Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.3.6
7.3.6 Voldoende compensatie
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland), § 53: ‘certain measures may be taken for the purpose of protecting the victim, provided such measures can be reconciled with an adequate and effective exercise of the rights of the defence’.
EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland), § 62. Daarbij overwoog het dat de autoriteiten nalatig waren geweest, doordat de verdachte niet was uitgenodigd om het getuigenverhoor bij de politie bij te wonen. Ik vermoed dat oordeel van het EHRM zonder deze overweging niet anders zou zijn uitgevallen, maar dat kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Zie ook EHRM 27 januari 2009, appl.no. 23220/04 (A.L./Finland), § 41.
HR 17 november 2009, NJ 2010, 191. Een klacht in Straatsburg naar aanleiding van dit arrest heeft geresulteerd in EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland). Het EHRM verklaarde de klacht ongegrond. Toen de Hoge Raad het arrest wees, had het EHRM het arrest Al-Khawaja & Tahery nog niet gewezen en was de strikte sole or decisive rule dus nog van toepassing. Ik vermoed daarom dat het EHRM tot een ander oordeel zou zijn gekomen wanneer deze zaak een paar jaar eerder zou zijn beoordeeld. Zie daarover ook § 2.2.2, waarin de vergelijking wordt gemaakt met de zaak W.
HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6919.
De Hoge Raad heeft de kwaliteit van de compensatie voorop gesteld. Het moet gaan om een ‘aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie’. Dit sluit aan bij de benadering van het ehrm: als geen behoorlijke en effectieve gelegenheid tot ondervraging heeft bestaan, moet toch ten minste een behoorlijke en effectieve gelegenheid hebben bestaan om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring op een andere manier te onderzoeken.1 De vereiste mate van compensatie hangt af van de omstandigheden van de zaak. NJ 2003, 672 geeft aanleiding om te denken dat deze mede afhangt van het type zaak. De Hoge Raad overwoog namelijk dat ‘in zaken als de onderhavige’ – het betrof een zedenzaak met een minderjarig slachtoffer – kon worden gedacht aan de in de vorige paragraaf genoemde maatregelen.
Het ehrm gaat ervan uit dat naarmate de getuigenverklaring beslissender is, meer compensatie moet worden geboden. De Hoge Raad heeft zich daarover nog niet uitgelaten. Evenmin blijkt uit de overwegingen van de Hoge Raad of minder compensatie vereist zou zijn wanneer weliswaar een ondervragingsgelegenheid heeft bestaan, maar deze niet behoorlijk en effectief is geweest.
Het ehrm heeft in de zaak Rosin – een zedenzaak waarin de verklaring van een minderjarig slachtoffer het beslissende bewijsmateriaal vormde – geoordeeld dat het enkele ter zitting afspelen van een videoregistratie van een eerder verhoor onvoldoende compensatie bood.2 De formulering door de Hoge Raad in NJ 2003, 672 suggereert dat in sommige gevallen kan worden volstaan met uitsluitend het ter zitting tonen van delen van een videoregistratie van een getuigenverhoor als compenserende factor. Omdat de Hoge Raad tot nu toe in slechts twee zaken de geboden compensatie heeft beoordeeld, kunnen echter geen al te stellige conclusies worden getrokken over de mate van compensatie die de Hoge Raad verlangt. In de zaak D.T., eveneens een zedenzaak met een niet door de verdediging ondervraagd minderjarig slachtoffer dat een beslissende verklaring had afgelegd, oordeelde hij dat het gerechtshof de verdachte voldoende had gecompenseerd. Die compensatie bestond voornamelijk uit het ter beschikking stellen en ter zitting afspelen van een video-opname van het studioverhoor, verschillende rapporten van deskundigen waarvan sommigen ter zitting konden worden ondervraagd en verklaringen van de moeder en oma van het slachtoffer, die eveneens ter zitting konden worden ondervraagd.3 In een andere zaak waarin compensatie een rol speelde, verwierp hij het cassatiemiddel zonder nadere motivering (art. 81 RO). In deze zaak was volgens het gerechtshof voldoende compensatie geboden vanwege het beschikbaar zijn van een verbatimverslag van het studioverhoor, de kennisneming van de videoregistratie daarvan door de verdediging en de beoordeling van de betrouwbaarheid door een deskundige.4