Einde inhoudsopgave
De kredietwaardigheidstoets bij kredietverlening aan consumenten (R&P nr. FR19) 2020/5.2.6.4
5.2.6.4 Stap 2: beoordeling
Mr. dr. J.M. Meindertsma, datum 01-06-2020
- Datum
01-06-2020
- Auteur
Mr. dr. J.M. Meindertsma
- JCDI
JCDI:ADS210023:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
De kredietgever mag dergelijke grenzen natuurlijk zelf wel invoeren. Zie art. 11.6.7 G MCOB.
FSA 2011, p. 22. Om dezelfde reden is niet gekozen voor algemene LTV- en LTI-grenzen. Zie FSA 2011, p. 55 e.v. Overigens gelden er bij bepaalde kredieten wel LTI-grenzen. Deze grenzen zijn hoofdzakelijk gericht op de stabiliteit van de financiële markten. Zie FCA februari 2017.
Art. 11.6.34 R MCOB.
FSA 2012, p. 22.
Art. 11.6.14 R MCOB. Wat betreft de eventuele rentestijgingen, bevat de MCOB bepalingen die laten zien van welke (fictieve) stijging de kredietgever wanneer moet uitgaan. Zie art. 11.6.18 R MCOB e.v.
Art. 11.6.15 (2) G MCOB.
Zie de volgende paragraaf.
Art. 11.6.13 (3) G MCOB.
De kredietgever moet aannemelijk kunnen maken dat de consument naar verwachting beschikt over voldoende vrij besteedbaar inkomen om te kunnen voldoen aan de beoogde terugbetaalplichten. Er zijn geen grenzen gesteld aan de terugbetaalperiodes.1 Het maakt in beginsel dus niet uit hoe vaak de consument zijn maandelijkse betaalcapaciteit moet aanspreken voor de terugbetaling van het betreffende krediet. Zo heeft een voorstel van de toezichthouder om uit te gaan van een maximale terugbetaalperiode van 25 jaar het niet gehaald vanwege de verwachte nadelige effecten daarvan op de krediettoegang van bepaalde consumenten:
“We share many respondents’ concerns about the impact our proposal to assess affordability on a maximum term of 25 years would have on younger borrowers, particularly first-time buyers, many of whom are already struggling to get on the property ladder.”2
In beginsel mag de kredietgever de kredietwaardigheid niet afstemmen op het vermogen van de consument. Een uitzondering is gemaakt voor een high net worth individual.3 Dit is een consument met een netto-inkomen van minimaal £300.000 dan wel met een vermogen van ten minste £3.000.000. Deze zeer vermogende consumenten worden geacht minder risico’s te lopen als het op financieel vlak tegenzit:
“While they still ultimately face the loss of their home, they are more likely to have access to a range of professional advisers, and will have more options available to them in the event that they experience financial difficulties – for example, by downsizing rather than becoming homeless.”4
Omdat de gevolgen van het ultieme terugbetaaloffer – het verlies van de woning – dus meevallen, lijkt de regelgever het in beginsel niet bezwaarlijk te vinden dat de kredietwaardigheid wordt afgestemd op het vermogen van de consument. Als de consument zijn vermogen later echt niet (meer) wil opofferen voor de terugbetaling van het krediet, dan kan hij altijd nog besluiten de betreffende woning te verkopen en te verhuizen naar een minder dure woning.
De kredietgever moet voorts, bij alle kredietaanvragen, waakzaam zijn voor signalen die wijzen op een negatieve verandering van de betaalcapaciteit. In voorkomend geval moet de kredietgever onderzoeken in hoeverre de terugbetaalplichten in dat scenario betaalbaar blijven.5 Dit betekent echter niet dat de kredietgever altijd even precies moet weten hoeveel de consument na een bepaalde gebeurtenis gaat verdienen:
“(..) The closer the customer is to retiring, the more robust the evidence of the level of income in retirement should be. For example, where retirement is many years in the future, it may be sufficient merely to confirm the existence of some pension provision for the customer by requesting evidence such as a pension statement; where the customer is close to retirement, the more robust steps may involve considering expected pension income from a pension statement.”6
Als de consument naar verwachting (pas) in een concreet voorzienbaar scenario beschikt over onvoldoende inkomen, ligt het voor de hand dat de kredietgever hem aanmerkt als niet-kredietwaardig. Dit betekent dat de kredietgever het krediet in beginsel niet mag verstrekken.7 Niettemin is het, gelet op de nadruk van de MCOB op de betaalbaarheid van de periodieke terugbetaalplichten, aannemelijk dat het krediet (alsnog) mag worden verstrekt mits er verantwoorde maatregelen zijn getroffen die ervoor zorgen dat het krediet ook in dat scenario betaalbaar blijft. Denk bijvoorbeeld aan een afspraak over een tijdelijke verlaging van de maandlasten.
Tot slot mag de kredietgever onder omstandigheden rekening houden met positieve veranderingen van de betaalcapaciteit van de consument. Zo wordt in de MCOB de situatie besproken waarin de consument in de nabije toekomst een bestaand krediet volledig heeft afgelost.8 Volgens de leennormen moet de kredietgever in dat geval een common sense benadering aanhouden als het gaat om de vraag of, en zo ja hoe er met deze lasten rekening wordt gehouden. Uit dit voorbeeld volgt dus dat de kredietwaardigheid mede kan worden afgestemd op de omvang van de betaalcapaciteit in de periode nadat het positieve scenario heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd lijkt het in zekere mate toelaatbaar dat de consument in de periode daarvoor terugbetaaloffers moet maken die, strikt genomen, onacceptabel zijn. De kredietgever lijkt immers niet te hoeven garanderen dat de (beoogde) terugbetaalplichten betaalbaar zijn in de gehele periode dat de consument nog te maken heeft met de lasten van het bijna afgeloste krediet.