Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/8.6.2.3
8.6.2.3 Perspectiefplannen en samenwerking met ketenpartners
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook hebben justitiële jeugdinrichtingen ITB-ers in dienst die – in samenwerking met de betrokken jeugdreclaseerders – de minderjarigen tijdens hun verblijf in de inrichting helpen bij het voorbereiden van hun aanstaande terugkeer in de samenleving door praktische zaken buiten de inrichting te regelen, zoals het inschrijven op een school, het regelen van een intakegesprek bij een woongroep of het aanvragen van een OV-kaart. Dit zou eraan moeten bijdragen dat de overgang van binnen naar buiten de inrichting zo soepel mogelijk verloopt voor de minderjarige en dat praktische problemen niet in de weg staan aan het waarborgen van de continuïteit van behandeling en hulpverlening. Tijdens de interviews is echter wel naar voren gekomen dat in sommige inrichtingen, vanwege bezuinigingen, ITB-ers nauwelijks nog betrokken zijn bij de minderjarigen in de kortverblijfgroepen. Dit is tevens geconstateerd in het onderzoek van Rovers (2014, p. 50).
Zo vertoont het beeld dat uit de interviews naar voren komt grote gelijkenissen met het beeld dat Rovers schetst van de ketensamenwerking ten aanzien van ‘kortverblijvers’ in justitiële jeugdinrichtingen in zijn onderzoeksrapport uit 2014 (p. 46-53). Ook komen de op basis van de interviews gesignaleerde knelpunten in de uitvoeringspraktijk in grote lijnen overeen met knelpunten die op 23 maart 2015 tijdens de door ForCA georganiseerde expertmeeting over “verbeteringen in werkprocessen voor preventief gehechte jongeren” door in de praktijk werkzame professionals naar voren zijn gebracht. Zie voor het verslag van deze bijeenkomst: ForCA 2015.
Interview gedragsdeskundige F (JJI).
Interview afdelingshoofd G (JJI).
Interview gedragsdeskundige F (JJI).
Ibid.
Dit komt ook naar voren in het onderzoek van Rovers (2014, p. 49).
Interview gedragsdeskundige J (JJI).
Interview gedragsdeskundige A (JJI). Zie ook: Rovers 2014, p. 47.
Interview gedragsdeskundige F. (JJI).
Zie ook: Rovers 2014, p. 49.
Interview gedragsdeskundige J (JJI).
Interview gedragsdeskundige F (JJI).
Ibid.
Interview gedragsdeskundige H (JJI)
Interview gedragsdeskundige F (JJI).
Interview gedragsdeskundige H (JJI).
O.a. Interview gedragsdeskundige J (JJI). Zie ook: Rovers 2014, p. 50-51.
Interview gedragsdeskundige F (JJI).
De ‘trajectbenadering’, die besloten ligt in het wettelijke kader en wordt voorgeschreven in beleidsnotities, veronderstelt dat de invulling van het verblijf in de justitiële jeugdinrichting – waaraan in het perspectiefplan sturing wordt gegeven – een belangrijke schakel vormt in het strafrechtelijke behandel- en hulpverleningstraject dat na het verblijf in de inrichting ambulant wordt voortgezet en waarin zoveel mogelijk de continuïteit van de behandeling en hulpverlening moet worden gewaarborgd. Dit vereist een adequate informatie-uitwisseling, afstemming en samenwerking tussen de justitiële jeugdinrichting en de andere ketenpartners, hetgeen onder meer zou moeten worden gerealiseerd door middel van de eerder besproken netwerk- en trajectberaden en perspectiefplanbesprekingen.1
Uit de interviews komt evenwel een beeld naar voren van een weerbarstige praktijk; een beeld dat tevens wordt ondersteund door bevindingen die voortkomen uit eerder onderzoek van Rovers en uit een door ForCA georganiseerde expertbijeenkomst over de ketensamenwerking en overige werkprocessen in de uitvoeringspraktijk van de voorlopige hechtenis van minderjarigen.2 Hoewel in het onderhavige onderzoek sommige van de in een justitiële jeugdinrichting werkzame respondenten aangeven niet ontevreden te zijn over de samenwerking met de ketenpartners, zijn het met name geïnterviewde gedragsdeskundigen – die inhoudelijk verantwoordelijk zijn voor de perspectiefplannen en zich tijdens de interviews opwerpen als voorstanders van de trajectbenadering – die frustraties uiten over de perspectiefplannen en de informatie-uitwisseling, afstemming en samenwerking met de ketenpartners. Zo wordt tijdens de interviews door verschillende gedragsdeskundigen naar voren gebracht dat het opstellen van het eerste perspectiefplan een zeer tijdrovende bezigheid is voor de gedragsdeskundige, terwijl er vervolgens in veel gevallen – mede gelet op de doorgaans vroegtijdige schorsing van de voorlopige hechtenis – nauwelijks iets met dit perspectiefplan wordt gedaan.
“We zijn constant bezig met het uitwisselen van informatie, dus het schrijven van stukken, indrukken, observaties, behandeldoelen, dat soort zaken. En heel vaak wordt daar dus niks mee gedaan. Want het rapport van de [jeugd]reclassering is al weg of onze rapportage komt te vroeg of te laat of nou ja… Dus ook zo’n perspectiefplan, dat best wel wat moeite kost om te maken, ligt eigenlijk vaak te verstoffen in een la. En dat doet heel veel met de motivatie merk ik, ook van de mensen die hier dagelijks met de jongeren werken.”3
Tijdens meerdere interviews wordt erop gewezen dat de gedragsdeskundigen veel tijd kwijt zijn aan het opstellen van perspectiefplannen. Het is verworden tot de – in de woorden van een afdelingshoofd in een justitiële jeugdinrichting4 – “core business” van de gedragsdeskundige, hetgeen volgens sommige respondenten ten koste gaat van de tijd voor persoonlijke contacten met de minderjarigen in de inrichting. Tijdens de interviews wordt ook aangegeven dat de termijn van drie weken voor het eerste perspectiefplan in de praktijk soms lastig haalbaar is, vanwege de omvang van het format van het perspectiefplan en de afhankelijkheid van de snelheid waarmee ketenpartners en collega’s binnen de inrichting hun informatie aanleveren. In dit verband wijzen verschillende geïnterviewde gedragsdeskundigen op de weinig efficiënte praktijk, waarin, vanwege een gebrekkige afstemming met de ketenpartners, veel ‘dubbel-werk’ wordt gedaan voor wat betreft de informatieverzameling. Zo stelt één van de gedragsdeskundigen:
“En wat daar ook belangrijk in is, is die dubbeling van de informatie. De [jeugd]reclassering is met bijna hetzelfde onderzoek bezig als wat wij aan het doen zijn, stellen ook dezelfde vragen als de ITB-er, dat is niet op elkaar afgestemd. Ze stellen dezelfde vragen aan de jongere: “Hoe gaat het op woongebied, hoe gaat het op vrijetijdsgebied?” Diezelfde vragen, alleen wij kunnen die niet overnemen in ons [digitale] systeem. Daar zou een knopje voor komen, maar dat knopje die is er niet. (…) Dus ook daarin denk ik, moeten we veel beter samenwerken en afstemmen: wat is nou eigenlijk die rol van de JJI hierin, in combinatie met de rol van de anderen?”5
De betreffende gedragsdeskundige wijst er voorts op dat hiermee niet alleen kostbare tijd wordt verspild, maar dat minderjarigen soms gedemotiveerd raken van alle gesprekken en vragenlijsten met vaak dezelfde inhoud.6
Voorts wordt geconstateerd dat de termijnen van de perspectiefplannen en de vaste overlegmomenten met ketenpartners niet aansluiten bij de termijnen in de strafprocedure. Zo kan bijvoorbeeld de informatie uit het eerste perspectiefplan, dat binnen drie weken na binnenkomst van de minderjarige wordt opgesteld, doorgaans niet worden meegenomen in de advisering van de Raad voor de Kinderbescherming bij de eerste raadkamerzitting, die binnen twee weken plaatsvindt.7 Een geïnterviewde gedragsdeskundige stelt zelfs dat het eerste perspectiefplan hierdoor in zijn optiek geen waarde heeft:
“Perspectiefplan 1 wordt niet besproken. Niemand leest ‘m, dat is echt gewoon niemand. Het heeft gewoon geen waarde. De functie die het heeft, daar voldoet het niet aan, want de raadkamer is al geweest.”8
Volgens verschillende geïnterviewde gedragsdeskundigen is er in de eerste twee weken van het verblijf van de minderjarige in voorlopige hechtenis niet altijd sprake van contact met de raadsonderzoeker die adviseert bij de eerste raadkamerzitting en/of met de betrokken jeugdreclasseerder. Dit lijkt vooral af te hangen van de directe lijntjes, op één-op-één basis, tussen de betrokken professionals van de Raad, de jeugdreclassering en de justitiële jeugdinrichting.9 De vaste, formele overlegmomenten blijken in elk geval niet te volstaan om dit structureel te waarborgen. Het netwerkberaad vindt weliswaar binnen een week na binnenkomst van de minderjarige plaats, maar dit betreft een overleg met vertegenwoordigers van de Raad en de jeugdreclassering uit de regio waarin de justitiële jeugdinrichting is gevestigd en dus niet met de betrokken raadsonderzoeker en jeugdreclasseerder. Bovendien wijst een geïnterviewde gedragsdeskundige erop dat het netwerkberaad te vroeg komt voor de justitiële jeugdinrichting om op dat moment al een gedragsbeeld van de minderjarige in de inrichting te kunnen meegeven.10 Voorts vindt de bespreking van het eerste perspectiefplan – als die al plaatsvindt – en het trajectberaad veelal plaats na de eerste raadkamerzitting, waarbij ook moet worden aangetekend dat de Raad voor de Kinderbescherming doorgaans niet is vertegenwoordigd bij de perspectiefplanbespreking, terwijl bij het trajectberaad niet altijd een vertegenwoordiger van de justitiële jeugdinrichting aanwezig is.
Concreet betekent het voorgaande dat in de praktijk niet structureel is gewaarborgd dat de raadkamer – via de Raad voor de Kinderbescherming of jeugdreclassering – beschikt over de informatie die de justitiële jeugdinrichting over de minderjarige heeft vergaard.11 Tijdens de interviews wordt evenwel duidelijk dat men in de praktijk wel bezig is om hiervoor oplossingen te vinden. Zo vertelt een gedragsdeskundige tijdens het interview dat hij bezig is met het opstarten van een “projectgroep-achtig iets” om het perspectiefplan en de strafprocedure beter te laten matchen.12 Een andere gedragsdeskundige draagt tijdens het interview een oplossing aan:
“Wat mijn voorstel zou zijn, is om de termijnen in eerste instantie beter op elkaar af te stemmen. Dus om niet na twee weken een perspectiefplanbespreking te houden, maar gewoon na acht dagen. (…) Dan kan het meegenomen worden [in de raadkamer, YB]. Dan kunnen we stoppen ook met het netwerkberaad, dat is niet echt nodig dan. We hebben dan één moment waarin wij er alles aan gaan doen om zoveel mogelijk mensen rond de tafel te krijgen die allemaal iets kunnen zeggen over het traject wat er buiten al was en wat wenselijk is voor in de JJI en ook voor erna.”13
Om het eerste perspectiefplan voorafgaand aan de eerste raadkamerzitting gereed te kunnen hebben, is volgens deze gedragsdeskundige wel vereist dat het eerste perspectiefplan minder uitgebreid wordt gemaakt. Dit kan volgens hem worden bewerkstelligd door een betere informatie-uitwisseling en afstemming tussen de ketenpartners om dubbelingen in de informatieverzameling te voorkomen.14
Het gevoel van verschillende geïnterviewde gedragsdeskundigen dat weinig met de door hen opgestelde perspectiefplannen wordt gedaan, houdt echter niet alleen verband met de hierboven besproken gebrekkige informatie-uitwisseling voorafgaand aan de eerste raadkamerzitting, maar ook met het vervolgtraject nadat de minderjarige – bijvoorbeeld vanwege een schorsing van de voorlopige hechtenis – de inrichting verlaat. Zo wijzen verschillende respondenten erop dat, zeker bij een vroegtijdige schorsing, de overdracht van de perspectiefplannen naar de jeugdreclassering in de praktijk niet altijd vlekkeloos verloopt.
“Het zou natuurlijk het mooiste zijn als je van elke jongen, de jeugdreclasseerder in de eerste twee weken spreekt om uit te wisselen, maar dat is gewoon niet altijd haalbaar. (…) Als ik een jeugdreclasseerder niet heb gesproken, een jongen is heel snel weer weg, probeer ik het [eerste perspectiefplan, YB] wel aan de jongen mee te geven of bijvoorbeeld naar de ouders op te sturen, het huisadres. Ik probeer het wel, maar ik moet eerlijk zeggen, ik denk dat er heel vaak ook gewoon helemaal niks met het perspectiefplan gebeurt dan.”15
Er zijn wel digitale systemen om perspectiefplannen te delen met de ketenpartners. Eén van de geïnterviewde gedragsdeskundigen stelt echter dat deze systemen, althans in zijn ervaring, niet naar behoren functioneren.
“We hebben heel veel systemen, heel veel manieren (…) om informatie over te dragen, ook allerlei verplichtingen dat we op bepaalde momenten allerlei dingen erin moeten hangen en uploaden en uithalen. Het werkt allemaal niet. (…) Wat ja, ontzettend inefficiënt is en wat ook er vaak voor zorgt dat onze perspectiefplannen niet worden meegenomen in wat er nodig is. Dus ik vind dat wel een heel groot aandachtspunt om die systemen echt beter op elkaar aan te vullen.”16
In dit verband merkt een andere gedragsdeskundige tijdens een interview op dat, zodra een minderjarige de inrichting verlaat, de gedragsdeskundige geen toegang meer heeft tot het digitale perspectiefplan. Dit staat volgens deze respondent soms aan een behoorlijke afronding en overdracht van het perspectiefplan in de weg.17
Tot slot signaleren verschillende geïnterviewde gedragsdeskundigen dat de – in trajectbenadering beoogde – continuïteit van intramurale en ambulante behandeling en hulpverlening in de praktijk onvoldoende is gewaarborgd, doordat er te weinig, althans niet structureel, contact is tussen de justitiële jeugdinrichting en de ambulante behandelaars en hulpverleners die tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis met de minderjarige aan de slag gaan.18 Eén van de geïnterviewde gedragsdeskundigen wijst in dit verband ook op de gebrekkige afstemming met de gemeenten die de ambulante hulpverlening moeten faciliteren. Hij concludeert dat, in zijn optiek, van een trajectbenadering in de praktijk (nog) geen sprake is.
“Doordat de afstemming, zeker ook met de gemeente, nog onvoldoende is, kan er wat mij betreft (nog) niet gesproken worden van een trajectbenadering, waarbij trajecten die al zijn ingezet in de JJI kunnen doorlopen en ook daarna verder gaan. De JJI is daardoor, zeker voor de korttrajectjongeren, vooral een time-out plek. Wij gaan in de JJI voortvarend te werk in het verzamelen van alle informatie en werken hard om dat traject op poten te zetten. Je weet echter wel dat de meeste jongeren na korte tijd (binnen drie maanden) weer weg gaan. Het werkt voor medewerkers [van de JJI, YB] soms demotiverend om te merken dat het traject waar wij mee gestart zijn bij de buitendeur weer ophoudt.”19
Samenvattend kan worden gesteld dat de perspectiefplannen, perspectiefplanbesprekingen en netwerk- en trajectberaden weliswaar een basis zouden moeten kunnen bieden voor het realiseren van de trajectbenadering, zoals de wetgever die ingevolge de Memorie van Toelichting bij de Bjj voor ogen heeft, maar dat de praktijk weerbarstiger is. Uit de interviews met gedragsdeskundigen, afdelingshoofden en een ITB-er, die werkzaam zijn bij justitiële jeugdinrichtingen, zijn – kort gezegd – drie concrete problemen naar voren gekomen die in de praktijk in de weg (kunnen) staan aan het realiseren van de trajectbenadering: (1) het ontbreken van een duidelijke taakverdeling en afstemming tussen de ketenpartners als het gaat om informatieverzameling; (2) een gebrekkige afstemming tussen de termijnen van de perspectiefplannen, de momenten van overleg tussen ketenpartners en de termijnen van de strafprocedure; en (3) het ontbreken van een gestructureerde en adequate overdracht van de perspectiefplannen en van overige door de justitiële jeugdinrichting vergaarde kennis en informatie over de minderjarige tussen de inrichting en de ambulante behandelaars en/of hulpverleners die de begeleiding van de minderjarige tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis voortzetten.