Rechtbank Limburg 12 oktober 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:7988.
HR, 14-11-2025, nr. 24/03526
ECLI:NL:HR:2025:1687
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-11-2025
- Zaaknummer
24/03526
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verzekeringsrecht (V)
Erfrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1687, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:935
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2396
ECLI:NL:PHR:2025:935, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1687
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑09‑2024
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/636
JERF Actueel 2025/463
ERF-Updates.nl 2025-0622
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0622
NJ 2026/101 met annotatie van S. Perrick
JERF Actueel 2025/411
ERF-Updates.nl 2025-0530
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0530
Uitspraak 14‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Vermogensrecht. Erfrecht. Vermindering van begunstiging bij sommenverzekering (art. 4:120 lid 4; art. 4:126 lid 2, aanhef en onder b, BW; art. 4:127 BW). Belang bij klachten in cassatie. Is voor benutting van termijnen, bedoeld in art. 4:127 BW, art. 4:216 BW en art. 4:220 lid 3 BW, vereist dat binnen termijn eis in rechte wordt ingesteld? Betekenis van art. 4:128 BW. Naar welk moment moet worden beoordeeld of aanwijzing van begunstigde bij sommenverzekering wordt aangemerkt als gift? Art. 7:186 lid 2 BW; art. 7:188 lid 1 BW.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03526
Datum 14 november 2025
ARREST
In de zaak van
[de ex-echtgenote],
wonende te [woonplaats], België,
EISERES tot cassatie,
hierna: [de ex-echtgenote],
advocaat: J.C. Zevenberg, aanvankelijk K. Aantjes,
tegen
1. [vereffenaar 1], in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [de erflater],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [vereffenaar 1],
advocaat: A.C. de Bakker,
2. [vereffenaar 2], in haar hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [de erflater],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [vereffenaar 2],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/03/289474/HA ZA 21-128 van de rechtbank Limburg van 12 oktober 2022;
b. de arresten in de zaak 200.321.716/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 mei 2023 en 23 juli 2024.
[de ex-echtgenote] heeft tegen het arrest van het hof van 23 juli 2024 beroep in cassatie ingesteld.[vereffenaar 1] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
Tegen [vereffenaar 2] is verstek verleend.De zaak is voor [vereffenaar 1] toegelicht door zijn advocaat.De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot verwerping van het cassatieberoep.De advocaat van [de ex-echtgenote] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [de ex-echtgenote] is van 1997 tot 2008 gehuwd geweest met [de erflater] (hierna: de erflater). Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.
(ii) [de ex-echtgenote] en de erflater hebben bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bepaald dat aan de erflater is toebedeeld een polis van levensverzekering (hierna: de levensverzekering), afgesloten bij ABN AMRO Levensverzekeringen N.V. (hierna: ABN AMRO).
(iii) De erflater is op 24 december 2016 overleden. Hij had niet bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt, zodat de kinderen zijn erfgenamen zijn. [de ex-echtgenote] heeft als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen de nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving.
(iv) [de ex-echtgenote] heeft een notariskantoor opdracht gegeven de nalatenschap af te wikkelen.
(v) ABN AMRO heeft in mei 2017 het notariskantoor bericht dat [de ex-echtgenote] medeverzekeringnemer van de levensverzekering is en dat zij daarom eerste begunstigde is.
(vi) ABN AMRO heeft in september 2017 [de ex-echtgenote] bericht dat zij zal overgaan tot uitkering van de levensverzekering voor een bedrag van € 79.411,54. [de ex-echtgenote] heeft dit bedrag in september 2017 op haar bankrekening ontvangen.
(vii) Het notariskantoor heeft [de ex-echtgenote] in januari 2018 gesommeerd het door ABN AMRO uitgekeerde bedrag over te maken naar de derdengeldenrekening van het notariskantoor, omdat de nalatenschap een negatief saldo heeft en met dit bedrag schulden van de nalatenschap voldaan kunnen worden. [de ex-echtgenote] heeft niet aan die sommatie voldaan.
(viii) De rechtbank Limburg heeft in juli 2019 [vereffenaar 1] en [vereffenaar 2] (hierna: de vereffenaars) als vereffenaars benoemd.
(ix) [de ex-echtgenote] heeft in december 2019 de vereffenaars laten weten dat zij ervan uitging dat de ontvangen uitkering op grond van de levensverzekering aan haar toekwam en dat zij een deel van het geld heeft opgemaakt.
(x) De vereffenaars hebben in februari 2021 in rechte van [de ex-echtgenote] betaling van de ontvangen uitkering gevorderd.
2.2
De vereffenaars vorderen [de ex-echtgenote] te veroordelen om € 85.910,55, althans € 86.446,18 te betalen.
2.3
De rechtbank heeft de vordering afgewezen.1.
2.4
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en [de ex-echtgenote] veroordeeld om aan de vereffenaars € 51.054,11 te betalen.2.Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen.
De vereffenaars hebben het primair gevorderde bedrag gebaseerd op art. 4:216 BW. Volgens de vereffenaars moet de uitkering uit levensverzekering worden gekwalificeerd als een quasi-legaat (gift). De vereffenaars vorderen dit bedrag omdat de nalatenschap volgens hen negatief is. (rov. 6.4.1)
De vereffenaars hebben het subsidiair gevorderde bedrag gebaseerd op art. 6:212 BW. Volgens de vereffenaars is [de ex-echtgenote] verrijkt en was dat ongerechtvaardigd, omdat de levensverzekering bij echtscheidingsconvenant was toegedeeld aan de erflater. (rov. 6.4.2)
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vordering van de vereffenaars moet worden afgewezen omdat de in art. 4:216 BW genoemde termijn moet worden gezien als een vervaltermijn, waardoor het vorderingsrecht van rechtswege is vervallen. De vereffenaars hebben [de ex-echtgenote] wel gesommeerd om te betalen, maar een vervaltermijn kan niet worden gestuit of verlengd. Zij zijn te laat gaan procederen. (rov. 6.6.1)
Het hof is van oordeel dat het verstrijken van de in art. 4:127 laatste zin BW en art. 4:216 eerste zin BW genoemde termijn niet tot gevolg heeft dat de bevoegdheid van de vereffenaars om een rechtsvordering in te stellen is vervallen. Uit deze bepalingen, in onderling verband beschouwd en tegen de achtergrond van de andere bepalingen in boek 4 BW, volgt dat de vereffenaars een handeling moeten verrichten om het vorderingsrecht te doen ontstaan. Het hof verstaat deze bepalingen zo, dat binnen drie jaar aanspraak moet worden gemaakt op de vermindering (en dat is in dit geval gebeurd) en dat, wanneer dat niet binnen drie jaar is gebeurd, die bevoegdheid daarna niet meer kan worden uitgeoefend. Wanneer de daartoe bevoegde constateert dat vermindering nodig is om de schulden van de nalatenschap te voldoen, zal daartoe eerst een verklaring moeten worden uitgebracht van een daartoe bevoegde (art. 4:120 lid 4 BW), in dit geval de vereffenaars, en daarmee ontstaat een vorderingsrecht. Daarop ziet de desbetreffende termijn. (rov. 6.6.3)
Volgens [de ex-echtgenote] kan de uitkering uit de levensverzekering niet worden gekwalificeerd als een gift, omdat de levensverzekering is gesloten toen zij nog met de erflater was gehuwd en omdat de levensverzekering was bedoeld om ervoor te zorgen dat er financiële middelen waren om te voorzien in de behoeften van haar en de kinderen. (rov. 6.8.3)
De vraag of sprake is geweest van een gift moet worden beoordeeld naar het moment van overlijden van de erflater, omdat dit volgt uit art. 7:188 lid 1 BW (‘is aanvaard of kan worden aanvaard’) in samenhang met art. 7:186 lid 2 tweede zin BW. Tot het moment van overlijden van de erflater ging het slechts om een verwachting en had de erflater nog de mogelijkheid de begunstiging te wijzigen. Uit de aard van deze verzekering (uitkering bij overlijden) volgt dat de begunstiging pas kan worden aanvaard na het overlijden van de erflater. Het hof verwerpt de in rov. 6.8.3 genoemde verweren, omdat zij uitgaan van eerdere tijdstippen dan het overlijden van de erflater. (rov. 6.8.4)
Een volledige toewijzing van het gevorderde bedrag op grond van ongerechtvaardigde verrijking zou leiden tot een ongewenste doorkruising van het bepaalde in art. 4:127 BW. Het resultaat van de beoordeling op de subsidiaire grondslag (ongerechtvaardigde verrijking) is niet anders is dan op basis van de primaire grondslag (art. 4:216 BW). (rov. 6.9.1)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel I van het middel klaagt onder meer dat het hof in rov. 6.6.3 miskent dat art. 4:216 BW (ook in onderling verband bezien met art. 4:120 lid 4 BW en art. 4:127 BW en de overige bepalingen van Boek 4 BW) geen andere uitleg toelaat dan dat een door de rechter benoemde vereffenaar hetgeen uit de nalatenschap aan een legataris is uitgekeerd, binnen drie jaar na ontvangst van die uitkering in rechte kan terugvorderen en dat als hij dat niet binnen deze termijn heeft gedaan, dit recht van rechtswege vervalt.
Onderdeel II klaagt dat rov. 6.8.4 onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat de vraag of sprake is van een gift niet moet worden beoordeeld naar het moment van overlijden, maar naar het moment van aangaan van de levensverzekering, dan wel het moment dat de polis aan de erflater is toebedeeld. De gift ligt besloten in de aanwijzing van de begunstigde als zodanig en de uitkering zelf is geen gift, aldus het onderdeel.
3.2
Het middel is gericht tegen de gedeeltelijke toewijzing van de vordering op de primaire grondslag en bevat verder in onderdeel III een voortbouwklacht. Het hof heeft in rov. 6.9.1 overwogen dat een volledige toewijzing van de vordering op grond van de subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking zou leiden tot een ongewenste doorkruising van art. 4:127 BW. Daaraan heeft het toegevoegd dat het overigens van oordeel is dat het resultaat van de beoordeling op de subsidiaire grondslag niet anders is dan op de primaire grondslag, waarna het in rov. 6.9.2-6.9.4 een inhoudelijk oordeel over de verrijking van [de ex-echtgenote] heeft gegeven. Laatstgenoemd oordeel kan de beslissing van het hof zelfstandig dragen. Het middel bevat tegen dit oordeel geen klachten. Weliswaar is de voortbouwklacht van het middel mede gericht tegen rov. 6.9.2-6.9.4, maar die overwegingen bevatten een eigen inhoudelijk oordeel en bouwen niet voort op de door het middel met inhoudelijke klachten bestreden rov. 6.6.3 en 6.8.4. Het middel kan daarom bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
3.3.1
De Hoge Raad ziet aanleiding naar aanleiding van onderdeel I ten overvloede het volgende te overwegen.
3.3.2
Het gaat in deze zaak om de vermindering van een begunstiging bij een sommenverzekering. Voor de vermindering van een legaat bepaalt art. 4:120 lid 4, eerste zin, BW dat deze geschiedt door een verklaring aan de legataris. Omdat in dit verband als legaat eveneens wordt aangemerkt een begunstiging bij een sommenverzekering, voor zover de uitkering die door het overlijden van de verzekeringnemer verschuldigd wordt, als een gift geldt (art. 4:126 lid 1 in verbinding met lid 2, aanhef en onder b, BW), geschiedt de vermindering van een zodanige begunstiging door een verklaring aan de begunstigde.
3.3.3
Voor de gevolgen van de vermindering van een begunstiging bij een sommenverzekering bevat art. 4:127 BW een eigen regeling, in plaats van de algemene regeling voor legaten in art. 4:120 lid 4, tweede zin, BW.3.Ook bevat art. 4:127 BW een termijn waarbinnen de vermindering van een begunstiging bij een sommenverzekering – door het afleggen van een verklaring op de voet van art. 4:120 lid 4, eerste zin, BW (zie hiervoor in 3.3.2) – moet plaatsvinden.
3.3.4
Een termijn van drie jaar voor vermindering zoals genoemd in art. 4:127 BW, komt overeen met de termijnen voor terugvordering en verhaal als genoemd in art. 4:216 BW en art. 4:220 lid 3 BW, waarnaar wordt verwezen in art. 4:120 lid 4, tweede zin, BW. Noch de tekst noch de wetsgeschiedenis van art. 4:120 BW, art. 4:127 BW, art. 4:216 BW en art. 4:220 lid 3 BW bevat enige aanwijzing voor de gedachte dat deze termijnen vergen dat binnen drie jaar door het instellen van een eis in rechte aanspraak wordt gemaakt op het bedrag van de vermindering, de terugvordering of het verhaal.4.
3.3.5
Gegeven dat voor de gevolgen van inkorting of vermindering van een begunstiging bij een sommenverzekering een eigen regeling is getroffen in art. 4:127 BW, moet worden aangenomen dat is beoogd om in art. 4:128 BW een nadere uitwerking te geven aan de gevallen, bedoeld in art. 4:126 lid 2, onder a en c, BW, en dat de verwijzing in art. 4:128 BW naar art. 4:126 lid 2, onder b, BW op een misslag berust.5.
3.4.1
Met betrekking tot onderdeel II overweegt de Hoge Raad ten overvloede het volgende.
3.4.2
Het onderdeel betreft de vraag naar welk moment moet worden beoordeeld of de aanwijzing van een begunstigde bij een levensverzekering wordt aangemerkt als een gift. Het hof heeft geoordeeld dat deze beoordeling moet geschieden naar het moment van overlijden van de erflater.
Volgens de eerste zin van art. 7:186 lid 2 BW wordt als gift aangemerkt iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. De tweede zin van deze bepaling voegt daaraan toe dat een dergelijke handeling niet wordt beschouwd als gift zolang degene tot wiens verrijking deze strekt, de prestatie niet heeft ontvangen, noch daarop aanspraak kan maken. Hierop sluit aan dat, zoals art. 7:188 lid 1 BW bepaalt, de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering, wanneer zij is aanvaard of kan worden aanvaard, wordt aangemerkt als een gift, tenzij zij geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan een uit schenking.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een handeling, om als gift te kunnen worden gekwalificeerd, niet slechts de strekking van verrijking dient te hebben, maar ook dient te zijn uitgevoerd of te hebben geleid tot een mogelijkheid voor de begunstigde om aanspraak te maken op de met de gift gemoeide prestatie. Met betrekking tot levensverzekering is in dit verband opgemerkt dat het gebruikelijk is dat een derde die als begunstigde is aangewezen, de aanwijzing tijdens het leven van de verzekeringnemer niet kan aanvaarden zonder diens toestemming. Zolang de verzekeringnemer alle touwtjes nog in handen houdt, strekt de aanwijzing van de begunstigde volgens de wetsgeschiedenis nog niet tot diens verrijking; zodra echter de begunstigde tot aanvaarding kan overgaan, verkrijgt de aanwijzing alsnog de bedoelde strekking.6.
3.4.3
De regel dat nog geen sprake kan zijn van een gift zolang de begunstigde nog geen aanspraak heeft op de prestatie en daarop ook nog geen aanspraak kan maken, betekent niet dat – anders dan het hof (in rov. 6.8.4) kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen – de beoordeling of de handeling strekt tot verrijking van een ander (zoals bedoeld in art. 7:186 lid 2 BW), respectievelijk de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan een uit schenking (zoals bedoeld in art. 7:188 lid 1 BW), moet geschieden naar het moment van overlijden van de erflater. Deze beoordeling moet geschieden met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden, ook voor zover die zich hebben voorgedaan vóór het tijdstip waarop de begunstigde aanspraak heeft of kan maken op de prestatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [de ex-echtgenote] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [vereffenaar 1] begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, en aan de zijde van [vereffenaar 2] op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 14 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑11‑2025
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2396.
Kamerstukken II 1997/98, 17141, nr. 26, p. 6 en 21-22 (Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, p. 2012), en Kamerstukken II 1998/99, 17213, nr. 4, p. 4 en 16.
Vgl. Kamerstukken II 1981/82, 17141, nr. 3, p. 55 (Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, p. 1955) en Kamerstukken II 1997/98, 17141, nr. 26, p. 21 (Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, p. 2012).
Vgl. Kamerstukken II 2000/01, 17213, nr. 7, p. 6, en Kamerstukken II 2004/05, 30137, nr. 3, p. 3.
Conclusie 05‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Uitleg van vervaltermijn in art. 4:216 BW. Peilmoment voor beoordeling gift (art. 7:188 BW) i.v.m. vermindering van uitkering (art. 4:120 lid 2 jo. art. 4:126 lid 2 sub b BW).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03526
Zitting 5 september 2025
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[eiseres] ,
eiseres tot cassatie,
hierna: [eiseres]
tegen
1. [vereffenaar 1] ,
2. [vereffenaar 2] ,
in hun hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflater] ,
verweerders in cassatie,
hierna: [vereffenaar 1] en [vereffenaar 2] , en tezamen: de vereffenaars
1.Inleiding
1.1 In deze zaak vorderen de vereffenaars dat de voormalige echtgenote van de erflater wordt veroordeeld tot terugbetaling aan de nalatenschap van het bedrag dat zij als begunstigde van een levensverzekering uitgekeerd heeft gekregen. Anders dan de rechtbank heeft het hof deze vordering (gedeeltelijk) toegewezen. In cassatie rijst de vraag naar de uitleg van de vervaltermijn van drie jaar in art. 4:216 BW. Vereist deze bepaling dat de vereffenaars binnen drie jaar een rechtsvordering tot terugbetaling van de uitkering hebben ingesteld of is het voldoende dat de vereffenaars binnen drie jaar (buiten rechte) aanspraak hebben gemaakt op terugbetaling van de uitkering? Verder rijst de vraag naar het peilmoment voor de beoordeling of sprake is van een gift in de zin van art. 7:188 BW in verband met vermindering van de uitkering op grond van art. 4:120 lid 2 jo. art. 4:126 lid 2 sub b BW.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1.
2.2
[eiseres] is van 31 mei 1997 tot 18 maart 2008 in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [erflater] (hierna: de erflater). Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. [eiseres] en de erflater hebben bij echtscheidingsconvenant van 7 december 2007 de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap geregeld. In het convenant is onder meer bepaald dat aan de erflater is toebedeeld de polis van de levensverzekering met nummer 46962827 afgesloten bij ABN AMRO Levensverzekeringen N.V. (hierna: de levensverzekering).
2.3
De erflater is op 24 december 2016 overleden. Hij had niet bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt. [eiseres] heeft als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen de nalatenschap van de erflater aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.
2.4
[eiseres] heeft Metis notarissen opdracht gegeven de nalatenschap af te wikkelen.
2.5
ABN AMRO heeft bij brief van 31 mei 2017 Metis notarissen bericht dat [eiseres] medeverzekeringnemer van de levensverzekering is en dat zij daarom eerste begunstigde is.
2.6
ABN AMRO heeft bij brief van 27 september 2017 [eiseres] bericht dat zij zal overgaan tot uitkering van de levensverzekering voor een bedrag van € 79.411,54. [eiseres] heeft dit bedrag op 28 september 2017 op haar bankrekening ontvangen.
2.7
Metis notarissen heeft bij brief van 11 januari 2018 [eiseres] gesommeerd het door ABN AMRO uitgekeerde bedrag over te maken naar de derdengeldrekening van het notariskantoor, omdat de nalatenschap een negatief saldo heeft en met dit bedrag schulden van de nalatenschap voldaan kunnen worden. [eiseres] heeft niet aan die sommatie voldaan.
2.8
Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 2 juli 2019 zijn de vereffenaars benoemd.
2.9
De (toenmalige) advocaat van [eiseres] heeft bij e-mail van 6 december 2019 de vereffenaars bericht dat [eiseres] ervan uitging dat de ontvangen uitkering op grond van de levensverzekering aan haar toekwam en dat zij een deel van het geld heeft opgemaakt.
2.10
De vereffenaars hebben bij e-mail van 9 december 2019 [eiseres] gesommeerd het nog beschikbare bedrag van de uitkering op grond van de levensverzekering per omgaande over te maken naar de derdengeldrekening van de vereffenaars.
2.11
De vereffenaars hebben bij aangetekende brieven van 12 december 2019 en 8 februari 2021 [eiseres] gesommeerd het volledig uitgekeerde bedrag op grond van de levensverzekering (plus rente en kosten) te betalen.
2.12
De vereffenaars hebben bij inleidende dagvaarding van 26 februari 2021 gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling van € 85.910,55, althans van € 86.446,18, vermeerderd met de wettelijke rente. [eiseres] heeft verweer gevoerd.
2.13
Bij vonnis van 12 oktober 2022 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, de vordering van de vereffenaars afgewezen.
2.14
De vereffenaars zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [eiseres] heeft verweer gevoerd.
2.15
Bij arrest van 23 juli 2024 heeft het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch het vonnis van 12 oktober 2022 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiseres] veroordeeld om € 51.054,11 aan de vereffenaars te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.
2.16
[eiseres] is tijdig in cassatie gekomen van het arrest van 23 juli 2024 (hierna: het bestreden arrest). [vereffenaar 1] heeft geconcludeerd tot verwerping. [vereffenaar 2] is in cassatie niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. [vereffenaar 1] heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht, gevolgd door repliek van [eiseres] .
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Alvorens het cassatiemiddel te bespreken, merk ik het volgende op. In hoger beroep hebben de vereffenaars hun vordering jegens [eiseres] gebaseerd op primair art. 4:216 BW (terugvordering quasi-legaat), subsidiair art. 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking) en meer subsidiair art. 6:162 BW (onrechtmatige daad).2.De gevorderde hoofdsom bedraagt € 79.411,54, vermeerderd met een wettelijke vertragingsrente van € 4.929,89 (primaire grondslag), althans € 5.465,52 (subsidiaire en meer subsidiaire grondslag) en met buitengerechtelijke kosten van € 1.569,12. Hiermee komt het totaal van het gevorderde bedrag op de primaire grondslag uit op (€ 79.411,54 + € 4.929,89 + € 1.569,12 =) € 85.910,55 en op de subsidiaire en meer subsidiaire grondslag op (€ 79.411,54 + € 5.465,52 + € 1.569,12 =) € 86.446,18.3.
3.2
In het bestreden arrest heeft het hof de vordering op de primaire grondslag toegewezen tot een bedrag van € 51.054,11 (rov. 6.8.1 t/m 6.8.11). Omdat een deel van de vordering op de primaire grondslag is afgewezen, heeft het hof de vordering vervolgens beoordeeld op de subsidiaire en meer subsidiaire grondslag (rov. 6.8.14). Over de subsidiaire grondslag overweegt het hof in rov. 6.9.1: ‘Het hof is van oordeel dat een volledige toewijzing van het gevorderde bedrag op grond van ongerechtvaardigde verrijking, zou leiden tot een ongewenste doorkruising van hetgeen in artikel 4:127 BW is bepaald. Het hof is overigens van oordeel dat het resultaat van de beoordeling op de subsidiaire grondslag, niet anders is dan op basis van de primaire grondslag.’ In rov. 6.9.2 en 6.9.3 motiveert het hof dit oordeel om vervolgens in rov. 6.9.4 tot de volgende conclusie te komen: ‘(…) De subsidiaire grondslag leidt dus tot hetzelfde resultaat als de primaire grondslag.’ De vordering op de meer subsidiaire grondslag heeft het hof verworpen (rov. 6.10.2) evenals de gevorderde buitengerechtelijke kosten (rov. 6.11). Het hof heeft de wettelijke rente, volgens de vereffenaars verschuldigd vanaf 1 oktober 2017, althans 25 januari 2018,4.toegewezen vanaf 22 februari 2021 (rov. 6.12).
3.3
Het cassatiemiddel komt uitsluitend op tegen de toewijzing door het hof van een deel van het gevorderde bedrag op de primaire grondslag (rov. 6.8.1 t/m 6.8.11). Het middel bevat geen klacht over het oordeel van het hof met betrekking tot de subsidiaire grondslag van de vordering (rov. 6.9.1 t/m 6.9.4). Het middel bevat als zodanig ook geen klacht met betrekking tot de hoogte van het bedrag (€ 51.054,11) dat [eiseres] moet betalen aan de vereffenaars. Als ik het goed zie, ontbreekt het [eiseres] dan ook aan belang in cassatie. Ook als een of meer klachten tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de vordering op de primaire grondslag zouden slagen, zal dat [eiseres] niet kunnen baten. De toewijzing van de vordering van de vereffenaars tot een bedrag van € 51.054,11 wordt immers zelfstandig gedragen door het in cassatie onbestreden oordeel van het hof over de subsidiaire grondslag van de vordering (rov. 6.9.4). Dit brengt mij tot de conclusie dat het cassatieberoep zal moeten falen bij gebrek aan belang. In verband met de rechtsontwikkeling zie ik niettemin aanleiding om de klachten van het cassatiemiddel te bespreken.
3.4
In deze zaak vorderen de vereffenaars op verschillende grondslagen dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling aan de vereffenaars van het bedrag dat haar op grond van de levensverzekering is uitgekeerd. In cassatie gaat het uitsluitend om de primaire grondslag, art. 4:216 BW, waarop de vereffenaars hun vordering hebben gebaseerd.5.Volgens de vereffenaars moet de uitkering die [eiseres] heeft ontvangen op grond van de levensverzekering worden gekwalificeerd als een gift in de zin van art. 7:188 BW die op grond van art. 4:120 lid 2 jo. art. 4:126 lid 2 sub b BW voor vermindering in aanmerking komt. De vereffenaars vorderen dit bedrag van [eiseres] omdat de nalatenschap van de erflater negatief zou zijn. Volgens [eiseres] staat de vervaltermijn van drie jaar in art. 4:216 BW in de weg aan toewijzing van deze vordering.6.In het vonnis van 12 oktober 2022 overweegt de rechtbank hierover:
‘4.2 Tussen partijen staat ter discussie of de uitkering van € 79.411,54 moet worden aangemerkt als quasi-legaat en of deze gelet op het tijdsverloop nog voor vermindering in aanmerking kan komen. Artikel 4:127 laatste zin BW bepaalt dat een begunstiging slechts kan worden verminderd binnen drie jaar nadat de begunstigde de prestatie heeft ontvangen.
4.3
De rechtbank is van oordeel dat zelfs als de uitkering van de levensverzekering aan [eiseres] moet worden aangemerkt als quasi-legaat, het primair gevorderde moet worden afgewezen gelet op het bepaalde in artikel 4:126 BW jo. 4:128 BW jo. 4:216 BW. Na uitkering kan de door de rechtbank benoemde vereffenaar binnen een termijn van drie jaar tot terugvordering overgaan van het uitgekeerde bedrag voor zover dat nodig is om schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met g BW te voldoen.
4.4
[eiseres] heeft op 28 september 2017 de uitkering van € 79.411,54 ontvangen en de door de rechtbank benoemde vereffenaar heeft eerst op 26 februari 2021 via het uitbrengen van de dagvaarding de uitkering in rechte teruggevorderd. Dat is niet binnen de vervaltermijn van artikel 4:216 BW. Doordat de vereffenaar deze vervaltermijn onbenut heeft laten verstrijken, is een eventueel vorderingsrecht van rechtswege vervallen. De omstandigheid dat de vereffenaar binnen de vervaltermijn van drie jaar [eiseres] herhaaldelijk buiten rechte schriftelijk heeft gesommeerd tot terugbetaling van de ontvangen [uitkering, A-G], leidt niet tot een ander oordeel. Een vervaltermijn immers kan niet gestuit of verlengd worden.
4.5
Evenmin is voldoende gesteld door de vereffenaar om het betoog dat het beroep van [eiseres] op de vervaltermijn van artikel 4:216 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, te kunnen honoreren. [eiseres] heeft telkens betwist dat zij tot terugbetaling van de uitkering gehouden zou zijn. Volgens haar was de uitkering uit de levensverzekering geen gift, maar diende deze ter nakoming van een natuurlijke verbintenis van erflater en is de uitkering ten goede gekomen aan het levensonderhoud van de kinderen (artikel 4:69 lid 1 onder a BW). De vereffenaar heeft na benoeming voldoende tijd gehad om [eiseres] in rechte te betrekken.
4.6
De slotsom moet derhalve zijn dat de primaire vordering door de vereffenaar te laat is ingesteld en deze daarom moet worden afgewezen.’
3.5
In hoger beroep hebben de vereffenaars gegriefd tegen deze uitleg van art. 4:216 BW.7.In het bestreden arrest overweegt het hof hierover:
‘6.6.1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vordering van de vereffenaars moet worden afgewezen omdat, kort gezegd, de in artikel 4:216 BW genoemde termijn moet worden gezien als een vervaltermijn waardoor het vorderingsrecht van rechtswege is vervallen. De vereffenaars hebben [eiseres] wel gesommeerd om te betalen, maar een vervaltermijn kan niet worden gestuit of verlengd. Zij zijn te laat gaan procederen.
6.6.2.
Grief 1 heeft betrekking op de vraag wat de betekenis is van de termijn die wordt genoemd in artikel 4:127 BW laatste zin en in artikel 4:216 BW eerste zin.
Artikel 4:127 BW laatste zin luidt als volgt:
Een begunstiging als bedoeld in de eerste zin kan slechts worden ingekort of verminderd binnen drie jaar nadat de begunstigde de prestatie heeft ontvangen.
Artikel 4:216 BW eerste zin luidt als volgt:
Een door de rechter benoemde vereffenaar kan hetgeen uit de nalatenschap aan een legataris is uitgekeerd, binnen drie jaar daarna terugvorderen, voor zover dit nodig is om schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met g te voldoen.
6.6.3.
Het hof is van oordeel dat het verstrijken van de in deze bepalingen genoemde termijn niet tot gevolg heeft dat de bevoegdheid van de vereffenaars om een rechtsvordering in te stellen is vervallen. Het hof is van oordeel dat uit deze bepalingen, in onderling verband beschouwd en tegen de achtergrond van de andere bepalingen in boek 4 BW, volgt dat de vereffenaars een handeling moeten verrichten om het vorderingsrecht te doen ontstaan. Het hof verstaat deze bepalingen zo, dat binnen drie jaar aanspraak moet worden gemaakt op de vermindering (en dat is in dit geval gebeurd) en dat, wanneer dat niet binnen drie jaar is gebeurd, die bevoegdheid daarna niet meer kan worden uitgeoefend. Het hof komt tot dit oordeel, omdat de vermindering als bedoeld in artikel 4:127 BW niet van rechtswege plaatsvindt, maar afhankelijk is van de vraag of de nalatenschap al dan niet toereikend is en of de begunstiging moet worden beschouwd als een gift. Dat zal eerst moeten worden onderzocht. Wanneer de daartoe bevoegde constateert dat vermindering nodig is om de schulden van de nalatenschap te voldoen, zal daartoe eerst een verklaring moeten worden uitgebracht van een daartoe bevoegde (artikel 4:120 lid 4 BW), in dit geval de vereffenaars, en daarmee ontstaat een vorderingsrecht. Daarop ziet de betreffende termijn. Het hof is dus van oordeel dat grief 1 slaagt.’
3.6
Volgens onderdeel I van het cassatiemiddel heeft het hof in rov. 6.6.3 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de vervaltermijn van drie jaar in art. 4:216 BW. Het middel zet dit als volgt uiteen. Art. 4:216 BW vereist dat de door de rechter benoemde vereffenaar binnen drie jaar nadat een uitkering uit de nalatenschap aan een legataris is gedaan, een rechtsvordering instelt om deze uitkering terug te vorderen voor zover dit nodig is om de in art. 4:7 lid 1 onder a t/m g BW bedoelde schulden te voldoen. Indien een rechtsvordering binnen deze termijn uitblijft, vervalt het terugvorderingsrecht van rechtswege. In deze zaak is de vervaltermijn gaan lopen op 27 september 2017, de datum van de uitkering aan [eiseres] op grond van de levensverzekering. Ten tijde van de inleidende dagvaarding van 26 februari 2021 was de termijn voor het instellen van een rechtsvordering op grond van art. 4:216 BW reeds vervallen. Verder is het onbegrijpelijk dat het hof aan zijn beslissing in rov. 6.6.3 ten grondslag heeft gelegd dat eerst moet worden onderzocht of de nalatenschap al dan niet toereikend is en of de begunstiging moet worden beschouwd als een gift.
3.7
Bij de bespreking van deze klacht stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 4:120 lid 1 BW worden schulden van de nalatenschap uit een legaat (een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan een of meer personen een vorderingsrecht toekent, art. 4:117 lid 1 BW) slechts ten laste van de nalatenschap voldaan, indien alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle kunnen worden voldaan. Voor zover de nalatenschap niet toereikend is om de schulden uit legaten te voldoen uit de erfdelen van de erfgenamen op wie zij rusten, worden zij verminderd (art. 4:120 lid 2 BW). Vermindering geschiedt door een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen of, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig art. 4:13 BW, de echtgenoot van de erflater. Voor zover de prestatie reeds is verricht, blijft de rechtsgrond daarvoor in stand, behoudens de mogelijkheid van terugvordering en verhaal zoals bedoeld in art. 4:216 en 4:220 lid 3 BW (art. 4:120 lid 4 BW).
3.8
Op grond van art. 4:126 lid 1 BW wordt een schenking of gift, voor zover deze de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker of gever wordt uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker of gever is uitgevoerd, voor de toepassing van hetgeen in Boek 4 BW is bepaald betreffende inkorting en vermindering, aangemerkt als een legaat ten laste van de gezamenlijke erfgenamen (quasi-legaat).8.Deze regeling is van overeenkomstige toepassing op een begunstiging bij een sommenverzekering, voor zover de uitkering die door het overlijden van de verzekeringnemer verschuldigd wordt, als een gift geldt (art. 4:126 lid 2 onder b BW).9.Volgens art. 7:188 lid 1 BW wordt de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering die is of kan worden aanvaard, aangemerkt als een gift, tenzij zij geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan uit een schenking.10.
3.9
Indien een quasi-legaat bestaat uit een begunstiging bij een levensverzekering, betaalt de verzekeraar het bedrag van de uitkering rechtstreeks aan de begunstigde; dit bedrag maakt geen deel uit van de nalatenschap.11.Indien de vermindering betrekking heeft op een begunstiging bij een levensverzekering, is het bepaalde in art. 4:127 BW van belang:
‘Betreft de inkorting of de vermindering een begunstiging bij een sommenverzekering (…), dan heeft zij tot gevolg dat de begunstigde verplicht is tot vergoeding van de waarde van het ingekorte of in mindering komende gedeelte aan de gezamenlijke erfgenamen, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is. Indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, is de in de eerste zin bedoelde vergoeding verschuldigd aan de echtgenoot van de erflater. Een begunstiging als bedoeld in de eerste zin kan slechts worden ingekort of verminderd binnen drie jaar nadat de begunstigde de prestatie heeft ontvangen.’
3.10
De begunstiging bij een levensverzekering (een species van een sommenverzekering, art. 7:975 BW) kan dus worden verminderd binnen drie jaar nadat de begunstigde de uitkering op grond van de levensverzekering heeft ontvangen. Het gaat om een vervaltermijn van drie jaar die, zo volgt uit de wetsgeschiedenis, is gebaseerd op art. 4:216 BW.12.Dit artikel luidt als volgt:
‘Een door de rechter benoemde vereffenaar kan hetgeen uit de nalatenschap aan een legataris is uitgekeerd, binnen drie jaar daarna terugvorderen, voor zover dit nodig is om schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met g te voldoen. Artikel 122 lid 1 is van overeenkomstige toepassing.’
3.11
Art. 4:128 BW bepaalt, voor zover van belang, dat hetgeen met betrekking tot legatarissen is bepaald in art. 4:216 BW van overeenkomstige toepassing is op degenen die zijn bevoordeeld door een handeling als bedoeld in art. 4:126 lid 1 BW, alsmede, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is, door een handeling als bedoeld in art. 4:126 lid 2 onder b BW.13.
3.12
Onderdeel I van het middel vraagt om een uitleg van de vervaltermijn van drie jaar in art. 4:216 BW. Moet deze termijn zo worden uitgelegd dat de vereffenaar die een uitgekeerd quasi-legaat, bestaande uit de begunstiging bij een levensverzekering, wil verminderen, binnen drie jaar na deze uitkering een rechtsvordering tot terugbetaling van het uitgekeerde bedrag moet instellen, op straffe van verval van deze bevoegdheid? (de uitleg van de rechtbank) Of is het voor de toepassing van art. 4:216 BW voldoende dat de vereffenaar binnen drie jaar na de uitkering op grond van een levensverzekering buiten rechte aanspraak maakt op vermindering en terugbetaling van deze uitkering? (de uitleg van het hof)
3.13
Anders dan voor verjaringstermijnen (art. 3:306 e.v. BW), bevat de wet geen algemene regeling voor vervaltermijnen. Vervaltermijnen lopen in aard uiteen; zij kunnen allerlei in karakter verschillende bevoegdheden betreffen, maar ook betrekking hebben op een vordering, die na het verstrijken van de termijn ophoudt te bestaan.14.Zo kan een vervaltermijn betrekking hebben op een bevoegdheid, bijvoorbeeld de bevoegdheid om een rechtsvordering in te stellen.15.Indien binnen de voorgeschreven termijn geen gebruik is gemaakt van de verleende bevoegdheid, leidt dat tot verval van die bevoegdheid (om een rechtsvordering in te stellen). Art. 4:38 lid 4 BW geeft hiervan een voorbeeld: het recht om een verzoek om overdracht van ondernemingsgoederen aan de kantonrechter te doen zoals bedoeld in art. 4:38 lid 1 en 2 BW, vervalt na verloop van een jaar na het overlijden van de erflater. Een ander voorbeeld is te vinden in art. 4:90 lid 3 BW: de bevoegdheid van een legitimaris tot inkorting van een gift vervalt na verloop van een hem daarvoor door de begiftigde gestelde redelijke termijn en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater.
3.14
Een vervaltermijn kan ook betrekking hebben op een bepaalde handeling die de schuldeiser moet verrichten om zijn vorderingsrecht veilig te stellen. Indien de schuldeiser de vereiste handeling niet heeft verricht binnen de voorgeschreven termijn, vervalt zijn recht.16.Art. 4:37 lid 1 BW geeft hiervan een voorbeeld: de mogelijkheid om aanspraak te maken op een som ineens zoals bedoeld in art. 4:35 en 36 BW vervalt, indien de rechthebbende niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk negen maanden na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij de som ineens wenst te ontvangen. Een ander voorbeeld is te vinden in art. 4:85 lid 1 BW: de mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt, indien de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen.
3.15
Tot deze laatste categorie behoort ook de vervaltermijn in art. 4:127, derde volzin, BW (‘Een begunstiging als bedoeld in de eerste zin kan slechts worden ingekort of verminderd binnen drie jaar nadat de begunstigde de prestatie heeft ontvangen.’). Dit artikel regelt, voor zover van belang, de vermindering van een quasi-legaat bestaande uit een begunstiging bij een sommenverzekering. Hoewel dat minder expliciet in de wettekst tot uitdrukking wordt gebracht dan in art. 4:37 lid 1 en art. 4:85 lid 1 BW, kan uit art. 4:127 BW worden afgeleid dat de daarin genoemde vervaltermijn van drie jaar betrekking heeft op de, voor zover van belang, in art. 4:120 lid 4 BW genoemde handeling (een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen of, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig art. 4:13 BW, de echtgenoot van de erflater) om gebruik te kunnen maken van de bevoegdheid tot vermindering.17.
3.16
Hoe moet de vervaltermijn van drie jaar in art. 4:216 BW worden geduid? De tekst van art. 4:216 BW (‘Een door de rechter benoemde vereffenaar kan hetgeen uit de nalatenschap aan een legataris is uitgekeerd, binnen drie jaar daarna terugvorderen, voor zover …’) geeft hierover geen uitsluitsel; het gebruik van het werkwoord ‘terugvorderen’ zegt in dit verband niet veel.18.In het artikel wordt niet gesproken van een ‘rechtsvordering’, zoals in art. 4:31 lid 3-4, 4:37 lid 3, 4:54 lid 1, 4:124 en 4:138 lid 1 BW, of van ‘een beroep in rechte’, zoals in art. 4:33 lid 4 BW. Ook bevat het artikel geen verwijzing naar ‘de kantonrechter’, zoals in art. 4:15 lid 1, 4:26 lid 1, 4:38 lid 1 en 4:74 lid 3 BW. De parlementaire geschiedenis van art. 4:216 BW geeft evenmin duidelijkheid over de ratio van de vervaltermijn in deze bepaling.19.
3.17
Naar mijn mening pleiten de volgende argumenten voor een ruime uitleg van art. 4:216 BW waarbij de vervaltermijn betrekking heeft op het veiligstellen van het recht van de vereffenaar om een als quasi-legaat te kwalificeren uitkering uit de nalatenschap aan de legataris binnen drie jaar na de uitkering terug te vorderen door hierop buiten rechte aanspraak te maken, en niet voor een beperkte uitleg van art. 4:216 BW waarbij de vervaltermijn van drie jaar betrekking heeft op de bevoegdheid van de vereffenaar om een rechtsvordering in te stellen tot terugbetaling van hetgeen uit de nalatenschap aan de legataris is uitgekeerd.
3.18
Een eerste argument kan worden ontleend aan de vervaltermijn in art. 4:127 BW; deze vervaltermijn heeft betrekking op het veiligstellen van een bevoegdheid.20.Zoals hiervoor vermeld, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de vervaltermijn van drie jaar in art. 4:127 BW is gebaseerd op de in art. 4:216 BW gestelde termijn voor het terugvorderen van een uitgekeerd legaat.21.Nu in de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 4:216 BW een aanwijzing voor het tegendeel ontbreekt, kan worden aangenomen dat de wetgever bij het modelleren van de vervaltermijn in art. 4:127 BW aan die in art. 4:216 BW voor ogen heeft gehad om een vervaltermijn in het leven te roepen die ziet op het veiligstellen van een recht en niet op de bevoegdheid tot het instellen van een rechtsvordering.
3.19
Een tweede argument kan worden ontleend aan het met art. 4:216 BW beoogde doel om de belangen te beschermen van de schuldeisers van de nalatenschap ter voldoening van de in art. 4:7 lid 1 onder a t/m g BW genoemde schulden. Het belang van de legataris die een uitkering uit de nalatenschap heeft ontvangen zal moeten wijken voor de belangen van hoger geplaatste schuldeisers, wanneer de nalatenschap onvoldoende verhaal biedt voor deze schuldeisers.22.In zoverre komt deze bepaling overeen met art. 4:220 lid 3 BW: schuldeisers die niet voldaan zijn, hebben een recht van verhaal tegen legatarissen, voor zover deze een uitkering hebben ontvangen en niet voldoende goederen voor verhaal aanwijzen. Het recht van verhaal tegen een legataris vervalt drie jaren na het verbindend worden van de uitdelingslijst, volgens welke de uitkering aan hem is geschied. Deze vervaltermijn ziet op de uitoefening van een bevoegdheid buiten rechte. Nu beide artikelen de belangen van schuldeisers beogen te beschermen, kan voor de uitleg van de vervaltermijn in art. 4:216 BW aansluiting worden gezocht bij art. 4:220 lid 3 BW.
3.20
Aan de eis van rechtszekerheid – de partijen die betrokken zijn bij een nalatenschap hebben belang bij een voortvarende afwikkeling van de nalatenschap en mogen niet te lang in onzekerheid verkeren over hun rechten en verplichtingen in het kader van de erfopvolging – kan in dit verband geen tegenargument worden ontleend. Aan de eis van rechtszekerheid wordt namelijk (voldoende) tegemoetgekomen wanneer de begunstigde binnen een termijn van drie jaar na de ontvangen uitkering weet of de vereffenaar al dan niet aanspraak maakt op vermindering van de uitkering.
3.21
Gelet op het voorgaande meen ik dat het hof in rov. 6.6.3 van het bestreden arrest terecht heeft overwogen dat uit art. 4:127 en art. 4:216 BW volgt ‘dat de vereffenaars een handeling moeten verrichten om het vorderingsrecht te doen ontstaan’ en dat deze bepalingen zo moeten worden verstaan ‘dat binnen drie jaar aanspraak moet worden gemaakt op de vermindering (en dat is in dit geval gebeurd) en dat, wanneer dat niet binnen drie jaar is gebeurd, die bevoegdheid daarna niet meer kan worden uitgeoefend’. Het hof heeft terecht overwogen dat de termijn van drie jaar in art. 4:216 BW ziet op de in art. 4:120 lid 4 BW bedoelde verklaring die (in dit geval) de vereffenaars moeten uitbrengen aan de legataris voor het doen ontstaan van het recht om hetgeen aan de legataris is uitgekeerd terug te vorderen. De andersluidende opvatting in onderdeel I van het middel moet dan ook worden verworpen.
3.22
Ook faalt de klacht dat het hof in rov. 6.6.3 onbegrijpelijk heeft overwogen dat voor de beoordeling van de vordering van de vereffenaars eerst moet worden onderzocht of de nalatenschap al dan niet toereikend is en of de begunstiging moet worden beschouwd als een gift. Met deze overweging heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat vermindering van een begunstiging alleen aan de orde is wanneer de begunstiging kwalificeert als gift (art. 4:126 BW) en de nalatenschap niet toereikend is om de schulden uit legaten te voldoen uit de erfdelen van de erfgenamen op wie zij rusten (art. 4:120 lid 2 BW). Dat oordeel is juist en begrijpelijk.
3.23
Onderdeel II van het cassatiemiddel ziet op het oordeel van het hof met betrekking tot het peilmoment voor de beoordeling of de uitkering op grond van de levensverzekering aan [eiseres] kwalificeert als gift in verband met de vermindering van deze uitkering op grond van art. 4:120 lid 2 jo. art. 4:126 lid 2 sub b BW. De relevante overwegingen van het hof zijn als volgt:
‘6.8.1. De vereffenaars hebben hun vordering primair gebaseerd op artikel 4:216 BW in verbinding met de artikelen 4:126 lid 2 sub b, 4:127 en 7:188 lid 1 BW. Volgens de vereffenaars moet de uitkering die [eiseres] op grond van de levensverzekering heeft ontvangen worden gekwalificeerd als een quasi-legaat (gift). De vereffenaars vorderen dit bedrag omdat de nalatenschap van erflater volgens hen negatief is.
6.8.2.
In artikel 4:126 lid 1 BW is, kort gezegd, bepaald in welke gevallen een schenking of een andere gift, voor de toepassing van inkorting of vermindering, wordt aangemerkt als een legaat. In lid 2 onderdeel b is bepaald dat lid 1 van overeenkomstige toepassing is op een begunstiging bij een sommenverzekering, voor zover de uitkering die door het overlijden van de verzekeringnemer verschuldigd wordt, als een gift geldt. In artikel 7:188 lid 1 BW is bepaald dat de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering, wanneer zij is aanvaard of kan worden aanvaard, wordt aangemerkt als een gift, tenzij zij geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan een uit schenking.
6.8.3.
Volgens [eiseres] kan de uitkering uit de levensverzekering niet worden gekwalificeerd als een gift, omdat de levensverzekering is gesloten toen zij nog met erflater was gehuwd en omdat de levensverzekering was bedoeld om ervoor te zorgen dat er financiële middelen waren om te voorzien in de behoeften van haar en de kinderen. [eiseres] heeft ook nog aangevoerd – in reactie op het standpunt van de vereffenaars dat erflater is vergeten de tenaamstelling van de polis te wijzigen toen de polis aan hem werd toebedeeld ten tijde van het echtscheidingsconvenant – dat een nalaten om een tenaamstelling te wijzigen, niet kan worden beschouwd als een ‘handeling’, hetgeen nodig is om te spreken van een gift.
6.8.4.
Het hof verwerpt deze verweren van [eiseres] . Het hof is van oordeel dat [eiseres] met deze verweren uitgaat van een verkeerd beoordelingsmoment. Het hof is van oordeel dat de vraag of sprake is geweest van een gift moet worden beoordeeld naar het moment van overlijden van erflater, omdat dit volgt uit de redactie van artikel 7:188 lid 1 BW (‘is aanvaard of kan worden aanvaard’) in samenhang met de tweede zin van artikel 7:186 lid 2 BW. Tot het moment van overlijden van de erflater ging het slechts om een verwachting en had erflater nog de mogelijkheid de begunstiging te wijzigen. Uit de aard van deze verzekering (uitkering bij overlijden) volgt dat de begunstiging pas kan worden aanvaard na het overlijden van erflater. De door [eiseres] gevoerde verweren hebben betrekking op eerdere tijdstippen, te weten het aangaan van de levensverzekering en het moment van het echtscheidingsconvenant.’
3.24
Het middel betoogt dat het hof in rov. 6.8.4 een onjuist peilmoment heeft gehanteerd voor de beoordeling of de uitkering op grond van de levensverzekering aan [eiseres] kwalificeert als gift. Ten onrechte zou het hof dit hebben beoordeeld naar het moment van overlijden van de erflater. Volgens de klacht dient de beoordeling te geschieden naar het moment van het aangaan van de levensverzekering dan wel het moment van toedeling van de polis van de levensverzekering aan de erflater in het echtscheidingsconvenant. De gift ligt besloten in de aanwijzing van de begunstiging; de uitkering zelf is geen gift, zo merkt het middel op. Naar mijn mening is deze klacht tevergeefs voorgesteld. Ik leg dit als volgt uit.
3.25
Art. 7:186 lid 2 BW bepaalt dat als gift wordt aangemerkt iedere handeling die er toe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van zijn eigen vermogen verrijkt. Zolang degene tot wiens verrijking de handeling strekt de prestatie niet heeft ontvangen, noch daarop aanspraak kan maken, worden handelingen als hiervoor bedoeld niet beschouwd als gift. Art. 7:188 lid 1 BW bepaalt dat de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering, wanneer zij is aanvaard of kan worden aanvaard, wordt aangemerkt als gift, tenzij zij geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan uit een schenking.23.Niet als gift geldt dus de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis of aan een in rechte afdwingbare verbintenis uit hoofde van bijvoorbeeld pensioen, alimentatie of kredietovereenkomst.24.
3.26
Het peilmoment voor de beoordeling of een handeling kwalificeert als gift is het moment waarop de (vermeende) gift tot stand komt. Bij een sommenverzekering gaat het dan om het moment waarop de aanwijzing van een begunstigde is aanvaard of kan worden aanvaard (art. 7:188 lid 1 BW).25.Op welk moment kan de aanwijzing van een begunstigde van een levensverzekering (een species van een sommenverzekering, art. 7:975 BW) worden aanvaard?
3.27
De begunstigde verkrijgt zijn recht op uitkering op grond van een levensverzekering door aanvaarding van zijn aanwijzing (art. 7:969 lid 1, eerste volzin BW). Aanvaarding is mogelijk vanaf het moment dat de begunstiging op een van de volgende gronden onherroepelijk is geworden: indien het risico is geëindigd door het overlijden van de verzekerde, indien de uitkering opeisbaar wordt of indien dit uit de overeenkomst voortvloeit (art. 7:968 sub b-d BW). Buiten deze gevallen kan de begunstigde zijn aanwijzing slechts schriftelijk aanvaarden met (op gelijke wijze aan de verzekeraar kenbaar gemaakte) toestemming van de verzekeringnemer (art. 7:969 lid 1, derde volzin BW). Heeft de verzekeringnemer deze toestemming verleend, dan is het peilmoment voor de beoordeling van een gift het moment van de toestemming. Dat de begunstiging te herroepen is door de verzekeringnemer totdat deze door de begunstigde is aanvaard (art. 6:253 lid 2, art. 7:966 lid 1 sub c en art. 7:968 sub a BW), doet aan dit peilmoment niet af.26.
3.28
Wat betekent dit voor de onderhavige zaak? Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat [eiseres] de aanwijzing als begunstigde van de levensverzekering tijdens het leven van de erflater heeft aanvaard dan wel dat de erflater bij leven aan [eiseres] toestemming heeft verleend voor aanvaarding van de aanwijzing. Hiermee staat in cassatie vast dat de aanwijzing van [eiseres] als begunstigde van de levensverzekering niet door haar is aanvaard of kon worden aanvaard in de periode vóór het overlijden van de erflater. Dit betekent dat de begunstiging door [eiseres] voor het eerst kon worden aanvaard vanaf het tijdstip dat de begunstiging door het overlijden van de erflater onherroepelijk was geworden (zie ook rov. 6.8.4, voorlaatste volzin, van het bestreden arrest). Of de uitkering die [eiseres] op grond van de levensverzekering heeft ontvangen aangemerkt kan worden als gift, heeft het hof dan ook terecht beoordeeld naar het moment van overlijden van de erflater. De klacht van onderdeel II stuit hierop af.
3.29
Onderdeel III is een voortbouwklacht en deelt het lot van de voorgaande onderdelen.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑09‑2025
Zie p. 2-3 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2396, JERF 2024/161, m.nt. T. van der Linden en J.M. van Anken, en p. 1-2 van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:7988, JERF 2023/15, m.nt. J.H. Lieber.
Zie memorie van grieven tevens wijziging van eis, nr. 1.1. Zie ook rov. 6.4.1 t/m 6.4.3 van het bestreden arrest.
Zie inleidende dagvaarding, nrs. 3.10 en 4.8; memorie van grieven tevens wijziging van eis, nr. 5.3. Zie ook rov. 6.3 van het bestreden arrest.
Zie inleidende dagvaarding, nrs. 3.7 en 4.6; memorie van grieven tevens wijziging van eis, nr. 5.3.
Zie 3.1 t/m 3.3 van mijn conclusie.
Zie conclusie van antwoord, nr. 3 e.v.; memorie van antwoord, nr. 4 e.v. Zie ook rov. 3.1 van het vonnis van de rechtbank van 12 oktober 2022 en rov. 6.3 van het bestreden arrest.
Zie memorie van grieven tevens wijziging van eis, nr. 2.1 e.v.
Zie hierover o.a. Asser/Perrick 4 2021/588; Pitlo/Van der Burght & Ebben, Erfrecht, 2004/402; P.J.F.M. Le Cat, GS Erfrecht, art. 4:126 BW, aant. 1.
Sommenverzekering is de verzekering waarbij het onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed (art. 7:964 BW). Een levensverzekering is een species van de sommenverzekering (art. 7:975 BW).
Op deze bepaling ga ik nader in bij de bespreking van onderdeel II van het cassatiemiddel; zie 3.23 e.v. van mijn conclusie.
J.H. Lieber, Sdu Commentaar Erfrecht, art. 4:127 BW, aant. 4; A.E. Koning, De levensverzekering en het quasi-legaat met een flinke schep legitieme, TE 2004/1, p. 14; P.C. van Es, Vermindering van (quasi-)legaten; een terrein vol voetangels en klemmen, TE 2012/4, p. 72; W.D. Klokman, Schulden der nalatenschap, 2006, p. 166.
Kamerstukken II 2000-2001, 17 213, nr. 7, p. 6: ‘In artikel 4.4.2.7c wordt de inkorting en vermindering van begunstigingen bij sommenverzekering aldus geregeld, dat de begunstigde verplicht wordt tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van de waarde van de uitkering aan de gezamenlijke erfgenamen. In verband met het vervallen van artikel 4.4.2.7d (zie hierna), wordt aan artikel 4.4.2.7c een termijn toegevoegd, gebaseerd op de in artikel 4.5.3.10a gestelde termijn voor terugvordering van uitgekeerde legaten (drie jaren na de uitkering).’
In de literatuur is opgemerkt dat deze overeenkomstige toepassing ‘overbodig’ is (J.H. Lieber, JERF 2023/15, nr. 5) en ‘als niet geschreven’ moet worden beschouwd (Asser/Perrick 4 2021/597 en 625), omdat de bevoegdheid tot vermindering reeds voortvloeit uit art. 4:127 BW.
Zie Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1415 (MvA I Inv.): ‘Inderdaad is een algemene regeling voor vervaltermijnen onnodig geacht. (…) Wat de regels voor vervaltermijnen betreft, deze vloeien in hoofdzaak hieruit voort dat de verjarings-regels niet van toepassing zijn, zodat geen stuiting, verlenging of afstand mogelijk is, tenzij de wet anders bepaalt, wat ook in het nieuwe wetboek hier en daar geschiedt (…). Een rem op het opstellen van algemene regels was verder dat vervaltermijnen, veel sterker dan verjaringstermijnen, in aard uiteen lopen. Zij kunnen allerlei in karakter verschillende bevoegdheden betreffen, maar ook betrekking hebben op een vordering, die na het verstrijken van de termijn ophoudt te bestaan. (…) Verder kunnen vervaltermijnen zowel van rechtswege aanvangen als pas nadat zij aan iemand zijn gesteld door de rechter of door de ene partij aan de andere.’ Kritisch hierover J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.1.1.
Zie J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.1.2; M.W.E. Koopmann, Bevrijdende verjaring, 1993, p. 111.
Zie J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.1.2; M.W.E. Koopmann, Bevrijdende verjaring, 1993, p. 111.
Vgl. J.H. Lieber, JERF 2023/15, p. 95; J.H. Lieber, Sdu Commentaar Errecht, art. 4:120 BW, aant. 5.
Dit werkwoord komt ook terug in bijvoorbeeld art. 4:113 BW: ‘Een erflater kan te allen tijde zijn onderhandse, in bewaring gegeven uiterste wil terugvorderen, mits hij ter verantwoording van de notaris of andere persoon die de akte krachtens wettelijk voorschrift onder zich heeft, van de teruggave doet blijken bij een ten overstaan van die notaris of, met overeenkomstige toepassing van artikel 103, ten overstaan van die persoon verleden akte. Door de teruggave wordt de onderhandse uiterste wil herroepen.’ In deze context duidt het werkwoord terugvorderen op aanspraak maken op en niet op het instellen van een rechtsvordering.
Parl. Gesch. BW Boek 4 2002, p. 1010, nr. 7 (MvA II); Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4 2003, p. 2248, nr. 10.
Zie 3.15 van mijn conclusie.
Zie 3.10 van mijn conclusie.
Niet de premiebetaling of de uitkering zelf, maar de begunstiging uit de sommenverzekering wordt als gift aangemerkt. Zie Kamerstukken II 1981-1982, 17 213, nr. 3, p. 15; Kamerstukken II 1998-1999, 17 213, nr. 4, p. 11. Zie ook M.R. Kremer, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:188 BW, aant. 1; Asser/Perrick 4 2021/272; H.D. Ploeger, T&C BW, art. 7:188, aant. 2a.
Kamerstukken II 1981-1982, 17 213, nr. 3, p. 15-16. Zie ook H.D. Ploeger, T&C BW, art. 7:188, aant. 2b; C.H.J. van der Meer, Sdu Commentaar Erfrecht, art. 7:188 BW, aant. 1; Asser/Perrick 4 2021/272; A.E. Koning, De levensverzekering en het quasi-legaat met een flinke schep legitieme, TE 2004/1, par. 2.
Asser/Perrick 4 2021/272; H.D. Ploeger, T&C BW, art. 7:188, aant. 2c.
F.W.J.M. Schols, Beoordelingsmoment voldoening aan natuurlijke verbintenis en de uitkering uit levensverzekering, WPNR 2025/7487, p. 60-61.
Beroepschrift 19‑09‑2024
PROCESINLEIDING IN CASSATIE BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ALS BEDOELD IN ART. 407 RV
Eiseres tot cassatie is: [eiseres], wonende te [woonplaats], België, te dezer zake domicilie kiezende te Rijswijk ZH aan de Haagweg nr. 108 (2282 AE), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. K. Aantjes, die ten deze tot advocaat bij de Hoge Raad wordt aangewezen om haar in cassatie te vertegenwoordigen en als zodanig wordt gesteld (art. 407 lid 3 en 4 Rv);
Verweerders in cassatie zijn:
- 1.
Mr. [vereffenaar 1],
- 2.
[vereffenaar 2],
in hun hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de heer [erflater], laatstelijk wonende te [woonplaats], kantoorhoudende te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente], in de vorige instantie van deze zaak domicilie gekozen hebbende te Rosmalen, aan de Edelweisstraat nr. 5 (5241 AH), ten kantore van hun advocaat mr. J. van der Wende;
Eiseres stelt hierdoor beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch op 23 juli 2024 onder zaaknummer 200.321.716/01 tussen partijen gewezen.
Verweerders in cassatie kunnen in deze procedure ten laatste verschijnen op vrijdag 18 oktober 2014 (30a lid 3 onder c Rv, 115 en 116 Rv), niet in persoon, doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden ter terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, die alsdan gehouden zal worden in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout nr. 8 te Den Haag;
De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden (Stcrt. 2017/5928) om 10.00 uur.
Eiseres tot cassatie richt zich tegen voormeld arrest met het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, door te overwegen en op grond daarvan te beslissen als in voormeld arrest weergegeven, zulks om de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen:
I
Dit middelonderdeel richt zich tegen r.o. 6.6.3, waarin het hof, zakelijk weergegeven, heeft overwogen dat de artikelen 4:127 BW en 4:216 BW, in onderling verband beschouwd en tegen de achtergrond van de andere bepalingen in Boek 4 BW, volgt dat de vereffenaars een handeling moeten verrichten om het in artikel 4:216 BW genoemde vorderingsrecht te doen ontstaan, namelijk dat binnen drie jaar aanspraak moet worden gemaakt op de vermindering als bedoeld in artikel 4:127 BW, dat (pas) daarmee een vorderingsrecht ontstaat en dat de in artikel 4:216 BW genoemde termijn daarop ziet. Dit oordeel is rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk. Artikel 4:216 BW laat (ook in onderling verband met de artikelen 4:120 lid 4 BW, artikel 4:127 BW en de overige bepalingen in Boek 4 BW bezien) geen andere uitleg toe, dan dat een door de rechter benoemde vereffenaar hetgeen uit de nalatenschap van een legataris is uitgekeerd, binnen drie jaar na ontvangst van die uitkering in rechte kan terugvorderen en dat als hij dat niet binnen deze termijn heeft gedaan, dit recht van rechtswege vervalt. In casu is die uitkering gedaan op 27 september 2017. Gedagvaard is op 26 februari 2021; op dat moment was het recht tot terugvordering dus reeds vervallen. Die vervaltermijn is gaan lopen op 27 september 2017; dat die termijn pas zou gaan lopen op het moment dat de vereffenaars een handeling hebben verricht c.q. een verklaring hebben uitgebracht, volgt nergens uit en is niet op de wet gebaseerd. Dat volgt ook niet uit de wetsgeschiedenis, waarin daaromtrent niets is te lezen (noch bij artikel 4:216 BW, noch bij artikel 4:127 BW, noch bij enig ander artikel van Boek 4 BW). Onbegrijpelijk is dat het hof (mede) aan zijn oordeel ten grondslag legt dat eerst moet worden onderzocht of de nalatenschap al dan niet toereikend is en of de begunstiging moet worden beschouwd als een gift. Immers, reeds bij brief van 11 januari 2018 is Spaetgens gesommeerd het door ABN AMRO uitgekeerde bedrag over te maken (rov. 6.2.6), hetgeen geen andere conclusie toelaat dan dat voormeld onderzoek reeds heeft plaatsgevonden en zulks hoe dan ook geen deugdelijke verklaring is voor het feit dat de vereffenaars vervolgens tot 26 februari 2021 hebben gewacht om tot dagvaarding over te gaan.
II
Rechtsoverweging 6.8.4 is rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk. De vraag of sprake is van een gift moet immers niet worden beoordeeld naar het moment van overlijden, maar op het aangaan van de levensverzekering, dan wel het moment dat bij convenant de polis van levensverzekering aan erflater is toebedeeld (rov. 6.2.1). De gift ligt besloten in de aanwijzing van de begunstiging als zodanig; de uitkering zelf is geen gift.1.
III
Gegrondbevinding van (één van) voornoemde middelonderdelen raakt ook de overige overwegingen van het hof, zoals 6.7, 6.8.6, 6.8.7, 6.8.8., 6.8.9, 6.8.10, 6.8.11, 6.8.12, 6.8.14, 6.9.2, 6.9.3, 6.9.4, 6.12, 6.13.1, 6.13.2 en 7 (het dictum), die dan evenmin in stand kunnen blijven.
Mitsdien:
het de Hoge Raad der Nederlanden behage te vernietigen het tussen partijen op 23 juli 2024 onder zaaknummer 200.321.716/01 door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch gewezen arrest, met zodanige verdere voorziening als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Rijswijk, 19 september 2024
Advocaat [A07813]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑09‑2024
Ploeger, T&C ad art. 7:186 BW, aant. 4 en 7:188 BW. aant. 2. Zie ook de conclusie van antwoord sub 21 en de memorie van antwoord sub 28