Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 11-09-2025, nr. C-38/24
ECLI:EU:C:2025:690
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
11-09-2025
- Magistraten
F. Biltgen, T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele, S. Gervasoni
- Zaaknummer
C-38/24
- Conclusie
A. rantos
- Roepnaam
Bervidi
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:690, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑09‑2025
ECLI:EU:C:2025:184, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑03‑2025
Uitspraak 11‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Sociaal beleid — Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap — Artikelen 2, 5 en 7 — Artikelen 21, 24 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Richtlijn 2000/78/EG — Gelijke behandeling in arbeid en beroep — Artikel 1 — Artikel 2, lid 1 en artikel 2, lid 2, onder b) — Verbod van discriminatie op grond van een handicap — Indirecte discriminatie — Verschil in behandeling ten aanzien van een werknemer die zelf geen handicap heeft, maar wel voor zijn gehandicapte kind zorgt — Artikel 5 — Verplichting van de werkgever om te voorzien in redelijke aanpassingen
F. Biltgen, T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele, S. Gervasoni
Partij(en)
In zaak C-38/24 [Bervidi] i.,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 17 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 19 januari 2024, in de procedure
G.L.
tegen
AB SpA,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), vicepresident van het Hof, A. Kumin, I. Ziemele en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
G.L., vertegenwoordigd door F. Andretta en M. Parpaglioni, avvocati,
- —
AB SpA, vertegenwoordigd door D. La Rosa, avvocata,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door L. Fiandaca, avvocato dello Stato,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Baroutas en M. Tassopoulou als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Recchia en E. Schmidt als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 maart 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16), gelezen in het licht van het op 13 december 2006 te New York gesloten Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 (PB 2010, L 23, blz. 35; hierna: ‘VN-Verdrag’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen G.L. en AB SpA betreffende de weigering van deze vennootschap om G.L. een aanpassing van haar arbeidsvoorwaarden toe te kennen die haar in staat zou stellen om voor haar gehandicapte zoon te zorgen.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
Punt x., van de preambule van het VN-Verdrag luidt:
‘[De staten die partij zijn bij dit verdrag zijn] ervan overtuigd dat het gezin de natuurlijke hoeksteen van de samenleving vormt en recht heeft op bescherming door de samenleving en de staat en dat personen met een handicap en hun gezinsleden de nodige bescherming en ondersteuning dienen te ontvangen, teneinde hun gezinnen in staat te stellen bij te dragen aan het volledige genot van de rechten van personen met een handicap en wel op voet van gelijkheid met anderen’.
4
Artikel 1 (‘Doelstelling’) van dit verdrag bepaalt:
‘Doel van dit verdrag is het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen.
Personen met een handicap zijn onder meer personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.’
5
Artikel 2 (‘Begripsomschrijvingen’) van dit verdrag bepaalt in de derde en de vierde alinea:
‘Voor de toepassing van dit verdrag wordt verstaan onder:
[…]
‘discriminatie op grond van handicap’: elk onderscheid en elke uitsluiting of beperking op grond van een handicap dat of die ten doel of tot gevolg heeft dat de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid met anderen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden in het politieke, economische, sociale, culturele of burgerlijke leven, of op andere gebieden aangetast of onmogelijk gemaakt wordt. Het omvat alle vormen van discriminatie, met inbegrip van de weigering van redelijke aanpassingen;
‘redelijke aanpassingen’: noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen, indien zij in een specifiek geval nodig zijn om te waarborgen dat personen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen kunnen genieten of uitoefenen’.
6
Artikel 5 (‘Gelijkheid en non-discriminatie’) van het VN-Verdrag luidt als volgt:
- ‘1.
De staten die partij zijn erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet en zonder aanziens des persoons recht heeft op dezelfde bescherming door, en hetzelfde voordeel van de wet.
- 2.
De staten die partij zijn verbieden alle discriminatie op grond van handicap en garanderen personen met een handicap op voet van gelijkheid effectieve wettelijke bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook.
- 3.
Teneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen, nemen de staten die partij zijn alle passende maatregelen om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht.
- 4.
Specifieke maatregelen die nodig zijn om de feitelijke gelijkheid van personen met een handicap te bespoedigen of verwezenlijken, worden niet aangemerkt als discriminatie in de zin van dit verdrag.’
7
Artikel 7 (‘Kinderen met een handicap’) van dit verdrag bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
De staten die partij zijn nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat kinderen met een handicap op voet van gelijkheid met andere kinderen ten volle alle mensenrechten en fundamentele vrijheden genieten.
- 2.
Bij alle beslissingen betreffende kinderen met een handicap vormen de belangen van het kind de eerste overweging.’
8
Artikel 34, lid 1, van dat verdrag voorziet in de oprichting van een Comité voor de rechten van personen met een handicap.
Unierecht
Richtlijn 2000/43
9
Artikel 1 van richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB 2000, L 180, blz. 22) luidt als volgt:
‘Deze richtlijn heeft tot doel een kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.’
10
In artikel 2, leden 1 en 2, van deze richtlijn is het volgende bepaald:
- ‘1.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op grond van ras of etnische afstamming.
- 2.
Voor de toepassing van lid 1 is er:
- a)
‘directe discriminatie’, wanneer iemand op grond van ras of etnische afstamming ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;
- b)
‘indirecte discriminatie’, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen van een bepaald ras of een bepaalde etnische afstamming in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.’
Richtlijn 2000/78
11
In de overwegingen 6, 12, 20, 21 en 37 van richtlijn 2000/78 staat te lezen:
- ‘(6)
Het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden[, dat is vastgesteld op de bijeenkomst van de Europese Raad te Straatsburg op 9 december 1989,] erkent het belang van de bestrijding van elke vorm van discriminatie, met inbegrip van de noodzaak om passende maatregelen te nemen voor de sociale en economische integratie van ouderen en personen met een handicap.
[…]
- (12)
Daartoe dient in de gehele [Europese] Gemeenschap elke directe of indirecte discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid op de door deze richtlijn bestreken terreinen verboden te zijn. […]
[…]
- (20)
Er moeten passende, dat wil zeggen doeltreffende en praktische maatregelen worden getroffen die gericht zijn op aanpassing van de werkplek aan de behoeften van de werknemer met een handicap, bijvoorbeeld aanpassing van gebouwen, uitrusting, arbeidsritme, en taakverdeling, of voorzien in opleidings- en integratiemiddelen.
- (21)
Wanneer wordt nagegaan of de betrokken maatregelen geen onevenredige belasting veroorzaken, moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de financiële en andere kosten, alsmede met de omvang en de financiële middelen van de organisatie of onderneming, en met de mogelijkheid om overheidsgeld of andere vormen van steun te verkrijgen.
[…]
- (37)
Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het EG-Verdrag, kunnen de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het scheppen, binnen de Gemeenschap, van gelijke voorwaarden met betrekking tot gelijke behandeling in arbeid en beroep, onvoldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en derhalve kunnen die doelstellingen wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. […]’
12
Volgens artikel 1 heeft deze richtlijn ‘tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden’.
13
Artikel 2 (‘Het begrip discriminatie’) van deze richtlijn bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden.
- 2.
Voor de toepassing van lid 1 is er:
- a)
‘directe discriminatie’, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;
- b)
‘indirecte discriminatie’, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt,
- i)
tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn, of
- ii)
tenzij de werkgever dan wel iedere andere persoon of organisatie waarop de onderhavige richtlijn van toepassing is, voor personen met een bepaalde handicap krachtens de nationale wetgeving verplicht is passende maatregelen te nemen die overeenkomen met de in artikel 5 vervatte beginselen, teneinde de nadelen die die bepaling, maatstaf of handelwijze met zich brengt, op te heffen.’
14
Artikel 3 (‘Werkingssfeer’) van dezelfde richtlijn bepaalt in lid 1, onder a) en c):
‘Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:
- a)
de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst […];
[…]
- c)
werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden […]’.
15
Artikel 5 (‘Redelijke aanpassingen voor gehandicapten’) van richtlijn 2000/78 luidt als volgt:
‘Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap nageleefd wordt, wordt voorzien in redelijke aanpassingen. Dit houdt in dat de werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen neemt om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het door de lidstaten gevoerde beleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd.’
Italiaans recht
16
Artikel 2, lid 1, van decreto legislativo n. 216 — Attuazione della direttiva 2000/78/EG per la parità di trattamento in materia di occupazione e di condizioni di lavoro (wetsbesluit nr. 216 betreffende de omzetting van richtlijn 2000/78 voor gelijke behandeling in arbeid en beroep) van 9 juli 2003 (GURI nr. 187 van 13 augustus 2003), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt:
‘Voor de toepassing van dit besluit […] wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op grond van godsdienst, persoonlijke overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Dit beginsel houdt in dat geen enkele van de hieronder gedefinieerde vormen van directe of indirecte discriminatie mag plaatsvinden. Er is sprake van:
- a)
directe discriminatie wanneer een persoon op grond van godsdienst, overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid minder gunstig wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;
- b)
indirecte discriminatie wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf, handelwijze, handeling of gedraging personen die een bepaalde godsdienst of ideologie aanhangen, personen met een handicap, personen van een bepaalde leeftijd of van een bepaalde seksuele geaardheid in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt.’
17
Artikel 3, lid 3 bis, van dit wetsbesluit luidt als volgt:
‘Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap wordt nageleefd, zijn werkgevers uit de overheids- en de particuliere sector verplicht om op de werkplek te voorzien in redelijke aanpassingen, zoals omschreven in het [VN-Verdrag], dat op grond van wet nr. 18 van 3 maart 2009 geratificeerd is, opdat wordt gewaarborgd dat personen met een handicap volledig gelijk zijn aan de andere werknemers. Werkgevers uit de overheidssector dienen het in dit lid bepaalde uit te voeren zonder dat dit voor de overheidsfinanciën tot nieuwe of hogere lasten leidt en met de personele, financiële en materiële middelen die op grond van de geldende wetgeving beschikbaar zijn.’
18
Artikel 25, lid 2 bis, van decreto legislativo n. 198 — Codice delle pari opportunità tra uomo e donna, a norma dell'articolo 6 della legge 28 novembre 2005, n. 246 (wetsbesluit nr. 198 betreffende het wetboek gelijke kansen van mannen en vrouwen, overeenkomstig artikel 6 van wet nr. 246 van 28 november 2005) van 11 april 2006 (GURI nr. 125 van 31 mei 2006, gewoon supplement nr. 133), dat na de feiten van het hoofdgeding in werking is getreden, bepaalt:
‘Onder discriminatie in de zin van deze titel wordt verstaan elke behandeling of wijziging van de organisatie van de arbeidsomstandigheden of de arbeidstijd die, vanwege geslacht, leeftijd, behoefte aan persoonlijke of gezinszorg, zwangerschap, moederschap of vaderschap, adoptie daaronder begrepen, of wegens het hebben en uitoefenen van de daaraan verbonden rechten, de werknemer in ten minste één van de volgende situaties plaatst of kan plaatsen: a) een nadelige positie ten opzichte van alle andere werknemers; b) beperking van de mogelijkheden om deel te nemen aan het leven of de keuzes van de onderneming; c) beperking van de toegang tot mechanismen voor promotie en loopbaanontwikkeling.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19
G.L. werkte voor de in Italië gevestigde vennootschap AB als ‘stationsmedewerker’. In die hoedanigheid was zij belast met het toezicht op en de controle van een metrostation.
20
G.L. heeft de vennootschap AB herhaaldelijk verzocht om haar permanent in te delen in een werkplek met vaste werktijden, waarvoor eventueel een lager kwalificatieniveau vereist is, zodat zij voor haar minderjarige zoon kan zorgen die ernstig gehandicapt en volledig invalide is, bij haar woont en 's middags op een vast tijdstip een zorgprogramma moet volgen.
21
AB heeft deze verzoeken niet ingewilligd, maar heeft de arbeidsvoorwaarden van G.L. niettemin op enkele punten tijdelijk aangepast door haar een vaste werkplek toe te wijzen en haar een gunstiger urenregeling toe te kennen dan de andere stationsmedewerkers, die met wisselende tijden en in ploegendienst werken.
22
Op 5 maart 2019 heeft G.L. bij de Tribunale di Roma (rechter in eerste aanleg Rome, Italië) tegen de vennootschap AB beroep ingesteld, om te laten vaststellen dat de weigering van haar werkgever om haar verzoek om permanente aanpassing van haar arbeidsvoorwaarden in te willigen, discriminerend was.
23
In haar beroep heeft G.L. verzocht de vennootschap te gelasten haar permanent in te delen in een werkplek met vaste werktijden in de ochtend (tussen 8.30 en 15.00 uur) en haar te gelasten een plan vast te stellen om de discriminatie jegens haar op te heffen en haar de geleden schade te vergoeden.
24
De Tribunale di Roma heeft het beroep van G.L. verworpen. G.L heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Corte d'appello di Roma (rechter in tweede aanleg Rome, Italië). Die rechter heeft het beroep ten gronde ook verworpen, omdat niet was aangetoond dat er sprake was van het gestelde discriminerende gedrag en dat AB hoe dan ook ‘redelijke aanpassingen’ had doorgevoerd om rekening te houden met de verplichtingen van G.L., ook al ging het om voorlopige maatregelen.
25
G.L. heeft cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), de verwijzende rechter.
26
In oktober 2022 is G.L. door AB ontslagen.
27
De verwijzende rechter is van oordeel dat in het hoofdgeding de vraag aan de orde is of een werknemer die voor zijn minderjarige gehandicapte kind zorgt, zich in rechte kan beroepen op de bescherming tegen indirecte discriminatie op grond van handicap die de persoon met een handicap zelf geniet, gelet op de beginselen die voortvloeien uit het arrest van 17 juli 2008, Coleman (C-303/06, EU:C:2008:415).
28
De verwijzende rechter brengt in herinnering dat het Hof in dat arrest heeft geoordeeld dat de persoonlijke werkingssfeer van de door deze richtlijn geboden bescherming tegen directe discriminatie op grond van handicap zich uitstrekt tot de werknemer die zelf geen handicap heeft, maar voor een gehandicapt kind zorgt aan wie hij wegens diens toestand noodzakelijke zorg verstrekt.
29
De verwijzende rechter merkt op dat G.L. moet worden beschouwd als een ‘mantelzorger’ in de zin van het nationale recht en dat zij als zodanig in aanmerking kan komen voor fiscale en sociale voordelen waarin het Italiaanse recht voorziet, zoals het recht om, voor zover mogelijk, de werkplek te kiezen die het dichtst bij haar woonplaats ligt. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding bood echter geen enkele bepaling van het Italiaanse recht deze mantelzorger bescherming tegen discriminatie op de werkplek wegens de zorg die zij aan haar gehandicapte kind moest verlenen.
30
De verwijzende rechter verduidelijkt dat de in eerste aanleg aangezochte rechter het beroep van G.L. om die redenen heeft verworpen, omdat hij van mening was dat zij geen beroep kon instellen tegen de discriminatie waarvan zij het slachtoffer was geweest. De appelrechter heeft op basis van de beginselen die voortvloeien uit het arrest van 17 juli 2008, Coleman (C-303/06, EU:C:2008:415), dan weer geoordeeld dat een mantelzorger, zoals G.L., zich kon beroepen op de nationale bepalingen die personen met een handicap beschermen tegen discriminatie op het werk.
31
De verwijzende rechter is echter van oordeel dat uit dat arrest niet duidelijk blijkt dat de daaruit voortvloeiende beginselen kunnen worden toegepast op een situatie waarin er sprake is van indirecte discriminatie van een werknemer die naar nationaal recht als ‘mantelzorger’ wordt beschouwd.
32
Tegen deze achtergrond heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet het Unierecht aldus worden uitgelegd, eventueel ook op basis van het [VN-Verdrag], dat de mantelzorger van een ernstig gehandicapte minderjarige die stelt op het werk indirect te zijn gediscrimineerd als gevolg van door hem verrichte zorgtaken, het recht heeft om zich in rechte te beroepen op bescherming tegen discriminatie die deze persoon met een handicap, indien hij werknemer was geweest, zou genieten op grond van richtlijn [2000/78]?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet het Unierecht aldus worden uitgelegd, eventueel ook op basis van het [VN-Verdrag], dat op de werkgever van die mantelzorger de verplichting rust om te voorzien in redelijke aanpassingen teneinde mede ten behoeve van die mantelzorger te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van andere werknemers wordt nageleefd, overeenkomstig hetgeen voor personen met een handicap is bepaald in artikel 5 van richtlijn [2000/78]?
- 3)
Indien de eerste vraag en/of de tweede vraag bevestigend wordt/worden beantwoord: moet het Unierecht, eventueel ook op basis van het [VN-Verdrag], aldus worden uitgelegd dat voor de toepassing van richtlijn [2000/78] onder ‘mantelzorger’ moet worden verstaan om het even welke persoon binnen de familiekring of een samenlevingspartner die in een huiselijke omgeving, ook informeel, onbetaalde, kwantitatief gezien belangrijke, exclusieve, doorlopende en langdurige zorg biedt aan iemand die wegens zijn ernstige handicap in het geheel niet zelfredzaam is in het dagelijkse leven, of moet het Unierecht aldus worden uitgelegd dat de definitie van ‘mantelzorger’ in kwestie ruimer of nog beperkter is dan de hierboven gegeven definitie?’
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
33
Bij akte, neergelegd op 30 maart 2025, heeft G.L. op grond van artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om heropening van de mondelinge behandeling.
34
G.L. betoogt dat, naast de door de verwijzende rechter gestelde vragen, twee vragen moeten worden onderzocht die zij in haar schriftelijke opmerkingen had genoemd, omdat zij in de conclusie van de advocaat-generaal niet zijn onderzocht.
35
Volgens vaste rechtspraak kan het Hof krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van een partij heropenen indien het van oordeel is dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden (arrest van 15 september 2011, Accor, C-310/09, EU:C:2011:581, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Volgens vaste rechtspraak hoeven andere, door partijen bij het hoofdgeding aan het Hof voorgelegde vragen dan de vragen in de verwijzingsbeslissing van de nationale rechter niet te worden behandeld (arrest van 3 september 2015, A2A, C-89/14, EU:C:2015:537, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Aangezien de verwijzende rechter het Hof niet de twee vragen heeft gesteld waarnaar G.L. in haar verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling verwijst, vormen de in dat verzoek aangevoerde argumenten betreffende de noodzaak om deze twee vragen te onderzoeken dientengevolge geen grond voor heropening van deze mondelinge behandeling in de zin van artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering.
38
In die omstandigheden is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het over alle gegevens beschikt om de door de verwijzende rechter gestelde vragen te beantwoorden en dat de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten over alle argumenten die nodig zijn om de betrokken zaak te beslechten, hebben kunnen uitwisselen.
39
Bijgevolg moet het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling worden afgewezen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
40
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2000/78, en met name artikel 1, artikel 2, lid 1, en artikel 2, lid 2, onder b), gelezen in het licht van de artikelen 21, 24 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) en de artikelen 2, 5 en 7 van het VN-Verdrag, aldus moeten worden uitgelegd dat het verbod van indirecte discriminatie op grond van handicap van toepassing is op een werknemer die zelf geen handicap heeft, maar wel een dergelijke discriminatie ondervindt vanwege de zorgtaken die hij voor zijn gehandicapte kind verricht, waardoor dit kind de essentiële zorg kan ontvangen die zijn toestand vereist.
41
Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat zowel uit de titel en de overwegingen als uit de inhoud en de doelstelling van richtlijn 2000/78 blijkt dat deze richtlijn ertoe strekt een algemeen kader te creëren om voor eenieder gelijke behandeling ‘in arbeid en beroep’ te waarborgen door een doeltreffende bescherming te bieden tegen discriminatie op een van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde gronden, waaronder handicap (arrest van 21 oktober 2021, Komisia za zashtita ot diskriminatsia, C-824/19, EU:C:2021:862, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a) en c), van richtlijn 2000/78 is deze richtlijn — binnen de grenzen van de aan de Unie verleende bevoegdheden — zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot onder meer de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst alsook werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden (arrest van 21 oktober 2021, Komisia za zashtita ot diskriminatsia, C-824/19, EU:C:2021:862, punt 36).
43
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de door G.L. gestelde indirecte discriminatie voortvloeit uit het feit dat haar arbeidsvoorwaarden niet zijn aangepast, te weten hoofdzakelijk haar werktijden, die vallen onder de in artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2000/78 vermelde werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden.
44
Een situatie als die welke aan de orde is in het hoofdgeding kan dan ook binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.
45
Om de eerste vraag te beantwoorden dient in herinnering te worden gebracht dat richtlijn 2000/78, op het gebied waarop zij betrekking heeft, het in artikel 21 van het Handvest geformuleerde algemene beginsel van non-discriminatie concretiseert, dat inhoudt dat elke discriminatie op grond van, met name, handicap verboden is (zie in die zin arrest van 21 oktober 2021, Komisia za zashtita ot diskriminatsia, C-824/19, EU:C:2021:862, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wat de situatie in het hoofdgeding betreft, moet bij de behandeling van deze eerste vraag ook rekening worden gehouden met de rechten van het kind en van personen met een handicap, die respectievelijk zijn neergelegd in de artikelen 24 en 26 van het Handvest.
46
Bovendien heeft de Unie het VN-Verdrag goedgekeurd, zodat de bepalingen van dit verdrag sedert de inwerkingtreding ervan deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie. Hieruit volgt dat deze bepalingen, net als die van het Handvest, kunnen worden ingeroepen om de bepalingen van richtlijn 2000/78 uit te leggen, en dat deze richtlijn zo veel mogelijk moet worden uitgelegd in overeenstemming met dat verdrag (zie in die zin arresten van 11 april 2013, HK Danmark, C-335/11 en C-337/11, EU:C:2013:222, punten 30–32, en 18 januari 2024, Ca Na Negreta, C-631/22, EU:C:2024:53, punt 41).
47
Zoals blijkt uit de punten 27 tot en met 31 van het onderhavige arrest, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2000/78, gelezen in het licht van de artikelen 21, 24 en 26 van het Handvest en de artikelen 2 en 5 van het VN-Verdrag, ook van toepassing is op ‘associatieve’ indirecte discriminatie op grond van handicap ten aanzien van een werknemer die voor zijn gehandicapte kind zorgt.
48
In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat richtlijn 2000/78 een situatie van ‘associatieve’ directe discriminatie, op grond van handicap, verbiedt. Het in artikel 1, artikel 2, lid 1 en artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2000/78 neergelegde verbod van directe discriminatie is namelijk niet beperkt tot personen die zelf een handicap hebben. Wanneer een werkgever een werknemer die niet zelf een handicap heeft, minder gunstig behandelt dan een andere werknemer in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, en wanneer is aangetoond dat de ongunstige behandeling waarvan deze werknemer het slachtoffer is, is gebaseerd op de handicap van zijn kind, van wie hij de hoofdverzorger is, is een dergelijke behandeling in strijd met het verbod van directe discriminatie van dat artikel 2, lid 2, onder a) (zie in die zin arrest van 17 juli 2008, Coleman, C-303/06, EU:C:2008:415, punt 56).
49
De omstandigheid dat deze richtlijn bepalingen bevat die specifiek beogen rekening te houden met de behoeften van gehandicapte personen, wettigt niet de conclusie dat het in deze richtlijn geformuleerde beginsel van gelijke behandeling restrictief zou moeten worden uitgelegd, dat wil zeggen in die zin dat uitsluitend directe discriminatie op grond van handicap verboden is en dat dit verbod uitsluitend geldt ten aanzien van gehandicapte personen zelf. Overigens wordt in overweging 6 van die richtlijn, onder verwijzing naar het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, gesproken van zowel de algemene bestrijding van elke vorm van discriminatie als de noodzaak om passende maatregelen te nemen voor de sociale en economische integratie van personen met een handicap (zie in die zin arrest van 17 juli 2008, Coleman, C-303/06, EU:C:2008:415, punt 43).
50
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de door richtlijn 2000/78 nagestreefde doelstellingen, namelijk om met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van een van de in artikel 1 genoemde gronden, waaronder een handicap valt, alsook de in overweging 37 genoemde doelstelling om gelijke voorwaarden te scheppen met betrekking tot gelijke behandeling in arbeid en beroep, net als het nuttig effect van deze richtlijn in het gedrang zouden komen indien het in artikel 2, lid 2, onder a), neergelegde verbod van directe discriminatie beperkt werd tot personen die zelf gehandicapt zijn en niet van toepassing was op een situatie waarin een werknemer die zelf geen handicap heeft, toch rechtstreeks wordt gediscrimineerd op grond van de handicap van zijn kind (zie in die zin arrest van 17 juli 2008, Coleman, C-303/06, EU:C:2008:415, punten 47 en 48).
51
Een uitlegging van richtlijn 2000/78 die de toepassing daarvan beperkt tot personen die zelf gehandicapt zijn, zou deze richtlijn namelijk grotendeels van zijn nuttig effect kunnen beroven en de bescherming die zij geacht wordt te garanderen, kunnen verminderen (zie in die zin arrest van 17 juli 2008, Coleman, C-303/06, EU:C:2008:415, punten 50 en 51).
52
Wat in de tweede plaats de vraag betreft of een situatie van ‘associatieve’ indirecte discriminatie op grond van handicap ook verboden is door richtlijn 2000/78, moet ten eerste worden opgemerkt dat volgens artikel 2, lid 1, van deze richtlijn onder het beginsel van gelijke behandeling wordt verstaan de afwezigheid van ‘elke vorm’ van directe of indirecte ‘discriminatie’ op basis van een van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde gronden.
53
Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat deze richtlijn tot doel heeft om met betrekking tot arbeid en beroep alle vormen van discriminatie op grond van handicap te bestrijden. Het beginsel van gelijke behandeling dat zij op dit gebied formuleert, is namelijk niet van toepassing op een bepaalde categorie personen, maar afhankelijk van een van de in artikel 1 van richtlijn 2000/78 genoemde gronden. Deze uitlegging vindt steun in de bewoordingen van artikel 13 EG — de rechtsgrondslag van richtlijn 2000/78 — (thans artikel 19 VWEU) dat de Unie de bevoegdheid verleende om de noodzakelijke maatregelen te nemen om elke discriminatie op grond van onder meer handicap te bestrijden (zie in die zin arrest van 17 juli 2008, Coleman, C-303/06, EU:C:2008:415, punt 38). Evenzo staat in overweging 12 van deze richtlijn te lezen dat in de Unie ‘elke directe of indirecte discriminatie’ op grond van handicap verboden dient te zijn.
54
Voorts rijst op dezelfde wijze de vraag naar de erkenning van ‘associatieve’ discriminatie op grond van handicap, ongeacht of die discriminatie direct of indirect is. Met name het feit dat het begrip indirecte discriminatie in de regeling van richtlijn 2000/78, anders dan het begrip directe discriminatie, een mogelijkheid van rechtvaardiging inhoudt, heeft geen invloed op de eventuele kwalificatie van een handeling als ‘associatieve’ discriminatie in de zin van deze richtlijn.
55
Uit het voorgaande volgt dat zowel de bewoordingen van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/78 als de doelstelling die aan deze richtlijn ten grondslag ligt, ervoor pleiten om niet alleen ‘associatieve’ directe discriminatie, maar ook ‘associatieve’ indirecte discriminatie te verbieden.
56
Ten tweede moet worden benadrukt dat het Hof, onder verwijzing naar het arrest van 17 juli 2008, Coleman (C-303/06, EU:C:2008:415), met betrekking tot de werkingssfeer van richtlijn 2000/43, waarvan de artikelen 1 en 2 op soortgelijke wijze zijn geformuleerd als de artikelen 1 en 2 van richtlijn 2000/78, reeds heeft geoordeeld dat deze werkingssfeer niet restrictief kon worden omschreven en dat het beginsel van gelijke behandeling waarnaar deze richtlijn verwijst, niet op een bepaalde categorie personen van toepassing was, maar uit hoofde van een van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde gronden, zodat dit beginsel eveneens ten goede moest komen van personen die weliswaar zelf niet behoren tot het betrokken ras of de betrokken etnische groep, maar op een van die gronden ongunstiger behandeld of bijzonder benadeeld worden (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, CHEZ Razpredelenie Bulgaria, C-83/14, EU:C:2015:480, punt 56). Zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, heeft het Hof dus uitdrukkelijk geoordeeld dat ‘associatieve’ indirecte discriminatie verboden is door richtlijn 2000/43.
57
Ten derde moet met het oog op een met het Handvest conforme uitlegging van het discriminatieverbod worden vastgesteld dat, zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 21, lid 1, van het Handvest, het daarin geformuleerde algemene beginsel van non-discriminatie ‘elke discriminatie’, met name op grond van een handicap, verbiedt, zodat een ruime toepassing van deze fundamentele waarborg wordt verzekerd.
58
Het in artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 neergelegde discriminatieverbod moet ook worden uitgelegd in het licht van de artikelen 24 en 26 van het Handvest. Dit artikel 24, dat betrekking heeft op de rechten van het kind, bepaalt in lid 1 dat kinderen recht hebben op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn, en in lid 2 dat bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. In artikel 26 van het Handvest wordt dan weer bepaald dat de Unie het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen, erkent en eerbiedigt (zie in die zin arrest van 18 januari 2024, Ca Na Negreta, C-631/22, EU:C:2024:53, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
Bovendien bevat artikel 21, lid 1, van het Handvest op zijn minst dezelfde waarborgen als die van artikel 14 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat van toepassing is in samenhang met de door dat verdrag gewaarborgde rechten en vrijheden, waarmee krachtens artikel 52, lid 3, van het Handvest rekening moet worden gehouden als minimumbeschermingsniveau (zie naar analogie arrest van 3 april 2025, Alchaster II, C-743/24, EU:C:2025:230, punt 24).
60
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft reeds geoordeeld dat de discriminerende behandeling van een persoon wegens de handicap van zijn kind, met wie hij nauwe persoonlijke banden heeft en aan wie hij zorg verleent, moet worden gekwalificeerd als een vorm van discriminatie op grond van handicap die onder artikel 14 EVRM valt (zie in die zin EHRM, 22 maart 2016, Guberina tegen Kroatië, CE:ECHR:2016:0322JUD002368213, § 79), zonder onderscheid te maken tussen directe en indirecte discriminatie.
61
Ten vierde moet wat betreft de bepalingen van het VN-Verdrag die als richtsnoer kunnen dienen voor de uitlegging van richtlijn 2000/78, in herinnering worden gebracht dat volgens artikel 2, derde alinea, van dat verdrag het begrip ‘discriminatie op grond van handicap’ ‘elk’ onderscheid en ‘elke’ uitsluiting of beperking op grond van een handicap omvat dat of die ten doel of tot gevolg heeft dat de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid met anderen, van de mensenrechten en fundamentele vrijheden in het politieke, economische, sociale, culturele of burgerlijke leven, of op andere gebieden wordt aangetast of onmogelijk wordt gemaakt. Dit begrip omvat ‘alle vormen van discriminatie’, met inbegrip van de weigering van redelijke aanpassingen.
62
Artikel 5, lid 2, van dat verdrag bepaalt dat de staten die partij zijn ‘alle discriminatie’ op grond van handicap verbieden en personen met een handicap op voet van gelijkheid effectieve wettelijke bescherming garanderen tegen ‘discriminatie op welke grond dan ook’.
63
Wat artikel 7 van dat verdrag betreft, preciseert lid 1 dat de staten die partij zijn alle nodige maatregelen nemen om te waarborgen dat kinderen met een handicap op voet van gelijkheid met andere kinderen ‘ten volle’ alle mensenrechten en fundamentele vrijheden ‘genieten’. Lid 2 van dat artikel verduidelijkt dat bij alle beslissingen betreffende kinderen met een handicap de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
64
Zoals de advocaat-generaal in de punten 38 en 39 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is bovendien het bij artikel 34 van het VN-Verdrag ingestelde Comité voor de rechten van personen met een handicap, met name in het kader van de bevoegdheden die aan dat comité zijn verleend bij het Facultatief Protocol bij dat verdrag van 13 december 2006, van mening dat de in artikel 5, lid 2, van dat verdrag neergelegde verplichting om alle discriminatie op grond van handicap te verbieden, strekt tot bescherming van personen met een handicap én hun entourage, zoals de ouders van gehandicapte kinderen, en verwijst het uitdrukkelijk naar ‘associatieve’ discriminatie, zonder deze te beperken tot directe discriminatie.
65
Uit het voorgaande volgt dus dat het beginsel van non-discriminatie, dat is geformuleerd in artikel 21, lid 1, van het Handvest en nader is uitgewerkt in richtlijn 2000/78, ook betrekking heeft op ‘associatieve’ indirecte discriminatie op grond van handicap.
66
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat richtlijn 2000/78, en met name artikel 1, artikel 2, lid 1, en artikel 2, lid 2, onder b), gelezen in het licht van de artikelen 21, 24 en 26 van het Handvest en de artikelen 2, 5 en 7 van het VN-Verdrag, aldus moeten worden uitgelegd dat het verbod van indirecte discriminatie op grond van handicap van toepassing is op een werknemer die zelf geen handicap heeft, maar wel een dergelijke discriminatie ondervindt vanwege de zorgtaken die hij voor zijn gehandicapte kind verricht waardoor dit kind de essentiële zorg kan ontvangen die zijn toestand vereist.
Tweede vraag
67
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, richtlijn 2000/78 en met name artikel 5, gelezen in het licht van de artikelen 24 en 26 van het Handvest alsmede artikel 2 en artikel 7 van het VN-Verdrag, aldus moeten worden uitgelegd dat een werkgever, om te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling van werknemers en het verbod van indirecte discriminatie als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b), van die richtlijn worden geëerbiedigd, moet voorzien in redelijke aanpassingen in de zin van artikel 5 ervan ten aanzien van een werknemer die, zonder zelf gehandicapt te zijn, zorgtaken voor zijn gehandicapte kind verricht, waardoor dit kind de essentiële zorg kan ontvangen die zijn toestand vereist.
68
Volgens de bewoordingen van artikel 5 van richtlijn 2000/78 wordt voorzien in redelijke aanpassingen teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap nageleefd wordt, hetgeen inhoudt dat de werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen neemt om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het door de lidstaten gevoerde beleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd.
69
Wat betreft de vraag of dit artikel 5 van toepassing is op een werknemer die, zonder zelf gehandicapt te zijn, de zorgtaken voor zijn gehandicapte kind verricht, waardoor dit kind de essentiële zorg kan ontvangen die zijn toestand vereist, moet worden opgemerkt dat het Hof in de punten 39 en 42 van het arrest van 17 juli 2008, Coleman (C-303/06, EU:C:2008:415), inderdaad heeft geoordeeld dat richtlijn 2000/78 een aantal bepalingen bevat, waaronder met name artikel 5, die uitsluitend van toepassing zijn op personen met een handicap.
70
In de zaak die tot dat arrest heeft geleid had het verzoek om een prejudiciële beslissing echter geen betrekking op het toepassingsgebied van dat artikel en evenmin op de vraag, zoals in de onderhavige zaak wel het geval is, of, om het beginsel van gelijke behandeling van werknemers en het in artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 neergelegde verbod van indirecte discriminatie te waarborgen, in redelijke aanpassingen in de zin van artikel 5 van deze richtlijn moet worden voorzien ten aanzien van een werknemer die zelf geen handicap heeft, maar die voor zijn gehandicapte kind zorgt. Bovendien waren het Handvest en het VN-Verdrag, in het licht waarvan richtlijn 2000/78 moet worden uitgelegd, op de datum van uitspraak van dat arrest respectievelijk niet in werking getreden of goedgekeurd door de Gemeenschap.
71
Met het oog op een uitlegging van artikel 5 van richtlijn 2000/78 die conform is aan het Handvest, moet er allereerst aan worden herinnerd dat, zoals in punt 58 van het onderhavige arrest is vermeld, de artikelen 24 en 26 van het Handvest met name respectievelijk bepalen dat kinderen recht hebben op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn en dat de Unie het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen, erkent en eerbiedigt.
72
Artikel 2, derde alinea, van het VN-Verdrag bepaalt uitdrukkelijk dat het begrip discriminatie op grond van handicap alle vormen van discriminatie omvat, ‘met inbegrip van de weigering van redelijke aanpassingen’. Volgens de vierde alinea van dat artikel wordt onder ‘redelijke aanpassingen’ verstaan ‘noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen, indien zij in een specifiek geval nodig zijn om te waarborgen dat personen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen kunnen genieten of uitoefenen’. Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zijn redelijke aanpassingen, zoals gedefinieerd in dat artikel 2, niet beperkt tot de behoeften van personen met een handicap op het werk. Bijgevolg moeten dergelijke aanpassingen in voorkomend geval ook worden verleend aan de werknemer die zorgtaken voor een persoon met een handicap verricht, waardoor deze persoon de essentiële zorg kan ontvangen die zijn toestand vereist.
73
Artikel 7, lid 1, van het VN-Verdrag bepaalt ook dat de staten die partij zijn alle nodige maatregelen nemen om te waarborgen dat kinderen met een handicap op voet van gelijkheid met andere kinderen ‘ten volle’ alle mensenrechten en fundamentele vrijheden ‘genieten’. In dit verband wordt in punt x), van de preambule van dat verdrag uitdrukkelijk verwezen naar de noodzaak om de gezinsleden van personen met een handicap de nodige bescherming en ondersteuning te verlenen, teneinde hen in staat te stellen bij te dragen aan het volledige genot van de rechten van personen met een handicap en wel op voet van gelijkheid met anderen. Hieruit volgt dat een werknemer in staat moet zijn om zijn gehandicapte kind de zorg te verlenen die het nodig heeft, hetgeen voor de werkgever de verplichting inhoudt om de arbeidsvoorwaarden van die werknemer aan te passen.
74
Bovendien zou zonder een dergelijke verplichting het in punt 66 van het onderhavige arrest genoemde verbod van ‘associatieve’ indirecte discriminatie van een werknemer die zorgtaken voor zijn gehandicapte kind verricht, waardoor dit kind de essentiële zorg kan ontvangen die zijn toestand vereist, een aanzienlijk deel van zijn nuttige werking worden ontnomen.
75
Uit het voorgaande volgt dat een werkgever ten aanzien van een dergelijke werknemer verplicht is om te voorzien in redelijke aanpassingen in de zin van artikel 5 van richtlijn 2000/78, gelezen in het licht van de artikelen 24 en 26 van het Handvest alsmede artikel 2 en artikel 7, lid 1, van het VN-Verdrag.
76
Wat betreft de soorten redelijke aanpassingen die van de werkgever van een dergelijke mantelzorger worden verlangd, heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 5 van richtlijn 2000/78, gelezen in het licht van met name artikel 2 van het VN-Verdrag, pleit voor een ruime uitlegging van het begrip ‘redelijke aanpassing’ en dat de arbeidstijdverkorting een van de in dat artikel 5 bedoelde maatregelen tot redelijke aanpassingen kan zijn. In bepaalde omstandigheden kan de overplaatsing naar een andere werkplek eveneens een dergelijke aanpassing vormen (zie in die zin respectievelijk arresten van 11 april 2013, HK Danmark, C-335/11 en C-337/11, EU:C:2013:222, punt 64, en 10 februari 2022, HR Rail, C-485/20, EU:C:2022:85, punt 43).
77
Zoals de advocaat-generaal in punt 56 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moeten deze maatregelen tot redelijke aanpassingen het dus mogelijk maken de werkomgeving van de persoon met een handicap aan te passen teneinde hem in staat te stellen ten volle, effectief en op voet van gelijkheid met andere werknemers deel te nemen aan het beroepsleven. Wanneer de werknemer zelf geen handicap heeft, maar voor zijn gehandicapte kind zorgt, moeten die maatregelen ook, met hetzelfde doel, de aanpassing van zijn werkomgeving mogelijk maken.
78
Artikel 5 van richtlijn 2000/78 verplicht de werkgever echter niet om maatregelen te nemen die ertoe zouden leiden dat hem een onevenredige belasting wordt opgelegd. In dit verband volgt uit overweging 21 van deze richtlijn dat wanneer wordt nagegaan of die maatregelen geen onevenredige belasting voor de werkgever veroorzaken, in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de financiële kosten ervan alsook met de omvang en de financiële middelen van de organisatie of onderneming en met de mogelijkheid om overheidsgeld of andere vormen van steun te verkrijgen. De mogelijkheid om een persoon met een handicap op een andere werkplek in te delen bestaat voorts alleen wanneer er ten minste één vacante functie bestaat die de betrokken werknemer kan vervullen (arrest van 18 januari 2024, Ca Na Negreta, C-631/22, EU:C:2024:53, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79
In dat verband staat het aan de verwijzende rechter om in het licht van de voorgaande overwegingen en gelet op alle relevante omstandigheden van het hoofdgeding te beoordelen of de inwilliging van het verzoek van G.L. om permanent te profiteren van vaste werktijden in een bepaalde functie een onevenredige belasting vormde voor haar werkgever in de zin van artikel 5 van richtlijn 2000/78.
80
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat richtlijn 2000/78 en met name artikel 5, gelezen in het licht van de artikelen 24 en 26 van het Handvest alsmede artikel 2 en artikel 7, lid 1, van het VN-Verdrag, aldus moeten worden uitgelegd dat een werkgever, om te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling van werknemers en het verbod van indirecte discriminatie als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b), van die richtlijn worden geëerbiedigd, moet voorzien in redelijke aanpassingen in de zin van artikel 5 ervan ten aanzien van een werknemer die, zonder zelf gehandicapt te zijn, zorgtaken voor zijn gehandicapte kind verricht, waardoor dit kind de essentiële zorg kan ontvangen die zijn toestand vereist, op voorwaarde dat die aanpassingen geen onredelijke belasting vormen voor die werkgever.
Derde vraag
81
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie van het Hof te vernemen hoe het begrip ‘mantelzorger’ voor de toepassing van richtlijn 2000/78 moet worden uitgelegd indien de eerste of de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord.
82
Er zij aan herinnerd dat de noodzaak om te komen tot een uitlegging van het Unierecht die nuttig is voor de nationale rechter, vereist dat hij nauwgezet de vereisten met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing naleeft, die uitdrukkelijk worden vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering en die de verwijzende rechter wordt geacht te kennen in het kader van de door artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking (beschikking van 3 juli 2014, Talasca, C-19/14, EU:C:2014:2049, punt 21, en arrest van 9 september 2021, Toplofikatsia Sofia e.a., C-208/20 en C-256/20, EU:C:2021:719, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Die vereisten zijn bovendien in herinnering gebracht in de punten 13, 15 en 16 van de aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1), die thans zijn opgenomen in de punten 13, 15 en 16 van de aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB C, C/2024/6008).
83
Zo is het onontbeerlijk dat — zoals is bepaald in artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering — de verwijzingsbeslissing zelf een uiteenzetting bevat van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van een aantal bepalingen van het recht van de Unie vragen te stellen, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling. Het is eveneens onontbeerlijk dat — zoals is bepaald in artikel 94, onder a), van het Reglement voor de procesvoering — de verwijzingsbeslissing zelf op zijn minst een overzicht bevat van de feitelijke gegevens waarop de vragen berusten (arrest van 13 december 2018, Rittinger e.a., C-492/17, EU:C:2018:1019, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84
In casu vraagt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van het begrip ‘mantelzorger’ dat niet is opgenomen in richtlijn 2000/78, maar dat, zoals de verwijzende rechter in zijn verzoek uiteenzet, lijkt voort te vloeien uit het nationale recht.
85
Bovendien wordt in de verwijzingsbeslissing niet uitgelegd welk verband er bestaat tussen de verduidelijking die deze rechter van het Hof verzoekt in het kader van zijn derde vraag over dit begrip ‘mantelzorger’ en het hoofdgeding.
86
Hieruit volgt dat de derde vraag niet-ontvankelijk is.
Kosten
87
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep en met name artikel 1, artikel 2, lid 1, en artikel 2, lid 2, onder b), gelezen in het licht van de artikelen 21, 24 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alsmede de artikelen 2, 5 en 7 van het op 13 december 2006 te New York gesloten Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009,
moeten aldus worden uitgelegd dat
het verbod van indirecte discriminatie op grond van handicap van toepassing is op een werknemer die zelf geen handicap heeft, maar wel een dergelijke discriminatie ondervindt vanwege de zorgtaken die hij voor zijn gehandicapte kind verricht waardoor dit kind de essentiële zorg kan ontvangen die zijn toestand vereist.
- 2)
Richtlijn 2000/78 en met name artikel 5, gelezen in het licht van de artikelen 24 en 26 van het Handvest van de grondrechten alsmede artikel 2 en artikel 7, lid 1, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap,
moeten aldus worden uitgelegd dat
een werkgever, om te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling van werknemers en het verbod van indirecte discriminatie als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b), van die richtlijn worden geëerbiedigd, moet voorzien in redelijke aanpassingen in de zin van artikel 5 ervan ten aanzien van een werknemer die, zonder zelf gehandicapt te zijn, zorgtaken voor zijn gehandicapte kind verricht, waardoor dit kind de essentiële zorg kan ontvangen die zijn toestand vereist, op voorwaarde dat die aanpassingen geen onredelijke belasting vormen voor die werkgever.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑09‑2025
Procestaal: Italiaans.
Conclusie 13‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Sociaal beleid — Richtlijn 2000/78/EG — Gelijke behandeling in arbeid en beroep — Artikel 1 — Artikel 2, lid 1, en lid 2, onder b) — Verbod van elke vorm van discriminatie op grond van handicap — Indirecte associatieve discriminatie — Werknemer die, zonder zelf gehandicapt te zijn, stelt op het werk slachtoffer te zijn van een bijzonder nadeel dat berust op de handicap van zijn kind, in wiens hulpbehoefte hij voorziet en van wie hij de hoofdverzorger is — Artikel 5 — Verplichting van de werkgever om te voorzien in redelijke aanpassingen voor deze werknemer
A. rantos
Partij(en)
Zaak C-38/24 [Bervidi] 1.i.
G.L.
tegen
AB SpA
[verzoek van de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
G.L., die mantelzorger van haar zwaar gehandicapte kind is, betoogt dat haar werkgever, de vennootschap AB SpA, zich jegens haar discriminerend heeft gedragen door te weigeren gevolg te geven aan haar verzoek om voor de uitoefening van haar taken permanent te worden tewerkgesteld op een vaste werkplek met een vast dienstrooster in de ochtend, teneinde haar in staat te stellen om in de hulpbehoefte van haar kind te voorzien en voor hem als hoofdverzorger op te treden, terwijl zij haar beroepsactiviteit op voet van gelijkheid met de andere werknemers blijft uitoefenen.
2.
In deze context wenst de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) met name van het Hof te vernemen of richtlijn 2000/78/EG2. aldus moet worden uitgelegd dat iemand als G.L., die zelf niet gehandicapt is, zich in rechte kan beroepen op het verbod van elke vorm van indirecte discriminatie op de werkplek op grond van handicap. Zo ja, dan wenst de verwijzende rechter te vernemen of de werkgever van G.L., teneinde de discriminatie weg te nemen, jegens haar moet voorzien in redelijke aanpassingen in de zin van deze richtlijn.
3.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ligt in het verlengde van het arrest Coleman3., waarin het Hof het begrip ‘associatieve discriminatie’ heeft bevestigd door uitsluitend te verwijzen naar directe discriminatie. Het staat dus aan het Hof om in het licht van het op 13 december 2006 te New York gesloten en op 3 mei 2008 in werking getreden Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap4. (hierna: ‘VN-Verdrag’) de draagwijdte van het begrip ‘associatieve discriminatie’ en de gevolgen daarvan voor het beroepsleven van de verzorger van een gehandicapt kind nader te bepalen.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
4.
In punt e) van de preambule van het VN-Verdrag staat te lezen:
‘Erkennend dat het begrip handicap aan verandering onderhevig is en voortvloeit uit de wisselwerking tussen personen met functiebeperkingen en sociale en fysieke drempels die hen belet ten volle, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving’.
5.
Artikel 1 van dit verdrag heeft als opschrift ‘Doelstelling’ en bepaalt:
‘Doel van dit verdrag is het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen.
Personen met een handicap omvat personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.’
6.
Artikel 2 van dat verdrag (‘Begripsomschrijvingen’) bepaalt:
‘Voor de toepassing van dit verdrag [wordt verstaan onder]:
[…]
‘discriminatie op grond van handicap’: elk onderscheid en elke uitsluiting of beperking op grond van een handicap dat of die ten doel of tot gevolg heeft dat de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid met anderen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden in het politieke, economische, sociale, culturele of burgerlijke leven, of op andere gebieden aangetast of onmogelijk gemaakt wordt. Het omvat alle vormen van discriminatie, met inbegrip van de weigering van redelijke aanpassingen;
‘redelijke aanpassingen’: noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen, indien zij in een specifiek geval nodig zijn om te waarborgen dat personen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen kunnen genieten of uitoefenen;
[…]’
7.
Artikel 5 van hetzelfde verdrag (‘Gelijkheid en non-discriminatie’) bepaalt in de leden 1 tot en met 3:
- ‘1.
De Staten die Partij zijn, erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet en zonder aanziens des persoons recht heeft op dezelfde bescherming door, en hetzelfde voordeel van de wet.
- 2.
De Staten die Partij zijn, verbieden alle discriminatie op grond van handicap en garanderen personen met een handicap op voet van gelijkheid effectieve wettelijke bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook.
- 3.
Teneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen, nemen de Staten die Partij zijn alle passende maatregelen om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht.’
8.
Artikel 7 (‘Kinderen met een handicap’) van het VN-Verdrag bepaalt in de leden 1 en 2:
- 1.
De Staten die Partij zijn nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat kinderen met een handicap op voet van gelijkheid met andere kinderen ten volle alle mensenrechten en fundamentele vrijheden genieten.
- 2.
Bij alle beslissingen betreffende kinderen met een handicap vormen de belangen van het kind een eerste overweging.’
B. Unierecht
9.
In de overwegingen 12, 16, 17, 20 en 21 van richtlijn 2000/78 staat te lezen:
- ‘(12)
[…] [I]n de gehele Gemeenschap [dient] elke directe of indirecte discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid op de door deze richtlijn bestreken terreinen verboden te zijn. […]
[…]
- (16)
Maatregelen gericht op aanpassing van de werkplek aan de behoeften van personen met een handicap vervullen bij de bestrijding van discriminatie op grond van een handicap een belangrijke rol.
- (17)
Deze richtlijn eist niet dat iemand in dienst genomen, bevorderd, in dienst gehouden of opgeleid wordt die niet bekwaam, in staat en beschikbaar is om de essentiële taken van de betreffende functie uit te voeren of om een bepaalde opleiding te volgen, onverminderd de verplichting om in redelijke aanpassingen voor personen met een handicap te voorzien.
[…]
- (20)
Er moeten passende, dat wil zeggen doeltreffende en praktische maatregelen worden getroffen die gericht zijn op aanpassing van de werkplek aan de behoeften van de werknemer met een handicap, bijvoorbeeld aanpassing van gebouwen, uitrusting, arbeidsritme, en taakverdeling, of voorzien in opleidings- en integratiemiddelen.
- (21)
Wanneer wordt nagegaan of de betrokken maatregelen geen onevenredige belasting veroorzaken, moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de financiële en andere kosten, alsmede met de omvang en de financiële middelen van de organisatie of onderneming, en met de mogelijkheid om overheidsgeld of andere vormen van steun te verkrijgen.’
10.
Artikel 1 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Doel’ en bepaalt:
‘Deze richtlijn heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.’
11.
Artikel 2 van die richtlijn heeft als opschrift ‘Het begrip discriminatie’ en bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden.
- 2.
Voor de toepassing van lid 1 is er:
- a)
‘directe discriminatie’ wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;
- b)
‘indirecte discriminatie’, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt,
- i)
tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn, of
- ii)
tenzij de werkgever dan wel iedere andere persoon of organisatie waarop de onderhavige richtlijn van toepassing is, voor personen met een bepaalde handicap krachtens de nationale wetgeving verplicht is passende maatregelen te nemen die overeenkomen met de in artikel 5 vervatte beginselen, teneinde de nadelen die die bepaling, maatstaf of handelwijze met zich brengt, op te heffen.’
12.
Artikel 3 van dezelfde richtlijn (‘Werkingssfeer’) bepaalt in lid 1, onder c):
‘Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:
[…]
- c)
werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning.’
13.
Artikel 5 (‘Redelijke aanpassingen voor gehandicapten’) van richtlijn 2000/78 bepaalt:
‘Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap nageleefd wordt, wordt voorzien in redelijke aanpassingen. Dit houdt in dat de werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen neemt om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het door de lidstaten gevoerde beleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd.’
C. Italiaans recht
14.
Bij decreto legislativo n. 216 — Attuazione della direttiva 2000/78 per la parità di trattamento in materia di occupazione e di condizioni di lavoro (wetsbesluit nr. 216 betreffende de omzetting van richtlijn 2000/78 voor gelijke behandeling in arbeid en beroep) van 9 juli 20035., in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna ‘wetsbesluit nr. 216’), is richtlijn 2000/78 omgezet en is in de op het hoofdgeding toepasselijke versie in artikel 2, lid 1, ervan het volgende bepaald:
‘Voor de toepassing van dit besluit […] wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op grond van godsdienst, persoonlijke overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Dit beginsel houdt in dat geen enkele van de hieronder gedefinieerde vormen van directe of indirecte discriminatie mag plaatsvinden:
- a)
directe discriminatie wanneer een persoon op grond van godsdienst, overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid minder gunstig wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;
- b)
indirecte discriminatie wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf, handelwijze, handeling of gedraging personen die een bepaalde godsdienst of ideologie aanhangen, personen met een handicap, personen van een bepaalde leeftijd of van een bepaalde seksuele geaardheid in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt.’
15.
In artikel 3, lid 3 bis, van dit wetsbesluit wordt bepaald:
‘Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap wordt nageleefd, zijn werkgevers uit de overheids- en de particuliere sector verplicht om op de werkplek te voorzien in redelijke aanpassingen, zoals omschreven in het [VN-Verdrag], dat op grond van wet nr. 18 van 3 maart 2009 geratificeerd is, opdat wordt gewaarborgd dat personen met een handicap volledig gelijk zijn aan de andere werknemers. Werkgevers uit de overheidssector dienen het in dit lid bepaalde uit te voeren zonder dat dit voor de overheidsfinanciën tot nieuwe of hogere lasten leidt en met de personele, financiële en materiële middelen die op grond van de geldende wetgeving beschikbaar zijn.’
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
16.
G.L. was door de vennootschap AB in dienst genomen als ‘stationsmedewerker’6.. In haar hoedanigheid van mantelzorger heeft zij haar werkgever verzocht haar voor de uitoefening van haar taken permanent in te delen bij een vast team dat in de ochtend werkt of, in onderlinge overeenstemming, in een lagere functie, zodat zij in de namiddag voor haar minderjarige kind — dat bij haar inwoont en ernstig gehandicapt (volledig invalide) is — kan zorgen en tegelijkertijd haar beroepsactiviteit op voet van gelijkheid met de andere werknemers kan blijven uitoefenen.
17.
Aangezien AB geen gevolg had gegeven aan de verzoeken van G.L., heeft zij op 5 maart 2019 bij de Tribunale di Roma (rechter in eerste aanleg Rome, Italië) beroep ingesteld teneinde te doen vaststellen dat het gedrag van haar werkgever jegens haar discriminerend was. Zij heeft gevorderd dat AB ertoe zou worden verplicht haar permanent tewerk te stellen in een functie met een vast dienstrooster, tussen 8.30 en 15.00 uur, of in elk geval zodanig dat dit verenigbaar is met de behoeften van haar kind, dat de onderneming een plan vaststelt tot uitbanning van de discriminatie en dat AB wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding.
18.
In dit verband heeft G.L., die haar werkgever verweet dat haar werktijden niet flexibel waren, ten eerste aangevoerd dat AB haar anders had behandeld dan haar collega's die om gezondheidsredenen tijdelijk of definitief ongeschikt werden geacht om hun arbeid volgens de normale voorwaarden te verrichten. Terwijl haar collega's tijdelijk in andere taken zijn tewerkgesteld in afwachting van een omscholing in andere functies, met tewerkstelling in een gesubsidieerde of ‘financieel ondersteunde’ dienst op een vaste werkplek, is haar die mogelijkheid namelijk niet gegeven, aangezien in haar geval de beoordeling van de ongeschiktheid om de functie uit te oefenen is verricht op basis van haar eigen gezondheidstoestand en niet op basis van die van haar kind. Ten tweede heeft AB gedurende een onredelijk lange periode voorlopige, niet permanente, maatregelen ten aanzien van haar genomen om de moeilijkheden op te lossen die zich voordoen bij de voortzetting van haar beroepsleven die voortvloeien uit de zorgplicht die op haar rust als mantelzorger van haar kind. Ten derde heeft AB geen gevolg gegeven aan haar verzoek om eventueel in een lagere functie te worden tewerkgesteld om deze moeilijkheden te verhelpen.
19.
De Tribunale di Roma heeft het beroep van G.L. verworpen op grond dat zij niet bevoegd was om op te komen tegen discriminatie op het werk, aangezien enkel de gehandicapte persoon zelf daartoe bevoegd is. G.L. heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Corte d'appello di Roma (rechter in tweede aanleg Rome, Italië), die dit beroep ten gronde heeft verworpen. In dit verband heeft deze rechter op basis van het arrest Coleman geoordeeld dat een mantelzorger zich kan beroepen op de nationale bepalingen ter bescherming van personen met een handicap tegen discriminatie op het werk, in het bijzonder op artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 3 bis, van wetsbesluit nr. 216. In casu was volgens die rechter echter niet aangetoond dat AB discriminerend had gehandeld en had deze vennootschap hoe dan ook in ‘redelijke aanpassingen’ voorzien. Dezelfde rechter heeft met name gepreciseerd dat AB in elk geval de taak van G.L. voldoende had vergemakkelijkt — zij het door middel van steeds voorlopige dienstopdrachten — en dat met betrekking tot de behandeling van werknemers die niet in staat waren hun arbeid volgens de gewone voorwaarden te verrichten en die tijdelijk in andere taken waren tewerkgesteld in afwachting van een omscholing in een vaste functie, AB G.L. terecht niet dezelfde mogelijkheid had geboden, aangezien haar collega's de adressaten waren van de in de overgelegde medische attesten vermelde voorschriften.
20.
G.L. heeft cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione, de verwijzende rechter, met het betoog dat zij voldeed aan de wettelijke voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op het recht op afwezigheid van discriminatie op het werk op grond van een handicap. In dit verband heeft zij betwist dat AB in ‘redelijke aanpassingen’ had voorzien en daaraan toegevoegd dat zij van mening was dat zij een absoluut recht op dergelijke aanpassingen had. G.L. betoogde voorts dat de door AB genomen voorlopige maatregelen, die beperkt waren tot enkele maanden over verschillende onderbroken tijdvakken en niet schriftelijk waren vastgelegd, de gestelde discriminatie niet uitsloten. Bovendien beklaagde zij zich erover dat de bewijsregels inzake discriminatie waren geschonden. Na de instelling van haar cassatieberoep heeft G.L. de verwijzende rechter ervan in kennis gesteld dat zij op 10 oktober 2022 was ontslagen.
21.
De verwijzende rechter geeft aan dat de term ‘mantelzorger’ in Italië voor het eerste normatief is gedefinieerd in een wet die in 20177. is vastgesteld en dat, ofschoon het nationale recht een mantelzorger recht geeft op fiscale en sociale voordelen, de mantelzorger in kwestie — ten tijde van de feiten in het hoofdgeding — geen algemene bescherming genoot tegen discriminatie en intimidatie op de werkplek op grond van op haar rustende hulp- en zorgtaken.8. Om die reden heeft de Tribunale di Roma het beroep van G.L. verworpen. De Corte d'appello di Roma heeft, onder verwijzing naar het arrest Coleman, echter geoordeeld dat de mantelzorger van een persoon met een handicap recht heeft op bescherming wanneer hij op het werk slachtoffer is van discriminatie op grond van een handicap.
22.
De verwijzende rechter merkt echter op dat het arrest Coleman uitdrukkelijk en uitsluitend betrekking heeft op directe discriminatie en op het eerste gezicht niet lijkt toe te staan dat de toepassing van richtlijn 2000/78 wordt uitgebreid tot mantelzorgers (van personen met een handicap) die zich beklagen over indirecte discriminatie op het werk. Een ruimere uitlegging van deze richtlijn zou echter ook mogelijk zijn op basis van haar doelstellingen, de algemene logica ervan, de ontwikkeling van de geldende wetgeving en de economische en sociale dynamiek.
23.
Wat de juridische ontwikkelingen betreft, benadrukt deze rechter dat het VN-Verdrag op 3 mei 2008 in werking is getreden en dat het kan worden aangevoerd om richtlijn 2000/78 uit te leggen. Gelet op de definitie van het begrip ‘discriminatie op grond van handicap’ in artikel 2 van dit verdrag, lijkt daarin geen belang te worden gehecht aan het onderscheid tussen directe en indirecte discriminatie met betrekking tot de bescherming van personen met een handicap. Wat de Italiaanse rechtsorde betreft, heeft het Comité voor de rechten van personen met een handicap, in het kader van zijn overeenkomstig artikel 5 van het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag9. vastgestelde beschouwingen, betreffende mededeling nr. 51/2018 van 26 augustus 202210., vastgesteld dat voor personen met een handicap die zorg behoeven ernstige gevolgen voortvloeien uit het feit dat de rechtspositie van de mantelzorger niet wordt erkend en dat er geen doeltreffende socialebeschermingsmaatregelen voor hen zijn, zoals toegang tot financiële steun, tot fondsen en tot het pensioenstelsel, flexibele werktijden en toegang tot werkplekken in de nabijheid van hun woonplaats.
24.
In het geval dat de mantelzorger van een gehandicapt kind zich in rechte kan beroepen op bescherming tegen indirecte discriminatie op het werk wegens de aan dat kind verleende zorg, rijst de vraag of deze bescherming inhoudt dat de werkgever van de mantelzorger in redelijke aanpassingen moet voorzien om de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van andere werknemers te verzekeren. In datzelfde geval is de verwijzende rechter van oordeel dat het begrip ‘mantelzorger’ moet worden gedefinieerd voor de toepassing van richtlijn 2000/78.
25.
In die omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet het Unierecht aldus worden uitgelegd, eventueel ook op basis van het [VN-Verdrag], dat de mantelzorger van een ernstig gehandicapte minderjarige die stelt op het werk indirect te zijn gediscrimineerd als gevolg van door hem verrichte zorgtaken, het recht heeft om zich in rechte te beroepen op bescherming tegen discriminatie die deze persoon met een handicap, indien hij werknemer was geweest, zou genieten op grond van richtlijn [2000/78]?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet het Unierecht aldus worden uitgelegd, eventueel ook op basis van het [VN-Verdrag], dat op de werkgever van die mantelzorger de verplichting rust om te voorzien in redelijke aanpassingen teneinde mede ten behoeve van die mantelzorger te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van andere werknemers wordt nageleefd, overeenkomstig hetgeen voor personen met een handicap is bepaald in artikel 5 van richtlijn [2000/78]?
- 3)
Indien de eerste vraag en/of de tweede vraag bevestigend wordt/worden beantwoord: moet het Unierecht, eventueel ook op basis van het [VN-Verdrag], aldus worden uitgelegd dat voor de toepassing van richtlijn [2000/78] onder ‘mantelzorger’ moet worden verstaan om het even welke persoon binnen de familiekring of een samenlevingspartner die in een huiselijke omgeving, ook informeel, onbetaalde, kwantitatief gezien belangrijke, exclusieve, doorlopende en langdurige zorg biedt aan iemand die wegens zijn ernstige handicap in het geheel niet zelfredzaam is in het dagelijkse leven, of moet het Unierecht aldus worden uitgelegd dat de definitie van ‘mantelzorger’ in kwestie ruimer of nog beperkter is dan de hierboven gegeven definitie?’
26.
G.L., AB, de Italiaanse en de Griekse regering alsook de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof.
27.
Overeenkomstig het verzoek van het Hof zal deze conclusie toegespitst zijn op de eerste twee prejudiciële vragen.
IV. Analyse
A. Eerste prejudiciële vraag
28.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1 en artikel 2, lid 1 en lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat een werknemer die, zonder zelf gehandicapt te zijn, stelt op het werk slachtoffer te zijn van een bijzonder nadeel op grond van de handicap van zijn kind, in wiens hulpbehoefte hij voorziet en van wie hij de hoofdverzorger is, zich in rechte kan beroepen op het in die bepalingen neergelegde verbod van elke vorm van indirecte discriminatie op grond van handicap.
29.
Overeenkomstig artikel 1 van richtlijn 2000/78, en zoals zowel uit de titel en de overwegingen als uit de inhoud en de strekking ervan blijkt, heeft deze richtlijn tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van onder meer handicap zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden, door eenieder een doeltreffende bescherming tegen discriminatie op onder meer deze grond te bieden.11. Artikel 2, lid 1, van die richtlijn omschrijft het beginsel van gelijke behandeling als de afwezigheid van elke directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 ervan genoemde gronden, waaronder een handicap. Volgens artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2000/78 is er sprake van ‘directe discriminatie’ wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van met name zijn handicap. Volgens artikel 2, lid 2, onder b), van die richtlijn is er sprake van ‘indirecte discriminatie’ wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen — met name die met een bepaalde handicap — in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt, behalve in de in de punten i) en ii) van dat lid genoemde gevallen.
30.
Met betrekking tot het begrip ‘handicap’ zij eraan herinnerd dat de Unie bij besluit 2010/48/EG12. het VN-Verdrag heeft goedgekeurd. Derhalve maken de bepalingen van dit verdrag sinds de inwerkingtreding van dat besluit integrerend deel uit van de rechtsorde van de Unie. Daarnaast wordt in het aanhangsel bij bijlage II bij datzelfde besluit richtlijn 2000/78 — op het gebied van zelfstandig leven en sociale insluiting, werk en werkgelegenheid — vermeld als een Uniehandeling die verwijst naar aangelegenheden waarop dat verdrag van toepassing is. Bijgevolg kan, volgens de rechtspraak van het Hof, het VN-Verdrag worden aangevoerd om die richtlijn uit te leggen en moet die richtlijn zo veel mogelijk worden uitgelegd in overeenstemming met dit verdrag. Om die reden heeft het Hof, na de goedkeuring door de Unie van dat verdrag, geoordeeld dat het begrip ‘handicap’ in de zin van die richtlijn moet worden opgevat als een beperking van vermogens die met name het gevolg is van langdurige fysieke, mentale of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met andere werknemers deel te nemen aan het beroepsleven.13. In casu geeft de verwijzende rechter aan dat het minderjarige kind van G.L. ernstig gehandicapt is en dat volledige invaliditeit is vastgesteld. Het staat buiten kijf dat het kind een ‘handicap’ in de zin van richtlijn 2000/78 heeft en dat G.L. in zijn hulpbehoefte voorziet en zijn hoofdverzorger is.
31.
In haar schriftelijke opmerkingen voert G.L. aan dat zij AB in de eerste plaats heeft verzocht om voor de uitoefening van haar taken permanent te worden tewerkgesteld in een functie met een vast dienstrooster in de ochtend, teneinde te kunnen voldoen aan haar zorgverplichting jegens haar kind, dat een programma moet volgen waarbij hij cruciale behandelingen krijgt die hem overeenkomstig de voorschriften van de plaatselijke gezondheidsdienst op een vast tijdstip in de namiddag worden gegeven. In de tweede plaats heeft zij verzocht om eventueel in taken van een lager niveau te worden tewerkgesteld om haar in staat te stellen voor haar kind te zorgen. Haar werkgever heeft aan haar verzoeken echter geen gevolg gegeven en haar discriminerend behandeld.14. Het hoofdgeding valt dus onder werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2000/78.
32.
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het in deze richtlijn neergelegde verbod van elke vorm van indirecte discriminatie op grond van handicap van toepassing is op een werknemer als G.L., in haar hoedanigheid van mantelzorger van een gehandicapt kind. Deze rechter verwijst naar het arrest Coleman, waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat die richtlijn, en met name artikel 1 en artikel 2, lid 1, en lid 2, onder a), ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod van directe discriminatie niet beperkt is tot personen die zelf een handicap hebben, en dat wanneer een werkgever een werknemer die zelf niet gehandicapt is, minder gunstig behandelt dan een andere werknemer in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, en wanneer is aangetoond dat de ongunstige behandeling waarvan deze werknemer het slachtoffer is, is gebaseerd op de handicap van zijn kind, van wie hij de hoofdverzorger is, een dergelijke behandeling in strijd is met het in artikel 2, lid 2, onder a), neergelegde verbod van directe discriminatie.
33.
De verwijzende rechter vraagt zich af of, gelet op dat arrest, waarin uitdrukkelijk en uitsluitend naar directe discriminatie wordt verwezen, de toepassing van richtlijn 2000/78 zich uitstrekt tot mantelzorgers van personen met een handicap die stellen het slachtoffer te zijn van indirecte discriminatie op het werk. Dienaangaande zij opgemerkt dat het Hof (Grote kamer) in dat arrest heeft geoordeeld dat deze richtlijn, met betrekking tot arbeid en beroep, tot doel heeft alle vormen van discriminatie op grond van handicap te bestrijden en dat het in die richtlijn neergelegde beginsel van gelijke behandeling op dit gebied niet van toepassing is op een bepaalde categorie personen, maar op basis van de in artikel 1 ervan genoemde gronden.15. Volgens het Hof wettigt de omstandigheid dat richtlijn 2000/78 bepalingen bevat die specifiek beogen rekening te houden met de behoeften van gehandicapte personen, niet de conclusie dat het in deze richtlijn geformuleerde beginsel van gelijke behandeling restrictief moet worden uitgelegd, dat wil zeggen in die zin dat uitsluitend directe discriminaties op grond van handicap zijn verboden en dat dit verbod uitsluitend geldt ten aanzien van gehandicapte personen zelf.16. Het Hof heeft nader toegelicht dat in het geval dat de persoon die het slachtoffer van directe discriminatie op grond van handicap is geworden, zelf niet gehandicapt is, de handicap wel degelijk de reden is van de minder gunstige behandeling waarvan deze persoon stelt het slachtoffer te zijn geworden.17. Het Hof voegt daaraan toe dat wanneer vaststaat dat een werknemer die zijn kind de zorg verleent die het nodig heeft, het slachtoffer is van een directe discriminatie op grond van handicap, een uitlegging van richtlijn 2000/78 die de toepassing daarvan beperkt tot personen die zelf gehandicapt zijn, deze richtlijn grotendeels van zijn nuttig effect zou kunnen beroven en de bescherming die zij geacht wordt te garanderen, zou kunnen verminderen.18.
34.
Ik benadruk dat het Hof in het arrest Coleman het begrip ‘associatieve discriminatie’ heeft bevestigd, volgens hetwelk een persoon zich op richtlijn 2000/78 kan beroepen wanneer hij zelf niet gehandicapt is, maar als mantelzorger van een persoon met een handicap ongunstig wordt behandeld op het werk. Het is juist dat het Hof in het dictum van dat arrest enkel heeft verwezen naar directe discriminatie in antwoord op de gestelde prejudiciële vragen, waarin alleen deze vorm van discriminatie werd genoemd. Volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/78 wordt echter onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde gronden.19. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt volgens mij dus dat het verbod van directe associatieve discriminatie op grond van handicap logischerwijs het verbod van indirecte associatieve discriminatie impliceert. Met andere woorden, het maken van een onderscheid tussen deze twee vormen van discriminatie zou afbreuk doen aan de interne samenhang van deze richtlijn.20. Zo heeft het Hof in punt 38 van het arrest Coleman opgemerkt dat die richtlijn tot doel heeft alle vormen van discriminatie op grond van handicap te bestrijden. Zoals de Italiaanse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, blijkt overigens uitdrukkelijk uit de bewoordingen van dat arrest, en met name uit punt 43 ervan, dat richtlijn 2000/78niet uitsluitend directe discriminatie op grond van handicap verbiedt ten aanzien van gehandicapte personen zelf, hetgeen mijns inziens impliceert dat deze richtlijn ook indirecte associatieve discriminatie verbiedt.21.
35.
Bovendien heeft deze richtlijn, zoals vermeld in artikel 1 ervan, tot doel een algemeen kader te creëren zodat het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden. Het verbod van directe associatieve discriminatie en het verbod van indirecte associatieve discriminatie zijn nauw met elkaar verbonden aangezien er, zoals de verwijzende rechter opmerkt, geen echte bescherming tegen ongunstige behandeling op het werk kan bestaan zonder systematische bestrijding van deze twee vormen van discriminatie.
36.
De uitlegging dat richtlijn 2000/78 zowel op directe als op indirecte associatieve discriminatie van toepassing is, vindt steun in de rechtspraak van het Hof. In dit verband zij gewezen op het arrest CHEZ22., dat betrekking had op richtlijn 2000/43/EG23., waarvan artikel 1 en artikel 2, lid 1, in soortgelijke bewoordingen zijn gesteld als artikel 1 en artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/78, niet in relatie tot ‘handicap’, maar tot ‘ras of etnische afstamming’. In dit arrest heeft het Hof (eveneens in Grote kamer) voor recht verklaard dat het begrip ‘discriminatie op grond van etnische afstamming’, als bedoeld in richtlijn 2000/43, aldus moet worden uitgelegd dat dit begrip van toepassing is in omstandigheden waarin alle elektriciteitsmeters in een stadswijk met hoofdzakelijk bewoners van Roma-afkomst op een hoogte van zes tot zeven meter op de palen van het bovengrondse elektriciteitsnet worden geplaatst terwijl dergelijke meters in de andere wijken worden aangebracht op een hoogte van minder dan twee meter, ongeacht of die collectieve maatregel personen van een bepaalde etnische afkomst treft dan wel personen zonder die afkomst die evenals eerstbedoelde personen ten gevolge van die maatregel ongunstiger behandeld of bijzonder benadeeld worden. Bij zijn redenering heeft het Hof, naar analogie verwijzend naar het arrest Coleman, beklemtoond dat de rechtspraak volgens welke de werkingssfeer van richtlijn 2000/43, gelet op het doel ervan en de aard van de rechten die zij beoogt te beschermen, niet restrictief kan worden omschreven, in casu de uitlegging kan rechtvaardigen dat het beginsel van gelijke behandeling, waarnaar deze richtlijn verwijst, niet op een bepaalde categorie personen van toepassing is, maar uit hoofde van een van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde gronden, zodat dit beginsel eveneens ten goede moet komen van personen die weliswaar zelf niet behoren tot het betrokken ras of de betrokken etnische groep, maar op een van die gronden ongunstiger behandeld of bijzonder benadeeld worden.24. Bijgevolg heeft het Hof uitdrukkelijk geoordeeld dat indirecte associatieve discriminatie binnen de werkingssfeer valt van richtlijn 2000/43, die dezelfde structuur heeft als richtlijn 2000/78.25.
37.
Het in deze laatste richtlijn neergelegde verbod van indirecte associatieve discriminatie vindt ook steun in het VN-Verdrag, dat, volgens de rechtspraak van het Hof, kan worden aangevoerd ten behoeve van de uitlegging van genoemde richtlijn, die zo veel mogelijk in overeenstemming met dat verdrag dient te worden uitgelegd.26. Artikel 5, lid 2, van dat verdrag bepaalt immers dat de Staten die Partij zijn […] alle discriminatie op grond van handicap [verbieden] en […] personen met een handicap op voet van gelijkheid effectieve wettelijke bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook [garanderen]. Dat verdrag heeft aldus een ruime uitlegging gegeven aan het begrip ‘discriminatie’ op grond van handicap, waaruit logischerwijs volgt dat het VN-Verdrag indirecte associatieve discriminatie verbiedt.
38.
In dat verband heeft het Comité voor de rechten van personen met een handicap27., dat is ingesteld in het kader van het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag, zich in zijn algemeen commentaar nr. 6 (2018) inzake gelijkheid en non-discriminatie, van 6 april 201828., op het standpunt gesteld dat artikel 5, lid 2, van het VN-Verdrag dwingende voorschriften bevat met betrekking tot de verwezenlijking van het recht op gelijkheid van personen met een handicap en van de personen die met hen geassocieerd worden, en dat de verplichting om alle discriminatie te verbieden ertoe strekt personen met een handicap én hun entourage, bijvoorbeeld de ouders van gehandicapte kinderen, te beschermen.29. Dit comité heeft eveneens opgemerkt dat discriminatie ‘op grond van handicap’ gericht kan zijn tegen personen die met een persoon met een handicap worden geassocieerd, zogeheten associatieve discriminatie, en dat de ruime draagwijdte van artikel 5 verband houdt met de noodzaak om alle discriminatoire situaties en/of alle handicapgerelateerde discriminatoire gedragingen te bestrijden en uit te bannen.30. Volgens dat comité betekent het begrip bescherming tegen ‘alle discriminatie, ongeacht de grond ervan’ dat alle mogelijke discriminatiegronden en hun wisselwerking in aanmerking moeten worden genomen.31.
39.
Meer recentelijk heeft het comité voor de rechten van personen met een handicap, in het kader van zijn uit hoofde van artikel 5 van het Facultatief Protocol vastgestelde beschouwingen betreffende mededeling nr. 51/2018 van 26 augustus 202232., de kennisgeving van een persoon in diens hoedanigheid van mantelzorger van zijn dochter en zijn partner, beiden gehandicapt, onderzocht. Onder verwijzing naar zijn algemeen commentaar nr. 6 heeft dit comité het begrip ‘associatieve discriminatie’ toegepast en nota genomen van de stelling van de auteur dat de leemte in het Italiaanse rechtsstelsel mantelzorgers kwetsbaar maakt en hen blootstelt aan het risico het slachtoffer te worden van associatieve discriminatie, hetgeen in strijd is met artikel 5 van het VN-Verdrag.
40.
Hoewel de Unie het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag niet heeft goedgekeurd en het comité voor de rechten van personen met een handicap geen rechterlijke instantie is, is het veelzeggend dat ook dit comité het begrip ‘discriminatie op grond van handicap’ ruim uitlegt en uitdrukkelijk verwijst naar associatieve discriminatie, zonder deze te beperken tot directe discriminatie.
41.
Ik merk tevens op dat richtlijn 2000/78 volgens de rechtspraak van het Hof, op het gebied waarop zij betrekking heeft, invulling geeft aan het in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) neergelegde algemene non-discriminatiebeginsel dat inhoudt dat elke vorm van discriminatie op grond van — onder meer — handicap verboden is. Bovendien bepaalt artikel 26 van het Handvest dat de Unie het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen, erkent en eerbiedigt.33. In het licht van artikel 52, lid 3, van het Handvest en voor zover dat Handvest rechten bevat die overeenstemmen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ondertekend te Rome op 4 november 1950, is de inhoud en de reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door dit verdrag aan worden toegekend. Met het oog daarop voegt artikel 53 van het Handvest hieraan toe dat geen van de bepalingen ervan mag worden uitgelegd als zou zij, binnen de werkingssfeer van het Unierecht, een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten die met name door het EVRM worden erkend.
42.
Dienaangaande zij echter opgemerkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)34., dat was aangezocht door een verzoeker die zich met name beklaagde over indirecte discriminatie35., heeft geoordeeld dat iemands gezondheidstoestand, zoals een handicap en uiteenlopende gezondheidsproblemen, onder de in artikel 14 EVRM gebezigde uitdrukking ‘andere status’ valt.36. Het EHRM heeft eraan herinnerd dat de uitdrukking ‘andere status’ in zijn rechtspraak over het algemeen ruim is uitgelegd en niet beperkt is tot de kenmerken die persoonlijk van aard zijn, in die zin dat zij aangeboren zijn of inherent zijn aan de persoon, en dat hieruit volgt dat artikel 14 EVRM, gelet op het doel ervan en op de aard van de rechten die het beoogt te beschermen, ook gevallen omvat waarin een persoon wegens de beschermde situatie of kenmerken van een andere persoon minder gunstig wordt behandeld. Het EHRM heeft daaruit afgeleid dat de discriminerende behandeling waarover verzoeker klaagt wegens de handicap van zijn kind, met wie hij nauwe persoonlijke banden heeft en dat hij verzorgt, moet worden aangemerkt als een vorm van discriminatie op grond van handicap die onder artikel 14 EVRM valt.37. Bijgevolg heeft het EHRM het begrip ‘associatieve discriminatie’ erkend, zonder een onderscheid te maken tussen directe en indirecte discriminatie.38.
43.
Derhalve ben ik van mening dat, ofschoon artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 ziet op ‘personen met een bepaalde […] handicap’, deze bepaling impliceert dat de mantelzorger van een kind met een handicap, op grond van het verbod van indirecte associatieve discriminatie, in rechte aanspraak kan maken op de bescherming tegen discriminatie die de gehandicapte persoon zelf zou genieten indien hij werknemer was, omdat anders aan deze richtlijn een deel van haar nuttig effect zou worden ontnomen. Deze richtlijn waarborgt met andere woorden de gelijktijdige bescherming van twee personen: ten eerste de bescherming in gezinsverband van het gehandicapte kind, dat de verzorging van een mantelzorger krijgt, en ten tweede de beroepsmatige bescherming van de mantelzorger wegens de beperktere beschikbaarheid om zijn functie te vervullen als gevolg van de verleende mantelzorg.
44.
In casu gaat de verwijzende rechter uit van de premisse dat G.L. mogelijk het slachtoffer is van indirecte associatieve discriminatie. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof niet kan worden aangenomen dat een bepaling of praktijk een direct op de handicap gebaseerd verschil in behandeling in de zin van artikel 1 juncto artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2000/78 meebrengt, wanneer deze bepaling of praktijk is gebaseerd op een criterium dat niet onlosmakelijk verbonden is met die handicap.39.
45.
In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Coleman, had de verzoekster uiteengezet dat zij door haar werkgever slechter werd behandeld dan haar collega's wier kinderen geen handicap hadden.40. Dit verschil in behandeling wordt geacht te vallen onder het begrip ‘directe associatieve discriminatie’, die zich voordoet wanneer iemand, met name op basis van zijn handicap, ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld. Het is immers duidelijk dat dat verschil in behandeling onlosmakelijk verbonden is met de handicap van het kind.41.
46.
Volgens artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 kan, behoudens in de gevallen bedoeld in de punten i) en ii) ervan, ‘indirecte associatieve discriminatie’ voortvloeien uit een maatregel die weliswaar op neutrale wijze is geformuleerd, dat wil zeggen onder verwijzing naar maatstaven die geen verband houden met het beschermde kenmerk, maar ertoe leidt dat personen met dat kenmerk bijzonder worden benadeeld.42. Het typische voorbeeld van een dergelijke discriminatie is mijns inziens dat de werkgever in het algemeen een inflexibel dienstrooster invoert. Deze regel is neutraal geformuleerd in die zin dat zij van toepassing is op alle werknemers, maar leidt tot een bijzonder nadeel voor mantelzorgers van gehandicapte kinderen, voor wie flexibelere werktijden nodig zijn om de hulp en zorg te kunnen bieden die deze kinderen gezien hun gezondheidstoestand nodig hebben.43.
47.
Het staat aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om de feiten te beoordelen, om na te gaan of de aan AB verweten gedraging in verband kan worden gebracht met directe dan wel indirecte associatieve discriminatie in de zin van artikel 2, lid 2, van richtlijn 2000/78.
48.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 1 en artikel 2, lid 1 en lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat een werknemer die, zonder zelf gehandicapt te zijn, stelt op het werk slachtoffer te zijn van een bijzonder nadeel op grond van de handicap van zijn kind, in wiens hulpbehoefte hij voorziet en van wie hij de hoofdverzorger is, zich in rechte kan beroepen op het in die bepalingen neergelegde verbod van elke vorm van indirecte discriminatie op grond van handicap.
B. Tweede prejudiciële vraag
49.
Met zijn tweede vraag, die wordt gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5 van richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een werknemer, zonder zelf gehandicapt te zijn, mantelzorger is van zijn gehandicapt kind, de werkgever van deze mantelzorger verplicht is om in het kader van de in dat artikel bedoelde ‘redelijke aanpassingen’ passende maatregelen te treffen teneinde hem in staat te stellen om, naargelang de behoeften in een concrete situatie, in de hulpbehoefte van zijn kind te voorzien en voor dit kind als hoofdverzorger op te treden.
50.
Volgens artikel 5 van richtlijn 2000/78 moet worden voorzien in redelijke aanpassingen teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap wordt nageleefd. De werkgever moet dus, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen nemen om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen, dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen.
51.
In punt 42 van het arrest Coleman heeft het Hof opgemerkt dat het feit dat dit artikel 5 specifiek betrekking heeft op personen met een handicap, voortvloeit uit de omstandigheid dat het gaat om specifieke maatregelen die zinledig zouden zijn of onevenredig zouden kunnen blijken te zijn, indien zij niet waren beperkt tot personen met een handicap. Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat, zoals uit de overwegingen 16 en 20 van deze richtlijn blijkt, het maatregelen zijn die ertoe strekken, rekening te houden met de behoeften van gehandicapte personen op het werk en de werkplek aan te passen aan de handicap van deze personen. Dergelijke maatregelen hebben dus specifiek tot doel om het opnemen van gehandicapte personen in het arbeidsproces mogelijk te maken en te bevorderen, en kunnen om deze reden slechts betrekking hebben op deze personen en op de verplichtingen die te hunnen aanzien rusten op hun werkgevers en, in voorkomend geval, de lidstaten.
52.
Volgens artikel 2, lid 2, onder b), ii), van richtlijn 2000/78 is er echter sprake van indirecte discriminatie wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde handicap, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt, tenzij de werkgever dan wel iedere andere persoon of organisatie waarop deze richtlijn van toepassing is, krachtens de nationale wetgeving verplicht is passende maatregelen te nemen die overeenkomen met de in artikel 5 vervatte beginselen, teneinde de nadelen die deze bepaling, maatstaf of handelwijze met zich brengt, op te heffen. Door in redelijke aanpassingen te voorzien kan een situatie van indirecte discriminatie worden verholpen. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, bestaat er een nauw verband tussen indirecte discriminatie en de aanpassingen waarin de werkgever moet voorzien. In diezelfde zin strekt discriminatie op grond van handicap zich volgens artikel 2 van het VN-Verdrag uit tot alle vormen van discriminatie, met inbegrip van de weigering om in redelijke aanpassingen te voorzien. Aangezien wordt erkend dat richtlijn 2000/78 indirecte associatieve discriminatie verbiedt, volgt hieruit logischerwijs dat ten behoeve van een werknemer die op zijn werk het slachtoffer is van indirecte discriminatie op grond van een handicap, om uitvoering te geven aan het beginsel van gelijke behandeling, in redelijke aanpassingen moet worden voorzien.
53.
Overigens omschrijft het VN-Verdrag, dat door de Unie is goedgekeurd na de datum van uitspraak in het arrest Coleman, in artikel 2 ‘redelijke aanpassingen’ als ‘noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen, indien zij in een specifiek geval nodig zijn om te waarborgen dat personen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen kunnen genieten of uitoefenen’. Uit deze begripsomschrijving blijkt dat redelijke aanpassingen, anders dan waarin artikel 5 van richtlijn 2000/78 voorziet, niet beperkt zijn tot de behoeften van personen met een handicap op het werk en dus ten goede kunnen komen aan een persoon met een handicap die niet in staat is een beroepsactiviteit uit te oefenen, in de vorm van aanpassingen die de werknemer in zijn hoedanigheid van mantelzorger wordt geboden. Door deze aanpassingen kan de werknemer de hulp en zorg verlenen die de persoon met een handicap, ongeacht zijn leeftijd, nodig heeft. In die zin bepaalt artikel 5, lid 3, van dat verdrag dat ‘[t]eneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen, […] de Staten die Partij zijn alle passende maatregelen [nemen] om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht’, zonder dat in deze bepaling enige beperking wordt gesteld ten aanzien van de betrokken personen.
54.
Bovendien is in artikel 7, lid 1, van het VN-Verdrag bepaald dat ‘[d]e Staten die Partij zijn […] alle nodige maatregelen [nemen] om te waarborgen dat kinderen met een handicap op voet van gelijkheid met andere kinderen ten volle alle mensenrechten en fundamentele vrijheden genieten’. Wanneer een kind met een handicap afhankelijk is van een andere persoon om deze rechten en vrijheden te genieten, moet de mantelzorger van dat kind het kind de hulp kunnen bieden die het nodig heeft, waartoe het nodig kan zijn dat de arbeidsvoorwaarden van die mantelzorger worden aangepast. De noodzaak van redelijke aanpassingen is dus a fortiori geboden wanneer de persoon met een handicap een kind is. Zoals is benadrukt, kan het VN-Verdrag worden aangevoerd om richtlijn 2000/78 uit te leggen en moet die richtlijn zo veel mogelijk worden uitgelegd in overeenstemming met dat verdrag.44. Meer in het algemeen bepalen artikel 7, lid 2, van het VN-Verdrag en artikel 24, lid 2, van het Handvest dat bij alle handelingen met betrekking tot kinderen, ongeacht of deze door overheidsinstanties of particuliere instellingen worden verricht, het belang van het kind voorop moet staan.
55.
Aangaande het soort redelijke aanpassingen waarop de mantelzorger van een persoon met een handicap aanspraak kan maken, zij opgemerkt dat in overweging 20 van richtlijn 2000/78 staat te lezen dat er ‘passende, dat wil zeggen doeltreffende en praktische maatregelen [moeten] worden getroffen die gericht zijn op aanpassing van de werkplek aan de behoeften van de werknemer met een handicap, bijvoorbeeld aanpassing van gebouwen, uitrusting, arbeidsritme, en taakverdeling, of voorzien in opleidings- en integratiemiddelen’. In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze overweging een niet-uitputtende lijst van passende maatregelen geeft, die van fysieke, organisatorische en/of vormende aard kunnen zijn, aangezien artikel 5 van deze richtlijn, gelezen tegen de achtergrond van artikel 2 van het VN-Verdrag, een ruime omschrijving van het begrip ‘redelijke aanpassingen’ voorstaat.45.
56.
Zoals ik reeds heb aangegeven in mijn conclusie in de zaak HR Rail46., moet artikel 5 van richtlijn 2000/78, gelezen in het licht van de overwegingen 17 en 20 ervan, indien voor een maatschappelijke opvatting van het begrip ‘handicap’ wordt gekozen, tot doel hebben de werkomgeving van de persoon met een handicap aan te passen teneinde hem in staat te stellen ten volle, effectief en op voet van gelijkheid met andere werknemers deel te nemen aan het beroepsleven. Indien de mantelzorger zelf niet gehandicapt is, moet zijn werkomgeving eveneens voor hetzelfde doel worden aangepast. De passende maatregelen die de werkgever naargelang de behoeften in een concrete situatie kan nemen, betreffen dan niet de aanpassing van de gebouwen of de uitrusting, maar met name het arbeidsritme of de taakverdeling47.. Aangaande het arbeidsritme heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 5 van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat arbeidstijdverkorting een van de in dat artikel bedoelde maatregelen tot aanpassing kan vormen.48. In casu heeft G.L. haar werkgever in de eerste plaats verzocht om op een vaste werkplek in de ochtend te worden tewerkgesteld, hetgeen lijkt te vallen onder arbeidsritme en te vervullen taken. In de tweede plaats heeft zij haar werkgever verzocht om eventueel taken van een lager niveau te verrichten. Volgens de rechtspraak van het Hof kan de aanstelling in een andere functie in bepaalde omstandigheden een passende maatregel vormen in het kader van de in artikel 5 van die richtlijn bedoelde ‘redelijke aanpassingen’.49.
57.
Dit artikel 5 kan de werkgever er evenwel niet toe verplichten om maatregelen te nemen die voor hem een onevenredige belasting zouden vormen. In dit verband volgt uit overweging 21 van die richtlijn dat wanneer wordt nagegaan of de maatregelen in kwestie geen onevenredige belasting voor de werkgever veroorzaken, in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de financiële kosten alsook met de omvang en de financiële middelen van de organisatie of onderneming en met de mogelijkheid om overheidsgeld of andere vormen van steun te verkrijgen.50.
58.
In casu voert AB in haar schriftelijke opmerkingen met name aan dat er in de categorie ‘stationsmedewerkers’ sprake was van een gebrek aan personeel en dat er hoe dan ook geen vacature beschikbaar was in de categorie ‘mobiliteitsassistenten’, die tot een andere tak van het spoorwegbedrijf behoren. Volgens AB is G.L. niettemin uit het reguliere rooster voor haar ploegendienst, dat van toepassing is op stationsmedewerkers op de metrolijn waarop zij was tewerkgesteld, verwijderd en is, anders dan haar andere collega's, op een vaste werkplek met een voorkeursrooster tewerkgesteld. AB heeft aldus in de nodige redelijke aanpassingen voorzien, zij het dat het niet gelukt was om G.L. voor onbepaalde tijd op een vaste werkplek tewerk te stellen.
59.
In dit verband staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of het verzoek van G.L. voor haar werkgever een onevenredige belasting vormde in de zin van artikel 5 van richtlijn 2000/78.
60.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 5 van richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een werknemer, zonder zelf gehandicapt te zijn, mantelzorger is van zijn kind met een handicap, de werkgever van deze mantelzorger in het kader van de in dat artikel bedoelde ‘redelijke aanpassingen’ passende maatregelen moet nemen, met name met betrekking tot de aanpassing van het arbeidsritme en de taakverdeling, teneinde die mantelzorger in staat te stellen om, naargelang de behoeften in een concrete situatie, in de hulpbehoefte van zijn kind te voorzien en voor hem als hoofdverzorger op te treden, voor zover die maatregelen voor deze werkgever geen onevenredige belasting vormen.
V. Conclusie
61.
In het licht van de voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging de eerste en de tweede prejudiciële vragen van de Corte suprema di cassazione te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 1 en artikel 2, lid 1 en lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep
moeten aldus worden uitgelegd dat
een werknemer die, zonder zelf gehandicapt te zijn, stelt op het werk slachtoffer te zijn van een bijzonder nadeel op grond van de handicap van zijn kind, in wiens hulpbehoefte hij voorziet en van wie hij de hoofdverzorger is, zich in rechte kan beroepen op het in die bepalingen neergelegde verbod van elke vorm van indirecte discriminatie op grond van handicap.
- 2)
Artikel 5 van richtlijn 2000/78
moet aldus worden uitgelegd dat
wanneer een werknemer, zonder zelf gehandicapt te zijn, mantelzorger is van zijn kind met een handicap, de werkgever van deze mantelzorger in het kader van de in dat artikel bedoelde ‘redelijke aanpassingen’ passende maatregelen moet nemen, met name met betrekking tot de aanpassing van het arbeidsritme en de taakverdeling, teneinde die mantelzorger in staat te stellen om, naargelang de behoeften in een concrete situatie, in de hulpbehoefte van zijn kind te voorzien en voor hem als hoofdverzorger op te treden, voor zover die maatregelen voor deze werkgever geen onevenredige belasting vormen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑03‑2025
Oorspronkelijke taal: Frans.
Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Richtlijn van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16).
Arrest van 17 juli 2008, (C-303/06, EU:C:2008:415; hierna: ‘arrest Coleman’).
United Nations Treaty Series, deel 2515, blz. 3.
GURI nr. 187 van 13 augustus 2003, blz. 4.
In haar schriftelijke opmerkingen heeft AB aangegeven dat de stationsmedewerkers die werkzaam zijn in de sector spoorverkeer (metro/trein/tram) geen vaste werkplek hebben en dat zij administratief verbonden zijn aan een werkplek die de gehele metrolijn of het spoortraject waarop zij werken, bestrijkt. Zij worden tewerkgesteld in een van de stations van de metrolijn of het spoortraject waaronder zij ressorteren, waar hun aanwezigheid noodzakelijk is voor de uitoefening van hun activiteit.
Legge nr. 205 — Bilancio di previsione dello Stato per l'anno finanziario 2018 e bilancio pluriennale per il triennio 2018–2020 (wet nr. 205 houdende de staatsbegroting voor het begrotingsjaar 2018 en de meerjarenbegroting voor de driejarige periode 2018–2020) van 27 december 2017 (GURI nr. 302 van 29 december 2017, gewoon supplement bij GURI nr. 62).
De verwijzende rechter preciseert dat artikel 25, lid 2 bis, van wetsbesluit nr. 216, ingevoerd bij legge n. 162 (wet nr. 162) van 5 november 2021 (GURI nr. 275 van 18 november 2021), die na de feiten van het hoofdgeding is vastgesteld, bepaalt dat ‘[v]oor de toepassing van deze titel […] onder discriminatie [wordt] verstaan […] elke behandeling of wijziging in de arbeidsomstandigheden of arbeidstijd die, op grond van geslacht, leeftijd, persoonlijke zorgbehoeften of behoeften in verband met de zorg voor het gezin, zwangerschap, moederschap of vaderschap, met inbegrip van adoptie, of wegens het bezit of de uitoefening van daarmee samenhangende rechten, de werknemer in een of meer van de volgende situaties brengt of kan brengen: a) een nadelige positie in vergelijking met alle andere werknemers; b) beperking van de mogelijkheden om deel te nemen aan het dagelijks leven of het besluitvormingsproces van de onderneming; c) beperkte toegang tot mechanismen voor bevordering en loopbaanontwikkeling’.
Volgens artikel 1, lid 1, van dit protocol erkent elke staat die partij is bij dat protocol de bevoegdheid van het Comité voor de rechten van personen met een handicap tot het ontvangen en bestuderen van kennisgevingen van of namens personen of groepen van personen die onder zijn bevoegdheid vallen en stellen het slachtoffer te zijn van een schending van de bepalingen van het VN-Verdrag door die staat die partij is. Artikel 5 van dat protocol bepaalt dat het comité de kennisgevingen die het uit hoofde van het protocol ontvangt, achter gesloten deuren onderzoekt en dat het, na onderzoek van een kennisgeving, zijn eventuele suggesties en aanbevelingen doet toekomen aan de betrokken staat die partij is en aan de indiener van de kennisgeving.
Deze vaststellingen, die met name in het Spaans, het Engels en het Frans beschikbaar zijn, zijn te vinden op: https://tbinternet.ohchr.org/_layouts/15/treatybodyexternal/SessionDetails1.aspx?SessionID=2545&Lang=en, in het gedeelte ‘Consideration of individual complaints’ en vervolgens ‘Jurisprudence CRPD/C/27/D/51/2018 Maria Simona Bellini’.
Arrest van 26 januari 2021, Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny Zakład Opieki Zdrowotnej w Krakowie (C-16/19, EU:C:2021:64, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Besluit van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het [VN-Verdrag] (PB 2010, L 23, blz. 35).
Zie arrest van 11 september 2019, Nobel Plastiques Ibérica (C-397/18, EU:C:2019:703, punten 39–41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie voor het begrip ‘handicap’ in de zin van richtlijn 2000/78 ook arrest van 18 januari 2024, Ca Na Negreta (C-631/22, EU:C:2024:53, punt 34).
Zie punt 18 van deze conclusie.
Zie arrest Coleman (punt 38). Zie ook arrest van 26 januari 2021, Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny Zakład Opieki Zdrowotnej w Krakowie (C-16/19, EU:C:2021:64, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Coleman (punt 43).
Zie in die zin arrest Coleman (punt 50).
Zie in die zin arrest Coleman (punt 51).
Zie ook overweging 12 van richtlijn 2000/78.
Zie in dezelfde zin de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak CHEZ Razpredelenie Bulgaria (C-83/14, EU:C:2015:170, punt 106), die ‘het juist [zou] vinden ‘associatieve’ discriminatie op het vlak van indirecte discriminatie op dezelfde wijze te erkennen als op het vlak van directe discriminatie’.
Zie echter Waddington, L., ‘Case C-303/06, S. Coleman v. Attridge Law and Steve Law Judgment of the Grand Chamber of the Court of Justice of 17 July 2008’, Common Market Law Review, deel 46, nr. 2, 2009, blz. 665–681, in het bijzonder blz. 675 en 676. Volgens deze auteur heeft het Hof zich in het arrest Coleman niet uitgesproken over de kwestie van indirecte associatieve discriminatie.
Arrest van 16 juli 2015, CHEZ Razpredelenie Bulgaria (C-83/14, EU:C:2015:480; hierna: ‘arrest CHEZ’). Over het verband tussen de arresten Coleman en CHEZ met betrekking tot de omvang van associatieve discriminatie, zie Benedi Lahuerta, S., ‘Ethnic Discrimination, Discrimination by Association and the Roma Community’, Common Market Law Review, deel 53, nr. 3, 2016, blz. 797–817, met name blz. 809–812.
Richtlijn van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB 2000, L 180, blz. 22).
Arrest CHEZ (punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin, McCrudden, C., ‘The New Architecture of EU Equality Law after CHEZ: Did the Court of Justice Reconceptualise Direct and Indirect Discrimination?’, European equality law review, nr. 1, 2016, blz. 1–10, met name blz. 7. Deze auteur merkt op dat het arrest CHEZ de groep personen die zich kan beroepen op het verbod van indirecte discriminatie heeft uitgebreid als gevolg van de toepassing van het begrip ‘associatieve discriminatie’ op indirecte discriminatie.
Zie punt 30 van deze conclusie.
Zie aangaande dat comité punt 23 van deze conclusie.
CRPD/C/GC/6. Dit document, dat met name in het Spaans, het Engels en het Frans beschikbaar is, is te vinden op: https://www.ohchr.org/en/documents/general-comments-and-recommendations/general-comment-no6-equality-and-non-discrimination.
Algemeen commentaar nr. 6 (punt 17).
Algemeen commentaar nr. 6 (punt 20).
Algemeen commentaar nr. 6 (punt 21).
Zie aangaande deze beschouwingen ook punt 23 van deze conclusie. Zie met name punt 7.9 van die beschouwingen.
Zie arrest van 18 januari 2024, Ca Na Negreta (C-631/22, EU:C:2024:53, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie EHRM, 22 maart 2016, Guberina tegen Kroatië, CE:ECHR:2016:0322JUD002368213.
Volgens de informatienota over de rechtspraak van het EHRM, beschikbaar op het volgende adres: https://hudoc.echr.coe.int/fre#{%22itemid%22:[%22002–11097 %22]}, ‘[woonde] [v]erzoeker […] samen met zijn ernstig gehandicapt kind voor wie hij zorgde’. Om het kind betere en meer aangepaste huisvesting te bieden, had verzoeker het gezinsappartement op de derde verdieping van een gebouw zonder lift verkocht om een huis te kopen. Voor dit huis verzocht hij om vrijstelling van de aankoopbelasting, maar zijn verzoek werd afgewezen op grond dat het door hem verkochte appartement aan de behoeften van het gezin beantwoordde. In het kader van de procedure op grond van het VN-Verdrag klaagde verzoeker dat de toepassing van de belastingwetgeving op zijn status discriminatie op grond van de handicap van zijn kind vormde.
Volgens dit artikel ‘[moet] [h]et genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, […] worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status’.
Zie §§ 76 en 79 van het in voetnoot 34 vermelde arrest van het EHRM.
Opgemerkt zij dat het EHRM in dat arrest met betrekking tot de ‘relevante internationale documenten’ met name heeft verwezen naar de arresten Coleman en CHEZ (zie §§ 41 en 42).
Zie arrest van 26 januari 2021, Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny Zakład Opieki Zdrowotnej w Krakowie (C-16/19, EU:C:2021:64, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Coleman (punt 26).
Zoals advocaat-generaal Poiares Maduro in zijn conclusie in de zaak Coleman (C-303/06, EU:C:2008:61, punt 20) heeft opgemerkt, ‘[is] [i]n de zaak Coleman […] een vraagstuk van directe discriminatie aan de orde. Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, klaagt zij niet over de gevolgen die een neutrale maatregel had voor haar als moeder van een gehandicapt kind waarvoor zij zorgt, maar betoogt zij dat zij juist omdat zij een gehandicapte zoon heeft, door haar werkgever werd geviseerd. Daarom is voor het Hof de vraag aan de orde of de richtlijn directe discriminatie op grond van een band met een gehandicapte verbiedt.’
Zie in die zin arrest van 26 januari 2021, Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny Zakład Opieki Zdrowotnej w Krakowie (C-16/19, EU:C:2021:64, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zo zou een mantelzorger die consequent elke dag van de week van 9.00 tot 18.00 uur zou moeten werken, gelet op de openingstijden van de artsenpraktijken, uiteraard moeilijkheden ondervinden om in de week met zijn kind naar een medische afspraak te gaan.
Zie punt 30 van deze conclusie.
Zie arrest van 10 februari 2022, HR Rail (C-485/20, EU:C:2022:85, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
C-485/20, EU:C:2021:916, punt 59.
Het is belangrijk te verduidelijken dat de mogelijkheid om het arbeidsritme voor mantelzorgers aan te passen thans uitdrukkelijk in het Unierecht is opgenomen. Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van richtlijn 2010/18/EU van de Raad (PB 2019, L 188, blz. 79), die ratione temporis niet van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt immers in artikel 9, lid 1, dat ‘[d]e lidstaten […] de nodige maatregelen [nemen] om te waarborgen dat werknemers met kinderen tot een bepaalde leeftijd, die ten minste acht jaar bedraagt, en mantelzorgers kunnen verzoeken om flexibele werkregelingen voor zorgdoeleinden. De duur van die flexibele werkregelingen kan aan een redelijke beperking worden onderworpen.’ Artikel 3, lid 1, onder f), van deze richtlijn omschrijft ‘flexibele werkregelingen’ als ‘de mogelijkheid voor [werknemers] om hun werkpatronen aan te passen, onder meer door middel van telewerkregelingen, flexibele werkschema's of verminderde werkuren’.
Zie arrest van 11 april 2013, HK Danmark (C-335/11 en C-337/11, EU:C:2013:222, punt 64).
Zie in dat verband arrest van 10 februari 2022, HR Rail (C-485/20, EU:C:2022:85, punt 43).
Zie arrest van 18 januari 2024, Ca Na Negreta (C-631/22, EU:C:2024:53, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).