HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, NJ 2023/279, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.3.1.
HR, 11-02-2025, nr. 24/03852 PJV
ECLI:NL:HR:2025:204
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-02-2025
- Zaaknummer
24/03852 PJV
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:204, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑02‑2025; (Prejudiciële beslissing)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1225
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑11‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:1225, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:204
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0054
NJ 2025/193 met annotatie van N. Jörg
Uitspraak 11‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële beslissing HR, art. 553 Sv. Beantwoording prejudiciële vraag als strafvorderlijke procedure reeds is beëindigd en verhouding tussen prejudiciële beslissing HR en cassatie in het belang van de wet. Pr heeft n.a.v. behandeling van vordering OM tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straf een prejudiciële vraag gesteld aan HR, zonder behandeling van vordering OM te schorsen (in afwachting van beantwoording van gestelde prejudiciële vraag door HR), maar heeft op diezelfde dag op vordering OM beslist, waardoor behandeling van vordering OM al is beëindigd. Kan HR gestelde prejudiciële vraag beantwoorden? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:913, inhoudende enkele inleidende opmerkingen over prejudiciële vragen aan strafkamer HR. Uit wettelijk systeem van prejudiciële vragen in strafzaken volgt dat rechter in beginsel alleen dan mogelijkheid heeft om prejudiciële vraag aan HR te stellen, als op dat moment antwoord van HR nodig is voor de door rechter te nemen beslissing over kwestie waarop gestelde prejudiciële vraag betrekking heeft. Als uitgangspunt geldt dat HR alleen kan overgaan tot beantwoording van prejudiciële vraag als op moment dat rechter die vraag stelt, antwoord van HR van belang is voor de door rechter (na die beantwoording door HR) te nemen beslissing over kwestie waarop gestelde prejudiciële vraag betrekking heeft. Onder bijzondere omstandigheden kan echter van dit uitgangspunt worden afgeweken. Wetgever heeft uitdrukkelijk willen afzien van mogelijkheid van het stellen van hypothetische dan wel extrajudiciële vragen. Die beperking van prejudiciële procedure ziet echter niet op gevallen waarin rechter een prejudiciële vraag met zaaksoverstijgend belang stelt aan HR, waarbij die vraag op zichzelf van belang is voor de door rechter te nemen beslissing maar het voor rechter vanwege aard van betreffende strafvorderlijke procedure en daarin op het spel staande belangen niet goed mogelijk is beantwoording van vraag af te wachten. In zo’n geval is HR niet verplicht tot beantwoording van vraag. Maar art. 553, 554 en 555 Sv staan er niet aan in de weg dat HR (in lijn met bedoeling van wetgever die aan regeling van art. 555.3 Sv ten grondslag ligt) beslist om vraag wel te beantwoorden als hem dat geraden voorkomt met het oog op rechtsontwikkeling en rechtseenheid en gelet op bijzonder gewicht van vraag in het licht van belangen van strafrechtspraktijk. Nu in zo’n geval met beantwoording van prejudiciële vraag wordt afgeweken van hiervoor bedoeld uitgangspunt, is temeer van belang dat uit beslissing van rechter waarin prejudiciële vraag wordt gesteld, blijkt dat is voldaan aan alle overige eisen die wet stelt en die in HR:2023:913 zijn besproken. In dit kader is verder van belang dat ook in cassatieprocedure in het belang van de wet vragen aan de orde kunnen worden gesteld waarvan beantwoording door HR is gewenst in belang van rechtsontwikkeling of rechtseenheid. Voordeel van vordering PG tot cassatie in het belang van de wet is dat in die vordering een rechtsvraag veelal in bredere context dan alleen die van specifieke strafrechtelijke procedure kan worden geformuleerd en besproken. Als in zo’n geval de PG een vordering tot cassatie in het belang van de wet instelt over hetzelfde onderwerp als waarop gestelde prejudiciële vraag betrekking heeft of aankondigt dat zo’n vordering zal worden ingesteld, zal HR afzien van beantwoording van prejudiciële vraag. PG heeft kenbaar gemaakt dat hij voornemen heeft om vordering tot cassatie in het belang van de wet in stellen, waarbij die vordering betrekking heeft op vraag die in deze prejudiciële procedure is opgeworpen. HR ziet af van beantwoording van gestelde prejudiciële vraag.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03852 PJV
Datum 11 februari 2025
PREJUDICIËLE BESLISSING
op de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij beslissing van 3 oktober 2024, nummer 02-287679-20, gestelde rechtsvraag in de zaak
van
[veroordeelde],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de veroordeelde.
1. Procesverloop bij de Hoge Raad
De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beslissing van 3 oktober 2024 een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad.
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft conclusie genomen. Deze conclusie strekt tot het afzien van beantwoording van de door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant gestelde vraag.
Het openbaar ministerie heeft schriftelijke opmerkingen ingediend.
2. Leent de gestelde prejudiciële vraag zich voor beantwoording?
De procedure bij de politierechter en de gestelde prejudiciële vraag
2.1
Het procesverloop in deze zaak is als volgt. Aan de veroordeelde is bij vonnis van 2 april 2021 een voorwaardelijke straf opgelegd. De veroordeelde is op 22 september 2024 aangehouden in verband met de overtreding van een bijzondere voorwaarde. De rechter-commissaris in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beslissing van 23 september 2024 de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf bevolen. De officier van justitie heeft ook een vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gedaan bij de politierechter. Die vordering is behandeld op de openbare zitting van 3 oktober 2024. De politierechter heeft vervolgens bij beslissing van 3 oktober 2024 bevolen dat, kort gezegd, een gedeelte van een bij vonnis van 2 april 2021 opgelegde voorwaardelijke straf zal worden tenuitvoergelegd (met wijziging van de bijzondere voorwaarden die aan deze voorwaardelijke straf zijn verbonden).
2.2
Op de openbare zitting van 3 oktober 2024 heeft de politierechter aangekondigd dat hij een prejudiciële vraag wil stellen aan de Hoge Raad. Het proces-verbaal van die zitting houdt hierover in:
“De politierechter overweegt een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad over de wijze waarop – indien de vordering van de officier van justitie wordt toegewezen – de aftrek van de dagen die betrokkene heeft vastgezeten in verband met een toegewezen vordering voorlopige tenuitvoerlegging moet worden toegepast. De officier van justitie en de verdediging worden later deze zitting in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.
(...)
De rechter:
De politierechter geeft aan een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te willen stellen over het aantal dagen aftrek dat bij mogelijke toewijzing van de vordering gehanteerd dient te worden.
Het gaat er dan om of de aftrek dient in te gaan vanaf de dag van aanhouding, in deze zaak op zondag 22 september 2024, of vanaf de dag dat de rechter-commissaris de vordering voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegewezen, in deze zaak op maandag 23 september 2024.
De officier van justitie en de raadsman worden door de politierechter, zoals via de mail voorafgaand aan de zitting aangekondigd, in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.
De officier van justitie deelt mede dat het openbaar ministerie uitgaat van het aantal dagen aftrek vanaf de beslissing van de rechter-commissaris. Zij refereert in dit kader aan artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsvrouw deelt mede dat zij uitgaat van het aantal dagen aftrek vanaf de dag van aanhouding van veroordeelde. Zij verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar jurisprudentie hierover.
(...)
De politierechter wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling (...) gedeeltelijk toe voor de duur van twaalf dagen, met aftrek van de tijd die veroordeelde heeft vastgezeten en bepaalt dat de bijzondere voorwaarde ter zake de klinische opname komt te vervallen. Daarbij heeft de politierechter als uitgangspunt genomen dat de dagen vanaf het moment dat veroordeelde is aangehouden op 22 september 2024, in verband met de overtreding van de bijzondere voorwaarde, als aftrek in aanmerking moeten worden genomen. Dit gelet op de wetsgeschiedenis van de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen van 24 juni 2020.
Voor wat betreft de prejudiciële vraag: De politierechter ziet een zaaksoverstijgend belang om duidelijkheid te verkrijgen over het moment waarop de aftrek start, nu hier in den lande verschillend mee wordt omgegaan.
De politierechter zal daarom de volgende prejudiciële vraag stellen aan de Hoge Raad:
Dient bij toewijzing van een vordering tenuitvoerlegging de aftrek van de dagen die betrokkene heeft vastgezeten in verband met een toegewezen vordering voorlopige tenuitvoerlegging te worden gerekend vanaf de datum van aanhouding of vanaf de datum beslissing rechter-commissaris op de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging?”
2.3
In deze zaak doet zich de volgende bijzonderheid voor. De politierechter heeft naar aanleiding van de behandeling van de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging, als bedoeld in artikel 6:6:21 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), op 3 oktober 2024 een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad. Daarbij heeft de politierechter niet de behandeling van de vordering van het openbaar ministerie geschorst – in afwachting van de beantwoording van de gestelde prejudiciële vraag door de Hoge Raad – maar heeft de politierechter op diezelfde dag op de vordering van het openbaar ministerie beslist. Dat betekent – mede in aanmerking genomen dat geen rechtsmiddel openstaat tegen de door de politierechter genomen beslissing (vgl. artikel 6:6:22 lid 1 Sv) – dat de behandeling van de vordering van het openbaar ministerie al is beëindigd. Dit roept de vraag op of de Hoge Raad de gestelde prejudiciële vraag kan beantwoorden.
Juridisch kader
2.4
De volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering zijn van belang.
- Artikel 553 Sv:
“1. De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een betrokken procespartij de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om te beslissen en aan de beantwoording van deze vraag bijzonder gewicht kan worden toegekend, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang.
2. Voordat de rechter de vraag stelt, worden de betrokken procespartijen in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over het voornemen om een vraag te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vraag.
3. De beslissing waarbij de vraag wordt gesteld, vermeldt de relevante feitelijke en juridische context en de standpunten die door de betrokken procespartijen zijn ingenomen. Tevens bevat de beslissing een motivering dat met de beantwoording van de vraag wordt voldaan aan het eerste lid.
4. De griffier stelt de beslissing zo spoedig mogelijk ter kennis van de Hoge Raad.”
- Artikel 554 lid 1 Sv:
“Tenzij de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal bij de Hoge Raad, meteen beslist om af te zien van beantwoording van de vraag, stelt hij het openbaar ministerie en de raadsman of advocaat van de betrokken procespartij in de gelegenheid om opmerkingen te maken.”
“2. De Hoge Raad ziet af van beantwoording indien hij oordeelt dat de vraag zich niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing leent of de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen. De Hoge Raad kan zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.
3. Indien het antwoord op de vraag, nadat deze is gesteld, niet meer nodig is voor de beslissing van de rechter kan de Hoge Raad, indien hem dat geraden voorkomt, de vraag desondanks beantwoorden.
(...)
5. Tenzij het antwoord op de vraag niet meer nodig is om te beslissen, beslist de rechter, nadat hij de betrokken procespartijen in de gelegenheid heeft gesteld zich over de uitspraak van de Hoge Raad een standpunt in te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.”
2.5
Artikel 553 tot en met 555 Sv vormt de Eerste afdeling van Titel X van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering. Deze bepalingen zijn op 1 oktober 2022 in werking getreden als onderdeel van de Innovatiewet Strafvordering (de Wet van 22 juni 2022 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter bevordering van innovatie van verschillende onderwerpen in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, Stb. 2022, 276). De memorie van toelichting bij de Innovatiewet Strafvordering houdt onder meer in:
“Artikel 553 (bevoegdheid tot stellen prejudiciële vragen)
Eerste lid
Het eerste lid voorziet in de bevoegdheid van de rechter om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De rechter kan een vraag stellen indien de beantwoording daarvan nodig is voor zijn beslissing. Het antwoord op de vraag moet bovendien van bijzonder gewicht zijn, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang. Het doel van deze regeling is de rechter in staat te stellen bepaalde rechtsvragen aan de Hoge Raad voor te leggen die van bijzonder belang zijn voor de individuele zaak of voor verschillende andere zaken. Door deze rechtsvraag reeds in feitelijke aanleg te kunnen stellen, kan worden voorkomen dat cassatieberoep wordt ingesteld en kan worden bereikt dat het door de Hoge Raad gegeven antwoord in meerdere andere zaken kan worden toegepast.
Evenals in de civiele prejudiciële procedure is gekozen om de procedure «breed» open te stellen. In beginsel kunnen in alle strafrechtelijke procedures vragen gesteld worden aan de Hoge Raad. Naast de zittingsrechter, kan dus ook de raadkamer prejudiciële vragen stellen (als is voldaan aan voornoemd criterium). De achterliggende gedachte is dat rechtsvragen niet alleen spelen in de hoofdprocedure. Alle rechters (o.a. rechter-commissaris, raadkamer, rechtbank, gerechtshof) kunnen in een strafrechtelijke procedure, dat wil zeggen, procedures die onder het Wetboek van Strafvordering vallen, vragen stellen.
(...)
De rechter kan de Hoge Raad rechtsvragen stellen waarvan het antwoord nodig is voor de beslissing in de concrete zaak. (...) Om de rechter enige houvast te bieden in welke gevallen het stellen van een vraag passend is, specificeert het eerste lid dat het antwoord op de vraag nodig is «om te beslissen» en «aan de beantwoording van deze vraag bijzonder gewicht kan worden toegekend», waarbij gelet moet worden «op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang». Deze specificering verduidelijkt dat de door de rechter te stellen rechtsvraag in beginsel voor meerdere zaken van belang is. Daarnaast moet aan de beantwoording van de vraag voldoende gewicht kunnen worden toegekend. Dit kan bijvoorbeeld liggen in de hoeveelheid zaken, de aard van de zaken en de omvang van de zaken waaraan het antwoord op de rechtsvraag kan bijdragen.
Onderwerpen waarover vragen kunnen worden gesteld liggen onder meer in de sfeer van de uitleg van een bepaalde delictsomschrijving, de uitleg van een procesrechtelijke regel of uitleg van overgangsrecht. Dergelijke vragen zullen in verschillende procedures kunnen spelen en zijn van wezenlijk belang voor de vraag of een verdachte strafbaar heeft gehandeld en hoe het strafproces behoort te worden gevoerd. De beantwoording van dergelijke vragen door de Hoge Raad kan bijdragen aan de verdere rechtsontwikkeling, alsmede aan de effectiviteit van en de rechtsbescherming binnen het strafproces. (...)
De rechter die voornemens is een vraag te stellen zal moeten beoordelen of en in hoeverre een rechtsvraag een zaaksoverstijgend belang heeft en of het, gelet op de omstandigheden van het geval, opportuun is om juist in deze zaak een vraag te stellen. In welke mate het antwoord kan bijdragen aan de proceseconomie, dat wil zeggen aan een voortvarende behandeling van de voorliggende zaak en van andere zaken waarin dezelfde rechtsvraag speelt, zal de rechter in zijn afwegingen moeten betrekken. Ook zal hij bij zijn afweging eventuele nadelen van de procedure, die met name liggen in verlenging en toenemende complexiteit van de procedure, moeten betrekken. Daarin speelt het belang om het strafproces binnen redelijke termijn, voortvarend te behandelen. Dit zal met name een zorgvuldige afweging vergen wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt op het moment van het stellen van de vraag. (...)
Gedurende de prejudiciële procedure wordt de verjaring geschorst (artikel 73 Sr; Hoge Raad 30 mei 2006, NJ 2006/366, m.nt. P.A.M. Mevis). Die schorsing van de verjaring geldt alleen de zaak waarin de vraag is gesteld. De schorsing geldt niet voor andere zaken waarin vergelijkbare rechtsvragen aan de orde zijn; dat zou leiden tot procedurele verwarring. Wel hebben rechters in andere zaken natuurlijk de mogelijkheid om de zaak voor bepaalde tijd aan te houden, zodat zij de beantwoording van de prejudiciële vraag door de Hoge Raad kunnen afwachten. (...)
Tweede lid
(...)
Wanneer de rechter een prejudiciële vraag heeft gesteld, kan hij de zaak schorsen totdat het antwoord op de vraag van de Hoge Raad is ontvangen. Het is evenwel goed denkbaar dat hangende de vraag bij de Hoge Raad de zaak kan voortgaan. De zittingsrechter kan in de hoofdzaak bijvoorbeeld deskundigen en getuigen horen, nader onderzoek gelasten of een descente houden. De prejudiciële procedure ziet immers op rechtsvragen en niet op onderzoek naar feiten en omstandigheden. De rechter zal echter pas kunnen beslissen ten aanzien van het punt waarover hij prejudiciële vragen heeft gesteld nadat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan en de betrokken procespartijen in de gelegenheid zijn gesteld zich over de uitspraak uit te laten (zie ook artikel 555, vijfde lid). Vanwege het zaaksoverstijgend belang van de te stellen prejudiciële vraag, kan het antwoord ook van belang zijn voor de beslissing van de rechter in andere zaken. Daarom is het wenselijk dat in die andere zaken de rechter ook de mogelijkheid heeft de verdere behandeling van de zaak te schorsen totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. De rechter kan daarvoor gebruikmaken van de bevoegdheid tot schorsing van het onderzoek (artikel 281 e.v.). Daarom is het niet nodig om in deze bijzondere regeling een afzonderlijke bevoegdheid tot schorsing te regelen.
(...)
Artikel 554 (gelegenheid tot het maken van opmerkingen)
Eerste lid
De Hoge Raad heeft de mogelijkheid om meteen te beslissen de vraag niet te beantwoorden, omdat de vraag zich niet leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing of omdat de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen. Maakt de Hoge Raad van deze mogelijkheid gebruik, dan kan hij volstaan met het vermelden van dit oordeel. Er is geen nadere motivering nodig (vergelijk ook artikel 555, tweede lid).
(...)
Artikel 555 (beslissing Hoge Raad)
(...)
Tweede lid
De Hoge Raad beslist of hij de prejudiciële vraag beantwoordt of van beantwoording afziet omdat hij oordeelt dat de vraag zich niet leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing of de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen. De Hoge Raad kan hiertoe aanstonds beslissen (vgl. artikel 554, eerste lid), maar ook in een later stadium, bijvoorbeeld nadat de procureur-generaal een conclusie heeft genomen.
De vraag zal zich bijvoorbeeld niet voor beantwoording lenen als die te veel is verweven met de feiten van de zaak. Voorts kan de Hoge Raad van beantwoording afzien als het om een rechtsvraag gaat die reeds door de Hoge Raad is beantwoord of op een vraag waarop het antwoord al zonder meer duidelijk is. De Hoge Raad kan ook van beantwoording afzien indien de vraag van onvoldoende gewicht is (zie artikel 553, eerste lid). De regeling laat de nodige ruimte aan de Hoge Raad om zelf te beoordelen of en in hoeverre beantwoording van een vraag in een gegeven situatie wenselijk is, waarbij de Hoge Raad mede gelet op de beperkte capaciteit, ook zelf prioriteit kan geven aan vragen die naar zijn oordeel van groter belang zijn voor de rechtsvorming en de rechtsontwikkeling. Dit is vooral wenselijk indien een aanzienlijk aantal vragen wordt gesteld. De Hoge Raad hoeft niet uitgebreid te motiveren waarom hij afziet van het beantwoorden van de vraag, maar kan volstaan met een verwijzing naar één van de afwijzingsgronden.
Derde lid
Indien de beantwoording van de vraag niet meer nodig is voor de door de rechter te nemen beslissing zal de Hoge Raad kunnen afzien van beantwoording van de vraag. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de verdachte zijn standpunt wijzigt en de ten laste gelegde feiten wenst te bekennen en dit aangeeft in zijn opmerkingen aan de Hoge Raad, of de verdachte komt te overlijden waardoor het recht op strafvervolging vervalt, en de procedure in feitelijke instantie door een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie zal eindigen.
De Hoge Raad kan besluiten om de rechter die de vraag heeft gesteld, in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten. Zo kan de rechter worden gevraagd nog nadere informatie naar voren te brengen over het zaaksoverstijgende belang (ECLI:NL:PHR:2016:862). Indien hem dat geraden voorkomt, kan de Hoge Raad besluiten om een vraag die niet meer nodig is voor het nemen van een beslissing alsnog te beantwoorden. Beantwoording van de vraag kan wenselijk zijn, vanwege het vereiste zaaksoverstijgend belang of vanuit het belang voor de verdere rechtsontwikkeling. Uit de civiele prejudiciële procedure is bijvoorbeeld een geval bekend dat de partijen inmiddels hadden geschikt, maar de rechtbank de Hoge Raad heeft bericht dat de beantwoording van de vraag relevant was voor meerdere procedures (ECLI:NL:HR:2016:1087). Er worden geen nadere criteria gesteld aan deze bepaling. Hierdoor wordt de nodige ruimte gelaten aan de Hoge Raad om zelf, op basis van de voorliggende omstandigheden, tot een passende beslissing te komen.”
(Kamerstukken II 2020/21, 35869, nr. 3, p. 32-36, 38.)
2.6
De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913 enkele inleidende opmerkingen gemaakt over prejudiciële vragen aan de strafkamer van de Hoge Raad. Deze opmerkingen houden onder meer in:
“A. Prejudiciële vragen door de rechter aan de strafkamer van de Hoge Raad (3.2)
3.2
In alle procedures die zijn voorzien in het Wetboek van Strafvordering kunnen prejudiciële vragen worden gesteld aan de strafkamer van de Hoge Raad. Van de (discretionaire) bevoegdheid tot het stellen van prejudiciële vragen kan gebruik worden gemaakt als de rechter van oordeel is dat in het in artikel 553 lid 1 Sv genoemde geval een antwoord op de prejudiciële vraag nodig is om te kunnen beslissen. (...)
B. Wat is een prejudiciële vraag? (3.3.1-3.3.2)
3.3.1
Een prejudiciële vraag als bedoeld in artikel 553 lid 1 Sv is een rechtsvraag die aan de Hoge Raad kan worden gesteld als het antwoord op die vraag ‘nodig is om te beslissen’ in de betreffende procedure en dat antwoord bovendien een ‘zaaksoverstijgend belang’ heeft en daarom in beginsel voor meerdere strafzaken relevant is. Het gaat dus om een afgebakende en ondubbelzinnige vraag over een kwestie die zowel voor de beslissing in de betreffende procedure als voor de rechtsontwikkeling van belang is. (...)
C. De relevante feitelijke en juridische context (3.4.1-3.4.2)
3.4.1
De door de rechter gestelde prejudiciële vraag vormt de grondslag voor de prejudiciële procedure. De Hoge Raad moet daarom kunnen beschikken over de gegevens die nodig zijn om het zaaksoverstijgend belang van het antwoord op de prejudiciële vraag te kunnen bepalen en om te beoordelen of het antwoord op de vraag nodig is voor de rechter om te kunnen beslissen in de betreffende procedure. Die gegevens zijn ook van belang om dat antwoord voortvarend te kunnen geven. De rechter beschrijft derhalve waarom het antwoord op de vraag nodig is om te beslissen, en hij licht het zaaksoverstijgend belang van dat antwoord toe. Op grond van artikel 553 lid 3 Sv vermeldt de rechter ook de ‘relevante feitelijke en juridische context’. Hoe die context moet worden omschreven, hangt samen met de aard van de problematiek die als prejudiciële vraag aan de Hoge Raad wordt voorgelegd. Daarbij kan in gevallen waarin het gaat om de uitleg van een wettelijk delictsbestanddeel bijvoorbeeld worden gedacht aan een weergave of samenvatting van de tenlastelegging als (hypothetische) feitelijke basis en aan de standpunten die de procespartijen (voorlopig) hebben ingenomen over de vraag of het tenlastegelegde feit kan worden bewezenverklaard. In gevallen waarin het gaat om de toepassing van het strafprocesrecht kan worden gedacht aan onder meer – naast een weergave van de tenlastelegging – een overzicht van de relevante processuele activiteiten die in de zaak zijn verricht en aan (een beknopt overzicht van) de op die activiteiten toepasselijke wets- en verdragsbepalingen en rechtspraak.Het komt er dus telkens op neer dat de rechter, met inachtneming van wat onder 3.3.2 is overwogen, een zo concreet en compleet mogelijke (voorlopige) feitenvaststelling aan zijn prejudiciële vraag ten grondslag legt. Het is die feitenvaststelling die door de Hoge Raad tot uitgangspunt wordt genomen bij de beantwoording van de prejudiciële vraag. Die feitenvaststelling kan daarom door de betrokken procespartijen in hun op grond van artikel 554 Sv te maken opmerkingen in beginsel niet meer ter discussie worden gesteld. Die opmerkingen moeten zijn gericht op de beantwoording van de prejudiciële vraag in het licht van de door de rechter vastgestelde feitelijke context. De beantwoording van die vraag door de Hoge Raad kan in de betreffende strafzaak vervolgens aanleiding geven tot een nadere feitenvaststelling door de rechter.Tot de omschrijving van de feitelijke en juridische context moet ook worden gerekend een uiteenzetting van de redenen die de rechter ertoe hebben gebracht om prejudiciële vragen te stellen. Het kan nuttig zijn dat de rechter in de beslissing waarbij de prejudiciële vraag wordt gesteld, vermeldt hoe het (voorlopig) antwoord of de verschillende (voorlopige) antwoorden op die vraag volgens hem zou(den) moeten luiden. In dat verband ligt het ook in de rede dat de rechter de consequenties voor de rechtspraktijk schetst van de mogelijke antwoorden op de prejudiciële vraag.
(...)
D. Afzien van beantwoording en binding van de Hoge Raad aan de prejudiciële vraag (3.5)
3.5
De prejudiciële vraag vormt de grondslag voor de door de Hoge Raad te nemen beslissing, waarbij opmerking verdient dat de Hoge Raad niet strikt gebonden is aan de bewoordingen van de voorgelegde vraag. Op grond van artikel 555 lid 2 Sv ziet de Hoge Raad af van beantwoording van de door de rechter gestelde vraag als hij oordeelt dat de vraag zich niet voor beantwoording door een prejudiciële beslissing leent. De Hoge Raad kan tot dat oordeel komen omdat de vraag te veel is verweven met de feiten van de zaak, onvoldoende verband heeft met de zaak of omdat het gaat om een vraag die al door de Hoge Raad is beantwoord of waarop het antwoord al zonder meer duidelijk is. Verder kan de Hoge Raad afzien van beantwoording van de vraag als hij oordeelt dat de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen. De Hoge Raad kan zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot het oordeel dat zich één van deze gevallen voordoet.
E. Consequenties voor de voortgang van de betreffende procedure (3.6)
3.6
De rechter is niet verplicht om de behandeling van de betreffende procedure te schorsen totdat het antwoord op de prejudiciële vraag van de Hoge Raad is ontvangen. In de wetsgeschiedenis is in dit verband naar voren gebracht dat de zittingsrechter bijvoorbeeld deskundigen en getuigen kan horen, nader onderzoek kan gelasten of een descente kan houden. Wel kan de rechter pas beslissen over het punt waarover hij prejudiciële vragen heeft gesteld nadat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan en de betrokken procespartijen in de gelegenheid zijn gesteld zich over de uitspraak uit te laten. Vanwege het zaaksoverstijgend belang van de prejudiciële vraag is in de wetsgeschiedenis verder onder ogen gezien dat in andere zaken waarin dezelfde rechtsvraag aan de orde is, de rechter ook de mogelijkheid heeft de verdere behandeling te schorsen totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. Het is aan die rechter om daarover een beslissing te nemen in het licht van de belangen die in de betreffende zaak aan de orde zijn. Op grond van artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt de verjaring geschorst door de ‘schorsing van de strafvervolging ter zake van een prejudicieel geschil’. Die schorsing van de verjaring geldt alleen voor de zaak waarin de prejudiciële vraag is gesteld en niet ook in andere zaken waarin de verdere behandeling is geschorst totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan op de prejudiciële vraag.”
Beoordeling
2.7.1
Het wettelijke systeem van prejudiciële vragen in strafzaken, zoals dat is neergelegd in de Eerste afdeling van Titel X van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering, biedt de rechter de mogelijkheid om aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen over een kwestie die van belang is zowel voor de beslissing die de rechter in de betreffende procedure moet nemen als voor de rechtsontwikkeling. Hoewel de rechter niet verplicht is de behandeling van de betreffende procedure te schorsen totdat het antwoord op de prejudiciële vraag van de Hoge Raad is ontvangen, kan hij pas beslissen over het punt waarover hij prejudiciële vragen heeft gesteld, nadat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan en de betrokken procespartijen in de gelegenheid zijn gesteld zich over de uitspraak uit te laten. Hieruit volgt dat de rechter in beginsel alleen dan de mogelijkheid heeft om een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen, als op dat moment het antwoord van de Hoge Raad nodig is voor de door de rechter te nemen beslissing over de kwestie waarop de gestelde prejudiciële vraag betrekking heeft.
2.7.2
Artikel 555 lid 3 Sv maakt het mogelijk dat, als het antwoord op de vraag – nadat deze is gesteld – niet meer nodig is voor de beslissing van de rechter, de Hoge Raad die vraag toch beantwoordt. Uit de onder 2.5 weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat in deze mogelijkheid is voorzien met het oog op gevallen waarin, nadat de prejudiciële vraag is gesteld, zich een omstandigheid voordoet waardoor de rechter ook zonder beantwoording van de prejudiciële vraag tot een uitspraak kan komen, bijvoorbeeld als het gaat om een gewijzigde proceshouding van de verdachte of als de verdachte is overleden. In zo’n geval ligt het in de rede dat de rechter aan de Hoge Raad kenbaar maakt dat beantwoording van de vraag niet meer nodig is. De Hoge Raad kan echter ook in zo’n geval de vraag beantwoorden, als hem dat met het oog op de rechtsontwikkeling geraden voorkomt.
2.8.1
Als uitgangspunt geldt dus dat de Hoge Raad alleen kan overgaan tot beantwoording van een prejudiciële vraag als op het moment dat de rechter die vraag stelt, het antwoord van de Hoge Raad van belang is voor de door de rechter – na die beantwoording door de Hoge Raad – te nemen beslissing over de kwestie waarop de gestelde prejudiciële vraag betrekking heeft. Onder bijzondere omstandigheden kan echter van dit uitgangspunt worden afgeweken. Daarvoor is het volgende van belang.
2.8.2
Prejudiciële vragen kunnen worden gesteld in alle procedures die zijn voorzien in het Wetboek van Strafvordering. De wettelijke regeling van beantwoording van prejudiciële vragen is daarmee ook van toepassing op strafvorderlijke procedures waarvoor naar hun aard geldt dat de rechter op korte termijn moet beslissen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om procedures die verband houden met de voorlopige hechtenis. Ook de voorliggende zaak vormt hiervan een illustratie, nu het gaat om de beoordeling van, kort gezegd, een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf, terwijl de rechter-commissaris al de voorlopige tenuitvoerlegging heeft gelast. In zo’n geval gaat het tegen onder meer de belangen van de veroordeelde in als de rechter wacht met zijn beslissing op de vordering totdat de Hoge Raad de gestelde prejudiciële vraag heeft beantwoord en de betrokken procespartijen in de gelegenheid zijn gesteld zich over die uitspraak van de Hoge Raad uit te laten. Ook in zo’n geval kan echter een antwoord van de Hoge Raad op de gestelde prejudiciële vraag in het belang van de rechtsontwikkeling wenselijk zijn, bijvoorbeeld omdat het gaat om een in de strafrechtspraktijk veelvoorkomende vraag die door rechters verschillend wordt beantwoord, terwijl (gewoon) cassatieberoep in die zaken niet openstaat.
2.8.3
Zoals de procureur-generaal in zijn conclusie onder 10 heeft opgemerkt, heeft de wetgever uitdrukkelijk willen afzien van de mogelijkheid van het stellen van hypothetische dan wel extrajudiciële vragen. Die beperking van de prejudiciële procedure ziet echter niet op gevallen waarin een rechter een prejudiciële vraag met een zaaksoverstijgend belang stelt aan de Hoge Raad, waarbij die vraag op zichzelf van belang is voor de door de rechter te nemen beslissing, maar het voor de rechter vanwege de aard van de betreffende strafvorderlijke procedure en de daarin op het spel staande belangen niet goed mogelijk is de beantwoording van de vraag af te wachten. In zo’n geval is de Hoge Raad niet verplicht tot beantwoording van de vraag. Maar de onder 2.4 weergegeven bepalingen staan er niet aan in de weg dat de Hoge Raad – in lijn met de bedoeling van de wetgever die aan de regeling van artikel 555 lid 3 Sv ten grondslag ligt – beslist om de vraag wel te beantwoorden als hem dat geraden voorkomt met het oog op de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid, en gelet op het bijzondere gewicht van de vraag in het licht van de belangen van de strafrechtspraktijk.Nu in zo’n geval met de beantwoording van de prejudiciële vraag wordt afgeweken van het onder 2.8.1 bedoelde uitgangspunt, is temeer van belang dat uit de beslissing van de rechter waarin de prejudiciële vraag wordt gesteld, blijkt dat is voldaan aan alle overige eisen die de wet stelt en die door de Hoge Raad in zijn beslissing van 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, in rechtsoverweging 3.4.1, zijn besproken.
2.8.4
In dit kader is verder van belang dat ook in een cassatieprocedure in het belang van de wet vragen aan de orde kunnen worden gesteld waarvan de beantwoording door de Hoge Raad is gewenst in het belang van de rechtsontwikkeling of de rechtseenheid. Het voordeel van een vordering van de procureur-generaal tot cassatie in het belang van de wet is dat in die vordering een rechtsvraag veelal in een bredere context dan alleen die van een specifieke strafrechtelijke procedure kan worden geformuleerd en besproken. Als in zo’n geval de procureur-generaal een vordering tot cassatie in het belang van de wet instelt over hetzelfde onderwerp als waarop een gestelde prejudiciële vraag betrekking heeft of aankondigt dat zo’n vordering zal worden ingesteld, zal de Hoge Raad afzien van de beantwoording van de prejudiciële vraag.
2.9
De procureur-generaal heeft kenbaar gemaakt dat hij het voornemen heeft om een vordering tot cassatie in het belang van de wet in stellen, waarbij die vordering betrekking heeft op de vraag die in deze prejudiciële procedure is opgeworpen. De Hoge Raad ziet daarom af van beantwoording van de gestelde prejudiciële vraag.
3. Beslissing
De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de gestelde prejudiciële vraag.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, A.E.M. Röttgering, M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025.
Beroepschrift 26‑11‑2024
SCHRIFTELIJKE OPMERKINGEN BIJ PREJUDICIELE VRAAG
Prejudiciële vraag gesteld in de zaak:
Naam: [veroordeelde]
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum: donderdag 3 oktober 2024
Parketnummer(s): 02-287679-20
Inleiding
Op 3 oktober 2024 heeft de politierechter bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een prejudiciële vraag geformuleerd over de uitleg van artikel 6:6:21 lid 7 Sv. De vraag is op 17 oktober 2024 voorgelegd aan de Hoge Raad. De vraag luidt:
‘Dient bij toewijzing van een vordering tenuitvoerlegging de aftrek van de dagen die betrokkene heeft vastgezeten in verband met een toegewezen vordering voorlopige tenuitvoerlegging te worden gerekend vanaf de datum van aanhouding of vanaf de datum beslissing rechter-commissaris op de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging?’
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden heeft op 12 november 2024 een conclusie uitgebracht over de vraag of de gestelde prejudiciële vraag zich leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing door de Hoge Raad. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot het afzien van beantwoording van de door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant gestelde vraag.
Het openbaar ministerie is op 13 november in de gelegenheid gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken over de door de rechter gestelde rechtsvraag. Ook is de mogelijkheid geboden te reageren op de conclusie van de procureur-generaal.
Beantwoording van prejudiciële vragen
De procureur-generaal komt tot de conclusie dat de gestelde prejudiciële vraag zich niet leent voor beantwoording door de Hoge Raad, omdat de rechtbank het antwoord niet nodig heeft voor een beslissing in de zaak. Deze eis wordt in artikel 555 lid 1 Sv wel gesteld aan de prejudiciële vraag. In de voorliggende zaak heeft de politierechter na het formuleren van de prejudiciële vraag op het onderzoek ter terechtzitting, na sluiting van deze zitting uitspraak gedaan en daarbij zelf een antwoord gegeven op de gestelde vraag. Daarmee heeft de rechter het antwoord niet meer nodig voor het nemen van beslissingen. Het openbaar ministerie is daarmee met de procureur-generaal van mening dat de gestelde prejudiciële vraag zich in beginsel niet leent voor beantwoording door de Hoge Raad.
In artikel 555 lid 3 staat dat de Hoge Raad de prejudiciële vraag ook kan beantwoorden als het antwoord niet meer nodig is voor de beslissing van de rechter. Het openbaar ministerie onderschrijft de conclusie van de procureur-generaal dat artikel 555 lid 3 Sv ziet op omstandigheden die zich voordoen nadat de rechter de prejudiciële vraag heeft gesteld en heeft voorgelegd aan de Hoge Raad. Een andere opvatting zou het stelsel van rechtsmiddelen onwenselijk doorkruizen.
Gezien de bovenstaande redenen ziet het openbaar ministerie af van het maken van inhoudelijke opmerkingen inzake de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant gestelde prejudiciële vragen.
Breda, 26 november 2024
mr. M.H.G. Verstraeten, plaatsvervangend officier van justitie
Conclusie 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie P-G. Prejudiciële vraag over uitleg art. 6:6:21 lid 7 Sv (aftrek ondergane vrijheidsbeneming bij toewijzing vordering tul). Overwegingen over vereiste dat beantwoording van de vraag “nodig is om te beslissen” (art. 553 lid 1 Sv) en de mogelijkheid om vraag toch te beantwoorden ondanks het feit dat antwoord niet meer nodig is voor beslissing van de rechter (art. 555 lid 3 Sv). Conclusie strekt ertoe af te zien van beantwoording, aangezien politierechter reeds heeft beslist op vordering tul en art. 555 lid 3 Sv toepassing mist.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03852 PJV
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[veroordeelde],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de veroordeelde
1. De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op de zitting van 3 oktober 2024 een prejudiciële vraag geformuleerd over de uitleg van art. 6:6:21 lid 7 Sv. Op 17 oktober 2024 heeft de politierechter de Hoge Raad verzocht de prejudiciële vraag in behandeling te nemen. De vraag luidt als volgt:
“Dient bij toewijzing van een vordering tenuitvoerlegging de aftrek van de dagen die betrokkene heeft vastgezeten in verband met een toegewezen vordering voorlopige tenuitvoerlegging te worden gerekend vanaf de datum van aanhouding of vanaf de datum beslissing rechter-commissaris op de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging?”
2. De Hoge Raad heeft de procureur-generaal in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, zoals voorzien in art. 554 lid 1 Sv en art. 4.4.5.1 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden.
3. Bij de beoordeling of de prejudiciële vraag zich leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, gelden materiële voorwaarden (art. 553 lid 1 Sv). Het dient te gaan om i) een rechtsvraag, ii) waarvan de beantwoording nodig is om te beslissen en iii) waaraan de beantwoording daarvan een bijzonder gewicht kan worden toegekend, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang. Het gaat dus om een afgebakende en ondubbelzinnige vraag over een kwestie die zowel voor de beslissing in de desbetreffende procedure als voor de rechtsontwikkeling van belang is.1.Daarnaast gelden processuele voorwaarden. De betrokken procespartijen moeten in de gelegenheid zijn gesteld een standpunt in te nemen over het voornemen om een prejudiciële vraag te stellen en over de inhoud van de te stellen vraag. Tevens dient de beslissing waarbij de vraag wordt gesteld de relevante feitelijke en juridische context te vermelden, evenals de standpunten ingenomen door de betrokken procespartijen. Tot slot dient de beslissing een motivering te bevatten waaruit volgt dat is voldaan aan de materiële eisen van art. 553 lid 1 Sv. De Hoge Raad moet kunnen beschikken over de gegevens die nodig zijn om het zaaksoverstijgend belang van het antwoord op de prejudiciële vraag te kunnen bepalen en om te beoordelen of het antwoord op de vraag nodig is voor de rechter om te kunnen beslissen in de desbetreffende procedure.2.
4. Het verloop van deze procedure wijkt af van de procedure die de wetgever bij het stellen van een prejudiciële vraag voor ogen heeft gestaan. De rechter kan de Hoge Raad (slechts) rechtsvragen stellen waarvan het antwoord nodig is voor de beslissing in de concrete zaak. Daaruit volgt dat het stellen van de vraag voorafgaat aan de desbetreffende beslissing in de zaak. De term ‘prejudiciële’ is in dit verband veelzeggend. De politierechter heeft in de onderhavige zaak echter op dezelfde zitting als die waarop de prejudiciële vraag in het vooruitzicht is gesteld, beslist op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling. Bij die beslissing heeft de politierechter zelf antwoord gegeven op de op een later moment aan de Hoge Raad voorgelegde rechtsvraag. Hij heeft bij zijn beslissing tot uitgangspunt genomen dat de dagen vanaf het moment dat de veroordeelde is aangehouden in verband met de overtreding van de bijzondere voorwaarde bij de aftrek in aanmerking moeten worden genomen.
5. In het licht van het voorgaande, is niet voldaan aan het in art. 553 lid 1 Sv neergelegde vereiste dat de beantwoording van de vraag nodig is om te beslissen. Er is immers al beslist op de vordering van de officier van justitie.
6. Voor de volledigheid wijs ik op het volgende. De wet voorziet in een mogelijkheid om antwoord te geven op een prejudiciële vraag ondanks het feit dat het antwoord niet meer nodig is voor de beslissing van de rechter. In art. 555 lid 3 Sv is bepaald dat “[i]ndien het antwoord op de vraag, nadat deze is gesteld, niet meer nodig is voor de beslissing van de rechter (…) de Hoge Raad, indien hem dat geraden voorkomt, de vraag desondanks kan beantwoorden.” In de wetsgeschiedenis is hierover opgemerkt dat beantwoording van de vraag wenselijk kan zijn “vanwege het vereiste zaaksoverstijgende belang of vanuit het belang voor de verdere rechtsontwikkeling.”3.De wetgever heeft afgezien van het stellen van nadere voorwaarden, zodat de nodige ruimte aan de Hoge Raad wordt gelaten om tot een passende invulling te komen. Gewezen wordt op een voorbeeld in een civielrechtelijke zaak, waarin de Hoge Raad toepassing gaf aan de civiele pendant van art. 555 lid 3 Sv (art. 393 lid 9 Rv) nadat partijen tot een schikking waren gekomen.
7. Tot op heden zijn door de civiele kamer vier prejudiciële beslissingen genomen waar art. 393 lid 9 Sv aan de orde is gesteld, omdat partijen – nadat de prejudiciële vragen waren gesteld – een minnelijke schikking hadden getroffen. In twee zaken zag de Hoge Raad geen aanleiding om de vragen alsnog te beantwoorden op de voet van art. 393 lid 9 Rv4.en in de andere twee zaken ging de Hoge Raad wel tot beantwoording over.5.In twee van de vier beslissingen werd gemotiveerd waarom art. 393 lid 9 Sv wel of niet werd toegepast. In de beslissing van 12 april 2019, waarin niet werd overgegaan tot beantwoording, waren de vragen gelijkluidend aan vragen die waren gesteld in een andere zaak. In de beslissing van 3 juni 2016, waarin de vragen wel werden beantwoord, achtte de Hoge Raad het in “het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling” dat de vragen werden beantwoord. In alle vier de beslissingen ging het om een schikking die tot stand was gekomen nadat prejudiciële vragen werden gesteld.
8. Ook het fiscale recht kent een regeling vergelijkbaar met art. 555 lid 3 Sv en art. 393 lid 9 Rv. In art. 27gc lid 9 AWR is opgenomen dat indien het antwoord op de prejudiciële vraag, nadat deze is gesteld, niet meer nodig is om in de procedure te beslissen, de Hoge Raad de vraag desondanks kan beantwoorden indien hem dat geraden voorkomt. Deze bepaling is eenmaal aan de orde geweest in een fiscale prejudiciële procedure. In de zaak die ten grondslag lag aan de beslissing van 4 december 2020 had de belanghebbende de bij de rechtbank ingestelde beroepen ingetrokken, zodat aan de procedure een einde was gekomen.6.De Hoge Raad zag af van beantwoording op de voet van art. 27gc lid 9 AWR “vanwege de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1674”, waarin de gestelde vraag reeds was beantwoord.
9. Uit het systeem, de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van de wet leid ik af dat art. 555 lid 3 Sv ziet op een omstandigheid die zich heeft voorgedaan nadat de prejudiciële vragen zijn gesteld. Zoals opgemerkt, opent de wet de mogelijkheid van prejudiciële vragen, die naar hun aard voorafgaan aan de beslissing in die procedure waarop de rechtsvraag betrekking heeft. In art. 553 lid 3 Sv, en overigens ook in de civiele (art. 393 lid 9 Rv) en fiscale (art. 27gc lid 9 AWR) regeling, is de zinsnede “nadat deze is gesteld” opgenomen. Deze bewoordingen impliceren dat de reden waarom de beantwoording van de vragen niet meer nodig is voor het nemen van een beslissing, zich moet hebben voorgedaan nadat de rechter de prejudiciële vragen heeft gesteld. Ook de voorbeelden die zijn gegeven in de memorie van toelichting bij art. 393 lid 9 Rv lijken daarop te duiden.7.
10. Het voorgaande brengt mee dat de door de politierechter gestelde vraag zich niet leent voor beantwoording in de prejudiciële procedure. Bij een andere uitleg zou de deur open worden gezet naar hypothetische dan wel extrajudiciële vragen, waar de wetgever uitdrukkelijk van heeft willen afzien.8.Los van deze zaak, zou in een andere benadering ook de verhouding van de prejudiciële procedure tot het stelsel van rechtsmiddelen onder druk komen te staan. Dat stelsel biedt partijen de gelegenheid om in voorkomende gevallen rechterlijke beslissingen en daaraan ten grondslag liggende rechtsopvattingen aan te vechten, terwijl de prejudiciële procedure juist aan het beantwoorden van die beslissingen voorafgaat.
11. Voor de volledigheid merk ik nog op dat in het proces-verbaal van de zitting van 3 oktober 2024 niet wordt gemotiveerd waarom met de vraag een zaaksoverstijgend belang is gemoeid. De politierechter overweegt slechts dat “hier in den lande verschillend (…) wordt omgegaan” met de aftrek als bedoeld in art. 6:6:21 lid 7 Sv. Daarbij merk ik nog op dat uit beslissingen op een vordering tot tenuitvoerlegging veelal niet valt af te leiden op welke wijze de aftrek als bedoeld in art. 6:6:21 lid 7 Sv is berekend. De vraag of is voldaan aan de motiveringsplicht uit art. 553 lid 3 Sv kan echter buiten beschouwing blijven, omdat de beantwoording van de prejudiciële vraag niet nodig is voor de beslissing van de rechter en daarmee niet is voldaan aan de voorwaarde van art. 553 lid 1 Sv, terwijl het bepaalde in art. 555 lid 3 Sv toepassing mist.
12. Hoewel het invoelbaar is dat de politierechter in de onderhavige zaak in het licht van de in het geding zijnde belangen de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging niet heeft willen aanhouden in afwachting van een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, is de prejudiciële procedure niet bedoeld voor zaken waarin reeds is beslist. Een procedure die wel uitkomst kan bieden voor rechtsvragen in reeds afgesloten zaken, is cassatie in het belang der wet (art. 456 Sv). De beslissing of een vordering tot cassatie in het belang der wet wordt ingesteld, is aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Ik zal mij naar aanleiding van de door de politierechter aangekaarte rechtsvraag oriënteren op de vraag of een vordering tot cassatie in het belang der wet aangewezen is.
13. Deze conclusie strekt tot het afzien van beantwoording van de door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant gestelde vraag.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑11‑2024
HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, NJ 2023/279, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.4.1 en 3.7.
HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2017, NJ 2016/393; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:591, NJ 2019/163.
HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:269, NJ 2021/98 m.nt. D.W.F. Verkade; HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, NJ 2018/56 m.nt. H.J. Snijders.
HR 4 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1945, BNB 2021/15.
Kamerstukken II 2010/11, 32 612, nr. 3, p. 20-21. In de wetsgeschiedenis bij de fiscale regeling (Kamerstukken II 2015/16, 34 305) worden geen voorbeelden genoemd.