Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/8.6.2.2:8.6.2.2 Het tweede perspectiefplan
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/8.6.2.2
8.6.2.2 Het tweede perspectiefplan
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit wordt bevestigd door de cijfers zoals die zijn gepresenteerd in paragraaf 5.2.
Interview gedragsdeskundige F (JJI).
In 2014 zaten in totaal zeven minderjarigen langer dan zes maanden in voorlopige hechtenis. Zie: Aanhangsel Handelingen II 2014-2015, 2626, p. 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na vaststelling van het eerste perspectiefplan wordt in beginsel binnen tien weken het tweede perspectiefplan – ook wel “PP2” of “PEP2” genoemd – opgesteld. In het tweede perspectiefplan wordt het gedragsbeeld van de minderjarige nader uitgewerkt, volgt een evaluatie van de doelen uit het eerste perspectiefplan en worden nieuwe, meer op het individu toegespitste doelen geformuleerd. Dit tweede perspectiefplan wordt besproken in een (tweede) perspectiefplanbespreking, waarbij het bij alle onderzochte justitiele jeugdinrichtingen gebruikelijk is dat daarvoor in elk geval de ouders van de minderjarige en de betrokken jeugdreclasseerder worden uitgenodigd. Bij veel voorlopig gehechte minderjarigen wordt echter niet toegekomen aan het tweede perspectiefplan, omdat de voorlopige hechtenis al in een eerder stadium is geschorst. In gevallen waarin minderjarigen ten tijde van het vaststellen van het tweede perspectiefplan nog wel in voorlopige hechtenis verblijven, volgt vaak kort daarna alsnog een schorsing.1 Een geïnterviewde gedragsdeskundige legt uit dat hij hiermee rekening probeert te houden bij het opstellen van het tweede perspectiefplan door zo goed mogelijk in te spelen op het hulpverleningstraject buiten de inrichting:
“We merken dat na het tweede perspectiefplan de jongens vaak heel snel geschorst worden. Dus waar ik denk dat het perspectiefplan voor zou moeten dienen, is dat wij inderdaad dat gedragsbeeld van ons meenemen, maar juist die periode ook gebruiken om te kijken of we kunnen aansluiten bij het traject van buiten. (…) Dus dat het tweede perspectiefplan een combinatie is van: wat is er voor buiten nodig? Als die jongen snel geschorst wordt, wat vinden wij dan ook dat er nodig is voor die jongen in samenspraak met ouders, in samenspraak met de jongere, in samenspraak met ketenpartners? En op het moment dat hij nog langer blijft [in de justitiële jeugdinrichting, YB], wat gaan we dan met hem doen?”2
Deze benadering van het perspectiefplan weerspiegelt de zogenoemde ‘trajectbenadering’, zoals die onder meer wordt voorgeschreven in de Memorie van Toelichting bij de Bjj: “indien de jeugdige na zijn verblijf in de inrichting op vormen van jeugdhulpverlening is aangewezen, dient daarmee gedurende het verblijf in de inrichting zoveel als mogelijk rekening te worden gehouden.”3 Indien de minderjarige wel langer dan drie maanden in de justitiële jeugdinrichting blijft zitten, volgt een interne overplaatsing van de kortverblijfgroep naar de langverblijfgroep en wordt daar getracht om intramuraal de doelen van het tweede perspectiefplan te realiseren. Tegen de tijd dat het derde perspectiefplan in beeld komt – weer drie maanden later – zijn er in de praktijk nauwelijks minderjarigen die dan nog steeds in voorlopige hechtenis verblijven.4 Om deze reden wordt in deze paragraaf van een verdere bespreking van het derde en de daarop volgende perspectiefplannen afgezien.