NJ 2026/49
Executie-uitlevering. Zeer forse overschrijding van redelijke termijn in strafzaak verzoekende Staat. Uitlevering niet ontoelaatbaar.
HR 06-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:20
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
6 januari 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, T. Kooijmans, F. Posthumus
- Zaaknummer
25/02310
- Conclusie
A-G mr. V.M.A. Sinnige
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD45940:1
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Uitlevering en overlevering
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:20, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1193, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑09‑2025
- Wetingang
Essentie
Executie-uitlevering. De opvatting dat een (zeer) forse overschrijding van redelijke termijn in de strafrechtelijke procedure in de verzoekende Staat die heeft geleid tot het uitleveringsverzoek, op zichzelf — zonder vaststelling van voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM —, aan toelaatbaarverklaring van de uitlevering in de weg staat, vindt geen steun in het recht.
Samenvatting
Het cassatiemiddel komt op tegen de toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon en klaagt over de verwerping van het verweer dat een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM heeft plaatsgevonden.
Het cassatiemiddel berust op de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.