Dat was anders in HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1541, NJ 2020/327, m.nt. Ouwerkerk. In die zaak was in strijd met het bepaalde in art. 260, vijfde lid, Sv een schriftelijke vertaling van een oproeping voor de terechtzitting in eerste aanleg achterwege gebleven. De vraag of de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep verontschuldigbaar was, werd door het hof in ontkennende zin beantwoord. Uit een faxbericht van de advocaat van de verdachte voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg kon namelijk worden opgemaakt dat de verdachte op de hoogte was van die zitting. Daaraan deed volgens het hof niet af dat – in strijd met art. 260, vijfde lid, Sv – bij de aan de verdachte uitgereikte dagvaarding niet een vertaling was gevoegd. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep niet verontschuldigbaar was en dat de verdachte daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard in het ingestelde hoger beroep, getuigde volgens de Hoge Raad derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk.
HR, 03-09-2024, nr. 22/01401
ECLI:NL:HR:2024:1122
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-09-2024
- Zaaknummer
22/01401
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1122, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑09‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:551
ECLI:NL:PHR:2024:551, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑05‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1122
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑07‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0184
NJ 2024/320 met annotatie van J.M. Reijntjes
Uitspraak 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Diefstal van fiets, art. 310 Sr. Aanwezigheidsrecht. Verzuim Poolse vertaling van inleidende dagvaarding te verzenden, art. 260.5 Sv. Had hof onderzoek ttz. moeten schorsen om alsnog vertaling van strafrechtelijk verwijt aan Poolse verdachte te laten betekenen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:773 m.b.t. vertaalverplichting van art. 260.5 Sv t.a.v. dagvaarding van verdachte die Nederlandse taal niet beheerst en uit HR:2002:AD5163 m.b.t. verplichting voor rechter om onderzoek ttz. te schorsen als niet aan vereisten van deze bepaling is voldaan. Uit stukken kan worden afgeleid dat verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en dat inleidende dagvaarding in strijd met art. 260.5 Sv niet in Poolse of andere voor verdachte begrijpelijke taal is vertaald. Uit stukken blijkt niet dat op later moment in procedure een vertaling van die dagvaarding aan verdachte is verstrekt, of anderszins in een voor verdachte begrijpelijke taal schriftelijk mededeling is gedaan a.b.i. art. 260.5 Sv. Hof heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk is onderzoek ttz. te schorsen om alsnog vertaling van “strafrechtelijk verwijt” (ttl. dan wel korte omschrijving van feit) aan verdachte te laten betekenen. Hof heeft bij dat oordeel betrokken dat (i) hoger beroep namens verdachte is ingesteld door zijn daartoe gemachtigde raadsman, (ii) nu raadsman voor eerdere tz. in h.b. was gemachtigd, procedure ook wat betreft nadere tz. in h.b. op tegenspraak is gevoerd, (iii) voor nadere tz. in h.b. een (in Poolse taal) vertaalde oproeping rechtsgeldig is betekend aan verdachte, (iv) raadsman ttz. in h.b. heeft medegedeeld dat hij geen contact meer heeft met verdachte en dat hij niet weet waar verdachte op dat moment is, en (v) het “zinloos” is om onderzoek ttz. nogmaals te schorsen. V.zv. hof met deze overwegingen tot uitdrukking heeft willen brengen dat verdachte niet in zijn verdediging is geschaad doordat niet schriftelijke vertaling van dagvaarding in eerste aanleg aan hem is verstrekt, en dat hem niet anderszins in een voor hem begrijpelijke taal een korte omschrijving van feit schriftelijk is medegedeeld, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Uit de door hof in aanmerking genomen omstandigheden kan immers niet zonder meer volgen dat verdachte bekend was met de in tll. opgenomen beschuldiging. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu ‘s hofs beslissing om onderzoek ttz. niet te schorsen kennelijk tevens berust op de grond dat, ook als oproeping voor nadere tz. in h.b. wel was voorzien van schriftelijke vertaling van dagvaarding in e.a., met daarin opgenomen tll. of korte omschrijving van feit, deze de verdachte niet zou hebben bereikt en dat het opnieuw betekenen van oproeping zinloos is. Dat oordeel, dat ’s hofs beslissing zelfstandig draagt, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat oproeping voor nadere tz. in h.b. tevergeefs is aangeboden op adres in Nederland omdat verdachte niet (meer) op dat adres woont en van hem geen andere woon- of verblijfplaats bekend was waaraan betekening kon plaatsvinden, terwijl ook raadsman heeft aangegeven niet te weten waar verdachte verblijft. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01401
Datum 3 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 april 2022, nummer 21-005078-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J. Weldam, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat er geen aanleiding is het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep te schorsen om alsnog – overeenkomstig het voorschrift van artikel 260 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – een schriftelijke vertaling van het strafrechtelijke verwijt aan de verdachte te laten betekenen.
2.2.1
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, houden het volgende in.
2.2.2
De verdachte heeft de Poolse nationaliteit. Hij is met bijstand van een tolk in de Poolse taal verhoord door de politie.
2.2.3
De dagvaarding in eerste aanleg is op 20 oktober 2020 in persoon uitgereikt aan de verdachte. Op 19 november 2020 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld voor diefstal.
2.2.4
Tegen dit vonnis heeft advocaat J.J. Weldam op 30 december 2020 namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Op 11 januari 2021 heeft deze advocaat namens de verdachte een appelschriftuur ingediend bij de griffie van de rechtbank. Die appelschriftuur houdt onder vermelding van het feit waarvoor de verdachte in eerste aanleg is veroordeeld in dat de verdachte zich niet kan verenigen met de door de politierechter opgelegde straf, nu de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (van drie weken) niet passend en geboden is.
2.2.5
De dagvaarding in hoger beroep – die geen omschrijving van het feit inhoudt – voor de terechtzitting van 11 oktober 2021 is op 30 juli 2021 in persoon uitgereikt aan de verdachte, samen met een Poolse vertaling van die dagvaarding. De verdachte was op dat moment uit anderen hoofde gedetineerd.
2.2.6
Nadat het hof bij tussenarrest van 25 oktober 2021 de oproeping van de verdachte had bevolen, is op 13 januari 2022 de oproeping in hoger beroep voor de terechtzitting van 21 maart 2022 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, omdat de woon- of verblijfplaats van de verdachte niet bekend is. Daarnaast is op 19 januari 2022 de oproeping in hoger beroep voor de terechtzitting van 21 maart 2022 tevergeefs aangeboden op het adres [a-straat 1] [postcode] in [plaats], met de vermelding in de akte van uitreiking dat de geadresseerde niet (meer) op dat adres woont. Vervolgens is op 24 januari 2022 de oproeping uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, waarna op die datum een afschrift van de oproeping is verzonden naar het adres in [plaats]. Daarbij is ook een Poolse vertaling van de oproeping meegezonden. Ten slotte is op 3 maart 2022 de oproeping in hoger beroep van 21 maart 2022 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, waarna op die datum een afschrift van de oproeping naar het adres in [plaats] is verzonden.
2.2.7
De Informatiestaten SKDB-persoon van 3 maart 2022 en 13 januari 2022, die aan de oproepingen in hoger beroep zijn gehecht, houden in dat de verdachte op die data niet was gedetineerd, dat hij met ingang van 9 november 2020 niet is ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: BRP), dat hij vanaf 29 maart 2019 tot 9 november 2020 in de BRP was ingeschreven op het adres [a-straat 1] in [plaats] en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (met als datum registratie 24 juni 2021) [a-straat 1] in [plaats] is.
2.3.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2021 houdt onder meer in:
“De verdachte genaamd:(...)is niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting via een Skype-(geluids-)verbinding aanwezig mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.(...)De raadsman deelt mede:Ik heb geen contact meer gehad met mijn cliënt.
De voorzitter deelt mede dat het vandaag gaat om de vraag of verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep, nu hij op 20 oktober 2020 in persoon de dagvaarding uitgereikt heeft gekregen voor de zitting van 19 november 2020 en hij pas op 30 december 2020 hoger beroep heeft ingesteld.
De raadsman voert aan:Mijn cliënt dient ontvankelijk verklaard te worden in zijn hoger beroep omdat er sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. De akte van uitreiking en de dagvaarding hadden vertaald moeten worden. Uit het proces-verbaal kan niet worden afgeleid dat deze punten onderzocht zijn ter terechtzitting in eerste aanleg. Om diezelfde reden is de inleidende dagvaarding dan wel het onderzoek ter terechtzitting nietig.
De advocaat-generaal merkt op:Er zit geen vertaling van de dagvaarding bij de stukken en dat had wel gemoeten. Er is wel een brief van 5 januari 2021 over de voortzetting van de executie en dat het vonnis onherroepelijk is, maar ook deze brief is niet vertaald. Van de uitreiking heb ik geen stukken. Verdachte dient dus ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.(...)De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat het hof bij tussenarrest uitspraak zal doen ter terechtzitting van 25 oktober 2021 te 14:00 uur.”
2.3.2
Het tussenarrest van het hof van 25 oktober 2021 houdt over de ontvankelijkheid van het hoger beroep in:
“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn hoger beroep omdat sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zowel de akte uitreiking als de dagvaarding niet vertaald was in een taal die verdachte machtig was en dat uit het proces-verbaal niet kan worden afgeleid dat deze punten onderzocht zijn ter terechtzitting in eerste aanleg. Volgens de raadsman is daarom de inleidende dagvaarding dan wel het onderzoek ter terechtzitting nietig.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat zich bij de stukken geen vertaling van de dagvaarding bevindt en dat verdachte ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.
In de onderhavige zaak is vast komen te staan dat verdachte bij verstek is veroordeeld op 19 november 2020, tegen welke veroordeling op 30 december 2020 hoger beroep is ingesteld.
De dagvaarding voor de zitting bij de politierechter van 19 november 2020 is op 20 oktober 2020 op het politiebureau te Houten aan verdachte in persoon uitgereikt.
Verdachte is de Nederlandse taal niet, althans onvoldoende machtig.
Artikel 260, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat indien verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding wordt verstrekt dan wel hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling wordt gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop verdachte ter terechtzitting moet verschijnen alsmede een korte omschrijving van het feit en de mededelingen bedoeld in het derde lid, tweede volzin en het vierde lid.
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte de inleidende dagvaarding ontvangen heeft in een taal die hij machtig is, dan wel dat er op een andere manier voor vertaling is zorggedragen. Het hof kan derhalve niet uitsluiten dat verdachte niet op de hoogte was van de zitting van de politierechter op 19 november 2020.
Met verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 18 april 2006, ECLl:NL:HR:2006:AV1156, brengt het ontbreken van een inleidende dagvaarding in een taal die de verdachte begrijpt niet de nietigheid (de Hoge Raad begrijpt: van de dagvaarding) met zich mee. Wel behoort de rechter, indien hij van oordeel is dat de verdachte door die omstandigheid in zijn verdediging is geschaad, het onderzoek ter terechtzitting te schorsen opdat de verdachte alsnog op de hoogte kan worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.
Nu verdachte niet ter terechtzitting in eerste aanleg is verschenen, had de politierechter dus ter zitting dienen te onderzoeken of verdachte op de hoogte was van de zitting en deze derhalve geacht kon worden afstand te hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, bij gebreke waarvan de politierechter het onderzoek had moeten schorsen opdat aan verdachte alsnog een vertaling van de dagvaarding kon worden verstrekt.
Dit verzuim noopt echter niet tot een verwijzing naar de politierechter, vergelijk Hoge Raad 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3289.
Het hof deelt het standpunt van de raadsman en de advocaat-generaal dat vanwege het ontbreken van een vertaling van de dagvaarding, en het feit dat verdachte in deze zaak bij verstek is veroordeeld, er sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep door verdachte op 30 december 2020.
Het hof acht verdachte ontvankelijk in zijn hoger beroep en zal bepalen dat de zaak zal worden heropend en hervat op een nader te bepalen terechtzitting bij de enkelvoudige kamer van het gerechtshof. Het hof geeft de advocaat-generaal in overweging om de oproeping van verdachte voor de nader te bepalen terechtzitting vergezeld te doen laten gaan van zowel een vertaald exemplaar van die oproeping als van de dagvaarding in eerste aanleg en de mededelingen bij die dagvaarding.
BESLISSING
Het hof:
Heropent het onderzoek.
Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting en verwijst de zaak daartoe naar de enkelvoudige kamer van het hof.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de verdachte en de benadeelde partij.”
2.3.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2022 houdt onder meer in:
“De verdachte genaamd:(...)is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Als raadsman is ter terechtzitting aanwezig mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht.
Desgevraagd verklaart de raadsman:Ik had mijn cliënt niet verwacht want we hebben geen contact meer. Op de vorige zitting was ik wel gemachtigd maar nu niet. Ik las in het zittingsproces-verbaal dat de zaak zou worden verwezen naar de enkelvoudige kamer en dat een Poolse vertaling van de dagvaarding naar mijn cliënt zou worden verzonden.
De voorzitter merkt op dat een Poolse vertaling van de oproeping voor de zitting van vandaag aan verdachte is verzonden. Verdachte had vandaag naar de zitting kunnen komen, waar hem de dagvaarding uitgelegd had kunnen worden.
De raadsman verklaart:Mijn cliënt weet dan niet waar de oproeping over gaat.
De voorzitter merkt op dat verdachte een voor hem begrijpelijke oproeping heeft gekregen, en dat hij een raadsman heeft met wie hij geen contact heeft opgenomen.
De raadsman verklaart:In de wet is vastgelegd dat een vertaling van de dagvaarding moet worden verstrekt en het is aan het hof om te beslissen wat er nu moet gebeuren.
Desgevraagd verklaart de advocaat-generaal:Ik ben het niet eens met de stelling van de raadsman. Wij hebben ook geen adres van verdachte. Hij weet waar het over gaat. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld en de dagvaarding voor de eerste zitting in hoger beroep is aan hem in persoon uitgereikt omdat hij toen vast zat. Daar staat onder andere een parketnummer in, waardoor verdachte weet waar het over gaat.In het tussenarrest heeft het hof de advocaat-generaal in overweging gegeven om een vertaalde dagvaarding te sturen. Het was geen opdracht aan het openbaar ministerie om een vertaalde dagvaarding aan verdachte toe te zenden.In deze zaak is een appelschriftuur ingediend dus ik stel mij op het standpunt dat de zaak nu inhoudelijk behandeld kan worden.
Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter de volgende beslissing van het hof mede.Tijdens de vorige zitting is verdachte ontvankelijk verklaard in hoger beroep na een aanzienlijke termijnoverschrijding. De raadsman was toen wel gemachtigd, waardoor de procedure ook vandaag op tegenspraak geldt. Aan verdachte is een vertaalde oproeping voor de zitting van vandaag betekend. Het hof zal de zaak niet aanhouden om alsnog een vertaling van het strafrechtelijk verwijt aan verdachte te laten betekenen.Het hoger beroep is ingesteld door verdachte en de machtiging van de raadsman zag op het instellen van het hoger beroep.De raadsman heeft nu gezegd dat hij geen contact meer met verdachte heeft en dat hij niet weet waar hij nu is. Het hof vindt het zinloos om de behandeling van de zaak nu nog een keer aan te houden om een vertaling van de inleidende dagvaarding te laten betekenen en zal de zaak vandaag inhoudelijk behandelen.”
2.4.1
Artikel 260 leden 3 tot en met 5 (oud) Sv - dat voor zover hier van belang niet verschilt van de nu geldende tekst - luidde ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding:
“3. Bij de dagvaarding van de verdachte wordt opgave gedaan van de naam, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of bij onbekendheid daarvan de aanduiding van de getuigen en deskundigen die door de officier van justitie zijn opgeroepen. Ook van de oproeping van een persoon die bevoegd is het spreekrecht uit te oefenen, van de benadeelde partij voor zover dit niet eerder op grond van artikel 51g is geschied, en van een tolk wordt opgave gedaan.4. Aan de verdachte wordt daarbij kenbaar gemaakt dat hij het recht heeft getuigen en deskundigen schriftelijk te doen oproepen of op de terechtzitting mede te brengen; hij wordt daarbij tevens opmerkzaam gemaakt op de voorschriften van de artikelen 262, eerste lid, 263, eerste, tweede en derde lid en 278, tweede lid.5. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding verstrekt dan wel wordt hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen alsmede een korte omschrijving van het feit en de mededelingen, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, en het vierde lid.”
2.4.2
Op grond van artikel 260 lid 5 Sv moet aan de verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, een schriftelijke vertaling van de dagvaarding worden verstrekt, dan wel in ieder geval in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling worden gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte op de terechtzitting moet verschijnen, een korte omschrijving van het feit en de mededelingen, bedoeld in artikel 260 lid 3, tweede volzin, Sv en artikel 260 lid 4 Sv. Aan deze verplichting kan worden voldaan door het verstrekken van een integrale vertaling van de dagvaarding, dat wil zeggen een vertaling van de door het openbaar ministerie opgestelde dagvaarding met inbegrip van de mededelingen die daarin zijn opgenomen dan wel daarbij zijn gevoegd. (Vgl. HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:773.)
2.4.3
Wanneer de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en niet blijkt dat aan de vereisten van artikel 260 lid 5 Sv is voldaan, moet de rechter, als hij van oordeel is dat de verdachte door die omstandigheid in zijn verdediging is geschaad, het onderzoek op de terechtzitting schorsen opdat de verdachte alsnog op de hoogte kan worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldiging (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.20 onder d).
2.5.1
Uit de onder 2.2 weergegeven stukken kan worden afgeleid dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en dat de inleidende dagvaarding in strijd met artikel 260 lid 5 Sv niet in de Poolse of een andere voor de verdachte begrijpelijke taal is vertaald. Uit de stukken blijkt niet dat op een later moment in de procedure een vertaling van die dagvaarding aan de verdachte is verstrekt, of anderszins in een voor de verdachte begrijpelijke taal schriftelijk mededeling is gedaan zoals bedoeld in artikel 260 lid 5 Sv.
2.5.2
Het hof heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk is het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om alsnog een vertaling van “het strafrechtelijk verwijt” – waarmee het hof kennelijk het oog heeft op de tenlastelegging dan wel een korte omschrijving van het feit – aan de verdachte te laten betekenen. Het hof heeft bij dat oordeel betrokken dat (i) het hoger beroep namens de verdachte is ingesteld door zijn daartoe gemachtigde raadsman, (ii) nu de raadsman voor een eerdere terechtzitting in hoger beroep was gemachtigd, de procedure ook wat betreft de terechtzitting van 21 maart 2022 op tegenspraak is gevoerd, (iii) voor de terechtzitting van 21 maart 2022 een (in de Poolse taal) vertaalde oproeping rechtsgeldig is betekend aan de verdachte, (iv) de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep heeft medegedeeld dat hij geen contact meer heeft met de verdachte en dat hij niet weet waar de verdachte op dat moment is, en (v) het “zinloos” is om het onderzoek op de terechtzitting nogmaals te schorsen.
2.5.3
Voor zover het hof met deze overwegingen tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad doordat niet een schriftelijke vertaling van de dagvaarding in eerste aanleg aan hem is verstrekt, en dat hem niet anderszins in een voor hem begrijpelijke taal een korte omschrijving van het feit schriftelijk is medegedeeld, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Uit de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden kan immers niet zonder meer volgen dat de verdachte bekend was met de in de tenlastelegging opgenomen beschuldiging. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu de beslissing van het hof om het onderzoek op de terechtzitting niet te schorsen kennelijk tevens berust op de grond dat, ook als de oproeping voor de terechtzitting van 21 maart 2022 wel was voorzien van een schriftelijke vertaling van de dagvaarding in eerste aanleg, met daarin opgenomen de tenlastelegging, of een korte omschrijving van het feit, deze de verdachte niet zou hebben bereikt en dat het opnieuw betekenen van de oproeping zinloos is. Dat oordeel, dat de beslissing van het hof zelfstandig draagt, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat – zoals volgt uit de onder 2.2.6 en 2.2.7 weergegeven inhoud van de stukken – de oproeping in hoger beroep voor de terechtzitting van 21 maart 2022 tevergeefs is aangeboden op het adres in [plaats] omdat de verdachte niet (meer) op dat adres woont en van hem geen andere woon- of verblijfplaats bekend was waaraan de betekening kon plaatsvinden, terwijl ook de raadsman van de verdachte heeft aangegeven niet te weten waar de verdachte verblijft.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2024.
Conclusie 21‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Het tweede cassatiemiddel komt met deelklachten op tegen het oordeel van het hof dat het ontbreken van (een betekening of uitreiking van) een vertaling in het Pools van het in de inleidende dagvaarding omschreven strafrechtelijk verwijt aan de verdachte (diefstal fiets) niet aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep in de weg staat en tegen het oordeel van het hof dat het zinloos is om de behandeling van de zaak nog een keer aan te houden om een vertaling van de inleidende dagvaarding in het Pools te laten betekenen aangezien geen adres van de verdachte bekend is. Ook het eerste cassatiemiddel (overschrijding redelijke termijn) leidt niet tot cassatie. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01401
Zitting 21 mei 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
- 1.
De verdachte is bij arrest van 4 april 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij (zoals nader bepaald in het arrest).
- 2.
Namens de verdachte heeft J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend, waarin twee middelen van cassatie worden voorgesteld. Hieronder bespreek ik de middelen in een andere volgorde.
II. Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Bezien in samenhang met de toelichting daarop, luidt de klacht dat om tweeërlei reden niet (zonder meer) begrijpelijk is ’s hofs oordeel om het onderzoek ter terechtzitting van 21 maart 2022 niet te schorsen teneinde een vertaling van de inleidende dagvaarding en de daarbij behorende mededelingen in het Pools aan de verdachte te laten betekenen.
4. In de toelichting op het middel wordt ten eerste opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het ontbreken van (een betekening of uitreiking van) een vertaling in het Pools van het strafrechtelijk verwijt aan de verdachte niet aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep in de weg staat. De tweede, daarmee samenhangende, deelklacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat het zinloos is om de behandeling van de zaak nog een keer aan te houden om een vertaling van de inleidende dagvaarding in het Pools te laten betekenen.
De tenlastelegging en bewezenverklaring
5. Aan de verdachte is (bij inleidende dagvaarding) tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 18 oktober 2020 te [plaats] een fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijke toe te eigenen.”
6. Hiervan is door het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 18 oktober 2020 te [plaats] een fiets, die toebehoorde aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die fiets wederrechtelijk toe te eigenen.”
Het procesverloop
7. Blijkens de “Akte instellen hoger beroep” is op 30 december 2020 namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 19 november 2020.
8. De appelschriftuur van 11 januari 2021 houdt, voor zover hier relevant, het volgende in:
“Appellant is door de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland In het vonnis van 19 november 2020 met parketnummer 16/262736-20 veroordeeld voor diefstal. Appellant is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
Appellant heeft op 30 december 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, op de volgende maar eveneens op eventueel nader aan te voeren middelen en gronden.
Strafmaatverweer
Appellant kan zich niet verenigen met de opgelegde straf. Appellant stelt dat oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op alle feiten en omstandigheden niet passend en geboden is. Sowieso kan appellant zich niet verenigen met de duur van de opgelegde gevangenisstraf.”
9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2021 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting via een Skype-(geluids-)verbinding aanwezig mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
[…]
De raadsman deelt mede:
Ik heb geen contact meer gehad met mijn cliënt.
De voorzitter deelt mede dat het vandaag gaat om de vraag of verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep, nu hij op 20 oktober 2020 in persoon de dagvaarding uitgereikt heeft gekregen voor de zitting van 19 november 2020 en hij pas op 30 december 2020 hoger beroep heeft ingesteld.
De raadsman voert aan:
Mijn cliënt dient ontvankelijk verklaard te worden in zijn hoger beroep omdat er sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. De akte van uitreiking en de dagvaarding hadden vertaald moeten worden. Uit het proces-verbaal kan niet worden afgeleid dat deze punten onderzocht zijn ter terechtzitting in eerste aanleg. Om diezelfde reden is de inleidende dagvaarding dan wel het onderzoek ter terechtzitting nietig.
De advocaat-generaal merkt op:
Er zit geen vertaling van de dagvaarding bij de stukken en dat had wel gemoeten. Er is wel een brief van 5 januari 2021 over de voortzetting van de executie en dat het vonnis onherroepelijk is, maar ook deze brief is niet vertaald. Van de uitreiking heb ik geen stukken. Verdachte dient dus ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
[…]
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat het hof bij tussenarrest uitspraak zal doen ter terechtzitting van 25 oktober 2021 te 14:00 uur.”
10. Het (tussen)arrest van 25 oktober 2021 houdt onder meer in:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn hoger beroep omdat sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zowel de akte uitreiking als de dagvaarding niet vertaald was in een taal die verdachte machtig was en dat uit het proces-verbaal niet kan worden afgeleid dat deze punten onderzocht zijn ter terechtzitting in eerste aanleg. Volgens de raadsman is daarom de inleidende dagvaarding dan wel het onderzoek ter terechtzitting nietig.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat zich bij de stukken geen vertaling van de dagvaarding bevindt en dat verdachte ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.
In de onderhavige zaak is vast komen te staan dat verdachte bij verstek is veroordeeld op 19 november 2020, tegen welke veroordeling op 30 december 2020 hoger beroep is ingesteld.
De dagvaarding voor de zitting bij de politierechter van 19 november 2020 op 20 oktober 2020 op het politiebureau te Houten aan verdachte in persoon is uitgereikt.
Verdachte is de Nederlandse taal niet, althans onvoldoende machtig.
Artikel 260, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat indien verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding wordt verstrekt dan wel hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling word gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop verdachte ter terechtzitting moet verschijnen alsmede een korte omschrijving van het feit en de mededelingen bedoeld in het derde lid, tweede volzin en het vierde lid.
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte de inleidende dagvaarding ontvangen heeft in een taal die hij machtig is, dan wel dat er op een andere manier voor vertaling is zorggedragen. Het hof kan derhalve niet uitsluiten dat verdachte niet op de hoogte was van de zitting van de politierechter op 19 november 2020.
Met verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 18 april 2006, ECLl:NL:HR:2006:AV1156, brengt het ontbreken van een inleidende dagvaarding in een taal die de verdachte begrijpt niet de nietigheid met zich mee. Wel behoort de rechter, indien hij van oordeel is dat de verdachte door die omstandigheid in zijn verdediging is geschaad, het onderzoek ter terechtzitting te schorsen opdat de verdachte alsnog op de hoogte kan worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.
Nu verdachte niet ter terechtzitting in eerste aanleg is verschenen, had de politierechter dus ter zitting dienen te onderzoeken of verdachte op de hoogte was van de zitting en deze derhalve geacht kon worden afstand te hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, bij gebreke waarvan de politierechter het onderzoek had moeten schorsen opdat aan verdachte alsnog een vertaling van de dagvaarding kon worden verstrekt.
Dit verzuim noopt echter niet tot een verwijzing naar de politierechter, vergelijk Hoge Raad 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3289.
Het hof deelt het standpunt van de raadsman en de advocaat-generaal dat vanwege het ontbreken van een vertaling van de dagvaarding, en het feit dat verdachte in deze zaak bij verstek is veroordeeld, er sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep door verdachte op 30 december 2020.1.
Het hof acht verdachte ontvankelijk in zijn hoger beroep en zal bepalen dat de zaak zal worden heropend en hervat op een nader te bepalen terechtzitting bij de enkelvoudige kamer van het gerechtshof. Het hof geeft de advocaat-generaal in overweging om de oproeping van verdachte voor de nader te bepalen terechtzitting vergezeld te doen laten gaan van zowel een vertaald exemplaar van die oproeping als van de dagvaarding in eerste aanleg en de mededelingen bij die dagvaarding.
BESLISSING
Het hof:
Heropent het onderzoek.
Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting en verwijst de zaak daartoe naar de enkelvoudige kamer van het hof.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige
kennisgeving daarvan aan de raadsman van de verdachte en de benadeelde partij.”
11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2022 houdt het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Als raadsman is ter terechtzitting aanwezig mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht.
Desgevraagd verklaart de raadsman:
Ik had mijn cliënt niet verwacht want we hebben geen contact meer. Op de vorige zitting was ik wel gemachtigd maar nu niet. Ik las in het zittingsproces-verbaal dat de zaak zou worden verwezen naar de enkelvoudige kamer en dat een Poolse vertaling van de dagvaarding naar mijn cliënt zou worden verzonden.
De voorzitter merkt op dat een Poolse vertaling van de oproeping voor de zitting van vandaag aan verdachte is verzonden. Verdachte had vandaag naar de zitting kunnen komen, waar hem de dagvaarding uitgelegd had kunnen worden.
De raadsman verklaart:
Mijn cliënt weet dan niet waar de oproeping over gaat.
De voorzitter merkt op dat verdachte een voor hem begrijpelijke oproeping heeft gekregen, en dat hij een raadsman heeft met wie hij geen contact heeft opgenomen.
De raadsman verklaart:
In de wet is vastgelegd dat een vertaling van de dagvaarding moet worden verstrekt en het is aan het hof om te beslissen wat er nu moet gebeuren.
Desgevraagd verklaart de advocaat-generaal:
Ik ben het niet eens met de stelling van de raadsman. Wij hebben ook geen adres van verdachte. Hij weet waar het over gaat. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld en de dagvaarding voor de eerste zitting in hoger beroep is aan hem in persoon uitgereikt omdat hij toen vast zat. Daar staat onder andere een parketnummer in, waardoor verdachte weet waar het over gaat.
In het tussenarrest heeft het hof de advocaat-generaal in overweging gegeven om een vertaalde dagvaarding te sturen. Het was geen opdracht aan het openbaar ministerie om een vertaalde dagvaarding aan verdachte toe te zenden.
In deze zaak is een appelschriftuur ingediend dus ik stel mij op het standpunt dat de zaak nu inhoudelijk behandeld kan worden.
Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter de volgende beslissing van het hof
mede.
Tijdens de vorige zitting is verdachte ontvankelijk verklaard in hoger beroep na een aanzienlijke termijnoverschrijding. De raadsman was toen wel gemachtigd, waardoor de procedure ook vandaag op tegenspraak geldt. Aan verdachte is een vertaalde oproeping voor de zitting van vandaag betekend. Het hof zal de zaak niet aanhouden om alsnog een vertaling van het strafrechtelijk verwijt aan verdachte te laten betekenen.
Het hoger beroep is ingesteld door verdachte en de machtiging van de raadsman zag op het instellen van het hoger beroep.
De raadsman heeft nu gezegd dat hij geen contact meer met verdachte heeft en dat hij niet weet waar hij nu is. Het hof vindt het zinloos om de behandeling van de zaak nu nog een keer aan te houden om een vertaling van de inleidende dagvaarding te laten betekenen en zal de zaak vandaag inhoudelijk behandelen.
[…]”
Het juridisch kader
12. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 3, eerste, tweede en zevende lid, Richtlijn (EU) nr. 2010/64 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures:
“1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.
2. De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen.
[…]
7. Als uitzondering op de in de leden 1, 2, 3 en 6 opgenomen algemene regels kan, in plaats van een schriftelijke vertaling een mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting van de essentiële processtukken worden verstrekt, op voorwaarde dat deze mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting het eerlijke verloop van de procedure onverlet laat.”
- Art. 36e, derde lid, Sv:
“[…]. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. […].”
- Art. 260, vijfde lid, Sv2., dat ingevolge het hierna te noemen art. 412, derde lid, Sv ook van toepassing is in hoger beroep:
“Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding verstrekt dan wel wordt hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen alsmede een korte omschrijving van het feit en de mededelingen, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, en het vierde lid.”
“2. De zaak wordt in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig gemaakt door een oproeping of dagvaarding vanwege de advocaat-generaal aan de verdachte betekend, ten einde terecht te staan ter zake van een of meer van de feiten hem in eerste aanleg telastegelegd.
3. Ten aanzien van die dagvaarding is artikel 260 van toepassing, behoudens dat daarbij de verdachte, in plaats van op de voorschriften van artikel 262, eerste lid, op die van artikel 414 wordt opmerkzaam gemaakt.”
12. Art. 3 van Richtlijn (EU) nr. 2010/64 bevat dus bepalingen over het recht op vertaling van essentiële processtukken. Het recht om in een voor de verdachte begrijpelijke taal in kennis te worden gesteld van de beschuldiging die tegen hem is ingebracht, vloeit voort uit art. 6, derde lid, onderdeel a, EVRM. De richtlijn voegt daaraan toe dat dit in beginsel dient te geschieden door middel van een schriftelijke vertaling van in ieder geval de relevante onderdelen van de tenlastelegging of dagvaarding,3.zulks ter waarborging van de uitoefening van het recht op verdediging en een eerlijk verloop van de procedure. Een schriftelijke vertaling is hier echter geen absolute eis. Het zevende lid voorziet immers ook in de mogelijkheid van verstrekking van een mondelinge vertaling of een mondelinge samenvatting van de essentiële processtukken zolang daarmee de waarborg van een eerlijk proces niet in het gedrang komt.
13. Ter implementatie van art. 3 van Richtlijn (EU) nr. 2010/64 is art. 260 Sv − dat al regels bevatte ten aanzien van de inhoud van de dagvaarding – uitgebreid met een vijfde lid waarin wordt bepaald dat aan de verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst hetzij een schriftelijke vertaling van de gehele dagvaarding wordt verstrekt, hetzij hem schriftelijk in een voor hem begrijpelijke taal mededeling wordt gedaan van de relevante onderdelen van de dagvaarding. Als relevante onderdelen worden genoemd de plaats, de datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen, een korte omschrijving van het strafbare feit en een aantal belangrijke mededelingen die rechten voor de verdachte bevatten, zoals bijvoorbeeld de opgave van de oproeping van een tolk, de mogelijkheid om een bezwaarschrift tegen de dagvaarding in te dienen en de mogelijkheid om getuigen of deskundigen te doen oproepen.
14. Het ontbreken van een vertaling van de inleidende dagvaarding in een taal die de verdachte begrijpt, brengt niet de nietigheid van die dagvaarding met zich. Wel behoort de rechter, indien hij van oordeel is dat de verdachte door die omstandigheid in zijn verdediging is geschaad, het onderzoek ter terechtzitting te schorsen opdat de verdachte alsnog op de hoogte kan worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.4.
De bespreking van het middel
16. Uit het door mij geschetste procesverloop blijkt dat er geen vertaling van de inleidende dagvaarding in de Poolse taal aan de verdachte is betekend. De verdachte is in eerste aanleg niet op de terechtzitting van de politierechter van 19 november 2020 verschenen en hij is toen bij verstek veroordeeld.
17. Namens de verdachte is door een gemachtigd raadsman hoger beroep ingesteld tegen deze veroordeling. In de appelschriftuur van 11 januari 2021 wordt onder meer aangevoerd dat de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland in de zaak met het parketnummer 16/262736-20 is veroordeeld voor een diefstal, dat de verdachte tegen dat vonnis hoger beroep heeft ingesteld omdat hij de onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelet op alle feiten en omstandigheden niet passend en geboden vindt, en dat het hoger beroep (in ieder geval) ziet op de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf.
18. Wat betreft de eerste terechtzitting in hoger beroep, die van 11 oktober 2021, blijkt uit de in cassatie voorhanden stukken dat er een vertaling van de appeldagvaarding voor deze terechtzitting aan de verdachte in persoon is uitgereikt op 30 juli 2021. Op deze terechtzitting van 11 oktober 2021 was de verdachte niet aanwezig, maar zijn – door hem uitdrukkelijk gemachtigde – raadsman wel (via een Skype-verbinding). Daarmee is de procedure in hoger beroep in deze zaak door de wet geoormerkt als op tegenspraak gewezen. Het hof heeft bij tussenarrest van 25 oktober 2021 geoordeeld dat ondanks de aanzienlijke termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep door de verdachte sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding en heeft de verdachte ontvankelijk in zijn hoger beroep geacht.
19. De gedingstukken maken duidelijk dat op 19 januari 2022 is getracht een oproeping en een vertaling van de oproeping voor de terechtzitting van 21 maart 2022 uit te reiken op het laatst bekende adres van de verdachte. Uit de akte van uitreiking volgt dat de verdachte niet (meer) op dit adres woonachtig was en de oproeping met vertaling vervolgens is betekend aan de griffie, met verzending van een afschrift van die oproeping met vertaling aan het laatst bekende adres van de verdachte.
20. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 maart 2022 blijkt het volgende. De verdachte is op deze terechtzitting niet verschenen. De toen aldaar wel verschenen raadsman verklaarde desgevraagd niet gemachtigd te zijn, geen contact met de verdachte te hebben en niet te weten waar de verdachte was. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de procedure in hoger beroep een procedure op tegenspraak betreft en dat een vertaling van de oproeping voor de zitting van 21 maart 2022 aan de verdachte is verzonden en betekend. Omdat (i) het hoger beroep is ingesteld door de verdachte, (ii) de machtiging van de raadsman zag op het instellen van het hoger beroep, (iii) de raadsman voor de terechtzitting van 11 oktober 2021 gemachtigd was waardoor de procedure ook wat betreft de terechtzitting van 21 maart 2022 op tegenspraak geldt, (iv) de raadsman voor de terechtzitting van 21 maart 2022 niet meer gemachtigd was en (v) de raadsman geen contact meer had met verdachte en niet wist waar hij was, heeft het hof geoordeeld dat het zinloos was om de behandeling van de zaak nogmaals aan te houden om een vertaling van de inleidende dagvaarding aan de verdachte te laten betekenen.
- De eerste deelklacht
21. Zoals gezegd bestrijdt deze deelklacht ’s hofs oordeel dat het ontbreken van (een betekening of uitreiking van) een vertaling van het strafrechtelijk verwijt aan de verdachte niet aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep in de weg staat.
22. Zowel de aan de verdachte in persoon uitgereikte en in het Pools vertaalde appeldagvaarding als de vertaalde oproeping voor de tweede terechtzitting in hoger beroep bevat een opgave van plaats, datum en tijdstip waarop de zitting plaatsvond, maar niet een korte omschrijving van het verwijt in de zin van een tenlastelegging, een delictsomschrijving of een relevant wetsartikel. In zoverre is niet voldaan aan het bepaalde in art. 260, vijfde lid, Sv voor zover daarin is voorgeschreven dat ten behoeve van de verdachte door middel van een dagvaarding of een schriftelijke mededeling een korte omschrijving van het feit wordt gegeven in een voor hem begrijpelijke taal.
23. Leidt deze onvolkomenheid hier tot cassatie? Ik meen van niet gelet op de volgende concrete feiten en omstandigheden van het onderhavige geval: (i) de verdachte heeft zijn raadsman gemachtigd hoger beroep in te stellen tegen het veroordelend vonnis van de rechtbank; (ii) in de appelschriftuur wordt expliciet gerefereerd aan het vonnis van de politierechter met parketnummer 16/262736-20 (waarvan beroep) en opgemerkt dat de verdachte daarbij wegens diefstal is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken; (iii) in de appelschriftuur expliciet wordt meegedeeld dat de verdachte zich niet kan verenigen met de opgelegde straf, omdat hij van mening is “dat oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op alle feiten en omstandigheden (cursivering van mij, A-G), niet passend en geboden is; (iv) een vertaling in het Pools van de appeldagvaarding in persoon aan de verdachte is betekend; (v) een vertaling in het Pools van de oproeping voor de inhoudelijke behandeling niet aan de verdachte in persoon kon worden betekend omdat de verdachte niet meer woonachtig bleek op het laatste bekende adres van hem; (vi) de oproeping met vertaling in het Pools vervolgens is betekend aan de griffie, met verzending van een afschrift van die oproeping met vertaling aan het laatst bekende adres van de verdachte; (vii) de verdachte geen contact heeft gezocht met zijn raadsman of de griffie; (viii) de verdachte, hoewel daartoe opgeroepen, niet ter zitting in hoger beroep is verschenen. Voorts neem ik in aanmerking dat de tenlastelegging in hoger beroep gelijkluidend was aan die in eerste aanleg en dat de verdachte zich op de eerste terechtzitting in hoger beroep heeft laten verdedigen door een advocaat die heeft verklaard daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd en dat deze advocaat dezelfde persoon is die namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld en de appelschriftuur heeft geschreven.
24. Naar het mij voorkomt laat uit dit alles zich afleiden dat de verdachte toen al, in ieder geval ten tijde van de verzending van de appelschriftuur, goed op de hoogte was van de verdenking die tegen hem bestaat. Het oordeel van het hof dat weliswaar (een betekening of uitreiking van) een vertaling van het strafrechtelijk verwijt aan de verdachte in het dossier ontbreekt, maar dat dit niet aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep in de weg staat, acht ik in dit specifieke geval zonder meer begrijpelijk. Ik betrek daarbij dat in de overwegingen van het hof besloten ligt, dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad zijn verdediging te kunnen uitoefenen en dat ook in die zin een eerlijk proces gewaarborgd was.
- De tweede deelklacht
25. Deze deelklacht betreft het oordeel van het hof dat het zinloos wordt geacht het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan te houden teneinde een vertaling in het Pools van het verwijt aan de verdachte te laten uitreiken.
26. Vooropgesteld moet worden dat het in de onderhavige zaak in hoger beroep om een procedure op tegenspraak gaat. Op de terechtzitting van 11 oktober 2021 was immers een gemachtigd raadsman aanwezig en dit maakt dat de gehele procedure in hoger beroep op tegenspraak plaatsvond.5.
27. Daarbij komt dat de verdachte door middel van de aan hem in persoon betekende appeldagvaarding met vertaling in het Pools op de hoogte is gesteld van die eerste terechtzitting in hoger beroep. De oproeping met vertaling voor de (tweede) terechtzitting van 21 maart 2022 is rechtsgeldig aan hem betekend.
28. De verdachte bleek evenwel niet meer op het laatst bekende adres van hem (in Nederland) te wonen. In het arrest van 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8758, NJ 2012/188, m.nt. Schalken heeft de Hoge Raad overwogen dat van de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld en die prijs stelt op berechting op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Tot zodanige maatregel, zo vervolgt de Hoge Raad, kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman, opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Het komt mij voor dat in het verlengde hiervan in een geval als het onderhavige hetzelfde heeft te gelden voor de oproeping voor een daaropvolgende terechtzitting.
29. De verdachte heeft zich, nadat de appeldagvaarding voor de terechtzitting van 11 oktober 2021 hem in persoon was betekend, niet bereikbaar gehouden voor justitie, zich kennelijk niet op een ander adres in Nederland ingeschreven en na die eerste terechtzitting in hoger beroep geen contact meer gelegd met zijn raadsman (noch met de griffie). Door aldus te handelen, wat hem uiteraard vrijstond, heeft de verdachte zich onbereikbaar gemaakt voor onze justitiële autoriteiten om hem alsnog een vertaling in het Pools van de inleidende dagvaarding met essentiële informatie toe te zenden.
30. Uit de akte van uitreiking van de oproeping voor de terechtzitting van 21 maart 2022 blijkt dat de verdachte niet (meer) woont op zijn laatst bekende adres. Er mag mitsdien in cassatie van worden uitgegaan dat ook wanneer deze oproeping wel was voorzien van een vertaling in de Poolse taal van het strafrechtelijke verwijt dat verdachte wordt gemaakt, deze de verdachte niet zou hebben bereikt.6.
31. De beslissing van het hof dat het zinloos is “om de behandeling van de zaak nu nog een keer aan te houden om een vertaling van de inleidende dagvaarding te laten betekenen”, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk.
32. Ik meen dat de verdachte met de tweede deelklacht geen rechtens te respecteren belang heeft en teken daarbij aan dat wanneer het belang bij de klacht niet evident is, van de verdediging in redelijkheid mag worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot dat belang. In de onderhavige schriftuur ontbreekt zo’n belang. Dat betekent dat ook in dat licht bezien de tweede deelklacht tevergeefs is voorgesteld.7.
33. Naar het mij voorkomt, maar niet zonder aarzeling, faalt het tweede middel in beide onderdelen.
III. Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
34. Het eerste middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken door het hof te laat zijn ingezonden.
35. Namens de verdachte is op 14 april 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 8 juni 2023 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden, die geldt in zaken waarin de verdachte niet in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of niet het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, met ruim vijf maanden overschreden. Inmiddels is ook de termijn van zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep overschreden, zodat dit verzuim niet meer valt te repareren met een voortvarende afdoening door de Hoge Raad. Daarbij komt dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat ook om die reden de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in cassatie is overschreden.8.
36. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan echter volstaan met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, omdat de opgelegde gevangenisstraf minder beloopt dan een maand.9.
Slotsom
37. Het eerste middel is gegrond, maar leidt niet tot cassatie. Het tweede middel faalt.
38. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
39. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑05‑2024
Deze bepaling is op 1 oktober 2013 ingevoegd bij de wet van 28 februari 2013 tot implementatie van Richtlijn (EU) nr. 2010/64 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280), Stb. 2013, 85.
Zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 555, nr. 3, p. 13.
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. Schalken (rov. 3.20 onder d); HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1156, NJ 2006/275 (rov. 3.4); HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3289, NJ 2007/68 (rov. 3.4). Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 691-693.
Corstens, a.w., p. 719.
Vgl. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:624 (rov. 3.3) en HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:773, NJ 2020/329, m.nt. Ouwerkerk (rov. 2.6).
Zie HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:624 (rov. 3.3).
Zie hiervoor HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis (rov. 3.3. en 3.5.2).
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis (rov. 3.6.2 onder C).
Beroepschrift 04‑07‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE TWEE MIDDELEN VAN CASSATIE
Van: advocaat mr. J.J. Weldam
In de zaak van:
[verdachte], verzoeker tot cassatie van de te zijne laste door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, onder ressorts parketnummer 21/005078-20 gewezen arrest d.d. 4 april 2022.
Cassatiemiddel 1.
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen. Met name zijn geschonden artikel 6, eerste lid, EVRM en artikel 14, derde lid, sub c, IVBPR, doordat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in cassatie door overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat beroep in cassatie is ingesteld.
Toelichting:
Verzoeker heeft op 14 april 2022 cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 8 juni 2023 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De inzendingstermijn is gesteld op acht maanden. Derhalve is sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
Cassatiemiddel 2.
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen. Met name zijn geschonden artikel 260, vijfde lid, Sv juncto artikel 281 Sv, en artikel 6, derde lid, sub a en c, EVRM en artikel 14, derde lid, sub a en d, IVBPR, doordat het oordeel van het hof dat hij de zaak niet zal aanhouden om alsnog een vertaling van het strafrechtelijk verwijt aan verzoeker te betekenen, niet zonder meer begrijpelijk is.
Toelichting:
1.
Het gerechtshof heeft verzoeker bij tussenarrest d.d. 25 oktober 2021, ondanks de termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep, ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep. Het gerechtshof oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat verzoeker de inleidende dagvaarding heeft ontvangen in een taal die hij machtig is en derhalve niet kon uitsluiten dat verzoeker op de hoogte was van de zitting van de politierechter. Het gerechtshof oordeelde derhalve dat er sprake was van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. De zaak werd heropend. Het gerechtshof gaf de advocaat-generaal in overweging om de oproeping van verzoeker voor de nader te bepalen terechtzitting vergezeld te doen laten gaan van zowel een vertaald exemplaar van die oproeping als van de dagvaarding in eerste aanleg en de mededelingen bij die dagvaarding.
2.
Verzoeker is opgeroepen voor de nadere terechtzitting van het gerechtshof op 21 maart 2022. Een Poolse vertaling van deze oproeping is eveneens aan verzoeker verzonden. Een vertaald exemplaar van de dagvaarding in eerste aanleg en de mededelingen bij die dagvaarding zijn niet aan verzoeker gezonden.
3.
De raadsman was op de terechtzitting van 21 maart 2022 niet gemachtigd. Desgevraagd verklaarde de raadsman als volgt:
‘Ik had mijn cliënt niet verwacht want we hebben geen contact meer. Op de vorige zitting was ik wel gemachtigd maar nu niet. Ik las in het zittingsproces-verbaal dat de zaak zou worden verwezen naar de enkelvoudige kamer en dat een Poolse vertaling van de dagvaarding naar mijn cliënt zou worden verzonden’.
4.
De voorzitter merkt op:
‘Dat een Poolse vertaling van de oproeping voor de zitting van vandaag aan verdachte is verzonden. Verdachte had vandaag naar de zitting kunnen komen, waar hem de dagvaarding uitgelegd had kunnen worden’.
5.
De raadsman verklaart:
‘Mijn cliënt weet dan niet waar de oproeping over gaat’.
6.
De voorzitter merkt op:
‘Dat verdachte een voor hem begrijpelijke oproeping heeft gekregen, en dat hij een raadsman heeft met wie hij geen contact heeft opgenomen’.
7.
De raadsman verklaart:
‘In de wet is vastgelegd dat een vertaling van de dagvaarding moet worden verstrekt en het is aan het hof om te beslissen wat er nu moet gebeuren’.
8.
De advocaat-generaal verklaart:
‘Ik ben het niet eens met de stelling van de raadsman. Wij hebben ook geen adres van verdachte. Hij weet waar het over gaat. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld en de dagvaarding voor de eerste zitting in hoger beroep is aan hem in persoon uitgereikt omdat hij toen vast zat. Daar staat onder andere een parketnummer in, waardoor verdachte weet waar het over gaat. In het tussenarrest heeft het hof de advocaat-generaal in overweging gegeven om een vertaalde dagvaarding te sturen. Het was geen opdracht aan het openbaar ministerie om een vertaalde dagvaarding aan verdachte te zenden. In deze zaak is een appelschriftuur ingediend dus ik stel mij op het standpunt dat de zaak nu inhoudelijk behandeld kan worden.’
9.
Het gerechtshof deelt de volgende beslissing mede:
‘Tijdens de vorige zitting is verdachte ontvankelijk verklaard in hoger beroep na een aanzienlijke termijnoverschrijding. De raadsman was toen wel gemachtigd, waardoor de procedure ook vandaag op tegenspraak geldt. Aan verdachte is een vertaalde oproeping voor de zitting van vandaag betekend. Het hof zal de zaak niet aanhouden om alsnog een vertaling van het strafrechtelijk verwijt aan verdachte te laten betekenen. Het hoger beroep is ingesteld door verdachte en de machtiging van de raadsman zag op het instellen van het hoger beroep. De raadsman heeft nu gezegd dat hij geen contact meer met verdachte heeft en dat hij niet weet waar hij nu is. Het hof vindt het zinloos om de behandeling van de zaak nu nog een keer aan te houden om een vertaling van de inleidende dagvaarding te laten betekenen en zal de zaak vandaag inhoudelijk behandelen’.
10.
Art. 260, vijfde lid, Sv bepaalt dat indien een verdachte de Nederlandse taal niet of niet voldoende machtig is aan hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding wordt verstrekt. Vaststaat dat aan verzoeker in eerste aanleg geen vertaling van de inleidende dagvaarding is verstrekt. Dit verzuim heeft geleid tot voornoemde verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep. Het gerechtshof heeft de advocaat-generaal in het tussenarrest in overweging gegeven om alsnog een vertaling van de inleidende dagvaarding met de daarbij behorende mededelingen te verstrekken bij de oproeping voor de nadere zitting van het hof. Dit is ook niet gebeurd. Het gevolg hiervan is dat verzoeker in de gehele strafprocedure, eerste aanleg en hoger beroep, geen vertaalde dagvaarding met tenlastelegging heeft ontvangen.
11.
De advocaat-generaal stelde zich op het standpunt dat dit niet aan de voortzetting van de inhoudelijke behandeling bij het gerechtshof in de weg stond. De advocaat-generaal legde hieraan ten grondslag dat verzoeker hoger beroep heeft ingesteld en de dagvaarding voor de eerste zitting in hoger beroep aan hem in persoon is betekend omdat hij gedetineerd was. Daar staat onder andere een parketnummer in, waardoor hij volgens de advocaat-generaal weet waar het over gaat. Volgens de verdediging zijn die feiten en omstandigheden niet redengevend om de behandeling voort te kunnen zetten. De appeldagvaarding die verzoeker heeft ontvangen was immers niet vertaald. Verzoeker is de Nederlandse taal niet machtig. Aannemelijk is dat hij niets begreep van de appeldagvaarding. Sowieso bevat een appeldagvaarding geen beschrijving van het strafrechtelijke verwijt. Het is bovendien een misvatting dat iedere verdachte weet wat een parketnummer is, laat staan dat gezegd kan worden dat iedere verdachte aan de hand van een parketnummer weet over welke zaak het gaat. Zeker als een verdachte meerdere zaken heeft lopen. Uit het uittreksel justitiële documentatie van verzoeker blijkt dat hiervan bij hem sprake was. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat hij gedetineerd was.
12.
Ook het gerechtshof vond niet dat het ontbreken van een vertaling van het strafrechtelijk verwijt aan de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep in de weg stond. Het gerechtshof betrok in zijn oordeel dat aan verzoeker een vertaalde oproeping voor de nadere zitting was betekend, dat het hoger beroep is ingesteld door verzoeker en de machtiging van de raadsman zag op het instellen van het hoger beroep. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de vertaalde oproeping voor de nadere zitting niet het strafrechtelijke vergrijp in deze zaak bevat. Hieraan kan derhalve niet het oordeel worden ontleend dat verzoeker wist over welke zaak het ging. Het is juist dat de raadsman voor verzoeker hoger beroep heeft ingesteld. De raadsman was op de eerste zitting van het gerechtshof ook gemachtigd. Hieraan kan zonder nadere motivering, die ontbreekt, echter niet het oordeel worden ontleend dat verzoeker bekend was met het strafrechtelijk vergrijp in het hoger beroep van deze zaak en dat hij bij het ontvangen van de oproeping met vertaling wist dat het ging om deze zaak. Het is niet ondenkbaar, zoals vaker in de strafrechtspraktijk, dat verzoeker zijn raadsman heeft verzocht om hem in alle lopende zaken bij te staan en waar nodig, en indien mogelijk, rechtsmiddelen in te stellen. Een verdachte weet dan ook niet precies welke zaak er loopt en waar die zaak over gaat. Verzoeker had meerdere lopende zaken in die periode waarin hij verzocht om bijstand van de desbetreffende raadsman. Het gerechtshof oordeelt voorts dat hij het zinloos vindt om de behandeling van de zaak nu nog een keer aan te houden om een vertaling van de inleidende dagvaarding te laten betekenen. Het hof legt hieraan ten grondslag dat de raadsman heeft gezegd dat hij geen contact meer had met verzoeker en niet wist waar hij nu was. Ook dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat er blijkens de Informatiestaat SKDB-persoon van 3 maart 2022 sprake was van een ‘laatst opgegeven woon- of verblijfplaats’ in de zin van art. 36g Sv, het adres ([a-straat 01], [a-plaats]), waar ook getracht is om de oproeping voor de zitting op 21 maart 2022 te betekenen en waar, na uitreiking aan een medewerker van het Openbaar Ministerie, een afschrift van de oproeping naar toe is gezonden. Met de verzending van het afschrift van de gerechtelijke brief aan een laatst bekend adres wordt beoogd een verdachte zoveel mogelijk in de gelegenheid te stellen om zijn aanwezigheidsrecht uit te oefenen (ECLI:NL:PHR:2009:BG6154). Ook als een verdachte mogelijk niet meer woonachtig is op het adres, kan een gerechtelijke brief een verdachte bv. via oud-huisgenoten of via nieuwe bewoners soms toch nog bereiken. Een verdachte kan hierdoor toch nog op de hoogte geraken van een zitting, zelf op die zitting verschijnen, zich laten vertegenwoordigen, verzoeken om aanhouding en/of contact opnemen met zijn raadsman over de gerechtelijke brief die hij heeft ontvangen. Hoewel het verzenden van een dergelijk afschrift geen deel uitmaakt van de betekening, heeft de verzending daarmee wel degelijk een belangrijke functie. Die functie gaat verloren als een verdachte, door het ontbreken van een vertaling van het strafrechtelijke vergrijp in een zaak, alsnog onvoldoende wordt geïnformeerd. Van aanhouding van de zitting, om alsnog een vertaling van de inleidende dagvaarding (of het strafrechtelijke vergrijp) en de bijbehorende mededelingen mee te zenden bij de oproeping, kan derhalve niet gezegd worden dat dit zinloos was. Het oordeel van het gerechtshof is deswege niet begrijpelijk.
De schriftuur houdende twee middelen van cassatie wordt ondertekend en ingediend door mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, die verklaart dat verzoeker hem daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
Utrecht, 4 juli 2023
J.J. Weldam