake van een door het Openbaar Ministerie gestelde ontnemingsvordering op de beslagene.
De strafzaak en de ontnemingszaak tegen beslagene waren bij het hof bekend onder bovengenoemde parketnummers. In de strafzaak tegen beslagene is op 22 november 2021 arrest gewezen. Beslagene is veroordeeld ter zake van – zakelijk weergegeven – het medeplegen van opzettelijk inbreuk maken op auteursrecht, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk ter verveelvoudiging of verspreiding voorhanden hebben, invoeren en bewaren van voorwerpen waarin met inbreuk op auteursrecht een werk is vervat, terwijl hij het plegen van deze misdrijven als bedrijf uitoefent. Aan beslagene is een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden opgelegd, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek. Beslagene heeft tegen dit arrest cassatieberoep bij de Hoge Raad der Nederlanden ingesteld. In de procedure in cassatie is tot op heden nog geen beslissing genomen. Bij arrest van 7 oktober 2019 is beslagene door het hof niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van het niet tijdig ingestelde hoger beroep in de ontnemingszaak.
Bij beslissing van 25 juli 2023 van de rechtbank Oost-Brabant, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen, gelet op het bepaalde in artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
In het klaagschrift wordt gesteld dat de hardware wallet en de bitcoins niet toebehoren aan de beslagene, maar aan klager. Klager onderbouwt dit aan de hand van een belastingaangifte inkomstenbelasting, waaruit blijkt dat klager voornoemde vermogensbestanddelen in zijn belastingaangifte heeft opgenomen. Klager voert aan dat hij de wallet op de avond voorafgaand aan de beslaglegging heeft overhandigd aan beslagene om de bitcoins te gelde te maken zodat klager met de liquiditeiten nieuwe investeringen kon gaan doen. De reden voor de overdracht is dat beslagene meer kennis en kunde heeft van technologische ontwikkelingen dan klager en derhalve zorg droeg voor de verkoop.
Klager voert aan dat het noodzakelijk is om het conservatoir beslag op te heffen, zodat klager in zijn levensonderhoud kan voldoen en andere financiële verplichtingen kan nakomen. Tevens voert klager aan dat de koers van de bitcoins tanende is en dat het de verwachting van klager is dat dit zal doorzetten.
De advocaat-generaal heeft ter zitting in raadkamer naar voren gebracht dat het klaagschrift| niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het klaagschrift niet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn is ingediend.
De raadsman heeft ter zitting in raadkamer aangevoerd dat hij zich op het standpunt stelt dat het klaagschrift tijdig is ingediend, zowel op grond van de termijn zoals bedoeld in artikel 552a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering als de termijn zoals bedoeld in artikel 552a lid 4 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof oordeelt dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend. Op grond van artikel 552a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard, indien het klaagschrift is ingediend op een tijdstip waarop twee jaren zijn verstreken na de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking en een vervolging niet of nog niet is ingesteld. Blijkens de voorhanden zijnde stukken is het conservatoir beslag gelegd op 7 december 2020. Tegen klager is voorts, met name gelet op de hem betreffende sepotbeslissing als voormeld, geen vervolging ingesteld. Nu het klaagschrift is ingediend op 29 december 2022, is het klaagschrift niet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn ingediend.
Ten overvloede overweegt het hof dat, ook als sprake zou zijn van de situatie zoals bedoeld in artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, het klaagschrift eveneens niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. Op grond van artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift alsdan niet-ontvankelijk te worden verklaard, indien het klaagschrift is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. De zaak tegen klager is op 29 maart 2021 geseponeerd. Als zou worden uitgegaan van de datum van 29 maart 2021 (en overigens ook als zou worden uitgegaan van de schriftelijke bevestiging van de sepotbeslissing op 15 november 2021) is het klaagschrift niet binnen de in artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn van drie maanden ingediend, immers eerst op 29 december 2022. Hetgeen ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
Gelet op het bovenstaande zal het hof – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
Het hof
Verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk.”
2.16
Op 16 april 2024 is namens de klager beroep in cassatie ingesteld tegen de bestreden beschikking.
2.17
Op 24 september 2024 heeft de Hoge Raad het namens de broer van de klager ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van het hof Den Bosch in de strafzaak die ten grondslag ligt aan de hierboven genoemde ontnemingsprocedure – met uitzondering van het cassatiemiddel waarin wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase – afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.3.
3. Het middel
3.1
In het middel wordt geklaagd dat “het hof het klaagschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Meer in het bijzonder is het oordeel van het hof dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend nu het klaagschrift is ingediend op een tijdstip waarop twee jaren zijn verstreken na de inbeslagneming onjuist althans onbegrijpelijk. Voorts is het oordeel van het hof dat het klaagschrift niet binnen de in artikel 552a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn van drie maanden [is] ingediend onjuist althans onbegrijpelijk.”
Het juridisch kader
3.2
“3. Het klaagschrift (…) wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen (…) ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift (…) is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.
4. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift (…) zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming (…) ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming (…) is geschied (…). De rechtbank is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift (…) een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift (…) ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het vorige lid.”
3.3
Uit art. 552a lid 3 Sv volgt dat een op grond van art. 552a Sv zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming ingediend klaagschrift ontvankelijk is zolang er nog geen drie maanden zijn verstreken sinds de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Indien het beslag is gelegd op grond van art. 94 Sv in een zaak waarin verscheidene personen als verdachten zijn aangemerkt, is aan de vervolgde zaak pas een einde gekomen als de vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen. De rechter is in dat geval gehouden vast te stellen of de tegen hen ingestelde vervolgingen – waaronder, het beslag op grond van artikel 94 Sv betrekking heeft op het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel, ook moet worden begrepen de behandeling van de tegen hen ingestelde ontnemingsvorderingen – tot een einde zijn gekomen. Als een voorwerp op grond van art. 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, is voor de beantwoording van de vraag of de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, beslissend of de vervolging van degene(n) ten laste van wie het beslag is gelegd in de strafzaak of – als het gaat om conservatoir beslag tot bewaring van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel – de behandeling van de tegen hem ingestelde ontnemingsvordering tot een einde is gekomen.4.Zolang een (aangekondigde) ontnemingsprocedure nog niet is voltooid, is de vervolging niet geëindigd. Daaraan doet niet af dat de ontnemingsvordering ten tijde van het indienen van het klaagschrift nog niet aanhangig was gemaakt.5.
3.4
Als (nog) geen sprake is van een vervolging, moet op grond van art. 552a lid 4 Sv het klaagschrift worden ingediend binnen twee jaren na de inbeslagneming. In gevallen waarin het Openbaar Ministerie een zaak heeft geseponeerd zonder dat een strafrechter bij de zaak betrokken is geweest, is geen sprake van een vervolgde zaak in de zin van art. 552a lid 3 Sv; in dat geval is de termijn van art. 552a lid 4 Sv van toepassing.6.
De bespreking van het middel
3.5
Het hof heeft vastgesteld dat het conservatoir beslag op de wallet met bitcoins op 7 december 2020 is gelegd vanwege een ontnemingsvordering op de broer van de klager. Vervolgens heeft het hof overwogen dat geen vervolging is ingesteld aangezien de strafzaak tegen de klager is geseponeerd. Volgens het hof had het klaagschrift dus binnen twee jaren na de inbeslagneming moeten worden ingediend. Dat is niet gebeurd aangezien het klaagschrift op 29 december 2022 is ingediend, aldus het hof.
3.6
Het oordeel van het hof dat, gelet op de sepotbeslissing, sprake is van een situatie waarin geen vervolging is ingesteld als bedoeld in art. 552a lid 4 Sv geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het conservatoir beslag is namelijk niet gelegd in de geseponeerde strafzaak tegen de klager, waarin het enkel ging om – het (inmiddels) beëindigde – klassiek beslag, maar is gelegd met het oog op bewaring van het recht van verhaal van de aan de broer van de klager opgelegde ontnemingsmaatregel. Dat betekent dat er wel degelijk sprake is van een vervolgde zaak. Zijdelings en ten overvloede merk ik op dat het oordeel van het hof ook niet zonder meer begrijpelijk is aangezien het hof niet heeft vastgesteld dat het Openbaar Ministerie de strafzaak tegen de klager in het onderzoek “Rockport” heeft geseponeerd zonder dat een strafrechter bij die zaak betrokken is geweest.
3.7
Overigens is het oordeel van het hof dat het klaagschrift is ingediend op 29 december 2022 eveneens niet zonder meer begrijpelijk. Uit de hiervoor door mij geschetste procesgang blijkt namelijk dat het klaagschrift op 21 november 2022 is ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Dat die rechtbank vervolgens het klaagschrift op 29 december 2022 heeft doorgezonden naar de rechtbank Oost-Brabant impliceert niet dat het klaagschrift dus pas op die latere datum is ingediend. Dat zou onvoldoende recht doen aan de gedachte die ten grondslag ligt aan de in het onderhavige geval op de rechtbank Zeeland-West-Brabant rustende doorzendplicht7.: behandeling van het klaagschrift door de daartoe bevoegde rechter. Die mogelijkheid mag niet worden doorkruist door een vertraagde doorzending.
3.8
Aangezien het in de onderhavige zaak gaat om conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal van een opgelegde ontnemingsmaatregel, moet het klaagschrift worden ingediend binnen drie maanden nadat de tegen de broer van de klager ingestelde ontnemingsvordering tot een einde is gekomen. Zolang die ontnemingsprocedure niet is voltooid, is de vervolging niet geëindigd (zie randnr. 3.3).
3.9
De vraag is wanneer een ontnemingsvordering “ten einde is gekomen” en de ontnemingsprocedure “is voltooid”. Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft de Hoge Raad dit tot op heden niet nader gedefinieerd.
3.10
In het typische geval dat eerst de strafzaak eindigt met een onherroepelijke veroordeling en vervolgens de met die strafzaak samenhangende ontnemingsprocedure eindigt met een onherroepelijke beslissing tot oplegging van de ontnemingsmaatregel, levert de vraag wanneer de ontnemingsvordering “tot een einde is gekomen” en de ontnemingsprocedure “is voltooid” geen problemen op.
3.11
De vraag is hoe het zit in het atypische geval dat de beslissing in de ontnemingsprocedure vóór het indienen van het klaagschrift onherroepelijk is geworden, maar de uitspraak in de onderliggende strafzaak (nog) niet. Is in zo’n geval de ontnemingsprocedure voltooid? Als dat zo is, dan zou dat in het onderhavige geval tot de (bijna) Kafkaiaanse situatie leiden dat de klager al op het moment van de inbeslagneming niet-ontvankelijk was in zijn daartegen gerichte beklag. Die inbeslagneming vond namelijk plaats zes maanden – en dus niet binnen drie maanden – nadat de beslissing in de ontnemingsprocedure tegen de broer van de klager onherroepelijk is geworden (zie de randnrs. 2.3 en 2.5).
3.12
Ik meen dat een andere benadering op zijn plaats is. Daarover het volgende.
3.13
De ontnemingsprocedure is een van de strafzaak afgescheiden procedure, maar is niet een op zichzelf staande procedure. Zij is de voortzetting (“sequeel”) van een strafvervolging en maakt als zodanig onderdeel uit van één en dezelfde vervolging als die waarop de uitspraak in de strafzaak betrekking heeft.8.Als naast/na de strafzaak ook een ontnemingsprocedure loopt, ligt het tijdstip waarop de vervolgde zaak tot een einde is gekomen op het tijdstip van het onherroepelijk worden van de beslissing op de ontnemingsvordering en dus niet op het tijdstip van het onherroepelijk worden van de uitspraak in de strafzaak.9.Het atypische geval kan zich voordoen dat de beslissing op de ontnemingsvordering onherroepelijk is geworden, bijvoorbeeld omdat tegen die uitspraak geen rechtsmiddel is ingesteld, terwijl de uitspraak in de strafzaak nog niet onherroepelijk is geworden omdat het hoger beroep of het cassatieberoep nog loopt. Op grond van art. 6:1:16 lid 2 Sv wordt een opgelegde en zelfs onherroepelijk geworden ontnemingsmaatregel pas ten uitvoer gelegd wanneer de veroordeling in de samenhangende strafzaak onherroepelijk is geworden.10.Op grond van art. 511i Sv vervalt de beslissing tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – ook als deze onherroepelijk is geworden – van rechtswege wanneer in de samenhangende strafzaak geen onherroepelijke veroordeling is gevolgd.11.Met andere woorden: een onherroepelijke veroordeling in de strafzaak is een absolute voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel.
3.14
Gelet op de verhouding van de ontnemingsprocedure tot de strafvervolging en in aanmerking genomen dat de Hoge Raad niet nader heeft bepaald wat onder een ontnemingsvordering die “ten einde is gekomen” en een ontnemingsprocedure die “is voltooid” moet worden verstaan, zie ik ruimte om in het atypische geval dat op grond van art. 94a Sv conservatoir beslag is gelegd ter bewaring van het recht van verhaal van een onherroepelijk geworden ontnemingsvordering, maar de aan die ontnemingsprocedure ten grondslag liggende strafzaak ten tijde van het indienen van het klaagschrift (nog) niet onherroepelijk is afgedaan, het tijdstip waarop de ontnemingsprocedure ten einde is gekomen te bepalen op het tijdstip van het onherroepelijk worden van de uitspraak in de strafzaak.
3.15
Het voorgaande toegepast op de onderhavige zaak levert het volgende op. Op 16 juni 2020 is de ontnemingsvordering op de broer van de klager onherroepelijk geworden. Op 7 december 2020 is de wallet met bitcoins conservatoir in beslag genomen met het oog op die ontnemingsvordering. Op 21 november 2022 is het klaagschrift van de klager ingediend. Op dat moment was de bovengenoemde ontnemingsvordering al meer dan drie maanden onherroepelijk. De uitspraak in de aan de ontnemingsprocedure ten grondslag liggende strafzaak tegen de broer van de klager is echter pas op 24 november 2024 onherroepelijk geworden. Dat is (ruim) na het moment waarop het klaagschrift van de klager is ingediend. Gelet op hetgeen hiervoor onder randnrs. 3.13-3.14 is overwogen, is het klaagschrift van de klager tijdig ingediend. Het oordeel van het hof dat het klaagschrift niet binnen de in art. 552a Sv bedoelde termijnen is ingediend getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.
3.16
Het middel slaagt.
3.17
Voor het geval de Hoge Raad hierover anders oordeelt, merk ik op dat de klager tegen het treffen van verhaalsmaatregelen ter zake van de op grond van art. 94a Sv conservatoir in beslag genomen wallet met bitcoins bij de burgerlijke rechter kan opkomen.12.
4. Slotsom
4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar het hof Den Bosch om op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑12‑2025
Ik heb mij hierbij gebaseerd op het hierna onder randnr. 2.13 geciteerde stuk van het Openbaar Ministerie. Het hof is in zijn beschikking van 11 april 2024 ervan uitgegaan dat beide zaken zijn geseponeerd op 29 maart 2021.
HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1292.
HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:137, NJ 2023/229, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.4 en HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1467, rov. 2.3.2.
HR 3 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6781, NJ 2006/51, rov. 3.5 en HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:135, NJ 2023/228, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.6.
HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9406, NJ 2008/250, rov. 3.5; HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0537, rov. 2.3; HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7062, rov. 2.4; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2346, rov. 2.4; HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1583, NJ 2019/431, rov. 2.5.
Zie HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9284, NJ 1994/263, m.nt. Th.W. van Veen, rov. 6.3; HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3499, rov. 3.2.
HR 28 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0305, NJ 1996/383, m.nt. T.M. Schalken, rov. 6.6; HR 19 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC8313, NJ 1997/168, rov. 4.2; HR 26 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1636, NJ 2000/56, rov. 3.3 en 3.6. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 10 december 1992, Stb. 1993, 11 houdt onder meer in dat de ontnemingsprocedure “niet (…) een geheel op zichzelf staande procedure vormt. Zij kan slechts worden ingesteld als sequeel van een strafvervolging en dient ook te worden gezien als een van de aanvankelijke strafvervolging afgesplitste procesgang, niet als een toevoeging daaraan.”, Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 38.
B.F. Keulen, Crimineel vermogen en strafrecht. Een commentaar op de ontnemingswetgeving, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 189.
Vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016, NJ 1999/75, m.nt. G. Knigge, rov. 4.2; HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3548, NJ 2015/297, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.1; HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1255, rov. 2.2. Zie ook Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 75 en Kamerstukken II 1991/92, 21 504, nr. 9, p. 3-4.
Zie voor de toepassing van deze bepaling HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1401.
HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:135, NJ 2023/228, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.9.
Beroepschrift 03‑07‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 24/01587 B
Betekening aanzegging: 7 juni 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[klager]
wonende te [woonplaats],
klager,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20240125
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de klager bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [klager] ingestelde beroep in cassatie tegen de beschikking ex art. 552a Sv van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 11 april 2024.
In genoemde beschikking heeft het hof het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder art. 552a Sv, en wel omdat het hof het klaagschrift ten onrecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Meer in het bijzonder is het oordeel van het hof dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend nu het klaagschrift is ingediend op een tijdstip waarop twee jaren zijn verstreken na de inbeslagneming onjuist althans onbegrijpelijk. Voorts is het oordeel van het hof dat het klaagschrift niet binnen de in artikel 552a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn van drie maanden ingediend onjuist althans onbegrijpelijk. De beschikking kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
1.1
Het gaat in deze klaagschriftprocedure om het conservatoire beslag op een hardware wallet met daarin zes bitcoins, die in beslag zijn genomen onder de broer van klager [betrokkene 1], de beslagene. Klager, niet-beslagene wenst opheffing van het beslag en teruggave daarvan aan zichzelf. In de beslissing d.d. 25 juli 2023 heeft de rechtbank Oost Brabant onder meer overwogen/geoordeeld:
‘De beoordeling
Op grond van de stukken en wat in raadkamer is besproken, stelt de rechtbank het volgende vast.
De hardware wallet met daarop 6 bitcoins (hierna: hardware wallet) is onder [betrokkene 1] op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in beslag genomen in het onderzoek Rockport. In dit onderzoek waren zowel klager als [betrokkene 1] verdachten. De zaken tegen hen zijn geseponeerd en het beslag in onderzoek Rockport is opgeheven. Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 7 december 2020 conservatoir beslag gelegd op de hardware wallet ten behoeve van verhaal van de verplichting tot betaling van een ontnemingsmaatregel die aan [betrokkene 1] is opgelegd.
De ontnemingsmaatregel is aan [betrokkene 1] opgelegd bij beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 mei 2018 (parketnummer 02/997152-09). Tijdens het onderzoek in raadkamer is gebleken dat tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld bij het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch (hierna: het gerechtshof) (rolnummer 20/001930-18). Het gerechtshof heeft [betrokkene 1] niet-ontvankelijk in het hoger beroep verklaard. De officier van justitie heeft meegedeeld dat deze uitspraak op 16 juni 2020 onherroepelijk is geworden.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 9 februari 2015 (parketnummer 02/99152-09) het aan de ontnemingsmaatregel ten grondslag liggend veroordelend vonnis heeft gewezen. [betrokkene 1] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (rolnummer 20/000445.15). [betrokkene 1] heeft tijdens het onderzoek in raadkamer verklaard dat de cassatieprocedure in de strafzaak nog loopt.
Gelet op het bepaalde in artikel 552a. derde lid van het Wetboek van Strafvordering moet het klaagschrift worden ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak voor het laatst werd vervolgd. Dat is gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch.
Dat betekent dat de rechtbank Oost-Brabant niet bevoegd is het klaagschrift af te doen. De rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren en de griffier gelasten het klaagschrift, gelet op het voorgaande, naar het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch door te sturen.’
1.2
In het proces-verbaal van de zitting d.d. 14 maart 2024 van het hof te 's‑Hertogenbosch is onder meer gerelateerd:
‘De voorzitter houdt kort de inhoud van het klaagschrift voor en deelt daarnaast mede: Het hof wil eerst stilstaan bij de ontvankelijkheid van het klaagschrift, waaraan het Openbaar Ministerie tevens aandacht heeft besteed in het schriftelijk advies. In het voornoemde schriftelijk advies heeft het Openbaar Ministerie geconcludeerd dat het klaagschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het klaagschrift niet tijdig zou zijn ingediend.
De raadsman voert aan:
‘Ik heb een pleitnota opgesteld. De pleitnota omvat zowel de formele als de materiële aspecten.
De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud die is opgenomen onder punt 4 ‘Ontvankelijkheid’ van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. (…)’
De raadsman voert aan:
‘Volgens mij worden er een aantal dingen door elkaar gehaald. Het klaagschrift dient te worden ingediend binnen 2 jaar na de inbeslagneming. De inbeslagneming heeft plaatsgevonden op 7 december 2020. Derhalve is het klaagschrift binnen 2 jaar ingediend. Dat wordt ook erkend door het Openbaar Ministerie in de eerdere brief. Indien er aansluiting wordt gezocht bij de termijn dat het klaagschrift dient te worden ingediend binnen 3 maanden na het eindigen van de zaak, merk ik op dat de kwestie momenteel nog lopende is. Dat heeft de raadkamer van de rechtbank ook opgemerkt. Derhalve is het klaagschrift tijdig ingediend.’
De voorzitter deelt mede dat het hof de behandeling van het klaagschrift onderbreekt voor beraad.
De voorzitter hervat de behandeling van het klaagschrift.
De voorzitter deelt mede:
‘Eerst dient het hof meer duidelijkheid te verkrijgen omtrent de ontvankelijkheid van het klaagschrift. Dat lukt op dit moment niet. Het onderzoek zal nu worden gesloten en de uitspraak zal later volgen. Dat zal ofwel een tussenuitspraak zijn waarna het onderzoek zal worden heropend, ofwel een einduitspraak ertoe strekkende dat het klaagschrift niet-ontvankelijk is. We hebben zojuist getracht direct duidelijkheid te krijgen omtrent de ontvankelijkheid van het klaagschrift, maar om dat goed uit te zoeken heeft het hof meer tijd nodig.’
De voorzitter sluit het onderzoek in raadkamer en deelt mede dat het hof voornemens is om op 11 april 2024 beschikking te wijzen.’
1.3
In de pleitnota is onder meer aangevoerd:
‘Inleiding
- 1.
Onderhavige kwestie strekt zich tot het eerbiedige verzoek zijdens de heer [klager] (hierna: [klager]) tot teruggave van een hardware wallet met daarop enkele bitcoins (hierna te noemen: BTC's) gelet op het feit dat hij stelt de rechtmatige eigenaar te zijn hiervan, welke in beslag waren genomen aanvankelijk in verband met een strafrechtelijk onderzoek terzake [klager], maar daaropvolgend (de kwestie jegens [klager] is geseponeerd) onder beslag gehóuden in verband met een lopende kwestie van zijn broer. Zoals reeds eerder gesteld is en blijft [klager] van mening dat het beslag dient te worden opgeheven en hij weer de beschikking krijgt over zijn eigendom.
- 2.
Centraal in deze vervelende Saga staat de heer [betrokkene 2], met wie [klager] in een groot dispuut leeft. Een gewezen zakelijke relatie, die er een spreekwoordelijke potje van heeft gemaakt en waarvan [klager] tot op de dag van vandaag ernstige hinder van ondervindt. Verschillende eigendommen heeft hij immers nog niet terug. Een deel daarvan betreft handelsvoorraad en is de heer [klager] in (constructieve) communicatie met OvJ, de heer [naam 1], daarover maar dit traject gaat — helaas — enorm langzaam en is na jaren nog steeds niet opgelost. Het andere deel betreft de kwestie van heden.
- 3.
Het beslag op de wallet komt voort uit — zo heeft [klager] — inmiddels geconcludeerd uit volstrekt ten onrechte lasterlijke en onjuiste uitlatingen zijdens de heer [betrokkene 2] waarop er een strafrechtelijk onderzoek is gestart met daaraan gekoppeld het beslag op de hardware wallet. Zoals gesteld is de kwestie jegens [klager] geseponeerd, maar achtervolgt hem de naweeën van de vervelende gebeurtenissen van de heer [betrokkene 2] hem nog steeds, zowel privé (aangezien hij ernstig is bedreigd (en waarvan justitie op de hoogte is), maar ook financieel; zijn eigendommen heeft hij immers nog steeds niet terug, hetgeen hem ook treft. Zeker in de heftige persoonlijke (gezins)situatle waarin de heer [klager] zich al enige tijd in bevindt. Hierop zal nog worden teruggekomen.
Ontvankelijkheid
- 4.
Aanvankelijk had het OM in haar brief van 19 juli 2023 uitdrukkelijk de ontvankelijkheid erkend. Het OM stelt dat: ‘In tegenstelling tot het standpunt dat het OM tegen de vorige raadkamer Innam, is het verzoek wel ontvankelijk, te weten op grond van artikel 552a lid 4 Sv. Immers van een vervolgde zaak in de zin van artikel 552a lid 3 Sv is, aldus HR 15 april 2008, NbSr 2008/184, NJ 2008/250, géén sprake wanneer een zaak, zonder dat een rechter in de zaak betrokken is, met een sepot is geëindigd. In een dergelijk geval is sprake van een situatie waarin geen vervolging is ingesteld zoals bedoeld In artikel 552a lid 4 Sv, zodat een klaagschrift uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming of kennisneming daarvan moet zijn ingediend’ en concludeert dat het klaagschrift tijdig is ingediend, te weten binnen de 2-jaarstermijn o.g.v. lid 4. Daarentegen heeft de rechtbank Oost-Brabant onderhavige kwestie doorverwezen naar uw Gerechtshof op grond van artikel 552a lid 3 Sv. Gelet op het feit dat de procedure van broer (op basis waarvan beslag was gelegd) thans nog loopt, is naar mening van klager het klaagschrift tijdig — los van de erkenning door het OM — ingediend zodat naar de bescheiden mening van [klager] de kwestie zich toespitst op de materiele inhoud.
(…)’
1.5
De bestreden beschikking heeft het hof overwogen/geoordeeld:
‘In het kader van de zaak ‘Rockport’ is op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering een hardware wallet met daarin 6 bitcoins in beslag genomen onder de beslagene. In voornoemd onderzoek waren zowel klager als beslagene verdachten. De zaak tegen beslagene is op 29 maart 2021 geseponeerd. De zaak tegen klager is tevens op 29 maart 2021 geseponeerd, hetgeen schriftelijk is bevestigd bij brief van 15 november 2021. Op 7 december 2020 is conservatoir beslag gelegd op voornoemde hardware wallet met inhoud, ter zake van een door het Openbaar Ministerie gestelde ontnemingsvordering op de beslagene.
De strafzaak en de ontnemingszaak tegen beslagene waren bij het hof bekend onder bovengenoemde parketnummers. In de strafzaak tegen beslagene is op 22 november 2021 arrest gewezen. Beslagene is veroordeeld ter zake van — zakelijk weergegeven — het medeplegen van opzettelijk inbreuk maken op auteursrecht, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk ter verveelvoudiging of verspreiding voorhanden hebben, invoeren en bewaren van voorwerpen waarin met inbreuk op auteursrecht een werk is vervat, terwijl hij het plegen van deze misdrijven als bedrijf uitoefent. Aan beslagene is een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden opgelegd, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek. Beslagene heeft tegen dit arrest cassatieberoep bij de Hoge Raad der Nederlanden ingesteld. In de procedure in cassatie is tot op heden nog geen beslissing genomen. Bij arrest van 7 oktober 2019 is beslagene door het hof niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van het niet tijdig ingestelde hoger beroep in de ontnemingszaak.
Bij beslissing van 25 juli 2023 van de rechtbank Oost-Brabant, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen, gelet op het bepaalde in artikel 552a. derde lid. van het Wetboek van Strafvordering.
(…)
De advocaat-generaal heeft ter zitting in raadkamer naar voren gebracht dat het klaagschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het klaagschrift niet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn is ingediend.
De raadsman heeft ter zitting in raadkamer aangevoerd dat hij zich op het standpunt stelt dat het klaagschrift tijdig is ingediend zowel op grond van de termijn zoals bedoeld in artikel 552a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering als de termijn zoals bedoeld in artikel 552a lid 4 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof oordeelt dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend. Op grond van artikel 552a, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard, indien het klaagschrift is ingediend op een tijdstip waarop twee jaren zijn verstreken na de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking en een vervolging niet of nog niet is ingesteld. Blijkens de voorhanden zijnde stukken is het conservatoir beslag gelegd op 7 december 2020. Tegen klager is voorts, met name gelet op de hem betreffende sepotbeslissing als voormeld, geen vervolging ingesteld. Nu het klaagschrift is ingediend op 29 december 2022 is het klaagschrift niet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn ingediend.
Ten overvloede overweegt liet hof dat ook als sprake zou zijn van de situatie zoals bedoeld in artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, het klaagschrift eveneens niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. Op grond van artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift alsdan niet-ontvankelijk te worden verklaard, indien het klaagschrift is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. De zaak tegen klager is op 29 maart 2021 geseponeerd. Als zou worden uitgegaan van de datum van 29 maart 2021 (en overigens ook als zou worden uitgegaan van de schriftelijke bevestiging van de sepotbeslissing op 15 november 2021 is het klaagschrift niet binnen de in artikel 552a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn van drie maanden ingediend, immers eerst op 29 december 2022. Hetgeen ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
Gelet op het bovenstaande zal het hof — overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal — het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaren.’
1.6
Art. 552a Sv luidt, voor zover hier van belang:
‘3.
Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.
4.
Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking is geschied. De rechtbank is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift of het verzoek een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift of het verzoek ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het vorige lid.’
1.7
Uit artikel 552a lid 3 Sv volgt dat een op grond van artikel 552a Sv zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming ingediend klaagschrift ontvankelijk is zolang er nog geen drie maanden zijn verstreken sinds de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Indien het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv in een zaak waarin verscheidene personen als verdachten zijn aangemerkt, is aan de vervolgde zaak pas een einde gekomen als de vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen. De rechter is in dat geval gehouden vast te stellen of de tegen hen ingestelde vervolgingen, waaronder ook — als het beslag op grond van artikel 94 Sv betrekking heeft op het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel — moet worden begrepen de behandeling van de tegen hen ingestelde ontnemingsvorderingen, tot een einde zijn gekomen. Als een voorwerp op grond van artikel 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, is volgens de Hoge Raad voor de beantwoording van de vraag of de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, beslissend of de vervolging van degene(n) ten laste van wie het beslag is gelegd in de strafzaak of — als het gaat om conservatoir beslag tot bewaring van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel — de behandeling van de tegen hem ingestelde ontnemingsvordering tot een einde is gekomen.1.
1.8
Uit het verhandelde ter zitting en de beschikking volgt dat de voorwerpen eerder op grond van art. 94 Sv in beslag zijn genomen; de voorwerpen niet door de Officier van Justitie zijn teruggegeven. Tevens volgt daaruit dat ‘de zaak’ tegen beslagene en klager zijn geseponeerd. Kennelijk zijn in het kader van de zaak onder de naam Rockport sepotbeslissingen genomen. Kennelijk is de beslagene vervolgd voor iets anders en is het beslag in de zaak Rockport reeds vóór de sepotbeslissingen op 7 december 2020 van artt. 94 naar 94a Sv gegaan in verband met een ontnemingszaak tegen beslagene. Het onderhavige klaagschrift is op 29 december 2022 ingediend. De strafzaak tegen beslagene, waaruit de ontnemingsprocedure tegen beslagene is gebaseerd liep/loopt thans (op het moment van de beslissing van het hof respectievelijk het indienen van deze schriftuur bij de Hoge Raad.2.
1.9
Het hof heeft geoordeeld dat het klaagschrift niet-ontvankelijk is omdat niet binnen twee jaar na de inbeslagneming is ingediend, in het geval dat er geen vervolging of nog geen vervolging is ingesteld. Daartoe heeft het hof gewezen op art. 552 lid 4 Sv. Gelet op de hiervoor genoemde — en door het hof niet betwiste- omstandigheden, waarbij het beslag kennelijk is gelegd/overgeheveld in verband met een andere procedure dan de zaak waarin aanvankelijk op grond van art. 94 Sv beslag was gelegd, te weten een tegen de beslagene gevoerde ontnemingsprocedure, kan niet gezegd worden dat er na inbeslagneming geen vervolging is ingesteld. Dat betekent ook dat de omstandigheid dat de strafzaak/strafzaken waarin de voorwerpen aanvankelijk in beslag waren genomen beëindigd zouden zijn door een sepotbeslissing niet aan de ontvankelijkheid van het op art. 94a Sv. gegronde klaagschrift in de weg staat. Gelet hierop is ook het oordeel van het hof dat het klaagschrift op grond van art. 553a lid 3 Sv niet ontvankelijk is nu de andere strafzaak beëindigd is door een sepotbeslissing onjuist althans onbegrijpelijk. Daarbij wordt overigens ten overvloede nog opgemerkt dat indien het hof inderdaad van oordeel is dat de zaak tegen klager apart moet worden gezien en dat deze is geëindigd met een sepotbeslissing, het hof zichzelf onbevoegd had moeten verklaren, omdat is dat geval de rechtbank bevoegd is, en niet het hof.
1.10
Volledigheidshalve wordt nog het volgende opgemerkt. Niet kan worden gesteld dat klager onvoldoende belang heeft doordat de tegen beslagene in de ontnemingsprocedure uitgesproken beslissing volgens de advocaat-generaal onherroepelijk zou zijn geworden zodat het hof —alhoewel het hof hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd dus niet heeft vastgesteld/overwogen— tot geen andere beslissing zou kunnen komen. De ontnemingsprocedure tegen beslagene, broer van klager, is geënt/gebaseerd op de strafzaak die nog niet onherroepelijk is waardoor nog niet kan worden gezegd dat de behandeling van de tegen hem ingestelde ontnemingsvordering tot een einde is gekomen. De ontnemingsprocedure is immers een sequeel van de strafzaak waarop de ontneming wordt gebaseerd. Ingeval van vernietiging van de tegen beslagene uitgesproken veroordeling ontvalt van rechtswege de tegen hem uitgesproken ontnemingsbeslissing zodat executie van de ontneming ook nog niet mogelijk is.3.
1.11
Op grond van het bovenstaande kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 3 juli 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑07‑2024
Vgl. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:135, rechtsoverwegingen 2.8 en 2.9. Zie voorts HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:94 en HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1467.
Bij de Hoge Raad bekend onder rolnummer 21/04905, waarin de Hoge Raad naar verwachting in september 2024 uitspraak zal doen.
Vgl. HR 14 april 1998, NJ 19999/75, m.nt. G. Knigge. Zie ook HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3548, NJ 2015/297, m.nt. MJ Borgers.HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1255