NJ 2024/320
Nu naar oordeel hof de oproeping voor de zitting verdachte niet zou hebben bereikt, is opnieuw betekenen zinloos.
HR 03-09-2024, ECLI:NL:HR:2024:1122, m.nt. J.M. Reijntjes
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
3 september 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, F. Posthumus
- Zaaknummer
22/01401
- Conclusie
A-G mr. E.J. Hofstee
- Noot
J.M. Reijntjes
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS985254:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1122, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑09‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:551, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑05‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑07‑2023
- Wetingang
Art. 260 lid 5 Sv
Essentie
De beslissing van het hof om het onderzoek op de terechtzitting niet te schorsen berust kennelijk tevens op de grond dat, ook als de oproeping voor die terechtzitting wel was voorzien van een schriftelijke vertaling in het Pools van de dagvaarding in eerste aanleg, met daarin opgenomen de tenlastelegging of een korte omschrijving van het feit, deze de verdachte niet zou hebben bereikt en dat het opnieuw betekenen van de oproeping zinloos is. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
Samenvatting
De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2020/329, m.nt. J.W. Ouwerkerk omtrent de verplichte vertaling ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.