NJB 2025/434:Prejudiciële vraag aan de Hoge Raad, art. 553 e.v. Sv: herhaling en toepassing van HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913. Als uit gangspunt geldt dat de Hoge Raad alleen kan overgaan tot beantwoording van een prejudiciële vraag als op het moment dat de rechter die vraag stelt, het antwoord van belang is voor de door de rechter – na die beantwoording door de Hoge Raad – te nemen beslissing over de kwestie waarop de gestelde prejudiciële vraag betrekking heeft. Onder bijzondere omstandigheden kan echter van dit uitgangspunt worden afgeweken. Dat is bijvoorbeeld mogelijk in gevallen waarin een rechter een prejudiciële vraag met een zaaksoverstijgend belang stelt aan de Hoge Raad, waarbij die vraag op zichzelf van belang is voor de door de rechter te nemen beslissing, maar het voor de rechter vanwege de aard van de betreffende strafvorderlijke procedure en de daarin op het spel staande belangen – zoals zich kan voordoen in procedures die verband houden met de voorlopige hechtenis, zoals in casu – niet goed mogelijk is de beantwoording van de vraag af te wachten. In zo’n geval is de Hoge Raad niet verplicht tot beantwoording van de vraag maar is hij daartoe wel bevoegd als hem dat geraden voorkomt met het oog op de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid, en gelet op het bijzondere gewicht van de vraag in het licht van de belangen van de strafrechtspraktijk. Omdat de procureur-generaal echter heeft kenbaar gemaakt dat hij het voornemen heeft om een vordering tot cassatie in het belang van de wet in stellen, waarbij die vordering betrekking heeft op de vraag die in deze prejudiciële procedure is opgeworpen, ziet de Hoge Raad af van beantwoording van de gestelde prejudiciële vraag.