Parketnr.: 10-121603-25
HR, 06-01-2026, nr. 25/02310
ECLI:NL:HR:2026:20
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-01-2026
- Zaaknummer
25/02310
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:20, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑01‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1193
ECLI:NL:PHR:2025:1193, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:20
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑09‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0003
Uitspraak 06‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Executie-uitlevering van opgeëiste persoon (Noord-Macedonische en Bulgaarse nationaliteit) naar Noord-Macedonië t.z.v. poging tot doodslag gepleegd in 2005. Redelijke termijn in strafprocedure in Noord-Macedonië. Verweer dat sprake is van voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM gelet op forse overschrijding van redelijke termijn, nu Noord-Macedonische strafprocedure bijna 19 jaren heeft geduurd. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij beoordeling van uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van vertrouwen dat verzoekende Staat bij vervolging en berechting van opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in EVRM en IVBPR zal respecteren. Gelet op systeem van Uitleveringswet is in uitleveringszaken het oordeel over vraag of verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens gegrond vermoeden dat bij inwilliging van verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten a.b.i. art. 3 EVRM voorbehouden aan minister en zal hij bij bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Als echter komt vast te staan dat in zaak waarvoor uitlevering is gevraagd sprake is van voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren. Als het gaat om verzoek tot uitlevering voor tenuitvoerlegging van rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in zaak die tot die veroordeling heeft geleid, flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6.1 EVRM, is het aan uitleveringsrechter te beslissen over vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders als het gaat om beroep op flagrante inbreuk op art. 14.1 IVBPR. Het gaat hier dus om beroep op voltooide flagrante schending van deze verdragsbepaling(en) (vgl. HR:2017:463). Mede onder verwijzing naar nr. 8139/09 (Othman/Verenigd Koninkrijk) heeft EHRM in nr. 71537/14 (Harkins/Verenigd Koninkrijk) gevallen waarin sprake is van “flagrant denial of justice” omschreven. Opvatting dat (zeer) forse overschrijding van redelijke termijn in strafrechtelijke procedure in verzoekende Staat die heeft geleid tot uitspraak met het oog op tul waarvan uitlevering is verzocht, op zichzelf (en dus ook zonder dat kan worden vastgesteld dat die overschrijding ertoe heeft geleid of eraan heeft bijgedragen dat sprake is van zodanig ernstige inbreuk op verdedigingsrechten dat recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6.1 EVRM in die procedure flagrant is geschonden) aan toelaatbaarverklaring van uitlevering in de weg staat, vindt mede in het licht van hiervoor genoemde uitspraak van EHRM geen steun in recht. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/02310 U
Datum 6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2025, nummer UTL-I-2025010730, op verzoek van de Republiek Noord-Macedonië tot uitlevering
van
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat N.F. Christiansen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon en klaagt over de verwerping van het verweer dat een voltooide flagrante schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft plaatsgevonden.
2.2
De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon met als doel de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf toelaatbaar verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen:
“8. Gevoerde verweren
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard wegens een reeds voltooide flagrante schending van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De rechtszaak tegen de opgeëiste persoon in Noord-Macedonië heeft bijna 19 jaar geduurd, hetgeen een forse overschrijding van de redelijke termijn oplevert. Nu deze forse schending niet is gecompenseerd en de opgeëiste persoon op geen enkele manier nog zijn recht kan halen in een procedure in Noord-Macedonië, is sprake van een voltooide schending. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de overschrijding te wijten is aan het handelen van de opgeëiste persoon, dan verzoekt de verdediging de zaak aan te houden, teneinde nadere stukken op te vragen bij de autoriteiten van Noord-Macedonië.
(...)
Beoordeling
Voltooide schending van artikel 6 EVRM
Uitgangspunt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, is dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten, welke zijn neergelegd in het EVRM, heeft gerespecteerd. Noord-Macedonië is partij bij het EVRM.
Indien komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. De uitleveringsrechter dient het verweer van de raadsvrouw van overschrijding van de redelijke termijn, waarvoor geen compensatie is geboden, op zijn aannemelijkheid te onderzoeken.
In het onherroepelijke vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van [...] van 26 januari 2024 (kenmerk K- 494/23) overweegt die rechtbank het volgende:
“Bij het vaststellen van de strafmaat heeft de rechtbank alle omstandigheden in aanmerking genomen die volgens de wet op de beslissing van invloed zijn, en gelet op ... de lange tijd die sindsdien is verstreken.”
Gelet op deze overweging stelt de rechtbank vast dat bij het opleggen van de gevangenisstraf, waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van de executie van die straf is verzocht, rekening is gehouden met het feit dat lange tijd is verstreken sinds het plegen van het bewezenverklaarde feit. Blijkens het arrest van het Gerechtshof Skopje van 26 september 2024 (kenmerk KZ-379/24) is bij de toetsing van de straf in hoger beroep kennelijk evenzo het tijdsverloop betrokken. De rechtbank is op grond van deze overwegingen in combinatie met het voornoemde vertrouwensbeginsel van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat geen enkele compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn is geboden. Van een (voltooide) flagrante schending van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, zoals aangevoerd door de raadsvrouw, is geen sprake. De rechtbank verwerpt dit verweer.”
2.3.1
Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) zal respecteren. Gelet op het systeem van de Uitleveringswet, zoals daarvan blijkt uit artikel 8 en 10, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet, is in uitleveringszaken het oordeel over de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 EVRM voorbehouden aan de minister van Justitie en Veiligheid en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Als echter komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren.
2.3.2
Als het gaat om een verzoek tot uitlevering voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid, een flagrante inbreuk is gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders als het gaat om een beroep op een flagrante inbreuk op artikel 14 lid 1 IVBPR. Het gaat hier dus om een beroep op een voltooide flagrante schending van deze verdragsbepaling(en). (Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, rechtsoverweging 3.5 en 3.6, onder A.)
2.3.3
Mede onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) van 17 januari 2012, nr. 8139/09 (Othman/ Verenigd Koninkrijk) heeft de Grote Kamer van het EHRM in de uitspraak van 15 juni 2017, nr. 71537/14 (Harkins/Verenigd Koninkrijk) de gevallen waarin sprake is van een ‘flagrant denial of justice’, als volgt omschreven:
“62. (...) the Court recalls that the right to a fair trial in criminal proceedings, as embodied in Article 6 of the Convention, holds a prominent place in a democratic society. Consequently, it has not excluded that an issue might exceptionally be raised under Article 6 by an extradition decision in circumstances where the fugitive has suffered or risks suffering a flagrant denial of a fair trial in the requesting country (see Soering v. the United Kingdom, 7 July 1989, § 113, Series A no. 161). However, in the Court’s case-law the term “flagrant denial of justice” has been synonymous with a trial which is manifestly contrary to the provisions of Article 6 or the principles embodied therein (see Sejdovic v. Italy [GC], no. 56581/00, § 84, ECHR 2006–II).
63. Although it has not yet been required to define the term more precisely, the Court has nonetheless indicated that certain forms of unfairness could amount to a “flagrant denial of justice”. These have included: conviction in absentia with no subsequent possibility of a fresh determination of the merits of the charge (see Einhorn v. France (dec.), no. 71555/01, § 33, ECHR 2001-XI; Stoichkov v. Bulgaria, no. 9808/02, § 56, 24 March 2005; and Sejdovic, cited above § 84); a trial which is summary in nature and conducted with a total disregard for the rights of the defence (see Bader and Kanbor v. Sweden, no. 13284/04, § 47, ECHR 2005-XI); detention without any access to an independent and impartial tribunal to have the legality of the detention reviewed (see Al-Moayad v. Germany (dec.), 35865/03, § 101, 20 February 2007); a deliberate and systematic refusal of access to a lawyer, especially for an individual detained in a foreign country (ibid.); and the use in criminal proceedings of statements obtained as a result of torture of the accused or a third person in breach of Article 3 (see Othman (Abu Qatada) v. the United Kingdom, no. 8139/09, § 267, ECHR 2012 (extracts) and El Haski v. Belgium, 649/08, § 85, 25 September 2012).
64. Consequently, “flagrant denial of justice” is a stringent test of unfairness which goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State. What is required is a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article (see Othman (Abu Qatada), cited above, § 260). The Court has to date never found it established that an extradition would be in violation of Article 6 (in contrast to the deportation case of Othman (Abu Qatada), cited above, § 285, and the rendition cases of Al Nashiri v. Poland, no. 28761/11, § 568, 24 July 2014 and Husayn (Abu Zubaydah) v. Poland, no. 7511/13, § 560, 24 July 2014).
65. In assessing whether this stringent test of unfairness has been met, the Court considers that the same standard and burden of proof should apply as in Article 3 expulsion cases. Therefore, it is for the applicant to adduce evidence capable of proving that there are substantial grounds for believing that, if he is removed from a Contracting State, he would be exposed to a real risk of being subjected to a flagrant denial of justice. Where such evidence is adduced, it is for the Government to dispel any doubts about it (see Othman (Abu Qatada), cited above, § 261).”
2.4
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat een (zeer) forse overschrijding van de redelijke termijn in de strafrechtelijke procedure in de verzoekende Staat die heeft geleid tot de uitspraak met het oog op de tenuitvoerlegging waarvan de uitlevering is verzocht, op zichzelf – en dus ook zonder dat kan worden vastgesteld dat die overschrijding ertoe heeft geleid of eraan heeft bijgedragen dat sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten dat het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM in die procedure flagrant is geschonden – aan toelaatbaarverklaring van de uitlevering in de weg staat. Die opvatting vindt, mede in het licht van de onder 2.3.3 weergegeven uitspraak van het EHRM, geen steun in het recht.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026.
Conclusie 04‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Executie-uitlevering Noord-Macedonië. Middel klaagt over verwerping verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens een overschrijding van de redelijke termijn in de Noord-Macedonische strafzaak. AG gaat o.a. in op de vraag of een overschrijding van de redelijke termijn kan worden aangemerkt als een “flagrante schending” van art. 6 EVRM. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02310 U
Zitting 4 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de opgeëiste persoon
1. Inleiding
1.1
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 10 juni 20251.toelaatbaar verklaard de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Noord-Macedonië tot tenuitvoerlegging van de bij uitspraak van de Rechtbank van Eerste Aanleg in Kumanovo (hierna: de rechtbank Kumanovo ) van 26 januari 2024 opgelegde gevangenisstraf van drie jaren. Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht heeft de rechtbank gekwalificeerd als poging tot doodslag.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon. N.F. Christiansen, advocaat in Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt dat de rechtbank het verweer dat sprake is van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen en aldus de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard.
2. De bestreden beslissing van de rechtbank
2.1
De uitspraak van de rechtbank houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“8. Gevoerde verweren
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard wegens een reeds voltooide flagrante schending van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De rechtszaak tegen de opgeëiste persoon in Noord-Macedonië heeft bijna 19 jaar geduurd, hetgeen een forse overschrijding van de redelijke termijn oplevert. Nu deze forse schending niet is gecompenseerd en de opgeëiste persoon op geen enkele manier nog zijn recht kan halen in een procedure in Noord-Macedonië. is sprake van een voltooide schending. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de overschrijding te wijten is aan het handelen van de opgeëiste persoon, dan verzoekt de verdediging de zaak aan te houden, teneinde nadere stukken op te vragen bij de autoriteiten van Noord-Macedonië.
(…)
Beoordeling
Voltooide schending van artikel 6 EVRM
Uitgangspunt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, is dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten, welke zijn neergelegd in het EVRM, zijn gerespecteerd. Noord-Macedonië is partij bij het EVRM.
Indien komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. De uitleveringsrechter dient het verweer van de raadsvrouw van overschrijding van de redelijke termijn, waarvoor geen compensatie is geboden, op zijn aannemelijkheid te onderzoeken.
In het onherroepelijke vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Kumanovo van 26 januari 2024 (kenmerk K- 494/23) overweegt die rechtbank het volgende:
“Bij het vaststellen van de strafmaat heeft de rechtbank alle omstandigheden in aanmerking genomen die volgens de wet op de beslissing van invloed zijn, en gelet op ... de lange tijd die sindsdien is verstreken.”
Gelet op deze overweging stelt de rechtbank vast dat bij het opleggen van de gevangenisstraf, waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van de executie van die straf is verzocht, rekening is gehouden met het feit dat lange tijd is verstreken sinds het plegen van het bewezenverklaarde feit. Blijkens het arrest van het Gerechtshof Skopje van 26 september 2024 (kenmerk KZ-379/24) is bij de toetsing van de straf in hoger beroep kennelijk evenzo het tijdsverloop betrokken. De rechtbank is op grond van deze overwegingen in combinatie met het voornoemde vertrouwensbeginsel van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat geen enkele compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn is geboden. Van een (voltooide) flagrante schending van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, zoals aangevoerd door de raadsvrouw, is geen sprake. De rechtbank verwerpt dit verweer.”
3. Het gevoerde verweer
3.1
Op de zitting van 27 mei 2025 heeft de raadsvrouw van de opgeëiste persoon het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig haar aan de rechtbank overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities die – voor zover hier relevant en met weglating van de voetnoten – inhouden:
“Voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM
13. Dan de voltooide flagrante schending art. 6 EVRM. Ook hierbij staat weer het enorme tijdsverloop van bijna 20 jaar centraal.
14. De Hoge Raad oordeelde in 2017 dat het aan de uitleveringsrechter is om te beoordelen of sprake is geweest van een voltooide flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM. Is dat het geval, dan dient de uitlevering ontoelaatbaar te worden verklaard.
15. Volgens art. 6 EVRM lid 1 heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.
ARTIKEL 6 Recht op een eerlijk proces
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
(Onderstreping door mij, raadsvrouw)
16. In het uitleveringsverzoek kunt u lezen dat het incident waarvoor cliënt is veroordeeld op 24 december 2005 heeft plaatsgevonden. Het uitleveringsverzoek bevat daarnaast helaas slechts beperkt informatie over het verloop van de strafrechtelijke procedure vanaf die dag.
17. Om die reden heeft de verdediging contact opgenomen met de raadsman die cliënt in Macedonische strafzaak heeft bijgestaan. Mr. [betrokkene 1] heeft daarop een beknopte samenvatting van het verloop van de strafzaak in Noord-Macedonië opgesteld die ik reeds gisteren aan u heb verstrekt (bijlage 1 brief advocaat Noord-Macedonië). En, uit die samenvatting volgt dat de zaak al heel lang loopt en er ongebruikelijk veel zittingen hebben plaatsgevonden.
18. Voor de vraag of de redelijke termijn is geschonden is van belang wanneer de strafvervolging is aangevangen. Uit de samenvatting blijkt dat de vervolging van cliënt op 29 maart 2006 is begonnen (bijlage 1, p. 1). Op die dag is cliënt voor de eerste keer als verdachte verhoord door de onderzoeksrechter van de rechtbank in Kumanovo : een handeling waaraan cliënt in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld. Voor de eerste keer naar de rechtbank moest cliënt pas 3 jaar later op 18 mei 2009: de eerste van een reeks zittingen bij verschillende instanties die pas op 22 januari 2025 door het arrest van het Hooggerechtshof tot een einde zijn gekomen.
19. In totaal heeft de rechtszaak tegen cliënt dus bijna 19 jaar geduurd (maart 2006-januari 2025). Van een behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn kan al op het eerste gezicht geen sprake zijn.
20. De schending van de redelijke termijn wordt nog duidelijker als wij de factoren toepassen die volgens het Straatsburgs hof van belang zijn bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is geschonden, te weten:
- De complexiteit van de zaak;
- Het belang van de zaak ofwel hoe zwaar het voor cliënt is geweest dat de zaak zo lang boven zijn hoofd is blijven hangen;
- De impact van het gedrag van procespartijen die niet voor rekening van de staat komt;
- De impact van het gedrag die wel aan de staat kan worden toegerekend.
21. Hoe zit dat in de zaak van cliënt?
complexiteit van de zaak
22. Het eerste en belangrijkste criterium is de ingewikkeldheid van een zaak. Die lijkt in de zaak van cliënt beperkt te zijn. De zaak betreft een uit de hand gelopen vechtpartij waarin het bewijs neerkomt op verklaringen van aangever, cliënt en zo’n 7 getuigen en een aantal medische stukken en deskundigenrapporten (vertaling, p. 7-8). Redelijk overzichtelijk dus. Voor zover ik kan zien was er even min sprake van ingewikkelde juridische kwesties laat staan een complexe procedure gelet op een groot aantal procesdeelnemers, het opspeuren van getuigen of samenwerking met buitenlandse opsporingsambtenaren.
belang van de verdachte
23. Ondanks de geringe complexiteit van de zaak stond er veel op het spel voor cliënt. De verdenking ziet op een ernstig (niet-voltooid) levensdelict waarvoor uiteindelijk een gevangenisstraf van meerdere jaren is opgelegd.
24. Dat deze verdenking en de mogelijkheid van een langdurige gevangenisstraf voor 19 jaar als een zwaard van Damocles boven het hoofd van cliënt heeft gehangen weegt zwaar. De angst gedetineerd te raken speelde altijd in het achterhoofd van cliënt – op het moment dat hij voor de eerste keer vader werd en vervolgens ook toen hij zijn kinderen zag opgroeien.
gedrag van partijen
25. Daarnaast dient er volgens het Straatsburgs hof gekeken te worden naar het gedrag van de partijen. Als de verdediging aan de lopende band de procedure heeft vertraagd kan je minder snel beroep doen op een overschrijding van de redelijke termijn. Dat de verdediging in onderhavige zaak de procedure door herhaaldelijke aanhoudingsverzoeken of uitgebreide, onnodige onderzoekswensen heeft verlengd blijkt niet.
gedrag van Noord-Macedonië
26. Uit de omschrijving van de Noord-Macedonische advocaat lijkt de oorzaak voor de vertraging – even oneerbiedig gezegd – veel meer te liggen in het feit dat de rechtbank in eerste aanleg ‘haar werk niet goed heeft gedaan’. De Skopje Court of Appeal heeft tot 7 keer toe de zaak terugverwezen naar de rechtbank omdat in eerste aanleg procedurele fouten zijn gemaakt (brief p. 4). Twee keer moest het Hooggerechtshof de zaak met duidelijke instructies over het vaststellen van de feiten teruggestuurd naar de feitelijke instanties (brief p. 4). Hoe dan ook. Niet blijkt dat de overschrijding van de redelijke termijn aan de verdediging te wijten valt maar juist wel dat de overschrijding voor de rekening van de uitvaardigende lidstaat Noord-Macedonië komt.
27. Dat een procedure van in totaal bijna 19 jaar een forse schending van de redelijke termijn oplevert staat niet ter discussie. Ter illustratie: In de zaak Ruotolo v. Italy heeft het hof in Straatsburg geoordeeld dat een procedure die 12 jaar duurt een schending van art. 6 EVRM oplevert. In Nederland is al bij een procedure tot aan de Hoge Raad die langer duurt dan 6 jaar sprake van een schending van de redelijke termijn.
28. Wat inherent is aan een schending van de redelijke termijn is dat deze niet hersteld kan worden. Tijd kan simpelweg niet teruggedraaid worden.
flagrant?
29. Dan de vraag of deze schending dermate flagrant is dat zij de ontoelaatbaarheid van de uitlevering tot gevolg moet hebben. Volgens de Nederlandse Hoge Raad kan een dergelijke schending immers slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkheid van het OM leiden.
30. Of een Nederlandse rechtbank in onderhavige zaak tot niet-ontvankelijkheid van het OM had geconcludeerd is alleen maar gissen. Ik heb wat jurisprudentie onderzoek gedaan en het is niet eenvoudig zaken van deze ouderdom te vinden.
31. In ieder geval was in Nederland een dergelijk forse schending van de redelijke termijn met een (flinke) strafmindering gecompenseerd worden. Uit het vonnis van de rechtbank Kumanovo blijkt niet dat strafkorting is toegepast. Immers wordt er uitsluitend vermeld “dat lange tijd sindsdien is verstreken”. Dat lijkt te zien op de ouderdom van de feiten en niet op de gevolgen van de schending van de redelijke termijn in de strafrechtelijke procedure.
geen compensatie
32. Hier komt bij dat het Straatsburgse Hof de monetaire compensatie die Noord-Macedonië biedt voor een schending van de redelijke termijn “manifestly inadequate” acht en dus de kans dat cliënt wellicht op een andere adequate manier gecompenseerd zal worden nihil is. Dit maakt dat het uitgangspunt dat een voltooide mensenrechtenschendingen normaliter door de uitvaardigende staat moet worden onderzocht, in de zaak van cliënt niet opgaat.
33. Deze reeds voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM maakt dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard.”
3.2
Blijkens voormeld proces-verbaal van de zitting heeft de raadsvrouw in aanvulling op het voorgaande nog een en ander aangevoerd:
“De raadsvrouw voert verder aan:
De overschrijding van de redelijke termijn is te verwijten aan het handelen van de autoriteiten van Noord-Macedonië. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het toch op het conto van de verdachte komt, dan verzoek ik de zaak aan te houden en de onderliggende vonnissen op te vragen, die worden genoemd door de Noord-Macedonische advocaat.
(…)
De raadsvrouw reageert:
(…)
De overweging ten aanzien van de strafverzachtende omstandigheden laat zien dat het om oude feiten gaat, maar dat is niet hetzelfde als vaststelling van overschrijding van de redelijke termijn waarop een strafprocedure boven je hoofd hangt. Ik zie ook niet terug dat de hoogte van de gevangenisstraf daarom van vier naar drie jaar is gegaan.”
4. De procesgang in Noord-Macedonië
4.1
De opgeëiste persoon is op 26 januari 2024 veroordeeld door de rechtbank Kumanovo tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren wegens een poging tot moord op 24 december 2005. Dit vonnis houdt ten aanzien van de strafoplegging in:
“Bij het vaststellen van de strafmaat heeft de rechtbank alle omstandigheden in aanmerking genomen die volgens de wet op de beslissing van invloed zijn, en gelet op de manier waarop het misdrijf is begaan, het gevaar van dit type misdrijf, het gedrag van de verdachte na het plegen van het misdrijf, en het feit dat hij sinds lange tijd niet voor de rechtbank is verschenen, eerdere veroordelingen, het feit dat het slachtoffer gelukkig geen ernstigere blijvende gevolgen aan het misdrijf heeft overgehouden, de lange tijd die sindsdien is verstreken, en krachtens de voorzieningen van artikel 40 en 41 van het [Macedonische - vertaler] Wetboek van Strafrecht, en rekening houdend met de verbodsbepaling van artikel 395 van het [Macedonische - vertaler] Wetboek van Strafvordering, waar het de straf betreft, is de rechtbank van oordeel dat middels de straf die in de gegeven mate is opgelegd het doel van de bestraffing wordt bereikt zoals bepaald in art. 32 van het [Macedonische - vertaler] Wetboek van Strafrecht en dat deze straf tegelijkertijd een rechtvaardige bestraffing is van het misdrijf dat is begaan.”
4.2
Het gerechtshof Skopje heeft op 26 september 2024 het vonnis van de rechtbank Kumanovo bevestigd. Dit arrest houdt daarover onder meer in:
“Met betrekking tot de strafmaat concludeert dit Hof dat de Rechtbank van Eerste Aanleg een heldere en consistente beslissing heeft genomen op basis van een correct vastgestelde feitelijke situatie en een correcte toepassing van het materieel recht, en zodoende juist heeft gehandeld door de verdachte [de opgeëiste persoon] tot een gevangenisstraf van drie jaren te veroordelen, waarbij alle verzwarende en verzachtende omstandigheden ten aanzien van de verdachte in aanmerking zijn genomen en overwogen, zoals specifiek in de beargumentering van het vonnis wordt vermeld. Deswege heeft de rechtbank terecht de manier waarop het misdrijf is gepleegd, het gevaar van dit type misdrijf, het gedrag van de verdachte na het begaan van het misdrijf, het feit dat hij lange tijd niet voor de rechtbank heeft willen verschijnen, evenals de eerdere veroordelingen, als verzwarende omstandigheden aangemerkt, en deze beoordeeld in onderlinge samenhang met de verzachtende omstandigheden, namelijk de afwezigheid van ernstigere blijvende gevolgen van het misdrijf voor het slachtoffer en de lange tijd die is verstreken sinds het misdrijf is begaan.
Bijgevolg, rekening houdend met voornoemde omstandigheden, die in hun geheel zijn geanalyseerd en beoordeeld op hun ernst en betekenis, tezamen met het feit dat het misdrijf, dat meer dan achttien jaar geleden is gepleegd, bij een poging is gebleven, op grond waarvan een mildere straf dient te worden gegeven, evenals de persoonlijke, familie- en eventuele materiële omstandigheden van de verdachte, die nu een gezin heeft, vader van twee kinderen is, en in dienstverband werkt, en gezien de afwezigheid van andere verzwarende omstandigheden in deze specifieke zaak, heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg op juiste wijze de strafmaat vastgesteld en op juiste wijze gehandeld door de bepalingen voor verzachtende omstandigheden zoals bepaald in art. 40 en 41 van het [Macedonische - vertaler] Wetboek van Strafrecht toe te passen en hem tot een gevangenisstraf van drie jaar te veroordelen, een straf die, naar de redelijke verwachting van dit Hof, op de verdachte voldoende opvoedkundige invloed zal hebben, zodat hij in de toekomst niet nogmaals een dergelijk misdrijf zal begaan, en tegelijkertijd ook een positief effect zal hebben op de algemene misdaadpreventie, waardoor de doelen van de straf zoals voorzien in artikel 32 van het [Macedonische] Wetboek van Strafrecht worden bereikt.”
4.3
Namens de opgeëiste persoon is bij het Hooggerechtshof van de Republiek van Noord-Macedonië een verzoek ingediend om een buitengewone herbeoordeling van het vonnis van de rechtbank Kumanovo en het arrest van het gerechtshof Skopje. Het Hooggerechtshof heeft dit verzoek op 22 januari 2025 ongegrond verklaard en afgewezen. Uit de motivering van dit arrest en de daarin opgenomen samenvatting van het namens de opgeëiste persoon gedane verzoek maak ik op dat niet is verzocht om een herbeoordeling van de strafoplegging of anderszins is geklaagd over het ontbreken van een oordeel over een overschrijding van de redelijke termijn.
5. De bespreking van het cassatiemiddel
5.1
De Noord-Macedonische autoriteiten hebben een verzoek tot uitlevering gedaan tot tenuitvoerlegging van de bij onherroepelijke uitspraak van de rechtbank Kumanovo opgelegde gevangenisstraf van drie jaren voor poging tot moord op 24 december 2005, welk feitencomplex door de rechtbank Rotterdam is gekwalificeerd als poging tot doodslag.
5.2
De verdediging heeft in de uitleveringsprocedure in de kern aangevoerd dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM, op de grond dat de Noord-Macedonische strafprocedure bijna 19 jaar heeft geduurd en daarmee sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn.
5.3
De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat de rechtbank Kumanovo blijkens zijn (hiervoor onder randnummer 4.1 weergegeven) strafopleggingsoverwegingen, alsook het gerechtshof Skopje bij de toetsing van de straf in hoger beroep, rekening heeft gehouden met het feit dat lange tijd is verstreken sinds het plegen van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank doelt daarbij op de overweging van de rechtbank Kumanovo over “de lange tijd die sindsdien is verstreken” en (kennelijk) op de overweging van het gerechtshof Skopje dat het feit “meer dan achttien jaar geleden is gepleegd”. Op grond hiervan en bezien in combinatie met het geldende vertrouwensbeginsel2., heeft de rechtbank geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat geen enkele compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn is geboden en dat van een (voltooide) flagrante schending van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM geen sprake is.
5.4
Het cassatiemiddel valt uiteen in twee deelklachten, die luiden dat voormeld oordeel van de rechtbank:
- -
i) onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd, nu de rechtbank Kumanovo slechts in strafmatigende zin rekening heeft gehouden met de “lange tijd die is verstreken sinds het misdrijf is begaan”;
- -
ii) uitgaat van een onjuiste maatstaf, nu ook in het geval dat enige, maar (volstrekt) onvoldoende compensatie wordt geboden voor een overschrijding van de redelijke termijn, sprake kan zijn van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM.
5.5
Onder deelklacht (i) wordt naar voren gebracht dat uit de bedoelde strafmaatoverwegingen van de rechtbank Kumanovo en het gerechtshof Skopje slechts kan worden afgeleid dat bij de strafoplegging rekening is gehouden met de ouderdom van het feit en niet (ook) met een overschrijding van de redelijke termijn.
5.6
Ik ben het met de steller van het middel eens dat de bewuste overwegingen er eerder op lijken te wijzen dat acht is geslagen op de ouderdom van de feiten. Het oordeel van de rechtbank dat hieruit moet worden opgemaakt dat compensatie is geboden voor een overschrijding van de redelijke termijn acht ik in zoverre niet zonder meer begrijpelijk.
5.7
Het feit dat het vonnis van de rechtbank Kumanovo op dit punt zwijgt, brengt echter niet noodzakelijkerwijs mee dat sprake is van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn van de opgeëiste persoon in de Noord-Macedonische strafprocedure, die niet zou zijn gecompenseerd en waartegen de opgeëiste persoon niet zou kunnen hebben opkomen. EVRM-lidstaten hebben immers de nodige beleidsvrijheid om zelf te bepalen, binnen de door het EHRM getrokken grenzen, hoe het recht op berechting binnen een redelijke termijn in de praktijk wordt gewaarborgd en hoe een eventuele schending daarvan wordt gecompenseerd. Uit de jurisprudentie van het EHRM kan worden afgeleid dat Noord-Macedonië eventuele schendingen van de redelijke termijn op een andere manier compenseert dan Nederland. Partijen kunnen klachten over schendingen van de redelijke termijn voorleggen aan het Supreme Court. Dat kan al tijdens de procedure of binnen zes maanden nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden. Een vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan resulteren in een financiële compensatie.3.In 2011 oordeelde het EHRM in de zaak Adži-Spirkoska e.a. dat voormelde procedure zoals die op dat moment functioneerde in beginsel kan worden beschouwd als “effective”.4.Het EHRM overwoog hierover:5.
“In the Court’s view, the purpose of the 2008 Act is twofold. In the first place, the Supreme Court’s order setting a time-limit for a decision is designed to ensure the acceleration of pending proceedings. In this connection the Court reiterates that where the judicial system is deficient in this respect, a remedy designed to expedite the proceedings in order to prevent them from becoming excessively lengthy is the most effective solution (see Cocchiarella v. Italy [GC], cited above, § 74). (…)
Secondly, the 2008 Act also provides for a compensatory remedy through which a party may be awarded just satisfaction for any damage sustained as a result of the inordinate length of the impugned proceedings. This remedy is an appropriate means of redressing a violation that has already occurred (see Mifsud v. France (dec.) [GC], no. 57220/00, § 17, ECHR 2002‑VIII, and Kudła, cited above, § 158). (…)
In such circumstances, and on the basis of the practice established by the Supreme Court, the Court considers that the length remedy provided for by the 2008 Act is to be regarded, in principle, as effective within the meaning of Article 35 § 1 of the Convention. Consequently, applicants should be required to avail themselves of it before submitting their length complaints to the Court.”
5.8
In eerste aanleg noch in cassatie is aangevoerd dat in Noord-Macedonië door de verdediging een procedure is gevoerd met betrekking tot de gestelde overschrijding van de redelijke termijn dan wel dat een dergelijke procedure wel is gevoerd maar ten onrechte niet tot (voldoende) compensatie heeft geleid. Uit de in cassatie voorhanden stukken blijkt dat evenmin. Het heeft er – voor zover in cassatie kan worden beoordeeld – dan ook alle schijn van dat een overschrijding van de redelijke termijn in Noord-Macedonië geen onderwerp van geschil is geweest, terwijl de rechter in de verzoekende staat naar mijn inzicht in de regel beter in staat is een dergelijke klacht te beoordelen dan de Nederlandse uitleveringsrechter.6.In zoverre komt het bestreden oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een (voltooide) flagrante schending van het recht van op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM mij niet onbegrijpelijk voor.
5.9
Zelfs indien het ervoor moet worden gehouden dat wél vast is komen te staan dat het recht op een berechting in een redelijke termijn van art. 6 lid 1 EVRM van de opgeëiste persoon is geschonden en daarvoor ten onrechte geen (passende) compensatie is geboden, dan zou ik menen dat dit de opgeëiste persoon in cassatie niet kan baten. Dat licht ik als volgt toe. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren.7.De uitleveringsrechter moet bij de beoordeling van een verzoek tot uitlevering met als doel de tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde straf uitgaan van de juistheid van de veroordeling door de rechter van de verzoekende staat. Dit kan slechts anders zijn als komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante schending van door art. 6 EVRM gewaarborgde rechten.8.Indien wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid, een flagrante (voltooide) inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden.9.
5.10
Het begrip ‘flagrante schending’ is afgeleid van de rechtspraak van het EHRM, die inhoudt dat art. 6 EVRM slechts in uitzonderlijke gevallen aan uitlevering in de weg kan staan, namelijk wanneer de opgeëiste persoon “has suffered or risks suffering a flagrant denial of a fair trial”.10.Daaruit volgt dat niet iedere schending van art. 6 EVRM een beletsel voor uitlevering is, maar alleen een schending van art. 6 EVRM die als ‘flagrant’ kan worden aangemerkt.11.Een “flagrant denial of justice” is – aldus het EHRM in de zaak Othman/Verenigd Koninkrijk – “a stringent test of unfairness which goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State”. Vereist is “a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article”.12.
5.11
In de Othman-uitspraak somt de EHRM ook een aantal voorbeelden op van gevallen waarin sprake zou kunnen zijn van een “flagrant denial of justice”:
“- conviction in absentia with no possibility subsequently to obtain a fresh determination of the merits of the charge (Einhorn, cited above, § 33; Sejdovic, cited above, § 84; Stoichkov, cited above, § 56);
- a trial which is summary in nature and conducted with a total disregard for the rights of the defence (Bader and Kanbor, cited above, § 47);
- detention without any access to an independent and impartial tribunal to have the legality the detention reviewed (Al-Moayad, cited above, § 101);
- deliberate and systematic refusal of access to a lawyer, especially for an individual detained in a foreign country (ibid.).”
5.12
Ik betwijfel of een (forse) overschrijding van de redelijke termijn kan worden aangemerkt als een aldaar bedoeld uitzonderlijk geval, in die zin dat sprake is van een fundamentele schending van het recht op een eerlijk proces en een “flagrant denial of justice” in de hiervoor bedoelde zin.
5.13
In de rechtspraak van de Hoge Raad ben ik geen gevallen tegengekomen waarin een verzoek tot executie-uitlevering lag en waarin deze vraag speelde. Wél vond ik verschillende uitspraken in uitleveringszaken ter fine van strafvervolging waarin door de verdediging een beroep was gedaan op een overschrijding van de redelijke termijn. In 2003 overwoog de Hoge Raad nog dat niet is uitgesloten dat tijdsverloop grond kan opleveren voor ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering, namelijk indien het tijdsverloop van dien aard is dat er – alle omstandigheden in aanmerking genomen – geen sprake meer kan zijn van een berechting van de opgeëiste persoon binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM.13.Een dergelijke benadering klinkt ook door in het arrest van 27 maart 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8362, NJ 1984/61114., m.nt. Th.W. van Veen waarin de Hoge Raad als feitenrechter oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden en de door Turkije verzochte uitlevering derhalve ontoelaatbaar moest worden verklaard.15.Opmerking verdient dat dit arrest nog dateert van vóór het hiervoor besproken Soering-arrest van het EHRM, waarin het criterium “flagrant denial of justice” is neergelegd.
5.14
Gelet op het Soering-arrest is het wellicht niet zonder toeval dat cassatieklachten over de verwerping van verweren strekkende tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering wegens een overschrijding van de redelijke termijn sindsdien niet succesvol zijn gebleken. Zo oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 17 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0602, NJ 1997/534, m.nt. T.M. Schalken dat het in eerste aanleg gevoerde verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar moest worden verklaard omdat het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn was geschonden “niet een zodanig flagrante schending van het evenbedoelde recht oplevert dat dit tot ontoelaatbaarheid van de verzochte uitlevering zou moeten leiden”.16.De Hoge Raad oordeelde in vergelijkbare zin in zijn arrest van 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5361, NJ 2007/566 dat het oordeel van de rechtbank, dat erop neerkwam dat het verweer van de verdediging reeds afstuit op de omstandigheid dat van de gestelde dreigende flagrante schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn in de verzoekende staat (Griekenland) geen sprake is, geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting, “meer in het bijzonder gelet op de in cassatie niet bestreden vaststellingen door de Rechtbank omtrent ‘het gedrag van de opgeëiste persoon’ in het verband van de strafvervolging terzake waarvan de uitlevering wordt verzocht”. Het meest recent is de zaak die leidde tot het arrest van 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:501, NJ 2023/8, m.nt. J.M. Reijntjes. De rechtbank had geoordeeld dat de omstandigheid dat de opgeëiste persoon sinds november 2016 in afwachting was van de voortzetting van de strafvervolging door de justitiële autoriteiten van de verzoekende staat (Israël), niet leidt tot de vaststelling dat sprake is van dreiging van een flagrante inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM. Het daarin besloten liggende oordeel van de rechtbank dat dit tijdsverloop, voor zover dat al zou kunnen leiden tot de vaststelling van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, niet met zich brengt dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM en/of art. 14 lid 1 IVBPR, in de zin van “a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article”, getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting.
5.15
Sinds de verdere aanscherping van het criterium “flagrant denial of justice” in de Othman-uitspraak van het EHRM, waarnaar de Hoge Raad in het laatstgenoemde arrest ook expliciet verwijst, laat het zich naar mijn inzicht moeilijk voorstellen dat een niet-gecompenseerde overschrijding van de redelijke termijn in de weg zou moeten staan aan de inwilliging van een uitleveringsverzoek.17.Reeds hierom acht ik het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een (voltooide) flagrante schending van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, wat er ook zij van de gronden waarop dat oordeel berust, niet onbegrijpelijk.
5.16
Daar draagt in dit geval mijns inziens alleen maar aan bij dat Noord-Macedonië partij is bij het EVRM en derhalve voor de opgeëiste persoon in beginsel, voor zover hij de nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput (hetgeen in dit geval de vraag is), een rechtsgang bij het EHRM openstaat of open heeft gestaan in verband met de gestelde inbreuk van art. 6 lid 1 EVRM.18.Hoewel een en ander niet nadrukkelijk betrokken wordt in het toetsingskader van de Hoge Raad bij een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging (zie hiervoor onder randnummer 5.9), zou ik willen bepleiten dat deze omstandigheid, mede bezien in het licht van de betekenis van het geldende interstatelijke vertrouwensbeginsel, ook in een geval als het onderhavige des te minder ruimte overlaat voor een weigering van een verzoek tot uitlevering.
5.17
Het voorgaande brengt mee dat ook deelklacht (ii) doel mist.
6. Slotsom
6.1
Het cassatiemiddel faalt in beide onderdelen.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑11‑2025
Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren. Vgl. o.a. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. N. Rozemond, rov. 3.5 en HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2323, NJ 2018/93, m.nt. N. Rozemond, rov 2.3.
Zie hierover ook M.L. Trajkovska & I. Trajkovski, ‘The impact of the European Convention on Human Rights and the case law on the Republic of Macedonia’, in: I. Motoc & I. Ziemele, The Impact of the ECHR on Democratic Change in Central and Eastern Europe, Cambridge University Press 2016, hfdst. 13, para. 5.3.1, p. 276 en T. Zoroska Kamilovska, Effective remedy for excessive length of proceedings: a Macedonian perspective, Access to justice in Eastern Europe, 2021, p. 61-78, te raadplegen via https://doi.org/10.33327/AJEE-18-4.1-a000046.
Eerder verklaarde het EHRM al het verzoekschrift in de zaak Surbanoska e.a./Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (EHRM 31 augustus 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:0831DEC003666503) niet-ontvankelijk, omdat de betrokkene, die inmiddels met succes gebruik had gemaakt van de Noord-Macedonische redelijke termijnprocedure, niet langer kon worden aangemerkt als een “slachtoffer’ van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn. De kennelijke stelling in de toelichting op het middel dat het Noord-Macedonische rechtskader volgens het EHRM niet adequaat en toereikend is lijkt mij dan ook niet juist. De verwijzing van de steller van het middel naar EHRM 22 juni 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0622JUD003072115 (Petrović/Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië) maakt dat niet anders. In die zaak oordeelde het EHRM (slechts) dat de in dit specifieke geval toegekende financiële compensatie ontoereikend was, gelet op de lengte van de overschrijding en de compensatie die doorgaans wordt toegekend in soortgelijke zaken. In zoverre biedt deze uitspraak wel steun aan hetgeen de steller van het middel als tweede deelklacht presenteert.
EHRM 3 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:1103DEC003891405 (Adži-Spirkoska e.a/Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië), onder hfdst. 2. ‘The Court’s assessment’, para. (c) ‘Application of the foregoing principles’.
Zie ook V.H. Glerum & N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt, Handboek internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Kluwer 2022, p. 264, die uit rechtspraak van de Hoge Raad (in zaken waarin het telkens ging om een verzoek tot vervolgingsuitlevering; zie voetnoten 351 en 352) afleiden dat reeds voltooide flagrante schendingen van art. 6 EVRM die bestaan uit een overschrijding van de redelijke termijn in beginsel moeten worden beoordeeld door de strafrechter van de verzoekende staat en niet door de uitleveringsrechter en dat dus als uitgangspunt geldt dat mensenrechtenverweren voor de strafrechter van de verzoekende staat moeten worden gevoerd. Vgl. tevens de niet-ontvankelijkheidsbeslissing van het EHRM van 4 mei 2010 in de overleveringszaak Stapleton/Ierland (ECLI:CE:ECHR:2010:0504DEC005658807), randnr. 29.
HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. N. Rozemond, rov 3.5.
HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9152, NJ 2006/125; HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1315.
HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. N. Rozemond, rov 3.6 onder A; HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1315.
EHRM 7 juli 1989, ECLI:CE:ECHR:1989:0707JUD001403888, NJ 1990/158 m.nt. E.A. Alkema, par. 113 (Soering/Verenigd Koninkrijk).
Glerum & Rozemond, a.w., p. 260 en V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 161.
EHRM 17 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000813909 (Othman/Verenigd Koninkrijk), NJ 2013/360, m.nt. N. Keijzer, par. 260; EHRM 15 juni 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0615DEC007153714 (Harkins/Verenigd Koninkrijk), par. 62-65.
HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42, rov. 3.3. De Hoge Raad verwijst daarin naar de arresten HR 29 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1143, NJ 1991/467 en HR 5 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:AB9063, NJ 1991/547. In beide zaken had de verdediging aangevoerd dat bij uitlevering de berechting van de opgeëiste persoon niet meer binnen een redelijke termijn zou kunnen plaatsvinden. Volgens de Hoge Raad kon uit het gevoerde verweer niet blijken dat “de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 eerste lid EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de uit het te dezen toepasselijke Europees Uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering in de weg staat.”
Dit arrest ontving de nodige kritiek in de literatuur. Het oordeel van de Hoge Raad dat het een zaak van de uitleveringsrechter is om te toetsen aan art. 6 EVRM zou neerkomen op een schending van het interstatelijke gelijkheidsbeginsel en op praktische bezwaren stuiten, zoals doorkruising van het buitenlandse beleid door de rechter (zie de noot van T.M. Schalken bij HR 17 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0602, NJ 1997/534, randnr. 5 en de daar genoemde literatuur).
Hierbij speelde mee dat Turkije (destijds) niet behoorde tot de staten die een verklaring als bedoeld in art. 25 (oud) EVRM hadden afgelegd en daaruit volgde dat de opgeëiste persoon geen gelegenheid zou krijgen zich tot de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens te wenden indien de rechter in Turkije eventueel niet mocht oordelen en beslissen zoals volgens het vertrouwensbeginsel had mogen worden verwacht. Art. 25 (oud) EVRM bepaalde dat de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens bevoegd is om kennis te nemen van verzoekschriften van personen die beweren het slachtoffer te zijn van schending van in het verdrag gegarandeerde rechten. In 1998 werd de Commissie en het destijds bestaande EHRM vervangen door een nieuwe permanent EHRM (11e Protocol bij het EVRM).
Ook hier ging het om uitlevering aan Turkije. Ten tijde van dit arrest had Turkije inmiddels het individuele klachtrecht aanvaard (zie de noot van T.M. Schalken, randnr. 5).
Al in 2009 wierp Rozemond de vraag op of een schending van de redelijke termijn wel ‘flagrant’ kan zijn in de zin van de betekenis die het EHRM hanteert, vooral sinds het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, waarin is bepaald dat schendingen van de redelijke termijn in Nederlandse strafzaken niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen leiden, ook niet in uitzonderlijke gevallen (N. Rozemond, Begrensd vertrouwen. Mensenrechtenbescherming bij uitlevering en overlevering, Preadvies voor de vergadering van de Christen Juristen Vereniging, Zutphen: Uitgeverij Parijs 2009, p. 45-46).
Vgl. het toepasselijk kader voor een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging, waarbij de uitleveringsrechter, in het geval sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op een mensenrechtenschending, ook moet beoordelen of de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, lid 3 aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat (HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. N. Rozemond, rov. 3.6 onder B, onder (iii)(b)). Een en ander houdt verband met het uitgangspunt dat in de gevallen waarin zowel de verzoekende staat als de aangezochte staat is toegetreden tot het EVRM, het vertrouwen meebrengt dat de verzoekende staat de bepalingen van dat verdrag zal eerbiedigen mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende staat (zie bijv. HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42; HR 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3308, NJ 2004/41 m.nt. Y. Buruma, rov. 6.5). Ook het EHRM maakt een onderscheid tussen uitlevering aan staten die partij zijn bij het EVRM en uitlevering aan derde staten. Wanneer de verzoekende staat partij is bij het EVRM, rust op die staat op grond van het EVRM de plicht om te zorgen voor procedurele waarborgen en effectieve rechtsmiddelen en kan de betrokkene na een eventuele schending de zaak bij het EHRM aanhangig maken. Daaruit leidt het EHRM af dat er in een dergelijk geval niet snel sprake is van een voltooide of dreigende flagrante schending van het EVRM op grond waarvan de aangezochte staat de uitlevering moet weigeren aan een verzoekende staat die partij is bij het EVRM (zie Glerum & Rozemond, a.w., p. 264 en H. Sanders, Handboek uitleverings- en overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 384, die verwijzen naar EHRM (dec.) 4 oktober 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:1004DEC001204906 (Cenaj/Griekenland) en EHRM (dec.) 15 december 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1215DEC004321205 (Kaplan/Duitsland)).
Beroepschrift 29‑09‑2025
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
(strafzaken)
Rotterdam, 29 september 2025
Inzake | : [de opgeëiste persoon] / OM I A (10.121603.25) |
Onze ref. | : D222262 |
Cliënt | : [de opgeëiste persoon], geb. [geboortedatum]-1980 |
Griffienr HR | : 25/02310 U |
Parketnr RB | : 10.121603.25 / UTL-1-2025010730 |
Geeft eerbiedig te kennen:
[de opgeëiste persoon] thans gedetineerd in PI [a-plaats];
dat requirant van cassatie van een hem betreffende uitspraak van de Rechtbank Rotterdam uitgesproken op 10 juni 2025 het volgende middel van cassatie voordraagt:
Middel
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt doordat de rechtbank het verweer dat sprake is van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Dit maakt dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard.
inleiding
De zaak draait om een voorgenomen executieuitlevering van rekwirant [de opgeëiste persoon] naar Noord-Macedonië. Rekwirant is in Noord-Macedonië veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor poging moord gepleegd op 24 december 2005. De strafvervolging tegen rekwirant is op 29 maart 2006 aangevangen en is pas op 22 januari 2025 geëindigd. De strafvervolging heeft dus bijna 19 jaar geduurd.1.
Rekwirant heeft in eerste aanleg gesteld dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft deze stelling impliciet bevestigd door als volgt te overwegen:
‘De rechtbank is op grond van deze overwegingen in combinatie met het voornoemde vertrouwensbeginsel van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat geen enkele compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn is geboden.2.’
Rekwirant meent dat dus in cassatie bij wijze van veronderstelling uitgegaan mag worden van de juistheid van de stelling dat sprake is van een schending van de redelijke termijn.
Namens rekwirant heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren vanwege deze forse schending van de redelijke termijn die een flagrante voltooide schending van art. 6 EVRM oplevert.
Uit de overgelegde pleitaantekening blijkt dat het navolgende verweer is gevoerd.
‘Pleitaantekeningen
Voltooide schending van art. 6 EVRM
- 11.
Dan de voltooide schending art. 6 EVRM. Ook hierbij staat weer het enorme tijdsverloop van bijna 20 jaar centraal.
- 12.
Volgens art. 6 EVRM lid 1 heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.
‘Artikel 6. Recht op een eerlijk proces
- 1.
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.’
(Onderstreping door mij, raadsvrouw)
- 13.
In het uitleveringsverzoek kunt u lezen dat het incident waarvoor cliënt is veroordeeld op 24 december 2005 heeft plaatsgevonden. Het uitleveringsverzoek bevat daarnaast helaas slechts beperkt informatie over het verloop van de strafrechtelijke procedure vanaf die dag. Eigenlijk weten we op basis van die stukken alleen wat er sinds het vonnis in eerste aanleg op 26 januari 2024 dus in het laatste jaar is gebeurd.
- 14.
Om die reden heeft de verdediging contact opgenomen met de raadsman die cliënt in Macedonische strafzaak heeft bijgestaan. Mr. Stevica heeft daarop een beknopte samenvatting van het verloop van de strafzaak in Noord-Macedonië opgesteld die ik als bijlage gehecht heb aan deze pleitnota (bijlage brief advocaat Noord-Macedonië). En, uit die samenvatting volgt dat de zaak al heel lang loopt en er ongebruikelijk veel zittingen hebben plaatsgevonden.
- 15.
Voor de vraag of de redelijke termijn is geschonden is van belang wanneer de strafvervolging is aangevangen. Uit de samenvatting blijkt dat de vervolging van cliënt op 29 maart 2006 is begonnen (bijlage brief p. 1). Op die dag is cliënt voor de eerste keer als verdachte verhoord door de onderzoeksrechter van de rechtbank in Kumanovo: een handeling waaraan cliënt in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld.3. Voor de eerste keer naar de rechtbank moest cliënt pas 3 jaar later op 18 mei 2009: de eerste van een reeks zittingen bij verschillende instanties die pas op 22 januari 2025 door het arrest van het Hooggerechtshof tot een einde zijn gekomen.
- 16.
In totaal heeft de rechtszaak tegen cliënt dus bijna 19 jaar geduurd (maart 2006– januari 2025). Van een behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn kan al op het eerste gezicht geen sprake zijn.
- 17.
De schending van de redelijke termijn wordt nog duidelijker als wij de factoren toepassen die volgens het Straatsburgse Hof van belang zijn bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is geschonden, te weten:4.
- —
De complexiteit van de zaak;
- —
Het belang van de zaak ofwel hoe zwaar het voor cliënt is geweest dat de zaak zo lang boven zijn hoofd is blijven hangen;
- —
De impact van het gedrag van procespartijen die niet voor rekening van de staat komt;
- —
De impact van het gedrag die wel aan de staat kan worden toegerekend.
- 18.
Hoe zit dat in de zaak van cliënt?
complexiteit van de zaak
- 19.
Het eerste en belangrijkste criterium is de ingewikkeldheid van een zaak.5. Die lijkt in de zaak van cliënt beperkt te zijn. De zaak betreft een uit de hand gelopen vechtpartij waarin het bewijs neerkomt op verklaringen van aangever, cliënt en zo'n 7 getuigen en een aantal medische stukken en deskundigenrapporten (vertaling, p. 7–8). Redelijk overzichtelijk dus. Voor zover ik kan zien was er even min sprake van ingewikkelde juridische kwesties noch een complexe procedure gelet op een groot aantal procesdeelnemers6., het opspeuren van getuigen7. of samenwerking met buitenlandse opsporingsambtenaren8..
belang van de verdachte
- 20.
Ondanks de geringe complexiteit van de zaak stond er veel op het spel voor cliënt.9.
- 21.
Het gaat immers niet om een grote som geld waarover partijen in een langdurige civielrechtelijke procedure hebben getwist of strafvervolging voor een verkeersovertreding. De verdenking ziet op een ernstig (niet-voltooid) levensdelict waarvoor uiteindelijk een gevangenisstraf van meerdere jaren is opgelegd.
- 22.
Dat deze verdenking en de mogelijkheid van een langdurige gevangenisstraf voor 19 jaar als een zwaard van Damocles boven het hoofd van cliënt heeft gehangen weegt zwaar. De angst gedetineerd te raken speelde altijd in het achterhoofd van cliënt — op het moment dat hij voor de eerste keer vader werd en vervolgens ook toen hij zijn kinderen zag opgroeien.
gedrag van partijen
- 23.
Daarnaast dient er volgens het Straatsburgs hof gekeken te worden naar het gedrag van de partijen.10. Als de verdediging aan de lopende band de procedure heeft vertraagd kan je minder snel beroep doen op een overschrijding van de redelijke termijn. Dat de verdediging in onderhavige zaak de procedure door herhaaldelijke aanhoudingsverzoeken of uitgebreide onderzoekswensen heeft verlengd blijkt niet.
gedrag van Noord-Macedonië
- 24.
Uit de omschrijving van de Noord-Macedonische advocaat lijkt de oorzaak voor de vertraging even oneerbiedig gezegd veel meer te liggen in het feit dat de rechtbank in eerste aanleg ‘haar werk niet goed heeft gedaan’.11. De Skopje Court of Appeal heeft tot 7 keer toe de zaak terugverwezen naar de rechtbank omdat in eerste aanleg procedurele fouten zijn gemaakt (brief p. 4). Twee keer heeft de Supreme Court de zaak met duidelijke instructies over het vaststellen van de feiten teruggestuurd naar de feitelijke instanties (brief p. 4). Hoe dan ook. Niet blijkt dat de overschrijding van de redelijke termijn aan de verdediging te wijten valt maar juist wel dat de overschrijding voor de rekening van de uitvaardigende lidstaat Noord-Macedonië komt.
- 25.
Dat een procedure van in totaal bijna 19 jaar een forse schending van de redelijke termijn oplevert staat niet ter discussie. Ter illustratie: In de zaak Ruotolo v. Italy heeft het hof in Straatsburg geoordeeld dat een procedure die 12 jaar duurt een schending van art. 6 EVRM oplevert.12. In Nederland is al bij een procedure (tot aan de Hoge Raad) die langer duurt dan 6 jaar sprake van een schending van de redelijke termijn.13.
- 26.
Wat inherent is aan een schending van de redelijke termijn is dat deze niet hersteld kan worden. Tijd kan simpelweg niet teruggedraaid worden.
geen compensatie
- 27.
Wellicht ten overvloede wijs ik u erop bij dat het Straatsburgse Hof de compensatie die Noord-Macedonië biedt voor een schending van de redelijke termijn ‘manifestly inadequate’ acht en dus de kans dat cliënt op een adequate manier gecompenseerd zal worden voor deze forse schending van art. 6 nihil is.14.
- 28.
Deze reeds voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM maakt dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard.’
(einde citaat)
De rechtbank Rotterdam heeft het verweer van de verdediging dat sprake is van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM verworpen en dat als volgt gemotiveerd:15.
‘Beoordeling
Voltooide schending van artikel 6 EVRM
Uitgangspunt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, is dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten, welke zijn neergelegd in het EVRM, zijn gerespecteerd. Noord-Macedonië is partij bij het EVRM.
Indien komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. De uitleveringsrechter dient het verweer van de raadsvrouw van overschrijding van de redelijke termijn, waarvoor geen compensatie is geboden, op zijn aannemelijkheid te onderzoeken
In het onherroepelijke vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Kumanovo van 26 januari 2024 (kenmerk K- 494/23) overweegt die rechtbank het volgende:
‘Bij het vaststellen van de strafmaat heeft de rechtbank alle omstandigheden in aanmerking genomen die volgens de wet op de beslissing van invloed zijn, en gelet op … de lange tijd die sindsdien is verstreken.’
Gelet op deze overweging stelt de rechtbank vast dat bij het opleggen van de Gevangenisstraf waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van de executie van die straf is verzocht, rekening is gehouden met het feit dat lange tijd is verstreken sinds het plegen van het bewezenverklaarde feit. Blijkens het arrest van het Gerechtshof Skopje van 26 september 2024 (kenmerk KZ-379/24) is bij de toetsing van de straf in hoger beroep kennelijk evenzo het tijdsverloop betrokken.
De rechtbank is op grond van deze overwegingen in combinatie met het voornoemde vertrouwensbeginsel van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat geen enkele compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn is geboden. Van een (voltooide) flagrante schending van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, zoals aangevoerd door de raadsvrouw, is geen sprake. De rechtbank verwerpt dit verweer. (…)’
(einde citaat)
Deelklacht I
De verwerping van het verweer dat sprake is van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM, en in het bijzonder de overweging dat niet aannemelijk is geworden dat geen enkele compensatie is geboden voor de overschrijding van de redelijke termijn, is onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd. Volgens de in het vonnis geciteerde overwegingen van de rechtbank in Kumanovo en het gerechtshof in Skopje is uitsluitend rekening gehouden met de ouderdom van het feit. Het feit dat in strafmatigende zin rekening is gehouden met de ouderdom van het feit kan geen compensatie bieden voor de schending van het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op berechting binnen een redelijke termijn. De ouderdom van een feit is namelijk niet gelijk te stellen aan de duur van de strafrechtelijke procedure.
Uit de kernstukken blijkt dat de rechtbank in Kumanovo en het gerechtshof in Skopje bij de strafmotivering alleen de ouderdom van het feit hebben betrokken en de overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing hebben gelaten.
De rechtbank Kumanovo heeft in de zaak met het kenmerk K- 494/23 overwogen dat rekening is gehouden met ‘de lange tijd die sindsdien is verstreken’.16.
‘Bij het vaststellen van de strafmaat heeft de rechtbank alle omstandigheden in aanmerking genomen die volgens de wet op de beslissing van invloed zijn, en gelet op de manier waarop het misdrijf is begaan, het gevaar van dit type misdrijf, het gedrag van de verdachte na het plegen van het misdrijf, en het feit dat hij sinds lange tijd niet voor de rechtbank is verschenen, eerdere veroordelingen, het feit dat het slachtoffer gelukkig geen ernstigere blijvende gevolgen aan het misdrijf heeft overgehouden, de lange tijd die sindsdien is verstreken.’
Het gerechtshof Skopje heeft blijkens het arrest van 26 september 2024 ten aanzien van de strafmotivering van de rechtbank in Kumanovo geconcludeerd dat rekening is gehouden met ‘de lange tijd die is verstreken sinds het misdrijf is begaan’.17.
‘Met betrekking tot de strafmaat concludeert dit Hof dat de Rechtbank van Eerste Aanleg een heldere en consistente beslissing heeft genomen op basis van een correct vastgestelde feitelijke situatie en een correcte toepassing van het materieel recht, en zodoende juist heeft gehandeld door de verdachte [de opgeëiste persoon] tot een gevangenisstraf van drie jaren te veroordelen, waarbij alle verzwarende en verzachtende omstandigheden ten aanzien van de verdachte in aanmerking zijn genomen en overwogen, zoals specifiek in de beargumentering van liet vonnis wordt vermeld. Deswege heeft de rechtbank terecht de manier waarop het misdrijf is gepleegd, het gevaar van dit type misdrijf, het gedrag van de verdachte na het begaan van het misdrijf, het feit dat hij lange tijd niet voor de rechtbank heeft willen verschijnen, evenals de eerdere veroordelingen, als verzwarende omstandigheden aangemerkt, en deze beoordeeld in onderlinge samenhang met de verzachtende omstandigheden, namelijk de afwezigheid van ernstigere blijvende gevolgen van het misdrijf voor het slachtoffer en de lange tijd die is verstreken sinds het misdrijf is begaan.’
De overweging dat ‘lange tijd die is verstreken sinds het misdrijf is begaan’ ziet op de ouderdom van het feit en niet op de schending van de redelijke termijn. In het kader van de schending van de redelijke termijn is namelijk de duur van de strafprocedure van belang en niet de tijd die sinds het begaan van het misdrijf is verstreken. De duur van de strafprocedure wordt niet vermeld in de geciteerde strafmotiveringen.
De rechtbank Rotterdam heeft onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat het feit dat in strafmatigende zin rekening is gehouden met de ouderdom van het feit aangemerkt kan worden als compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn. De ouderdom van een feit is immers niet gelijk te stellen aan de duur van de strafrechtelijke procedure en biedt derhalve geen compensatie voor het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op berechting binnen een redelijke termijn.
Het belang dat art. 6 EVRM beschermt is te voorkomen dat een verdachte niet langer dan redelijk onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven.18.
‘ECLI:NL:HR:2025:888,
4.3.1
Het voorschrift van artikel 6 lid 1 EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.11).’
Volgens vaste jurisprudentie van uw Raad ontstaat de dreiging nog niet op het moment waarop het misdrijf is begaan. Voor de beoordeling of de redelijke termijn is geschonden, is dan ook niet het tijdstip van het plegen van het delict bepalend, maar het moment waarop de betrokkene door een handeling van de staat in redelijkheid de verwachting kan hebben gekregen dat het openbaar ministerie hem voor een bepaald strafbaar feit zal vervolgen.
‘ECLI:NL:HR:2025:888,
4.3.2.
Op het aan de verdachte in artikel 6 lid 1 EVRM toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een meer specifieke regel daarover valt niet te geven. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.12.1.)’
De jurisprudentie van uw Raad is in lijn met jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) waaruit blijkt dat de termijn voor de redelijke termijn pas begint te lopen vanaf het moment dat een verdachte op de hoogte is geraakt van de strafvervolging.
‘Mamic v. Slovenisa (no. 2), 2006, paras. 23–24
- 23.
In Eckle v. Germany (judgment of 15 July 1982, Series A no. 51, p. 33, § 73) the Court said:
‘In criminal matters, the ‘reasonable time’ referred to in Article 6 § 1 begins to run as soon as a person is ‘charged’; this may occur on a date prior to the case coming before the trial court (see, for example, the Deweer judgment of 27 February 1980, Series A no. 35, p. 22, par. 42), such as the date of arrest, the date when the person concerned was officially notified that he would be prosecuted or the date when preliminary investigations were opened (see the Wemhoff judgment of 27 June 1968, Series A no. 7, pp. 26–27, par. 19, the Neumeister judgment of the same date, Series A no. 8, p. 41, par. 18, and the Ringeisen judgment of 16 July 1971, Series A no. 13, p. 45, par. 110). ‘Charge’, for the purposes of Article 6 § 1, may be defined as ‘the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence’, a definition that also corresponds to the test whether ‘the situation of the [suspect] has been substantially affected’ (see the above-mentioned Deweer judgment, p. 24, par. 46).’
- 24.
In the present case, since the summons for the first hearing was served on the applicant in November 1996, the Court considers that it was then that she first learned that criminal proceedings were pending against her. It was at that time that the applicant's situation became ‘substantially affected’ for the purposes of Article 6 § 1. Accordingly, the period to be taken into consideration began in November 1996.’
Uit het feit dat rekening gehouden is met de tijd die is verstreken sinds het misdrijf kan dus niet afgeleid worden dat ook rekening is gehouden met de (te lange) duur van de procedure.
Uit jurisprudentie van Nederlandse rechtbanken en gerechtshoven blijkt tevens dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de ouderdom van feiten en de overschrijding van de redelijke termijn en dat deze aspecten afzonderlijk van elkaar worden behandeld.
Zo heeft de rechtbank Den Haag in 2022 overwogen dat ondanks het tijdsverloop van 5 jaar geen strafvermindering zal worden toegepast omdat de redelijke termijn niet was overschreden.
‘ECLI:NL:RBDHA:2022:12141
(…) Het tijdsverloop tussen de pleegdatum van het bewezen verklaarde feit en de datum van dit vonnis, ruim vijf jaren, geeft de rechtbank — anders dan de officier van justitie — evenmin aanleiding voor strafvermindering. De reden waarom bij overschrijding van de redelijke termijn doorgaans wél strafvermindering aan de orde is, is om te compenseren dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft moeten leven. Dat kan in deze zaak niet worden gezegd, omdat de verdachte dus op zijn vroegst op 17 november 2020 op de hoogte raakte van een mogelijke strafvervolging.
Dit laat onverlet dat de rechtbank een tijdsverloop van vijf jaren tussen feit en vonnis bijzonder onwenselijk acht, voor zowel het slachtoffer als de verdachte. De rechtbank beseft ook dat de verdachte nu in een heel andere levensfase verkeert dan vijf jaar geleden. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij werk, huis en kinderen heeft. Een langdurige gevangenisstraf zal hierop ongetwijfeld grote impact hebben. Daar staat echter de ernst van het feit tegenover, met de gevolgen waarvan het slachtoffer ook vijf jaar na dato nog steeds worstelt.’
Ook blijkt dat — onder omstandigheden — zowel het ouderdom van feiten als ook de overschrijding van de redelijke termijn afzonderlijk van elkaar tot strafvermindering kunnen leiden. Zo heeft het gerechtshof Amsterdam in 2023 eerst strafvermindering toegepast door (mede) vanwege het tijdsverloop een groter voorwaardelijk strafgedeelte op te leggen (in plaats van vijf maanden heeft het hof acht maanden voorwaardelijk opgelegd). Vervolgens heeft het hof vanwege de overschrijding van de redelijke termijn het voorwaardelijke gedeelte opnieuw vergroot en in plaats van acht maanden tien maanden voorwaardelijk opgelegd.
‘ECLI:NL:GHAMS:2023:1662
‘(…) Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zoals door de rechtbank opgelegd, passend en geboden.
Het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, kort gezegd dat hij drie bedrijven runt waarbinnen het personeel grotendeels afhankelijk van hem is, zullen in strafmatigende zin worden meegewogen. Het hof acht gelet daarop een groter voorwaardelijk strafgedeelte, te weten acht maanden, aan de orde.
Overschrijding van de redelijke termijn
Nu het hoger beroep is ingesteld op 11 juni 2020 en het hof eerst thans, op 11 juli 2023, arrest wijst, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Naar het oordeel van het hof is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met dertien maanden, terwijl die overschrijding niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Om die reden zal het hof het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf (verder) vergroten tot tien maanden.
Het hof zal aldus overgaan tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren.’ (…)’
Ook uit nationale jurisprudentie blijkt dus dat het feit dat rekening is gehouden met de ouderdom van een feit niet maakt dat compensatie is geboden voor de overschrijding van de redelijke termijn.
Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank onbegrijpelijk geoordeeld, althans onvoldoende gemotiveerd waarom uit het feit dat de rechtbank in Kumanovo en het gerechtshof in Skopje in strafmatigende zin rekening hebben gehouden met de ouderdom van het feit afgeleid kan worden dat enkele compensatie is geboden voor de overschrijding van de redelijke termijn. In het verlengde hiervan is de verwerping van het verweer dat sprake is van een flagrante voltooide schending van art. 6 EVRM onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd met als gevolg dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard.
Deelklacht II
In ieder geval heeft de rechtbank de verwerping van het verweer dat sprake is van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd door te oordelen dat niet aannemelijk is dat geen enkele compensatie is geboden voor de overschrijding van de redelijke termijn en dat derhalve geen sprake is van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM.
De rechtbank legt hierbij een onjuiste maatstaf aan. Ook in geval dat wel enige, maar (volstrekt) onvoldoende compensatie wordt geboden kan immers sprake zijn van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM.
De rechtbank heeft de verwerping van het verweer tevens onvoldoende gemotiveerd omdat zij niet heeft gemotiveerd waarom de geboden compensatie adequaat en toereikend is geweest. Het EHRM heeft namelijk geoordeeld dat compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn adequaat en toereikend dient te zijn.
In de zaak Petrović tegen de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië19. werd onder meer geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn. De staat had aangevoerd dat verzoeker niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat hij niet meer als ‘slachtoffer’ van een schending van de rechten neergelegd in het EVRM aangemerkt kan worden gelet op de reeds ontvangen monetaire compensatie van de staat.
- ‘18.
The Government submitted that the Supreme Court's decision of 21 March 2016 meant the applicant could no longer claim to be a victim of a violation under Article 34 of the Convention. That was because the amount of compensation awarded to him had provided adequate and sufficient redress for the alleged violation of the ‘reasonable time’ requirement.’
Het EHRM heeft dat standpunt verworpen en heeft daarbij onder meer overwogen dat de reeds aan verzoeker toegekende schadevergoeding niet adequaat en ontoereikend is.
- ‘20.
The Court observes that the applicant's ‘victim’ status within the meaning of the Convention depends on whether the redress afforded to him at the domestic level was adequate and sufficient, having regard to Article 41 of the Convention. This issue falls to be determined in the light of the principles established under the Court's case-law (see Cocchiarella v. Italy [GC], no. 64886/01, §§ 69–98, and Arvanitaki-Roboti and Others v. Greece [GC], no. 27278/03, § 29, 15 February 2008).
- 21.
In the present case, the Supreme Court, after acknowledging that there had been a violation of the ‘reasonable time’ requirement in the restitution proceedings complained of, awarded the applicant the equivalent of EUR 1,050 in compensation. It did not set a time-limit for the court in question to decide on the applicant's restitution claim. The amount covered the period between 16 November 2004 and 28 April 2015, when the first-instance panel of the Supreme Court had rendered its decision. The Court recalls that according to established case-law, the reasonable time in civil matters may begin to run, in some circumstances, even before the dispute is submitted for adjudication by a court, namely where a court cannot be seized without prior recourse to a remedy before a non-judicial organ (see Vilho Eskelinen and Others v. Finland [GC], no. 63235/00, § 65, ECHR 2007-II; Janssen v. Germany, no. 23959/94, § 40, 20 December 2001; and Božić v. Croatia, no. 22457/02, § 26, 29 June 2006). The Court therefore considers that in the present case, the time to be taken into account began on 27 July 2004, when the applicant brought an appeal before the appeals commission against the decision by which his restitution claim had been dismissed (see § 6 above). As regards the level of the compensation awarded on non-pecuniary grounds, the Court notes that the amount is approximately 35% of what the Court generally awards for non-pecuniary damage in similar cases against the respondent State. The Court thus finds that the compensation awarded to the applicant by the domestic court is manifestly inadequate having regard to what the Court would have been likely to award the applicant under Article 41 of the Convention in respect of non-pecuniary damage. The award therefore cannot be regarded as sufficient in the circumstances of the case to remove the applicant's ‘victim’ status under Article 34 of the Convention (see Scordino v. Italy (no. 1) [GC], no. 36813/97, § 202, ECHR 2006-V). Consequently, the Government's objection must be dismissed.’
In het verlengde hiervan sluit het feit dat enkele, maar ontoereikende compensatie is geboden niet uit dat sprake is van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM. De rechtbank heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom in de zaak van rekwirant de (beweerdelijk) geboden compensatie maakt dat geen sprake meer is van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM.
Zelfs als volgens uw Raad de rechtbank Rotterdam — in tegenstelling tot wat rekwirant onder deelklacht I heeft aangevoerd — begrijpelijk en voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat geen enkele compensatie is geboden voor de schending van de redelijke termijn, is het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM alsnog onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Dat maakt dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard.
Om bovengenoemde gronden verzoekt rekwirant Uw Raad het bestreden vonnis te vernietigen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. N.F. Christiansen, advocaat te Rotterdam, kantoorhoudende aan de Mathenesserlaan 214 (3021 HM), die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
N.F. Christiansen
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑09‑2025
Pleitnota, paras. 18–19.
Vonnis, p. 4.
Wemhoff v. Germany, § 19
Zie onder meer https://rm.coe.int/right-to-a-trial-within-a-reasonable-time-hfii/1680aa3886 RIGHT TO A TRIAL WITHIN A REASONABLE TIME — COMPARATIVE OVERVIEW p. 11 e.v.; zie ook ECLI:NL:HR:2000:AA7309 para. 3.13
König v. the Federal Republic of Germany (merits), 28 June 1978, §99; Buchholz v. the Federal Republic of Germany, 6 May 1981, §49; Eckle v. the Federal Republic of Germany (merits), 15 July 1982, §80; Foti and others v. Italy (merits) and Corigliano v. Italy, 10 Dec. 1982, §56 and §37 respectively; Zimmermann and Steiner v. Switzerland, 13 July 1983, §24. Many subsequent judgments have expressly recalled the relevance, in principle, of this riterion.
H v. the United Kingdom (merits), 8 July 1987, §72; Manieri v Italy and Cardarelli v. Italy, 27 Feb. 1992, §18 and §17 respectively; Billi v. Italy, 26 Feb. 1993, §19;
König v Germany (merits), 28 Juni 1978, para. 28.
Manzoni v. Italy, 19 Februari 1991, para. 18.
See Buchholz v. the Federal Republic of Germany, 6 May 1981, §49
Sergey Denisov and Others v. Russia, Nos. 1985/05 et al.
Foti and others v. Italy (merits), 10 Dec. 1982, §56; Mansur v. Turkey, 8 June 1995, §61.
Ruotolo v. Italy, 27 Feb. 1992, §17.
ECLI:NL:HR:2000:AA7309 zie onder 3.14–3.18
ECtHR, Petrović v. .‘former Yugoslav Republic of Macedonia, Application No. 30721/15,, 22.06.2017. para. 21 ‘The Court thus finds that the compensation awarded to the applicant by the domestic court is manifestly inadequate having regard to what the Court would have been likely to award the applicant under Article 41 of the Convention in respect of non-pecuniary damage.’
Vonnis, p. 4.
Afschrift kernstukken uitleveringsverzoek p. 20.
Afschrift kernstukken uitleveringsverzoek p. 31.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.11.
kenmerk 30721/15