Einde inhoudsopgave
De kredietwaardigheidstoets bij kredietverlening aan consumenten (R&P nr. FR19) 2020/5.2.5.4
5.2.5.4 Stap 1: onderzoek
Mr. dr. J.M. Meindertsma, datum 01-06-2020
- Datum
01-06-2020
- Auteur
Mr. dr. J.M. Meindertsma
- JCDI
JCDI:ADS210096:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Eventueel kan rekening worden gehouden met het vermogen. Zie hierover de volgende paragraaf.
Art. 5.2A.15 (2) R CONC.
Art. 5.2A.17 (2) R CONC.
Art. 5.2A.18 (1) G CONC. Volgens de FCA leiden bezuinigingen op deze uitgaven tot zeer nadelige gevolgen voor de consument. Zie FCA juli 2017, p. 29.
Art. 5.2A.16 (2) G en 5.2A.19 G CONC.
Art. 5.2A.19 (2) G CONC.
FCA juli 2017, p. 29.
Art. 5.2A.24 (2) G CONC.
Art. 5.2A.16 (3) G CONC.
Art. 5.2A.36 R jo. art. 5.2A.37 G CONC.
Ibid.
In beginsel wordt de kredietwaardigheid afgestemd op het vrij besteedbaar inkomen van de consument.1 Dit is het positieve verschil tussen het inkomen2 en de niet-discretionaire uitgaven.3 Onder die laatste uitgaven vallen, kort gezegd, de minimale kosten van levensonderhoud, de bestaande financiële verplichtingen en de moeilijk-vermijdbare uitgaven.4 De kredietgever hoeft niet altijd even precies te weten hoeveel de consument per maand ontvangt en uitgeeft. Eventueel kunnen een of beide posten worden geschat. Vanzelfsprekend moet het dan wel gaan om reële schattingen.5 Zo kan bijvoorbeeld niet worden uitgegaan van statistieken die zijn gebaseerd op een huishouden dat veel kleiner is dan dat van de consument.6 Overigens is het denkbaar dat er helemaal geen onderzoek hoeft te worden gedaan naar de omvang van de niet-discretionaire uitgaven. Dit laatste kan bijvoorbeeld geoorloofd zijn als een consument met een zeer hoog inkomen vraagt om een zeer klein krediet.7 Voor zover er verder geen risicosignalen zijn, kan in dit voorbeeld worden aangenomen dat de consument, na de beoogde kredietverstrekking, voldoende inkomen overhoudt voor zijn niet-discretionaire uitgaven. De volgende bepaling uit de CONC wijst in dit verband nogmaals op het belang van de eventuele risicosignalen die erop wijzen dat het gevraagde krediet een (te) grote impact zal hebben op de betaalcapaciteit van de consument:
“So, if, for example, all other things being equal, the amounts of the repayments and the total charge for credit are low, the amount of information that is sufficient to support a reasonable creditworthiness assessment may be less than would be required: (a) in the case of more expensive credit, or credit that is higher in amount; or (b) where it is known that the customer’s financial situation is such that the credit may be expected to have a more significant impact.”8
Wat betreft de verificatieplichten, zijn voorts twee bepalingen van belang. Ten eerste bevat de CONC een richtsnoer waarin staat dat de kredietgever in beginsel niet mag uitgaan van het inkomen dat is opgegeven door de consument.9 De kredietgever wordt dus opgeroepen om bijvoorbeeld via een loonstrookje te controleren of de consument het juiste inkomen heeft opgegeven. Ten tweede bevat de CONC een aantal bindende bepalingen waaruit volgt dat de kredietgever moet letten op eventuele signalen die erop wijzen dat er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.10 Voor zover dat laatste aan de orde is, mag de kredietgever de betreffende kredietaanvraag in principe niet honoreren.11