Eiser 1 in cassatie treedt uitsluitend op in hoedanigheid van curator van de vrouw, die onder curatele is gesteld.
HR, 25-08-2023, nr. 22/04170
ECLI:NL:HR:2023:1131, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-08-2023
- Zaaknummer
22/04170
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1131, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑08‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:481, Contrair
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:2799, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2023:481, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑05‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1131, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑10‑2022
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Ondernemingsrechtpraktijk 2023/289
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2023/498
PR-Updates.nl PR-2023-0166
PFR-Updates.nl 2023-0184
JAR 2023/257 met annotatie van mr. C.C. Zillinger Molenaar
JIN 2023/139 met annotatie van mr. E.P.C. Duinkerke
JIN 2023/141 met annotatie van Mr. P.H. Bossema-De Greef
NTHR 2023, afl. 5, p. 191
JOR 2023/281 met annotatie van mr. dr. R.J.Q. Klomp
BR 2023/86 met annotatie van K. Meijering, F. van de Pol
TvPP 2023, afl. 6, p. 218
NJ 2024/36 met annotatie van A.G. Castermans
AA20240344 met annotatie van Boom van W.H. Willem
TBR 2024/23 met annotatie van P. Schotman
PFR-Updates.nl 2023-0141
JAR 2023/257 met annotatie van mr. C.C. Zillinger Molenaar
Uitspraak 25‑08‑2023
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Uitleg vaststellingsovereenkomst waarin is bepaald dat die overeenkomst 'uitsluitend grammaticaal' dient te worden uitgelegd.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/04170
Datum 25 augustus 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
Raymond Wilhelmus Peter TRIEPELS, h.o.d.n. BEWINDKR8,
kantoorhoudende te Grevenbicht, gemeente Sittard-Geleen,
in de hoedanigheid van curator van [de vrouw]
(hierna: de vrouw),
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de curator,
advocaat: M.A.J.G. Janssen,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak C/03/288933/FA RK 21-704 van de rechtbank Limburg van 9 november 2021 en 4 februari 2022;
b. de beschikking in de zaak 200.302.971/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 augustus 2022.
De curator heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest.
(ii) Bij beschikking van 24 december 2008 heeft de rechtbank Maastricht tussen de vrouw en de man de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 22 januari 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
(iii) In de onder (ii) genoemde beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 160,-- per maand.
(iv) De vrouw en de man hebben in september 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de partneralimentatie. In de considerans van deze vaststellingsovereenkomst is onder meer opgenomen:
“Bij de uitvoering van de onderhavige overeenkomst prevaleert de letterlijke tekst van deze overeenkomst, in afwijking van het Haviltex-criterium, boven eventuele partijbedoelingen zodat dat bij geschillen die onverhoopt op welke wijze dan ook uit deze overeenkomst mochten voortvloeien, ook wanneer slechts een der partijen een geschil aanwezig acht, de competente rechter de bepalingen zoals opgenomen in de onderhavige overeenkomst uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen en toe te passen.”
(v) In art. 1.7 van de vaststellingsovereenkomst is het volgende bepaald:
“De partneralimentatie zal eindigen op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, te weten op 24 mei 2021.”
(vi) Bij beschikking van 10 november 2009 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de onder (ii) genoemde beschikking van de rechtbank, voor zover betrekking hebbend op de partneralimentatie, vernietigd en vastgesteld hetgeen partijen in art. 1 tot en met 5 van de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen.
2.2
In deze procedure verzoekt de curator de termijn gedurende welke de man verplicht is aan de vrouw partneralimentatie te bepalen, te verlengen tot 25 mei 2024 (het moment waarop de vrouw AOW-gerechtigd wordt), subsidiair tot 25 mei 2022 (de dag waarop de vrouw 65 jaar wordt).
2.3
De rechtbank heeft het subsidiaire verzoek van de curator toegewezen en bepaald dat de man gehouden is de partneralimentatie zoals die is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst en is opgenomen in de (hiervoor in 2.1 onder (vi) genoemde) beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, te voldoen tot 24 mei 2022.
2.4
Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank vernietigd en het verzoek van de curator tot verlenging van de partneralimentatie alsnog afgewezen. Hiertoe heeft het hof overwogen:
“Uitleg vaststellingsovereenkomst (principaal hoger beroep)
5.3.
De man voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het navolgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte een eigen interpretatie dan wel een eigen invulling gegeven aan de vaststellingsovereenkomst. De inhoud van de vaststellingsovereenkomst is duidelijk en laat geen ruimte voor uitleg. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat partijen het Haviltex-criterium hebben uitgesloten en dat zij zich zuiver dienen te laten leiden door de grammaticale uitleg van de daarin opgenomen bepalingen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte het begrip pensioengerechtigde leeftijd gekoppeld aan de AOW-leeftijd. Dat de vrouw thans geen AOW krijgt dan wel later AOW krijgt lijkt door de rechtbank te worden afgewenteld op de man. De vrouw had destijds bijstand van een advocaat en die heeft de vaststellingsovereenkomst ook opgesteld. De advocaat van de vrouw heeft destijds aangegeven dat de vrouw “een paar maanden langer dan de 12 jaar alimentatie wilde ontvangen, totdat zij met pensioen ging in mei 2021”. De man heeft daarmee ingestemd om in het kader van een minnelijke regeling tot een vaststellingsovereenkomst te komen. De geobjectiveerde wil en bedoeling van partijen is geweest om hun geschil destijds definitief te beslechten. De rechtbank heeft daarom ten onrechte gesteld dat sprake is van een verschrijving. De rechtbank heeft daarbij een eigen invulling gegeven aan een verschrijving dan wel het opmaken van een vaststellingsovereenkomst. De uitleg van de rechtbank van de zinsnede “te weten” was – gelet op het feit dat partijen het Haviltex-criterium hebben uitgesloten – niet toegestaan.
5.4.
De vrouw heeft hiertegen – samengevat – het navolgende verweer gevoerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de man gehouden is om de partneralimentatie in ieder geval tot 24 mei 2022 te voldoen. In de onderhandelingen tussen de (toenmalige) advocaten van partijen, die uiteindelijk hebben geleid tot de vaststellingsovereenkomst, zijn partijen er steeds vanuit gegaan dat de alimentatieverplichting van de man behoorde voort te duren tot aan het moment dat de vrouw zou beschikken over een AOW-uitkering; destijds bedroeg de AOW-gerechtigde leeftijd 65 jaar. De vrouw heeft altijd in loondienstverband in de fysiotherapiepraktijk van de man gewerkt. Zij heeft daardoor geen ouderdomspensioen in eigen beheer opgebouwd. Evenmin heeft de vrouw een pre-pensioen of uitgesteld pensioen of vervroegd pensioen opgebouwd. Indien bij de uitleg van de vaststellingsovereenkomst een taalkundige benadering wordt gehanteerd, dan kan (inderdaad) worden geconstateerd dat de betreffende tekst een innerlijke tegenstrijdigheid bevat. De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat de toevoeging van de datum 24 mei 2021 niet op zichzelf staat en dat de woorden “te weten” nadrukkelijk zijn verbonden met deze datum. Met het oog hierop is de datum 24 mei 2021 daarom te beschouwingen als een vergissing/verschrijving.
5.5.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
5.5.1.
Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat op grond van het bepaalde in de considerans van de in september 2009 tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst zij uitleg van bepalingen van de overeenkomst conform het Haviltex-criterium hebben uitgesloten en dat in het geval van een geschil tussen partijen de rechter de desbetreffende bepaling in de vaststellingsovereenkomst uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen. Tussen partijen is echter wel in geschil wat het resultaat dient te zijn van de grammaticale uitleg van het bepaalde in artikel 1.7. omtrent de einddatum van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.
5.5.2.
Het hof is op grond van de inhoud van artikel 1.7. van de vaststellingsovereenkomst van oordeel dat het enige gegeven dat in dit artikel niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, de daarin genoemde einddatum van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is. Het begrip pensioengerechtigde leeftijd is, naar het oordeel van het hof, wel op meerdere wijzen uit te leggen, hetgeen – gelet op de uitsluiting van het Haviltex-criterium – niet is toegestaan. De rechtbank is daarom met het oordeel in rechtsoverweging 3.8. van de bestreden beschikking, inhoudende dat uit de woorden ‘te weten’ blijkt dat partijen hiermee bedoeld hebben om met de opgenomen datum een verduidelijking te geven van het moment waarop de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken en dat sprake is geweest van een verschrijving wat de datum betreft, ten onrechte buiten de grammaticale uitleg van artikel 1.7. getreden. Dit brengt met zich dat de bestreden beschikking op dit punt dient te worden vernietigd en dat het hof alsnog zal bepalen dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw op 24 mei 2021 is geëindigd. (…)”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.5.1-5.5.2) dat, gelet op de uitsluiting van het Haviltex-criterium door partijen, art. 1.7 van de vaststellingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat de daarin genoemde datum van 24 mei 2021 de einddatum van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is. Het middel klaagt onder meer dat ook bij grammaticale of objectieve uitleg moet worden gekeken naar de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een bepaalde uitleg en dat het hof de stellingen die de curator daarover heeft aangevoerd, onvoldoende in zijn beoordeling heeft betrokken.
3.2.1
In de considerans van de vaststellingsovereenkomst zijn partijen een maatstaf overeengekomen voor de uitleg van die overeenkomst. Deze contractuele uitlegmaatstaf houdt in dat, in afwijking van het Haviltex-criterium, de letterlijke tekst van de overeenkomst prevaleert boven eventuele partijbedoelingen, zodat de rechter de bepalingen uit de overeenkomst uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen en toe te passen (zie hiervoor in 2.1 onder (iv)).
3.2.2
Deze contractuele uitlegmaatstaf heeft het hof in rov. 5.5.2 aldus uitgelegd, dat deze meebrengt dat bij de uitleg van art. 1.7 van de vaststellingsovereenkomst slechts kan worden aangeknoopt bij begrippen die niet voor meerderlei uitleg vatbaar zijn (te weten de datum 24 mei 2021, die daarin als einddatum van de partneralimentatie is genoemd), omdat bij de uitleg van begrippen die voor meerderlei uitleg vatbaar zijn (zoals naar het oordeel van het hof het begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’) de bedoelingen van partijen zouden moeten worden betrokken, hetgeen volgens de contractuele uitlegmaatstaf niet is toegestaan. Voor zover het middel klaagt dat het hof met dit oordeel de grammaticale of objectieve uitlegmaatstaf zoals bedoeld in de rechtspraak van de Hoge Raad heeft miskend door geen acht te slaan op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de door het hof aan art. 1.7 gegeven uitleg, ziet het eraan voorbij dat de considerans van de vaststellingsovereenkomst de hiervoor vermelde eigen, contractuele, uitlegmaatstaf bevat. Het middel klaagt niet dat het hof deze contractuele uitlegmaatstaf aan de hand van een onjuiste maatstaf of op onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd.
3.2.3
Uitgaande van de uitleg die het hof aan de contractuele uitlegmaatstaf heeft gegeven was het hof, anders dan onderdeel 3.9 klaagt, niet gehouden om nader in te gaan op de stellingen van de vrouw die het in rov. 5.4 heeft weergegeven. Deze stellingen hebben immers betrekking op de bedoelingen die partijen volgens de vrouw hebben gehad met het begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’ in art. 1.7 van de vaststellingsovereenkomst, welke bedoelingen op grond van de contractuele uitlegmaatstaf zoals door het hof uitgelegd, niet bij de uitleg van art. 1.7 kunnen worden betrokken.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 25 augustus 2023.
Conclusie 12‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Beding in vaststellingsovereenkomst (echtscheidingsconvenant) volgens welke die overeenkomst 'uitsluitend grammaticaal' moet worden uitgelegd. Toelaatbaarheid van dit uitlegbeding. Uitleg van het uitlegbeding.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04170
Zitting 12 mei 2023
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
1. Triepels q.q., h.o.d.n. Bewindkr8, R.W.P.
2. [de vrouw]
eisers tot cassatie
tegen
[de man]
verweerder in cassatie
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.1.
1. Inleiding en samenvatting
Deze zaak gaat over de uitleg van een beding uit een vaststellingsovereenkomst die de man en de vrouw in het kader van hun echtscheiding hebben gesloten. Zij zijn overeengekomen dat de bepalingen van de overeenkomst in afwijking van het Haviltex-criterium ‘uitsluitend grammaticaal’ moeten worden uitgelegd. In de overeenkomst staat vermeld dat de partneralimentatie zal eindigen ‘op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, te weten op 24 mei 2021’. De man stelt zich op standpunt dat de alimentatieplicht op 24 mei 2021 is geëindigd, maar volgens de vrouw is de datum van 24 mei 2021 een verschrijving en was dat ook voor de man kenbaar. Volgens haar is 24 mei 2022 bedoeld, namelijk haar 65-jarige verjaardag (ten tijde van de vaststellingsovereenkomst was 65 jaar de AOW-leeftijd). De vrouw heeft verzocht om verlenging van de alimentatieverplichting. De rechtbank heeft dat verzoek toegewezen, maar in hoger beroep heeft het hof het verzoek afgewezen. In cassatie klaagt de vrouw over de uitleg die het hof aan het beding in de vaststellingsovereenkomst heeft gegeven. Ik meen dat enkele van haar motiveringsklachten doel treffen.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:2.
(i) De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest.
(ii) Bij beschikking van 24 december 2008 heeft de rechtbank Maastricht tussen de vrouw en de man de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 22 januari 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
(iii) Bij deze beschikking heeft de rechtbank verder, voor zover thans van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: de partneralimentatie) met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op een bedrag van € 160,— per maand.
(iv) De vrouw en de man hebben in september 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de considerans van deze vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat:
‘Bij de uitvoering van de onderhavige overeenkomst prevaleert de letterlijke tekst van deze overeenkomst, in afwijking van het Haviltex-criterium, boven eventuele partijbedoelingen zodat dat bij geschillen die onverhoopt op welke wijze dan ook uit deze overeenkomst mochten voortvloeien, ook wanneer slechts een der partijen een geschil aanwezig acht, de competente rechter de bepalingen zoals opgenomen in de onderhavige overeenkomst uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen en toe te passen.’
(v) In artikel 1.7 van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat:
‘De partneralimentatie zal eindigen op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, te weten op 24 mei 2021.’
(vi) Bij beschikking van 10 november 2009 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank Maastricht van 24 december 2008, voor zover betrekking hebbende op de partneralimentatie vernietigd, en vastgesteld hetgeen partijen in artikel 1 tot en met 5 van voornoemde vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen.
2.2
De vrouw heeft bij verzoekschrift van 5 maart 2020 de rechtbank Limburg verzocht de termijn gedurende welke de man verplicht is aan haar partneralimentatie te betalen, te verlengen. Zij heeft primair verzocht om deze periode te verlengen tot 25 mei 2024 (het moment waarop de vrouw voor het eerst haar AOW-uitkering krijgt) en subsidiair tot 25 mei 2022 (de dag waarop de vrouw 65 jaar wordt).
2.3
De rechtbank Limburg heeft bij beschikking van 9 november 2021 geoordeeld dat de termijn waarin de man aan de vrouw partneralimentatie moet betalen zoals die is neergelegd in de vaststellingsovereenkomst doorloopt tot 24 mei 2022.3.Bij herstelbeschikking van 4 februari 2022 heeft de rechtbank deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4
Tegen de beschikking van 9 november 2021 heeft de man principaal hoger beroep ingesteld en de vrouw incidenteel hoger beroep. Bij beschikking van 11 augustus 2022 heeft het hof de beschikking van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en alsnog het inleidende verzoek van de vrouw om de termijn voor partneralimentatie te verlengen, afgewezen.
2.5
De vrouw heeft op 10 november 2022 tijdig cassatieberoep ingesteld. De man heeft in reactie hierop een verweerschrift in cassatie ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Afgezien van enkele voortbouwklachten, richten de klachten van het middel zich tegen de rechtsoverwegingen 5.5.1 en 5.5.2 van de beschikking van het hof:
‘5.5.1. Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat op grond van het bepaalde in de considerans van de in september 2009 tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst zij uitleg van bepalingen van de overeenkomst conform het Haviltex-criterium hebben uitgesloten en dat in het geval van een geschil tussen partijen de rechter de desbetreffende bepaling in de vaststellingsovereenkomst uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen. Tussen partijen is echter wel in geschil wat het resultaat dient te zijn van de grammaticale uitleg van het bepaalde in artikel 1.7. omtrent de einddatum van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.
5.5.2.
Het hof is op grond van de inhoud van artikel 1.7. van de vaststellingsovereenkomst van oordeel dat het enige gegeven dat in dit artikel niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, de daarin genoemde einddatum van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is. Het begrip pensioengerechtigde leeftijd is, naar het oordeel van het hof, wel op meerdere wijzen uit te leggen, hetgeen – gelet op de uitsluiting van het Haviltex-criterium – niet is toegestaan. De rechtbank is daarom met het oordeel in rechtsoverweging 3.8. van de bestreden beschikking, inhoudende dat uit de woorden ‘te weten’ blijkt dat partijen hiermee bedoeld hebben om met de opgenomen datum een verduidelijking te geven van het moment waarop de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken en dat sprake is geweest van een verschrijving wat de datum betreft, ten onrechte buiten de grammaticale uitleg van artikel 1.7. getreden. Dit brengt met zich dat de bestreden beschikking op dit punt dient te worden vernietigd en dat het hof alsnog zal bepalen dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw op 24 mei 2021 is geëindigd. Hetgeen de vrouw verder nog in hoger beroep heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel van het hof leiden. Het (principaal) hoger beroep van de man slaagt.’
3.2
Tegen deze overwegingen komt het cassatiemiddel met diverse klachten op.
3.3
Volgens de meest vergaande klacht is het niet mogelijk om met een bepaling in een overeenkomst de toepasselijkheid van de redelijkheid en billijkheid geheel buiten werking te stellen en kan onder meer het gezichtspunt ‘de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een bepaalde voorgestane uitleg’ te allen tijde in de uitleg worden betrokken. (het middel onder 3.12)
3.4
De klacht gaat aldus in tegen wat in literatuur4.en rechtspraak5.heersende leer lijkt te zijn, namelijk dat partijen geldig de maatstaf kunnen bepalen aan de hand waarvan hun overeenkomst moet worden uitgelegd en dat die maatstaf desgewenst ook ‘grammaticale uitleg’ kan zijn.
3.5
Steun voor de opvatting waarvan de klacht uitgaat, vind ik alleen bij Bakker. Ik citeer zijn recente Ars Aequi Cahier (ook door de steller van het middel aangehaald), maar zijn proefschrift6.houdt uitvoeriger hetzelfde in:
‘De gedachte dat partijen het in hun macht zouden hebben om te bepalen dat hun contract uitsluitend taalkundig, d.w.z. enkel naar de letter, mag worden uitgelegd lijkt mij betwistbaar. Het komt mij voor dat die suggestie af behoort te stuiten op het feit dat uitleg steeds met inachtneming van de dwingendrechtelijke grondnorm van redelijkheid en billijkheid dient plaats te vinden en dus niet uitsluitend naar de letter kan (althans, zou mogen) plaatsvinden. Het arrest DSM/ […] (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:A01427, NJ 2005/493, m.nt. C.E. du Perron) laat er geen misverstand over bestaan dat dit ook (onverkort) geldt waar een contract of regeling conform de daarvoor geldende uitlegnorm zuiver tekstueel moet worden uitgelegd; ook dan geldt derhalve de eis van een redelijke uitleg.’7.
3.6
Het laatste deel van de redenering van Bakker overtuigt mij reeds hierom niet, omdat de cao-norm waarover het DSM/ […] -arrest gaat, nu juist niet inhoudt dat ‘zuiver tekstueel’ moet worden uitgelegd. Ook de overgangsfiguur van een toespitsing van de Haviltex-norm op een geobjectiveerde maatstaf waarover het arrest óók gaat, houdt dat niet in. En dus zegt DSM/ […]-arrest niet werkelijk iets over het geval dat partijen voor een uitsluitend taalkundige uitleg hebben gekozen. Ook het eerste deel van zijn redenering overtuigt mij niet. Zoals partijen in vrijheid rechten en verplichtingen mogen overeenkomen, zo mogen zij dan ook overeenkomen aan de hand van welke maatstaf de bedingen die die rechten en verplichtingen formuleren, moeten worden uitgelegd. Ik zie geen goede reden waarom de contractsvrijheid juist vóór de uitlegmaatstaf staande zou moeten houden. De keuze voor een bepaalde uitlegmaatstaf is nog niet een uitsluiting van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (die is inderdaad niet toegelaten8.). En met betrekking tot de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid geldt dat partijen haar terrein kunnen beperken door zoveel mogelijk in kwesties te voorzien, zodat in zoverre geen leemte bestaat die met de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid kan worden opgevuld. Ook dit laatste bevestigt dus het uitgangspunt van de contractsvrijheid.9.
3.7
Kortom, ik zie geen reden waarom de bedoelde klacht zou dienen te slagen.
3.8
Diverse andere klachten van het middel veronderstellen dat als partijen ‘grammaticale uitleg’ of een andere objectieve uitlegnorm zijn overeengekomen, die norm dan een op voorhand gegeven inhoud heeft. De steller van het middel betoogt immers dat ook indien partijen ‘grammaticale uitleg (in eigenlijke zin)’ dan wel objectieve uitleg zijn overeengekomen, het niet aankomt op de betekenis van de woorden volgens het woordenboek op zichzelf, maar in plaats daarvan op de betekenis die de bewoordingen hebben indien zij worden gelezen in de context van de gehele uit te leggen bepaling (en van de overeenkomst als geheel), de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene dan wel andere uitleg en de betekenis van de gebruikte bewoordingen in de (desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer (het middel onder 3.2).
3.9
Ook in zoverre treft het middel geen doel. Bedingen hebben niet op voorhand een bepaalde betekenis. In plaats daarvan wordt aan een beding door uitleg betekenis gegéven. Dit geldt ook voor het beding volgens welke ‘grammaticale uitleg’ de norm is. Dit is ook daarom onvermijdelijk omdat ook door de juristen die in een of andere zin bij uitleg de nadruk op taalkundige of objectieve uitlegargumenten wensen te leggen, allerlei variaties van taalkundige, objectieve of grammaticale uitleg worden onderscheiden.10.Het woord ‘grammaticaal’ staat volgens Van Dale voor ‘de spraakleer betreffend’ en het woord ‘grammatica’ voor ‘de leer van het systeem van een taal, het geheel van regels volgens welke woorden en zinnen in een taal gevormd worden’.11.Welnu, de spraakleer wijst geen betekenis aan (noch van woorden noch van zinnen), maar leert ons wat de functies van bepaalde woorden, of woordgroepen is, hoe zinnen worden gevormd, hoe werkwoorden worden vervoegd, enzovoort. Als partijen kiezen voor ‘grammaticale uitleg’, zal daaruit in het algemeen wel kunnen worden afgeleid dat zij uitlegargumenten van taalkundige aard belangrijk vinden, maar weten wij verder dus nog niet zo heel veel (alles nog daargelaten dat de verklaring dat voor ‘grammaticale uitleg’ wordt gekozen, een context heeft, die de betekenis die partijen aan die verklaring hechten, mede bepaalt).
3.10
Wat is de maatstaf aan de hand waarvan we uitleggen wat door partijen is bedoeld met een beding volgens welke uitleg ‘grammaticaal’ of ‘uitsluitend grammaticaal’ moet plaatsvinden? Die maatstaf is mijns inziens onvermijdelijk de primaire uitlegnorm zoals op de overeenkomst van toepassing, naar Nederlands recht de wilsvertrouwensleer (art. 3:33 en 3:35 BW), die in de bekende Haviltex-maatstaf een tweezijdige formulering vindt. Op het eerste gezicht zou men kunnen menen dat het anders is, en dat het beding dat een uitlegmaatstaf bevat, ook zelf aan de hand van de door partijen overeengekomen maatstaf moet worden uitgelegd (wat dus zou betekenen dat een beding volgens welke grammaticale uitleg de norm is, grammaticaal moet worden uitgelegd), maar bij nadere beschouwing is dat even overtuigend als het bekende verhaal van Baron von Münchhausen: hij zou zichzelf met paard en al uit het moeras hebben getild, eenvoudig door stevig aan het staartje van zijn pruik te trekken. Nee, eerst moet aan de hand van de primair toepasselijke uitlegnorm worden bepaald of partijen een andere uitlegnorm zijn overeengekomen dan volgens de wet, en zo ja wat de inhoud van die andere uitlegnorm is. Pas daarna kan die andere uitlegnorm worden toegepast.
3.11
In het geval partijen ‘grammaticale uitleg’ zijn overeengekomen, zal uitleg volgens de Haviltex-maatstaf er zeer wel toe kúnnen leiden dat het volgens die contractuele uitlegnorm niet aankomt op de betekenis van de woorden volgens het woordenboek op zichzelf, en in plaats daarvan op de betekenis die de bewoordingen hebben indien zij worden gelezen in de context van de gehele uit te leggen bepaling en de overeenkomst als geheel, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen, enzovoort. Dit veronderstelt dan echter de vaststelling dat zó de wederzijdse redelijke verwachtingen van partijen naar aanleiding van het uitlegbeding zijn. Dat het ook zonder die vaststelling geldt, is niet juist.
3.12
Ik lees in het middel niet de klacht dat het hof het uitlegbeding ten onrechte niet aan de hand van de Haviltex-maatstaf heeft uitgelegd.
3.13
Op een en ander stuiten de bedoelde klachten af.
3.14
Het middel bevat intussen ook klachten over de begrijpelijkheid van het door het hof gegeven uitlegoordeel. Mijns inziens terecht klaagt de vrouw (zie het middel onder 3.7 e.v.) dat de wijze waarop het hof de door haar aangevoerde stellingen heeft gepasseerd, onvoldoende begrijpelijk is. Die stellingen zijn door het hof in rechtsoverweging 5.4 als volgt samengevat:
‘De vrouw heeft hiertegen [tegen de uitleg van de man] – samengevat – het navolgende verweer gevoerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de man gehouden is om de partneralimentatie in ieder geval tot 24 mei 2022 te voldoen. In de onderhandelingen tussen de (toenmalige) advocaten van partijen, die uiteindelijk hebben geleid tot de vaststellingsovereenkomst, zijn partijen er steeds vanuit gegaan dat de alimentatieverplichting van de man behoorde voort te duren tot aan het moment dat de vrouw zou beschikken over een AOW-uitkering; destijds bedroeg de AOW-gerechtigde leeftijd 65 jaar. De vrouw heeft altijd in loondienstverband in de fysiotherapiepraktijk van de man gewerkt. Zij heeft daardoor geen ouderdomspensioen in eigen beheer opgebouwd. Evenmin heeft de vrouw een pre-pensioen of uitgesteld pensioen of vervroegd pensioen opgebouwd. Indien bij de uitleg van de vaststellingsovereenkomst een taalkundige benadering wordt gehanteerd, dan kan (inderdaad) worden geconstateerd dat de betreffende tekst een innerlijke tegenstrijdigheid bevat. De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat de toevoeging van de datum 24 mei 2021 niet op zichzelf staat en dat de woorden “te weten” nadrukkelijk zijn verbonden met deze datum. Met het oog hierop is de datum 24 mei 2021 daarom te beschouwen als een vergissing/verschrijving.’
3.15
Wat vervolgens de aangevallen rechtsoverwegingen 5.5.1 en 5.5.2 inhouden, kan mijns inziens niet gelden als een afdoende respons op dit betoog. Het hof maakt van de maatstaf van ‘grammaticale uitleg’ waarover partijen het eens zouden zijn – maar waarvan het hof niet uitlegt wat het daaronder verstaat – zonder enige motivering de stap naar een norm volgens welke gegevens die voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn (kennelijk na ‘grammaticale uitleg’), in het geheel geen rol mogen spelen. Waarom partijen dit over en weer zo moesten begrijpen en verwachten, motiveert het hof ten onrechte niet.
3.16
Het hof verbindt aan de zojuist bedoelde niet gemotiveerde uitsluiting van sommige van de in de overeenkomst gebruikte woorden vervolgens de gevolgtrekking dat de rechtbank ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat bepaalde woorden andere verduidelijken en dat de overeenkomst een verschrijving bevat. Ook daarover klaagt het middel terecht (onder 3.8 en 3.9). Het hof motiveert immers niet hoe een en ander zich verhoudt tot wat de vrouw heeft aangevoerd over hetgeen waarvan in de onderhandelingen door partijen en hun advocaten steeds zou zijn uitgegaan (in verband met onder meer het ontbreken van een pensioenvoorziening voor de vrouw en het loondienstverband zoals dat tussen de voormalige echtgenoten had bestaan). Ik begrijp het zo dat het hof meent dat volgens de toepasselijke uitlegmaatstaf niet relevant is waarvan partijen en/of hun advocaten wel of niet zijn uitgegaan en dat dit zelfs ook geldt indien de tekst van de overeenkomst een (voor beide partijen kenbare) verschrijving zou bevatten. Dat dit (mede) de inhoud is van de door partijen overeengekomen uitlegmaatstaf is echter allerminst vanzelfsprekend en behoefde dus motivering.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑05‑2023
Vergelijk de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 11 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2799, onder 3.2 tot en met 3.6.
C.E. Drion, De innovatieve contractenmaker en de bewijsovereenkomst, NJB 2004/1, p. 17; R.H.J. van Bijnen, Aanvullend contractenrecht: Naar rechtsregels die de belangen van partijen optimaal verwezenlijken, NJB 2004/40, p. 2087; M. Wolters, Uitleg van schriftelijke overeenkomsten: Over de onzalige trend naar een primair taalkundige uitleg van contracten, Contracteren 2009/1, p. 21; M.H. Wissink, Vertrouwen op tekstuele uitleg, in: Th.M. De Boer e.a., Strikwerda's conclusies, Deventer: Kluwer 2011, p. 595; H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW A5), 2017/19; M. Uijen, Münchhausen revisited: de bewijsovereenkomst als instrument voor contractenmakers, Contracteren 2017/1, p. 20; H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen (Mon. Pr. nr. 20), 2022/9.3; R.P.J.L. Tjittes, Commercieel contractenrecht (Deel I: Totstandkoming en inhoud) 2022/8.5.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:162, onder 5.5; Gerechtshof ’sHertogenbosch 6 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:879, onder 4.6-4.8; Gerechtshof Den Haag 17 december 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4790, onder 2.5-2.6; Rechtbank Zwolle-Lelystad 29 augustus 2007, ECLI:NL:RBZLY:2007:BB5629, onder 4.4.
P.S. Bakker: Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm, diss. VU, Deventer: Kluwer 2012, p. 80-83: gegeven het dwingendrechtelijke karakter dat de redelijkheid en billijkheid ook in hun uitlegfunctie aankleeft, vermogen partijen niet te dicteren hoe een contract moet worden uitgelegd. Vervolgens nuanceert Bakker deze stellingname enigszins met de opmerking dat bijvoorbeeld een entire agreement clause er wel toe kan leiden dat bij de toepassing van de dwingendrechtelijke uitlegmaatstaf de tekst extra gewicht krijgt, omdat partijen gerechtvaardigd vertrouwden op de tekstuele betekenis van het contract.
P.S. Bakker, Contractsuitleg, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2021, par. 3.10 (p. 79), in de procesinleiding in cassatie onder 2.11 aangehaald.
Asser/Sieburgh 6-III 2022/380 en H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen (Mon. Pr. nr. 20), 2022/9.3, beide met vermelding van meer literatuur.
Een andere kwestie is of de aanvullende werking als zodanig kan worden uitgesloten. Aannemelijk is dat dit niet kan. Vergelijk behalve de in de vorige voetnoot genoemde bronnen: M.H. Wissink, Wegcontracteren van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid’, Contracteren 2011, p. 24 e.v.; R.P.J.L. Tjittes, Commercieel contractenrecht (Deel I: Totstandkoming en inhoud) 2022/9.6.
Vergelijk de vijf vormen (die deels weer verschillende smaken kennen) van objectieve uitleg zoals onderscheiden bij R.P.J.L. Tjittes, Commercieel contractenrecht (Deel I: Totstandkoming en inhoud) 2022/2.3.
Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse Taal (online versie).
Beroepschrift 28‑10‑2022
Toevoeging verleend op 28 oktober 2022 met nr. 1JT8333
PROCESINLEIDING VERZOEKZAAK BIJ DE HOGE RAAD
Eiser,
RAYMOND WILHELMUS PETER TRIEPELS, h.o.d.n. BEWINDKR8,
gevestigd en kantoorhoudende te Grevenbicht, gemeente Sittard-Geleen, in de hoedanigheid van curator van [de vrouw], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], (hierna: ‘de vrouw’), in deze cassatieprocedure vertegenwoordigd door de advocaat bij de Hoge Raad, mr. M.A.J.G. Janssen (Banning Advocaten), kantoorhoudende te (5211 JG) 's‑Hertogenbosch aan de Spinhuiswal 2,
stelt cassatieberoep in tegen de op 11 augustus 2022 door het gerechtshof 's‑Hertogenbosch, onder zaaknummer 200.302.971/01, gewezen beschikking (hierna: ‘de beschikking’).
Verweerder is:
[de man], (hierna: ‘de man’), wonende te ([postcode]) [woonplaats] (Duitsland), aan de [adres], in deze zaak in de vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen hebbende ten kantore van de hem vertegenwoordigde advocaat mr. R.P.F. Rober, kantoorhoudende te (6432 GX) Hoensbroek, gemeente Heerlen, aan de Juliana Bernhardlaan 118.
De vrouw voert aan tegen de aangevallen beschikking het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof heeft overwogen en beslist als vervat in de ten deze bestreden beschikking, dit ten onrechte om één of meer van de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen, redenen:
1. De relevante feiten en het procesverloop1.
1.1.
Bij beschikking van 24 december 2008 heeft de rechtbank Maastricht tussen de vrouw en de man de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op [scheidingsdatum] 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
1.2.
Bij deze beschikking heeft de rechtbank verder, voor zover in cassatie van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op een bedrag van € 160,- per maand.
1.3.
De man en de vrouw hebben in september 2009 een vaststellingsovereenkomst (hierna ook: ‘VSO’) gesloten. In de considerans van deze vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat:
‘Bij de uitvoering van de onderhavige overeenkomst prevaleert de letterlijke tekst van deze overeenkomst, in afwijking van het Haviltex-criterium, boven eventuele partijbedoelingen zodat bij geschillen die onverhoopt op welke wijze dan ook uit deze overeenkomst mochten voortvloeien, ook wanneer slechts een der partijen een geschil aanwezig acht, de competente rechter de bepalingen zoals opgenomen in de onderhavige overeenkomst uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen en toe te passen.’
1.4.
In artikel 1.7. van de VSO is opgenomen dat:
‘De partneralimentatie zal eindigen op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, te weten op [datum] 2021.’
1.5.
Bij beschikking van 10 november 2009 heeft het gerechtshof 's‑Hertogenbosch voornoemde beschikking van de rechtbank Maastricht van 24 december 2008, voor zover betrekking hebbende op de partneralimentatie vernietigd, en vastgesteld hetgeen partijen in artikel 1 tot en met 5 van voornoemde VSO zijn overeengekomen.
1.6.
Bij beschikking, zoals hersteld bij beschikking van 4 februari 2022, heeft de rechtbank Maastricht bepaald dat de man gehouden is de partneralimentatie zoals die is vastgelegd in de VSO van september 2009 en is opgenomen in de beschikking van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 10 november 2009 te voldoen tot [datum] 2022.
1.7.
De man heeft in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling — samengevat — het volgende aangevoerd.2.
De rechtbank heeft ten onrechte een eigen interpretatie dan wel een eigen invulling gegeven aan de VSO. De inhoud van de VSO is duidelijk en laat geen ruimte voor uitleg. Uit de VSO blijkt dat partijen het Haviltex-criterium hebben uitgesloten en dat zij zich zuiver dienen te laten leiden door de grammaticale uitleg van de daarin opgenomen bepalingen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte het begrip pensioengerechtigde leeftijd gekoppeld aan de AOW-leeftijd. Dat de vrouw thans geen AOW krijgt dan wel later AOW krijgt, lijkt door de rechtbank te worden afgewenteld op de man. De vrouw had destijds bijstand van een advocaat en die heeft de VSO ook opgesteld. De advocaat van de vrouw heeft destijds aangegeven dat de vrouw ‘een paar maanden langer dan de 12 jaar alimentatie wilde ontvangen, totdat zij met pensioen ging in mei 2021’. De man heeft daarmee ingestemd om in het kader van een minnelijke regeling tot een VSO te komen. De geobjectiveerde wil en bedoeling van partijen is geweest om hun geschil destijds definitief te beslechten. De rechtbank heeft daarom ten onrechte gesteld dat sprake is van een verschrijving. De rechtbank heeft daarbij een eigen invulling gegeven aan een verschrijving dan wel het opmaken van een VSO. De uitleg van de rechtbank van de zinsnede ‘te weten’ was — gelet op het feit dat partijen het Haviltex-criterium hebben uitgesloten — niet toegestaan.
1.8.
De vrouw heeft hiertegen — samengevat — het navolgende verweer gevoerd.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de man gehouden is om de partneralimentatie in ieder geval tot [datum] 2022 te voldoen. In de onderhandelingen tussen de (toenmalige) advocaten van partijen, die uiteindelijk hebben geleid tot de VSO, zijn partijen er steeds vanuit gegaan dat de alimentatieverplichting van de man behoorde voort te duren tot aan het moment dat de vrouw zou beschikken over een AOW-uitkering; destijds bedroeg de AOW-gerechtigde leeftijd 65 jaar. De vrouw heeft altijd in loondienst in de fysiotherapiepraktijk van de man gewerkt. Zij heeft daardoor geen ouderdomspensioen in eigen beheer opgebouwd. Evenmin heeft de vrouw een pre-pensioen of uitgesteld pensioen of vervroegd pensioen opgebouwd. Indien bij de uitleg van de VSO een taalkundige benadering wordt gehanteerd, dan kan (inderdaad) worden geconstateerd dat de betreffende tekst een innerlijke tegenstrijdigheid bevat. De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat de toevoeging van de datum [datum] 2021 niet op zichzelf staat en dat de woorden ‘te weten’ nadrukkelijk zijn verbonden met deze datum. Met het oog op hierop is de datum van [datum] 2021 daarom te beschouwen als een vergissing/verschrijving.
1.9.
Het hof heeft bij de in cassatie bestreden beschikking d.d. 11 augustus 2022 het hoger beroep van de man gehonoreerd:
‘5.5.1.
Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat op grond van het bepaalde in de considerans van de in september 2009 tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst zij uitleg van bepalingen van de overeenkomst conform het Haviltex-criterium hebben uitgesloten en dat in het geval van een geschil tussen partijen de rechter de desbetreffende bepaling in de vaststellingsovereenkomst uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen. Tussen partijen is echter wel in geschil wat het resultaat dient te zijn van de grammaticale uitleg van het bepaalde in artikel 1.7. omtrent de einddatum van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.
5.5.2.
Het hof is op grond van de inhoud van artikel 1.7. van de vaststellingsovereenkomst van oordeel dat het enige gegeven dat in dit artikel niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, de daarin genoemde einddatum van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is. Het begrip pensioengerechtigde leeftijd is, naar het oordeel van het hof, wel op meerdere wijzen uit te leggen, hetgeen — gelet op de uitsluiting van het Haviltex-criterium — niet is toegestaan. De rechtbank is daarom met het oordeel in rechtsoverweging 3.8. van de bestreden beschikking, inhoudende dat uit de woorden ‘te weten’ blijkt dat partijen hiermee bedoeld hebben om met de opgenomen datum een verduidelijking te geven van het moment waarop de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken en dat sprake is geweest van een verschrijving wat de datum betreft, ten onrechte buiten de grammaticale uitleg van artikel 1.7. getreden. Dit brengt met zich dat de bestreden beschikking op dit punt dient te worden vernietigd en dat het hof alsnog zal bepalen dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw op [datum] 2021 is geëindigd. Hetgeen de vrouw verder nog in hoger beroep heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel van het hof leiden. Het (principaal) hoger beroep van de man slaagt.’
1.10.
Het cassatieberoep van de vrouw richt zich tegen hetgeen het hof overweegt in de hiervoor sub 1.9 geciteerde r.o. 5.5.1 – r.o. 5.5.2 en de daarop voortbouwende oordelen in r.o. 5.8.1 en r.o. 6.1 tot en met r.o. 7.
1.11.
Hiernavolgende onderstrepingen in deze Procesinleiding zijn toegevoegd door de cassatieadvocaat van de vrouw.
2. Uitleg van art. 1.7 VSO: het relevante juridische kader
2.1.
De vrouw hecht eraan voorop te stellen, dat onjuist is, indien de uitleg die het hof in r.o. 5.5.1 – r.o. 5.5.2 aan art. 1.7 van de VSO heeft gegeven als een feitelijk oordeel zou worden beschouwd. Schelhaas en Valk4. brengen het als volgt treffend onder woorden:
‘In de afgelopen decennia is de controle door de Hoge Raad op uitleg door de rechter die over de feiten oordeelt aanzienlijk toegenomen. Dat is het resultaat van drie ontwikkelingen:
- 1.
Aanvankelijk was de heersende opvatting dat het rechterlijke uitlegoordeel feitelijk van aard is. Die opvatting is inmiddels sinds geruime tijd verlaten: de uitleg van rechtshandelingen betreft een gemengd oordeel. Uitleg is niet de vaststelling van een feitelijke partijbedoeling, maar van de betekenis die aan de rechtshandeling volgens de toepasselijke uitlegmaatstaf behoort te worden gegeven, op basis van de feiten zoals die in het geding door de rechter worden vastgesteld. Bij uitzondering, namelijk de uitleg van een algemeen verbindend verklaarde cao is zelfs sprake van een rechtsoordeel.
Voor een beschrijving van die ontwikkeling, zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/171 e.v. Naar de huidige stand van het recht is mogelijk minder juist de opmerking van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel e.a., Cassatie 2019/64 dat de uitleg van onder meer overeenkomsten ‘feitelijk’ is ‘afgezien van de bij die uitleg te hanteren maatstaven’. Aldus lijkt te worden miskend de onverbrekelijke samenhang tussen feit en recht zoals die juist in het geval van een gemengd oordeel bestaat. Intussen is juist dat de mate waarin een uitlegoordeel een feitelijk karakter draagt, varieert naargelang dat oordeel meer of minder op feitelijke vaststellingen is gegrond.
(…)
- 2.
De toenemende differentiatie van de uitlegnorm zoals in de voorgaande hoofdstukken beschreven, leidt ertoe dat de vraag welke feiten en omstandigheden de rechter in welke zin in zijn oordeel betrekt en daarbij meer of minder gewicht geeft, meer en meer genormeerd is. Daardoor is het voor de cassatieadvocatuur gemakkelijker geworden om aanknopingspunten te vinden voor het formuleren van motiveringsklachten of zelfs rechtsmachten.’
2.2.
In deze zaak is — volgens het hof — tussen partijen niet in het geschil5., dat op grond van het bepaalde in de considerans van de tussen hen gesloten VSO, zij uitleg van de bepalingen van de VSO conform het Haviltex-criterium hebben uitgesloten en dat in het geval van een geschil tussen partijen de rechter de desbetreffende bepalingen in de VSO uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen. Het gaat er in deze zaak — volgens het hof — om wat het resultaat dient te zijn van deze ‘grammaticale’ uitleg van het bepaalde in art. 1.7 van de VSO, meer in het bijzonder omtrent de einddatum van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie. Tot de kern teruggebracht, komt het standpunt van de man hierop neer dat zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw eindigt op [datum] 2021, terwijl de vrouw van oordeel is dat dit is op [datum] 2022.
2.3.
Kenmerkend voor de wijze waarop het uitlegleerstuk zich in de afgelopen decennia heeft ontwikkeld, is dat allerlei verbijzonderingen zijn ontstaan voor (bijzondere) gevallen: de uitlegmaatstaf is pluriform geworden. Die pluriformiteit heeft verschillende verschijningsvormen.6.
2.4.
Afgezien van de vraag of juist is het oordeel van het hof dat tussen partijen niet in geschil is dat de uitsluitend de grammaticale uitleg tussen partijen overeengekomen is en daarom door de rechter bij uitsluiting dient te worden gehanteerd,7. volgen voor een goed begrip eerst, voor zover in deze zaak relevant, enige algemene beschouwingen over de (‘grammaticale’ en ‘objectieve’) uitleg.
‘Grammaticale’ uitleg
2.5.
Inzake de ‘grammaticale’ uitleg zijn allereerst relevant de hiernavolgende opmerkingen van W.L. Valk8.:
‘Uit deze overweging van het Bundesgerichtshof is gelijk duidelijk dat ‘objectieve’ uitleg iets anders is dan ‘grammaticale interpretatie’. De overwegingen van de Hoge Raad over de uitleg van CAO's zou ik — ondanks de betekenis die men er op grond van een grammaticale interpretatie aan zou kunnen hechten — ook niet zo willen begrijpen dat voor de uitleg van de CAO's ineens een maatstaf zou gelden, die — niet alleen voor de uitleg van overeenkomsten maar ook voor die van wettelijke bepalingen — reeds sinds lang als onkritisch en ondeugdelijk is verworpen. Woorden kan men niet begrijpen zonder de personen erbij te betrekken tot wie de woorden zich richten en de belangen die met de uitleg van die woorden in het geding zijn. Het kan niet en het mag niet. We weten het sinds Paul Scholten. Wat wel kan is uitleggen niet met het oog op déze personen en hún belangen, maar met het oog op ‘doorsnee’ personen en ‘doorsnee’ belangen. Een dergelijke objectiverende uitleg is in ieder geval op zijn plaats bij normen die zich richten tot allen, dus bij wettelijke voorschriften. Bij contractsbepalingen waarover door de individuele partijen is onderhandeld — waarbij dus hun individuele belangen en hun individuele begrip van de verschillende concept-bepalingen de inzet waren — past daarentegen slechts de individualiserende uitleg waarvan de klassieke Haviltexformule uitgaat.’
2.6.
Zie in deze ook de conclusie van A-G Bakels voor HR 26 mei 2000, NJ 2000, 473:
‘2.9
Van grammaticale uitleg als exclusieve of eerst, dan wel in beginsel, in aanmerking komende methode, behoort m.i. dus geen sprake te zijn: de grammaticale uitleg vindt, als steeds, zijn plaats naast andere uitlegmethoden.’9.
2.7.
Vgl. ten slotte H.N. Schelhaas en W.L. Valk10.:
‘Dat in het geval van uitonderhandelde commerciële contracten grote betekenis aan de taalkundige betekenis van de overeenkomst toekomt, kan niet gelijk worden gesteld aan grammaticale uitleg in eigenlijke zin.
Het gaat niet om de betekenis volgens het woordenboek van de bewoordingen van de contractsbepaling op zichzelf, maar in plaats daarvan om de taalkundige betekenis die deze bewoordingen hebben indien zij worden gelezen in de context van de schriftelijke overeenkomst als geheel, alsook van de tak van het economisch verkeer waarin partijen zich begeven. Ook zal de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene dan wel de andere uitleg van belang kunnen zijn.’
‘Objectieve’ uitleg
2.8.
Voormelde uitlegmethode wordt helder omschreven door Tjittes11.:
‘2.3.3. De objectieve Haviltex-maatstaf
Het arrest DSM/Fox heeft de praktijk bewust gemaakt van een tot dan toe onderbelichte toepassing van de Haviltex-maatstaf: de objectieve uitleg binnen de Haviltex-norm. Binnen de Haviltex-maatstaf kan een contractsbeding ook worden uitgelegd aan de hand van objectieve gezichtspunten als de tekst, de structuur, een openbaar kenbare toelichting en de aannemelijkheid van rechtsgevolgen in de ene of de andere uitleg, zonder dat de subjectieve bedoelingen van de contractsluidende partijen relevant zijn of hetgeen partijen over en weer hebben verklaard buiten de tekst, structuur en openbaar kenbare elementen van de overeenkomst om.
(…)
3.2. De bewoordingen van he contract(s)beding
(…)
In het arrest DSM/Fox brengt de Hoge Raad nadrukkelijk het grote praktische belang van een taalkundige uitleg (in contextuele zin) in herinnering. Hij oordeelt (rov. 4.5 slot):
‘In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat veel van groot belang.’
(…)
Naar mijn mening behoort bij een redelijke uitleg uitgangspunt te zijn dat een contractsbeding de betekenis krijgt die het volgens het normale spraakgebruik (in de desbetreffende kring van partijen) heeft.
3.6. De aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg
Bij de uitleg van een onduidelijk contractsbeding is van belang hoe aannemelijk de rechtsgevolgen zijn van de ene of de andere uitleg. Dat gezichtspunt is volgens de Hoge Raad relevant zowel bij de ‘normale’ Haviltex-maatstaf, als bij de cao-norm en de objectieve Haviltex norm. Zoals het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde:
‘Naarmate het resultaat van een bepaalde uitleg ongebruikelijker is, is het minder waarschijnlijk dat hij overeenkomt met wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan.’
Het omgekeerde geldt ook: naarmate het resultaat van een bepaalde uitleg gebruikelijker is, is het waarschijnlijker dat de uitleg overeenkomt met wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan.’
2.9.
Zie ook H.N. Schelhaas en W.L. Valk12.:
‘In de zaak DSM/Fox had de rechtbank onomwonden gekozen voor een grammaticale uitleg van de CAO waar het in die zaak om ging. De Hoge Raad had het kort kunnen houden en zich kunnen beperken tot het herhalen van wat reeds eerder was uitgemaakt. In plaats daarvan pakt de Raad groot uit. Gelet op het uitzonderlijke belang van dit arrest citeer ik ruim.
‘4.1
(…) Alvorens het middel te bespreken, ziet de Hoge Raad aanleiding de volgende inleidende opmerkingen te maken.’
Eerst zet de Hoge Raad de Haviltex- en de CAO-norm neer:
‘4.2
In zijn arrest van 13 maart 1981, nr. 11647, NJ 1981, 635 (Haviltex) heeft de Hoge Raad — daarmee voortbouwend op oudere rechtspraak over de uitleg van overeenkomsten — overwogen dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (hierna ook: de Haviltex-norm). Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval; het Haviltexarrest bevat tevens een reeks bij die uitleg in aanmerking te nemen gezichtspunten, welke reeks in latere arresten verder is uitgewerkt.
4.3
In zijn arresten van 17 september 1993, nr. 15064, NJ 1994, 173 en 24 september 1993, nr. 15078, NJ 1994, 174, heeft de Hoge Raad echter ten aanzien van de uitleg van de bepalingen van een CAO een anders geformuleerde norm aanvaard: voor die uitleg zijn de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis (hierna ook: de CAO-norm).
De CAO-norm is ook toegepast op andere geschriften waarin een overeenkomst of een andere regeling is vastgelegd die naar haar aard bestemd is de rechtspositie van derden te beïnvloeden, zonder dat die derden invloed hebben op de inhoud of de formulering van die overeenkomst/regeling, terwijl de onderliggende partijbedoeling voor die derden niet kenbaar is, zoals de uitleg van een sociaal plan dat niet zelf een CAO is (HR 26 mei 2000, nr. C 981318, NJ 2000, 473), een trustakte bij een obligatielening (HR 23 maart 2001, nr. C 991054, NJ 2003, 715) en het Bindend Besluit Regres 1984 (HR 16 mei 2003, nr. C 011250, NJ 2003, 470).’
En dan komt een verrassend en zeer principieel vervolg:
‘4.4
Tussen de Haviltex-norm en de CAO-norm bestaat geen tegenstelling, maar een vloeiende overgang.
Enerzijds heeft ook bij toepassing van de Haviltex-norm te gelden dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd — nog afgezien van het bepaalde in art. 3:36 BW in de verhouding tot derden — de argumenten voor een uitleg van dat geschrift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen in de mate waarin de daarin belichaamde overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift en een eventueel daarbij behorende toelichting niet kunnen kennen en het voor de opstellers voorzienbare aantal van die derden groter is, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Anderzijds leidt de CAO norm niet tot een louter taalkundige uitleg; in het árrest ván dé Hóge Raad van 31 mei 2002, nr. C00/186, NJ 2003, 110, is de hiervoor in 4.3 aangehaalde rechtspraak in die zin verduidelijkt dat hier sprake is van een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. In het zojuist aangehaalde arrest is voorts nog beslist dat ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting bij de uitleg van de CAO moeten worden betrokken. In een latere uitspraak (HR 28 juni 2002, nr. C01/012, NJ 2003, 111) werd geoordeeld dat, indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, ook daaraan bij de uitleg betekenis kan worden toegekend.’’
2.10.
In verband met de in de considerans van de VSO13. neergelegde uitlegmaatstaf zijn relevant de volgende opmerkingen van Schelhaas en Valk14.:
‘Een rechter dient de door partijen gekozen wijze van uitleg in beginsel te respecteren. Voorstelbaar is echter dat een uitlegkwestie niet kan worden beslist met toepassing van de contractueel bepaalde (bijvoorbeeld louter taalkundige) uitlegwijze. Bewoordingen zijn nu eenmaal vaak tekstueel voor meerdere uitleg vatbaar. In die zin kan uitleg nooit helemaal contractueel worden gestuurd.’
2.11.
Zie voorts P.S. Bakker15.:
‘De gedachte dat partijen het in hun macht zouden hebben om te bepalen dat hun contract uitsluitend taalkundig, d.w.z. enkel naar de letter, mag worden uitgelegd lijkt mij betwistbaar. Het komt mij voor dat die suggestie af behoort te stuiten op het feit dat uitleg steeds met inachtneming van de dwingendrechtelijke grondnorm van redelijkheid en billijkheid dient plaats te vinden en dus niet uitsluitend naar de letter kán (althans, zou mogen) plaatsvinden. Het arrest DSM/Fox (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493, m.nt. C.E. du Perron) laat er geen misverstand over bestaan dat dit ook (onverkort) geldt waar een contract of regeling conform de daarvoor geldende uitlegnorm zuiver tekstueel moet worden uitgelegd; ook dan geldt derhalve de eis van een redelijke uitleg.’
3. De cassatieklachten
3.1.
Het oordeel van het hof in r.o. 5.5.1 dat, kort samengevat, tussen partijen niet in het geschil is dat art. 1.7 van de VSO uitsluitend ‘grammaticaal’ dient te worden uitgelegd, dat de rechter de desbetreffende bepaling uitsluitend ‘grammaticaal’ dient uit te leggen, waarna het hof in r.o. 5.5.2 blijkens de laatste volzin van de desbetreffende rechtsoverweging luidende ‘hetgeen de vrouw verder nog in hoger beroep heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel van het hof leiden’ niet van belang acht en/of (in ieder geval) niet verder ingaat op hetgeen de vrouw met betrekking tot de interpretatie van art. 1.7 van de VSO naar voren heeft gebracht, is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk.16.
3.2.
In deze is allereerst relevant, dat uit hetgeen hiervoor sub 2.5 tot en met sub 2.7 uiteen gezet is, volgt dat het ook bij ‘grammaticale uitleg’ (in eigenlijke zin) niet gaat om de betekenis van de woorden volgens het woordenboek — op zichzelf — maar dat het erom gaat welke betekenis die bewoordingen hebben indien zij worden gelezen in de context van de gehele bepaling en de overeenkomst als geheel, in het licht van de maatschappelijke kring waartoe partijen behoren.
Met andere woorden: ook in de door het hof (kennelijk) bedoelde ‘grammaticale’ methode behoeven woorden uitleg waarbij onduidelijkheden17. tot een (nadere) uitleg nopen.18.
3.3.
In dit verband is van belang dat de vrouw in haar verzoekschrift in eerste aanleg op de hiervoor sub 1.8 bedoelde feiten en omstandigheden heeft gewezen die mede brengen waarom de uitleg van art. 1.7 van de VSO aldus dient te zijn, dat de partneralimentatieverplichting eerst eindigt op [datum] 2022.19. De vrouw heeft dat betoog in hoger beroep herhaald in haar verweerschrift tevens incidenteel appel20., in welk verband de vrouw benadrukt heeft dat het bij de in de VSO overeengekomen uitlegmethode weliswaar gaat om een ‘taalkundige benadering’ maar dat, kort samengevat, een uitleg van de letterlijke tekst hier mogelijk tot een innerlijke tegenstrijdigheid leidt, die echter door (nadere) uitleg dient te worden opgelost, te meer omdat de toevoeging ‘[datum] 2021’ niet op zichzelf staat, maar met de woorden ‘te weten’ nadrukkelijk is verbonden met de datum [datum] 2021.21.
3.4.
Kortom: gelet daarop is in het licht van het hiervoor sub 2 geschetst juridisch kader het oordeel van het hof in r.o. 5.5.1 dat partijen overeengekomen zijn (en tussen hen niet in geschil is) dat art. 1.7 ‘uitsluitend grammaticaal’ dient te worden uitgelegd en dat de rechter dus die uitleg moet volgen (waarna het hof in r.o. 5.5.2 dat vervolgens doet in onderhavige zaak) onjuist (want te strikt) althans onbegrijpelijk of nu moet worden uitgegaan van de door het hof bedoelde ‘grammaticale’ uitleg dan wel de ‘objectieve’ Haviltex-uitleg.
3.5.
's Hofs redenering is, dat het begrip ‘de pensioengerechtigde leeftijd’ in art. 1.7 van de VSO op meerdere wijzen uit te leggen is.22. En dat is de reden voor het hof om (dan maar) doorslaggevend te achten hetgeen vervolgens vermeld staat in r.o. 1.7 van de VSO: ‘ (…) te weten op [datum] 2021’. Het hof lijkt zich niet te hebben afgevraagd, althans daarvan heeft het op onvoldoende inzichtelijke wijze rekenschap afgelegd, dat ook bij grammaticale of objectieve uitleg, zoals blijkt uit het hiervoor sub 2 geschetst juridisch kader, moet worden gekeken naar, kort samengevat, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een bepaalde uitleg, als dat, zoals in casu, past in hetgeen partijen (met name de vrouw) hebben aangevoerd in welk verband een rol mag spelen hetgeen de bewoordingen van de bepaling in kwestie inhouden zoals die in (desbetreffende kring van) maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben.
3.6.
Deze deelcriteria maken deel uit van de uitleg op basis van de grammaticale of objectieve Haviltex-norm. Vgl. par. 3.6 uit het boek van R.J. Tjittes, Commercieel Contractenrecht (a.w.):
‘Naarmate het resultaat van een bepaalde uitleg ongebruikelijker is, is het minder waarschijnlijk dat hij overeenkomt met wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan.’
3.7.
In dat licht bezien is onjuist althans onbegrijpelijk, dat het hof niet — net zoals de rechtbank — de uitleg en de daarvoor gegeven argumentatie zoals die door de vrouw wordt voorgestaan resp. is gegeven, heeft gevolgd.23.
‘3.6.
Een puur grammaticale uitleg van de overeenkomst biedt hier echter geen oplossing. De tekst van de overeenkomst bevat namelijk een innerlijke tegenstrijdigheid. Er staat enerzijds dat de partneralimentatie eindigt ‘op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt’ en anderzijds ‘te weten op [datum] 2021’. Die twee elementen botsen met elkaar. De ‘pensioengerechtigde leeftijd’ zou de vrouw namelijk, ook ten tijde van het ondertekenen van het convenant, niet op [datum] 2021 bereiken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de ‘pensioengerechtigde leeftijd’ een welbekend begrip is in de maatschappij, omdat het bereiken van die leeftijd (grote) financiële en maatschappelijke gevolgen heeft op het dagelijks leven van burgers. Daarmee is dat begrip niet op zichzelf staand, maar heeft het (ook) een juridische betekenis die in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet wordt gedefinieerd. Ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst was in dat artikel de pensioengerechtigde leeftijd bepaald op 65 jaar. Dit betekent dat de in artikel 1.7. door de vrouw en de man opgenomen datum taalkundig gezien botst met het daarvóór genoemde begrip pensioengerechtigde leeftijd.
3.7.
De vraag is dan vervolgens welke van deze twee elementen moet prevaleren: liet begrip ‘de pensioengerechtigde leeftijd’ of de datum ‘[datum] 2021’. Daarbij ontkomt de rechtbank er niet aan om te kijken wat de man en de vrouw bedoeld hebben met de toevoeging van de datum [datum] 2021. Te meer omdat deze toevoeging niet op zichzelf staat en met de woorden ‘te weten’ nadrukkelijk is verbonden met ‘[datum] 2021’. Bij de uitleg van die bedoeling kijkt de rechtbank wederom zo veel mogelijk naar de tekst van de rest van de bepaling, aangezien de man en de vrouw in artikel 1.7 hebben opgenomen dat zij een zo letterlijk mogelijke uitleg wensen.
3.8.
Uit de woorden ‘te weten’ blijkt naar liet oordeel van de rechtbank dat partijen bedoeld hebben om met de opgenomen datum een verduidelijking te geven van het moment waarop de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken. Kijkend naar het toenmalige artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet zou de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd bereiken als zij 65 jaar was. Dat zou zijn op [datum] 2022. In geen geval zou zij de pensioengerechtigde leeftijd al op [datum] 2021 hebben bereikt. Waar de man en de vrouw een verduidelijking hebben willen geven, is dus juist verwarring ontstaan. De rechtbank houdt het er daarom voor dat hier sprake is geweest van een verschrijving wat de datum betreft. Aan die verschrijving kan de vrouw niet worden gehouden.’
3.8.
Gelet op een en ander is onjuist althans onbegrijpelijk 's hofs oordeel in r.o. 5.5.2 dat de rechtbank ‘buiten de grammaticale uitleg van art. 1.7 (is) getreden’. De rechtbank mocht — en moest — laten meewegen de argumenten die de vrouw — ook in hoger beroep24. — naar voren heeft gebracht.
3.9.
De vrouw heeft feiten en omstandigheden naar voren gebracht die (onder meer in het kader van ‘de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen’) relevant zijn.25. Het hof heeft niet (in r.o. 5.5.2) vastgesteld dat die desbetreffende door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden onjuist zijn of niet vaststaan. Die feiten en omstandigheden moeten dus in ieder geval veronderstellenderwijs als juist worden aangemerkt. Het hof heeft dit betoog van de vrouw ten onrechte niet, althans onvoldoende kenbaar of begrijpelijk, in zijn oordeel betrokken. Met name is in het kader van de uitleg relevant de stelling van de vrouw dat ten tijde van het sluiten van de VSO de AOW-gerechtigde leeftijd 65 jaar was, welke leeftijd de vrouw in 2022 zou bereiken. De vrouw heeft in dat verband betoogd dat ook de man wist dat zij gèèn ouderdomspensioen heeft opgebouwd of een pré-pensioen of een uitgesteld pensioen of een vervroegd pensioen. Dan is het qua rechtsgevolg onaannemelijk dat de partneralimentatie zou eindigen vòòr de AOW-gerechtigde leeftijd van de vrouw (65 jaar). Dat is ook niet aannemelijk als de bewoordingen van art. 1.7 van de VSO in onderling verband en samenhang worden uitgelegd, rekening houdend met de normale betekenis zoals deze (in de desbetreffende kring) in het maatschappelijk verkeer hebben.26.
3.10.
Ook bij de grammaticale uitleg of de objectieve Haviltex-maatstaf moeten de bewoordingen in onderling verband en samenhang worden bezien. Het hof heeft dat miskend althans zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd door de datum in art. 1.7 van de VSO ‘op [datum] 2021’ aan te merken als de enige bewoordingen die in dat artikel niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, terwijl dat ten aanzien van het gehanteerde begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’ volgens het hof wel het geval is.
3.11.
Daarmee miskent het hof ook, uitgaande van een grammaticale of objectieve Haviltex-maatstaf dat de hiervoor bedoelde bewoordingen achter elkaar staan in één zin:
‘De pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, te weten op [datum] 2021’.
3.12.
De bewoordingen moeten in de context moeten worden uitgelegd, zoals door de Hoge Raad onder meer is overwogen in het kader van de zogenaamde CAO-uitleg en ook aan de orde is bij de grammaticale of objectieve Haviltex-maatstaf. In dat verband mag en moet — als in een zaak voldoende relevante omstandigheden door partijen naar voren zijn gebracht — ook gekeken worden naar de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een bepaalde voorgestane interpretatie. In deze betreft het in wezen de toepasselijkheid van de redelijkheid en billijkheid die ook met een bepaling, zoals in de considerans van de onderhavige VSO is opgenomen27. niet, althans niet geheel buiten werking kan worden gesteld.28. Mocht het hof dat (impliciet) wèl hebben bedoeld of daarvan wèl zijn uitgegaan, is dat onjuist althans onbegrijpelijk.
3.13.
Zoals Bakker concludeert29.: art. 1378 (oud/BW) is allang verleden tijd:
‘Het destijds geldende, in 1838 ingevoerde oud-BW was sterk geënt op de Franse Code Civil en kende evenals dit wetboek een aantal specifieke regels over contractsuitleg. Die regels luidden als volgt:
Artikel 1378. Indien de bewoordingen eener overeenkomst duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken.
(…)
Een van de eerste rechtsgeleerden in Nederland die een lans brak voor een meer op redelijkheidszin en contextualiteit geënte uitleg was Paul Scholten. In 1909 schreef hij dat woorden ‘op zichzelf nooit duidelijk’ zijn:
‘Door woorduitlegging alleen is geen enkele interpretatie mogelijk. Woorden zijn nooit anders dan tekens, middelen om een voorstelling of gedachte weer te geven. Omdat woorden op zichzelf slechts middelen zijn om datgene wat er achter ligt te benaderen, zal het altijd slechts mogelijk zijn deze teekenen te beschouwen in verband met andere, en zal het resultaat dat men vindt nooit alleen door de woorden maar altijd slechts door de woorden in verband met de omstandigheden worden bepaald.’
(…)
In dit beoogde nieuwe Burgerlijk Wetboek, dat door een veelheid aan omstandigheden pas in 1992 (grotendeels) het levenslicht zag, was door de wetgever geen plaats ingeruimd voor wetsbepalingen die de uitleg van contracten betroffen. De bepalingen daarover in het oud-BW werden door de NBW-wetgever onbruikbaar geacht en aan nieuwe bepalingen bestond geen behoefte:
‘De juiste draagwijdte van een overeenkomst wordt mede bepaald door middel van uitlegging. De regels die het geldende wetboek daaromtrent in de artikelen 1378 en volgende formuleert, zijn in het ontwerp echter niet overgenomen, daar zij gedeeltelijk vanzelf spreken en overbodig zijn, en voor het overige in hun te grote algemeenheid niet juist zijn.’’
4. Verzoek
4.1.
Op grond van dit middel verzoekt de vrouw dat de Hoge Raad de aangevallen beschikking zal vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad juist zal achten, kosten rechtens.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 28‑10‑2022
zie 's hofs r.o. 3.3 tot en met r.o. 3.6.
Zie 's hofs r.o. 5.3.
Zie 's hofs r.o. 5.4.
H.N. Schelhaas en W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen (Mon. Pr. nr. 20) 2022/6.4.
Zie hiervoor sub 1.9 en 's hofs r.o. 5.5.1.
Zie H.N. Schelhaas en W.L. Valk, a.w., nr. 12.7: ‘a. In sommige gevallen gelden bijzondere uitlegcriteria, veelal als variant op de Haviltex-maatstaf, maar soms ook is sprake van een criterium met een min of meer zelfstandig karakter. Varianten op de Haviltex-maatstaf zijn bijvoorbeeld de zogenaamde geobjectiveerde Haviltex (par. 2.3) en de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot uitonderhandelde contracten (par. 3.3). Min of meer zelfstandige uitlegcriteria zijn bijvoorbeeld de cao-norm (par. 2.2), de uitlegnorm met betrekking tot de levering van registergoederen en vestiging van beperkte rechten op zulke goederen (par. 4.3.1) en die met betrekking tot abstracte bankgaranties (par. 4.2.3). b. Naast uitiegcriteria formuleert de Hoge Raad soms vuistregelnormen, in de zin van een aanduiding van de in verband met het toepasselijke criterium in het bijzonder in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden. De verhouding tussen uitlegcriteria en vuistregelnormen is niet onproblematisch. Hierna (par. 1.2.9) wordt hierop nader ingegaan. c. Verder bestaan er vele bijzondere uitlegregels, in de zin van een nauwkeurig omschreven uitlegregel met algemene gelding voor een zo concreet mogelijk omschreven geval. Een enkele maal bevat de wet zo'n bijzondere uitlegregel, veel vaker berusten bijzondere uitlegregels op rechtspraak van (meestal) de Hoge Raad. (…) Het onderscheid tussen de hiervoor a-c aangedujde variaties in de pluriforme normering van uitleg is niet steeds scherp.
Daarover hierna in par. 3, waarin de cassatieklachten worden geformuleerd.
De grenzen van de Haviltex-formule, NTBR 1994, pag. 112.
Asser/Scholten (Algemeen deel), 1974, blz. 38: ‘De uitlegging naar taalgebruik wijst boven zichzelf uit’.
R.J. Tjittes, Commercieel Contractenrecht, Deel I: totstandkoming en inhoud, 2022, pag. 318 e.v.
Uitleg van rechtshandelingen, Preadviezen Nederlandse Vereniging voor Burgerlijk Recht 2016, pag. 34 e.v.
Zie hiervoor sub 1.3 en 's hofs r.o. 5.5.1.
Contractsuitleg, Cahier Privaatrecht, Ars Aequi Libri, 2021, pag. 79.
Zie 's hofs r.o. 5.4 en hiervoor sub 1.8.
Zoals in dit geval een ‘innerlijke tegenstrijdigheid’. Zie in dat verband r.o. 3.6 van de beschikking van de rechtbank d.d. 9 november 2021, hierna 3.6 geciteerd.
De vrouw verwijst in dit verband naar de voor zichzelf sprekende opmerkingen van W.L. Valk in NTBR 1994, pag. 112:‘ (…) voor de uitleg van CAO's ineens een maatstaf zou gelden (toevoeging cassatieadvocaat: de grammaticale interpretatie) die — niet alleen voor de uitleg van overeenkomsten maar ook voor die wettelijke bepalingen — reeds sinds lang als onkritisch en ondeugdelijk is verworpen. Woorden kan men niet begrijpen zonder de persoon erbij te betrekken tot wie die woorden zich richten en de belangen die met de uitleg van die woorden in het geding zijn. Het kan niet en het mag niet. We weten het sinds Paul Scholten.’ Zie ook hierna sub 3.13.
Zie par. 4 tot en met par. 6 van dat verzoekschrift.
Met name sub 3 tot en met sub 7.
Zie in dat verband met name sub 6 van het verweerschrift tevens incidenteel appel van de vrouw in hoger beroep.
Zie voor het standpunt van de man r.o. 5.3 van 's hofs beschikking en voor het standpunt van de vrouw r.o. 5.4 van 's hofs beschikking.
Beschikking d.d. 9 november 2021, r.o. 3.6 tot en met r.o. 3.8.
Zie 's hofs r.o. 5.4.
Zie r.o. 3.7 van de beschikking van de rechtbank hiervoor geciteerd sub 3.4 waarin de rechtbank concludeert dat de in deze relevante bewoordingen in art. 1.7 van de VSO (in eerste opzicht) tegenstijdig (lijken te) zijn, althans onduidelijk blijft wat overeengekomen is. De rechtbank heeft vervolgens evenzeer terecht in het licht van het hiervoor in par. 2 geschetste juridisch kader en de argumentatie van de vrouw (nader) onderzocht hoe deze bewoordingen — in onderling verband en samenhang bezien — moeten worden uitgelegd.
Zie ook r.o. 3.6 jo r.o. 3.8 van de beschikking van de rechtbank, hiervoor sub 3.4 geciteerd.
Zie 's hofs 3.4 en hiervoor sub 1.8.
Zie hiervoor sub 2.10 – sub 2.11 en vgl. Schelhaas en Valk, Monografie, a.w., nr. 9.3: ‘Een beding dat de redelijkheid en billijkheid in zijn geheel van toepassing uitsluit, sorteert geen effect en beïnvloedt dus ook de (wijze van) uitleg niet. Hiervoor in paragraaf 1.2.6 en 9.2 is vastgesteld dat het leerstuk van de uitleg een toepassing of uitvloeisel is van de redelijkheid en billijkheid. (…) Een beding dat de redelijkheid en billijkheid in zijn geheel van toepassing uitsluit, sorteert echter geen effect en beïnvloedt daarom ook de (wijze van) uitleg niet. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is naar heersend inzicht dwingendrechtelijk van aard en daar kan dus in het geheel niet van worden afgeweken en evenmin kan de werking daarvan worden beperkt. Vergelijk Asser/Sieburgh 6-III 2018/380.De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan naar heersend inzicht weliswaar worden beperkt door zelf contractuele voorzieningen te treffen, maar niet geheel van toepassing worden uitgesloten (vergelijk onder meer Schelhaas, Mon. BW nr. A5 2017/29; Tjittes, Commercieel contractenrecht 2018/5.9.6 en Wissink, Contracteren 2011/5, p. 26). In de woorden van Sieburgh (Asser/Sieburgh 6-III 2018/380) is het ‘(…) in een ontwikkeld rechtsstelsel niet aanvaardbaar de figuur te accepteren van een overeenkomst die lacunes bevat, die niet door de rechter kunnen worden aangevuld’. Hieraan kan worden toegevoegd dat als de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van toepassing wordt uitgesloten, terwijl een contract wel een leemte bevat die niet door een andere rechtsbron kan worden ingevuld, dit zou leiden tot een onoplosbare impasse. Vergelijk Schelhaas, Mon. BW nr. A5 2017/29.De beperkende en aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kunnen dus niet contractueel geheel van toepassing worden uitgesloten en een beding dat dat beoogt, heeft dan ook geen invloed op de wijze waarop contracten moeten worden uitgelegd. Wel kan de reikwijdte van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid worden beperkt door zelf contractuele voorzieningen te treffen zodat geen lacunes ontstaan en kan enige sturing worden gegeven aan het toe te passen uitlegregime (hiervoor par. 9.2).’
Contractsuitleg, a.w., pag. 35 e.v.