RFR 2026/38
Erfrecht. Is voor de benutting van termijnen, bedoeld in art. 4:127 BW, art. 4:216 BW en art. 4:220 lid 3 BW vereist dat binnen die termijnen een eis in rechte wordt ingesteld?
HR 14-11-2025, ECLI:NL:HR:2025:1687
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14 november 2025
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons
- Zaaknummer
24/03526
- Conclusie
A-G mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:BSD51703:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verzekeringsrecht (V)
Erfrecht (V)
Personen- en familierecht / Relatievermogensrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1687, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑11‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:935, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑09‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑09‑2024
- Wetingang
Essentie
Erfrecht.
Vermindering van begunstiging sommenverzekering. Is voor de benutting van termijnen, bedoeld in art. 4:127 BW, art. 4:216 BW en art. 4:220 lid 3 BW vereist dat binnen die termijnen een eis in rechte wordt ingesteld? Naar welk moment moet worden beoordeeld of de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering moet worden aangemerkt als een gift?
Samenvatting
Verzoekster in cassatie (hierna: “ex-echtgenote”) is tot 2008 gehuwd geweest met erflater. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. De ex-echtgenote en erflater hebben bij de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap bepaald dat aan erflater ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.