NJB 2024/2604:Cassatie in het belang van de wet over de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden als uitzondering op de hoofdregel dat een rechterlijke beslissing niet ten uitvoer wordt gelegd, zolang daartegen nog een gewoon rechtsmiddel openstaat en, als dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist. Kort gezegd en op hoofdlijnen gelden daarbij de volgende uitgangspunten: - Als de rechter bij de oplegging van TBS met voorwaarden het bevel geeft dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, begint in die situatie de termijn van de TBS op het ogenblik waarop het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden ingaat. De termijn van de nog niet onherroepelijke, dadelijk uitvoerbaar verklaarde TBS (met voorwaarden) kan twee jaren na het begin van die termijn worden verlengd overeenkomstig art. 38d lid 2 Sr. - Als het gerechtshof in het hoger beroep in de onderliggende strafzaak binnen de eerste termijn van twee jaren in navolging van de rechtbank een dadelijk uitvoerbare TBS met voorwaarden oplegt, geldt die TBS op grond van art. 38d lid 1 Sr voor de tijd van twee jaren. In dat geval kan een (afzonderlijke beslissing op een) vordering tot verlenging van de TBS achterwege blijven. - In het geval waarin het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en het de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden wil beëindigen, moet het op grond van art. 6:6:6 Sv de dadelijke uitvoerbaarheid opheffen. - Het is naar geldend recht niet mogelijk om de niet onherroepelijk opgelegde, dadelijk uitvoerbare TBS met voorwaarden ‘om te zetten’ in een TBS met verpleging van overheidswege. Wel wijst de Hoge Raad erop dat in voorkomende gevallen de schorsing van de voorlopige hechtenis kan worden opgeheven.