Of indien overeenkomstig artikel 9a Sr wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
HR, 22-04-2025, nr. 22/04294
ECLI:NL:HR:2025:629
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-04-2025
- Zaaknummer
22/04294
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:629, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2285
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:311
ECLI:NL:PHR:2025:311, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:629
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0157
NTS 2025/28
Uitspraak 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Poging tot zware mishandeling, art. 45 en 302.1 Sr. 1. Sanctietoemetingsbeslissing, oplegging contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel a.b.i. art. 38v Sr. Kon hof aan vrijheidsbeperkende maatregel de verplichting verbinden dat verdachte geen contact “zal hebben” met slachtoffer, nu naleving daarvan niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van gedrag van verdachte? 2. Vordering benadeelde partij. Kon hof kosten voor “opvragen medische stukken” aanmerken als materiële schade i.p.v. proceskosten? 3. Vordering b.p. Aanvangsdatum wettelijke rente t.a.v. kosten voor “opvragen medische stukken”. Kon hof oordelen dat toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf pleegdatum? Ad 1. Hof heeft bij oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel, v.zv. deze inhoudt dat verdachte op geen enkele wijze (direct of indirect) contact “zal opnemen, zoeken of hebben” met slachtoffer kennelijk willen aansluiten bij de in art. 38v.2.b Sr omschreven verplichting. ‘s Hofs beslissing moet daarom zo worden verstaan dat hof verdachte heeft bevolen zich voor duur van 3 jaren te onthouden van contact met slachtoffer. Ad 2. Hof heeft vastgesteld dat b.p. zich in strafproces heeft gevoegd met vordering tot schadevergoeding voor o.m. materiële schade voor “opvragen medische stukken”. Uit stukken volgt dat huisarts van b.p. brief met medische informatie heeft opgesteld in antwoord op vragen van advocaat van b.p. over letsel van b.p. en kosten van opstellen en opsturen van deze informatie in rekening heeft gebracht bij advocaat. Advocaat heeft deze kosten vervolgens in rekening gebracht bij b.p. Hof heeft deze kosten aangemerkt als materiële schade die rechtstreeks gevolg is van bewezenverklaarde feit. Met beslissing tot toewijzing van vordering v.zv. deze betrekking heeft op die kosten, heeft hof kennelijk geoordeeld dat die kosten kunnen worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid a.b.i. art. 6:96.2.b BW. In dat oordeel ligt besloten dat hof deze kosten niet als proceskosten a.b.i. art. 6:96.3 BW en art. 241 Rv heeft aangemerkt. Dit oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 over aanvangsdatum wettelijke rente. Hof heeft geoordeeld dat materiële schade, dus ook voor wat betreft “opvragen medische stukken”, wordt vermeerderd met wettelijke rente vanaf pleegdatum (23-9-2021) en daarmee dat wat betreft verschuldigdheid van wettelijke rente deze datum moet worden aangemerkt als datum waarop volledige materiële schade is ingetreden. ’s Hofs oordeel dat materiële schade ook voor wat betreft “opvragen medische stukken” is ingetreden op deze datum is niet begrijpelijk, omdat uit bijlage bij verzoek tot schadevergoeding volgt dat b.p. een factuur van 16-12-2021 heeft ontvangen van advocaat voor betreffende kosten. HR doet zaak zelf af en bepaalt aanvangsdatum wettelijke rente t.a.v. schadepost van € 56,12 voor “opvragen medische stukken” op 16-12-2021.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04294
Datum 22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 november 2022, nummer 22-000056-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens [benadeelde] heeft de advocaat N.M. Fakiri een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarin de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de kosten voor het opvragen van medische gegevens is bepaald op 23 september 2021, de Hoge Raad geadviseerd de zaak zelf af te doen door de ingangsdatum van de wettelijke rente voor wat betreft de kosten van het opvragen van de medische gegevens te bepalen op 9 december 2021 en voor het overige geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van [benadeelde] . De sanctieoplegging houdt onder meer in:
“Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] .”
2.3
“1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
(...).
2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
(...)
b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen (...).”
2.4.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel (contactverbod), voor zover deze inhoudt dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal “hebben” met het slachtoffer. Het voert daartoe aan dat de naleving van deze verplichting niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de verdachte omdat het slachtoffer contact kan leggen met de verdachte.
2.4.2
Het hof heeft bij de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel die inhoudt dat de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact “zal opnemen, zoeken of hebben” met [benadeelde] , kennelijk willen aansluiten bij de in artikel 38v lid 2, aanhef en onder b, Sr omschreven verplichting. De beslissing van het hof moet daarom zo worden verstaan dat het hof de verdachte heeft bevolen zich voor de duur van drie jaren te onthouden van contact met [benadeelde] . De verdachte heeft daarom geen belang bij de klacht.
2.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van [benadeelde] , voor zover deze ziet op ‘opvragen medische stukken’ van € 56,12 en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en over het oordeel van het hof dat dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2021, zijnde de bewezenverklaarde pleegdatum.
3.2.1
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij, met bijlagen. Dit stuk houdt onder meer in:
“Omschrijving materiële schade Bedrag
Opvragen medische stukken € 56,12
Kleding (broek en trui) geschat € 100,-
Totaal materiële schade: € 156,12
Cliënt heeft ten gevolge van het misdrijf materiële schade opgelopen. Hij heeft fysiek letsel door het handelen van verdachte opgelopen en hij heeft hierdoor kosten gemaakt om medische informatie op te vragen, zie bijlage 1.”
3.2.2
Bijlage 1 bij het ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij bevat onder meer een factuur van [A] van 9 december 2021 aan de advocaat van de benadeelde partij voor een bedrag van € 56,12, met als omschrijving “info aan derden, 15 min, incl. 21% btw”. Daarnaast bevat de bijlage onder meer een factuur van de advocaat van de benadeelde partij van 16 december 2021 aan de benadeelde partij voor een bedrag van € 56,12, met als omschrijving “Onbelaste verschotten”.
3.2.3
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor een op 23 september 2021 gepleegde poging tot zware mishandeling van [benadeelde] . Het hof heeft over de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel onder meer overwogen en beslist:
“Vordering tot schadevergoeding [benadeelde]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.156,12.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 6.156,12.
(...)
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat tot een bedrag van € 156,12 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
(...)
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.656,12 aansprakelijk is voor de schade die door het subsidiair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde] .
(...)
BESLISSING
(...)
Vordering van [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.656,12 (tweeduizend zeshonderdzesenvijftig euro en twaalf cent) bestaande uit € 156,12 (honderdzesenvijftig euro en twaalf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.656,12 (tweeduizend zeshonderdzesenvijftig euro en twaalf cent) bestaande uit € 156,12 (honderdzesenvijftig euro en twaalf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 36 (zesendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 september 2021.”
3.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 6:81 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):
“De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikelen 82 en 83 is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.”
- Artikel 6:83, aanhef en onder b, BW:
“Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:
(...)
b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen.”
- Artikel 6:95 lid 1 BW:
“De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft.”
- Artikel 6:96 leden 1 tot en met 3 BW:
“1. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst.
2. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:
(...)
b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;
(...).
3. Lid 2 onder b en c is niet van toepassing voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn.”
- Artikel 6:119 lid 1 BW:
“De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.”
- Artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering:
“Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in artikel 333 of 335 doet, over de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.”
- Artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv):
“1. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, wordt, indien de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij zonder gemachtigde procedeert, onder de kosten waarin laatstgenoemde partij wordt veroordeeld, opgenomen een door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke reis- en verblijfkosten van die wederpartij. De rechter kan onder de kosten waarin de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld, ook opnemen een door hem te bepalen bedrag voor noodzakelijke verletkosten van de wederpartij.
2. Procedeert de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij met een gemachtigde, dan wordt onder die kosten een door de rechter te bepalen bedrag opgenomen voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde, tenzij de rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders beslist.”
- Artikel 241 Rv:
“Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing. Dit artikel is niet van toepassing ter zake van kosten als bedoeld in artikel 96, vijfde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.”
3.4.1
Het cassatiemiddel voert onder meer aan dat het hof de door de benadeelde partij als materiële schade opgevoerde kosten voor ‘opvragen medische stukken’ had moeten aanmerken als proceskosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW in samenhang met artikel 241 Rv, en niet als rechtstreekse schade.
3.4.2
Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd met een vordering tot schadevergoeding die bestaat uit onder meer een bedrag van € 56,12 aan materiële schade voor ‘opvragen medische stukken’. De bijlagen bij het ‘Verzoek tot schadevergoeding’ houden in dat de huisarts van de benadeelde partij een brief met medische informatie heeft opgesteld in antwoord op vragen van de advocaat van de benadeelde partij over het letsel van de benadeelde partij en de kosten van het opstellen en opsturen van deze informatie in rekening heeft gebracht bij die advocaat. De advocaat heeft deze kosten vervolgens in rekening gebracht bij de benadeelde partij.
3.4.3
Het hof heeft deze kosten aangemerkt als materiële schade die het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Met zijn beslissing tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor zover deze betrekking heeft op die kosten, heeft het hof kennelijk geoordeeld dat die kosten kunnen worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW. In dat oordeel ligt besloten dat het hof deze kosten niet als proceskosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 3 BW in samenhang met artikel 241 Rv heeft aangemerkt. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.4.4
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
3.5.1
Het cassatiemiddel klaagt verder over het oordeel van het hof dat het toegewezen bedrag van € 56,12 moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2021. Het voert daartoe aan dat de betreffende schade pas na die datum is ontstaan.
3.5.2
De benadeelde partij kan betaling van de wettelijke rente vorderen over het bedrag dat zij aan schade heeft geleden. In beginsel is de wettelijke rente op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, BW zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverwegingen 2.4.1 en 2.5.)
3.5.3
Het hof heeft geoordeeld dat de materiële schade, dus ook voor wat betreft ‘opvragen medische stukken’, wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2021. Daarmee heeft het hof geoordeeld dat wat betreft de verschuldigdheid van de wettelijke rente de datum van 23 september 2021, zijnde de bewezenverklaarde pleegdatum, moet worden aangemerkt als de datum waarop de volledige materiële schade is ingetreden.
3.5.4
Het oordeel van het hof dat de materiële schade ook voor wat betreft ‘opvragen medische stukken’ van € 56,12 is ingetreden op 23 september 2021 is niet begrijpelijk omdat uit de onder 3.2.2 beschreven Bijlage 1 volgt dat de benadeelde partij een factuur van 16 december 2021 heeft ontvangen van zijn advocaat voor de betreffende kosten.
3.5.5
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de zaak in zoverre zelf afdoen. Wat betreft de schadepost van € 56,12 voor ‘opvragen medische stukken’ zal de Hoge Raad de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen op 16 december 2021.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover daarin de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schade wat betreft de schadepost van € 56,12 voor ‘opvragen medische stukken’ is bepaald op 23 september 2021;
- bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schade wat betreft die schadepost van € 56,12 op 16 december 2021 en voor het restant van de toegewezen materiële schade en immateriële schade op 23 september 2021;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.
Conclusie 11‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Poging tot zware mishandeling door met hamer en vuisten op hoofd aangever te slaan. Eerste middel bevat falende bewijsklachten over slaan met hamer en opgelopen letsel en daarnaast falende klacht over alternatief scenario dat letsel veroorzaakt kan zijn door val van fiets. Tweede middel over opgelegde contactverbod slaagt voor zover wordt geklaagd over oplegging van verbod om 'contact te hebben' met aangever. Dit dient te leiden tot verbeterde lezing van dictum ten aanzien van inhoud van opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. Overige klachten, over dadelijke uitvoerbaarheid, in tweede middel falen. Derde middel met klachten over beslissingen op vordering benadeelde partij slaagt ten aanzien van klacht over ingangsdatum van wettelijk te vergoeden rente op kosten voor opvragen medische gegevens. Klacht dat het hof kosten voor opvragen van die gegevens moest aanmerken als proceskosten faalt. Hof kon deze kosten scharen onder redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW en kon - zonder dat dit getuigt van onjuiste rechtsopvatting - oordelen dat deze buitengerechtelijke kosten niet tot in artikelen 237 t/m 240 Rv bedoelde proceskosten kunnen worden gerekend. Conclusie strekt tot vernietiging van bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarin de aanvangsdatum van wettelijke rente over kosten voor opvragen van medische gegevens is bepaald op 23 september 2021. Hoge Raad kan zaak zelf afdoen door ingangsdatum van wettelijke rente voor wat betreft kosten van opvragen van medische gegevens te bepalen op 9 december 2021. Voor het overige strekt conclusie tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04294
Zitting 11 maart 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Bij arrest van 17 november 2022 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte wegens “poging tot zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan twee voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opgelegd en heeft het deze dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tevens heeft het hof aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.E.G. van der Hut, advocaat in Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel gaat over de bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling. Het tweede middel bevat klachten over het opgelegde contactverbod en het derde middel ziet op de vordering van de benadeelde partij.
De zaak
4. Tussen de verdachte en de aangever, zijn buurman, bestond al lange tijd onenigheid. Op 23 september 2021 heeft dat geleid tot een geweldsincident. De aangever fietste zijn straat in en de verdachte is op hem af komen lopen. Hij heeft de aangever daarna met zijn vuisten en met een hamer in zijn gezicht geslagen. De zoon van de aangever heeft dit zien gebeuren. Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en heeft de verdachte een contactverbod opgelegd. Ook is de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) toegewezen.
Het eerste middel
5. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd, mede gelet op een tot vrijspraak strekkend verweer.
De bewijsvoering van het hof en een bewijsverweer
6. Het hof heeft ten laste van de verdachte subsidiair bewezen verklaard dat:
“hij op 23 september 2021 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] met een hamer en zijn vuisten op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
7. De bewijsoverwegingen van het hof luiden, voor zover hier relevant, als volgt:
“Aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 23 september 2021 met zijn fiets de straat van zijn woning is ingereden. Vervolgens is hij de verdachte, zijn buurman, tegengekomen die scheldend op hem is afgekomen. Aangever heeft verklaard dat de verdachte een hamer uit zijn jas heeft gepakt en dat hij vanaf dat moment niets meer weet. Aangever heeft deze verklaring herhaald in zijn verhoor op 24 september 2021.
De verklaring van aangever wordt ondersteund door de op 23 september 2021 afgelegde verklaring van [getuige 3] , zijn zoon. Deze getuige heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte klappen aan het uitdelen was. De verdachte was met zijn vuisten aan het inslaan op het hoofd van een man die op de grond lag. Pas later zag de getuige dat de man die op de grond lag zijn eigen vader was. Op 24 september 2021 heeft de getuige bovendien verklaard dat de verdachte iets in zijn hand had wat op een hamer leek.
Daarnaast wordt de verklaring van aangever ondersteund door het bij hem geconstateerde letsel, te weten een gebroken neus, losse/gebroken tanden, kapotte kaakkopjes en een zware hersenschudding.
Gelet op de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat het alternatieve scenario dat het letsel van aangever is veroorzaakt door een onfortuinlijke val van zijn fiets niet aannemelijk is geworden. De door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen doen daar niet aan af. Deze verklaringen sluiten namelijk niet uit dat het letsel is opgelopen door toedoen van de verdachte, nu uit de verklaringen van de getuigen volgt dat er niet continu zicht op aangever is geweest en er daarmee een tijdspanne zit tussen het moment dat aangever volgens de getuigen zou gaan vallen en het moment dat de getuigen, buiten gekomen, bij aangever zijn en zij constateren dat aangever inmiddels gevallen is. Het hof merkt daarbij op dat de door de verdachte zelf tegenover de politie afgelegde verklaringen, inhoudende dat verdachte heeft gezien dat aangever met een baksteen is geslagen door een persoon die op dat moment een zwarte helm droeg eveneens geen ondersteuning biedt voor dit alternatieve scenario.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die aangever met een hamer en met zijn vuisten heeft geslagen. Het verweer wordt verworpen.”
8. Ter onderbouwing van de bewezenverklaring zijn de volgende bewijsmiddelen gebruikt:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-17 met de bijbehorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 20 t/m 30):
als de op 23 september 2021 afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Ik wens aangifte te doen van mishandeling en poging doodslag tegen mijn buurman woonachtig op de [a-straat 1] te [plaats] .
Vandaag op 23-09-2021 kwam ik thuis aan, ik woon op de [a-straat 2] te [plaats] . Ik zag dat mijn buurman van nummer [1] buiten voor zijn voordeur stond. Ik wilde de confrontatie niet met hem aan en daarom bleef ik aan de overkant van de straat fietsen. Mijn buurman zag mij. Hij kwam direct op mij afgelopen. Hij begon direct met uitschelden van mij. Hij zei dingen in de trant van: “Kanker je moeder” en “Dat is jouw dag” en “ik ga jou afmaken”. Ik zei dat hij mij met rust moest laten en dat ik naar huis wilde gaan.
Ik zag dat hij met een van zijn handen in zijn jas greep. Ik zag dat mijn buurman een hamer pakte uit zijn jas. Vanaf dit moment weet ik niets meer. Ik kwam pas weer bij kennis in het ziekenhuis. Ik heb veel pijn aan mijn voorhoofd, achterhoofd, kaak en nek. Mijn neus is gebroken en mijn voortanden van mijn bovenkaak ook. Ik heb geen gevoel meer in mijn tandvlees van mijn bovenkaak.
2. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 24 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-23 met de bijbehorende bijlage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 31 t/m 34):
als de op 24 september 2021 in concept afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Gisteren kwam ik terug van een afspraak. Ik fietste mijn straat in. Ik zag die buurman van nummer [1] in de deuropening staan. Ik wilde wegfietsen. Ik zag dat hij zijn voordeur dichtdeed. Hij kwam op mij afrennen. Ik hoorde hem schreeuwen: "Kom hier! Je kankermoeder! Dit is jouw dag! Ik ga jou afmaken!”
Ik zag dat hij iets uit zijn binnenzak van zijn jas pakte. Ik zag dat het een hamer was. De hamer had een bruin handvat. Ik weet niet meer precies wat voor hamer het was maar ik weet 100% zeker dat het een hamer was. Wat er daarna gebeurde weet ik niet meer. Ik weet alleen dat ik wakker werd in de ambulance.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-3 met de bijbehorende bijlage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 35 t/m 38):
als de op 23 september 2021 in concept afgelegde verklaring van [getuige 3] :
Op 23 september 2021 was ik in mijn woning aan de [a-straat 2] te [plaats] . Ik hoorde geschreeuw van buiten komen. Ik keek uit het raam en zag de buurman van nummer [...] (hof begrijpt: [1] ) op straat staan. Ik zag dat de buurman klappen aan het uitdelen was. Ik zag dat de buurman met zijn vuisten insloeg op een man zijn hoofd. Ik zag dat de man op de grond lag. Ik keek nog een keer goed en zag dat het mijn vader was, die op de grond lag en geslagen werd door de buurman. Ik zag dat de buurman vervolgens weg liep in de richting van de [b-straat] .
Ik zag dat mijn vader bloed aan zijn neus had en bloed op zijn hoofd. Ik zag dat mijn vader niet reageerde op wat ik zei.
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-22 met de bijbehorende bijlage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 33 t/m 42):
als de op 24 september 2021 in concept afgelegde verklaring van [getuige 3] :
Ik hoorde gisteren een hoop gescheld daarom keek ik naar buiten en toen zag ik alles gebeuren.
Ik zag gisteren niet gelijk dat het om mijn vader ging. Ik kwam daar pas achter toen ik naar buiten ging.
Ik wist gelijk dat het mijn buurman was voor 100%.
Hij had iets in zijn hand wat op een hamer leek. De kleur weet ik niet meer zeker maar ik weet wel zeker dat het een hamer was.
5. Een proces-verbaal aanhouding verdachte d.d. 23 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 6 t/m 8):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 23 september 2021 omstreeks 16:20 uur, hield ik op de locatie [a-straat] , [plaats] , als verdachte aan:
Verdachte
Achternaam [verdachte]
Voornamen [...]
Geboren [geboortedatum] 1982
Geboorteplaats [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht Man
Adres [a-straat 1]
Postcode plaats [plaats]
Op 23 september 2021 om 16:07 uur hoorde ik dat er op de [a-straat] ter hoogte van perceelnummer [2] te [plaats] een persoon neergeslagen zou zijn en op de grond zou liggen.
Aangekomen op boven genoemde adres troffen wij een man aan die in de deuropening zat van perceelnummer [2] . De man was bij kennis en keek zeer verward om zich heen. De man had zichtbaar letsel aan zijn hoofd. Het zichtbare letsel betrof:
- Grote bult boven zijn linker slaap;
- Gezwollen neus;
- Los zittende tanden;
- Boven en onderlip kapot;
- Op zijn handen en hele gezicht bloed.
De man met het letsel werd mij later bekend als: [benadeelde] , geboren [geboorteplaats] 1978.
Ik zag dat er een jongeman achter de aangever stond. Ik vroeg aan hem of hij iets gezien had. Ik hoorde hem verklaren: “Ja.” Ik vroeg aan hem een geldig legitimatie bewijs. De jongeman gaf op te zijn: [getuige 3].
Ik hoorde hem verklaren: "Ja, ik hoorde hard geschreeuw en keek uit het raam. Ik zag de buurman van nummer [1] meerdere keren mijn vader op zijn hoofd sloeg. Daarna rende hij weg." Terwijl ik met de getuige in gesprek was hoorde ik hem ineens zeggen: “Kijk daar loopt hij dat is hem. Die man met dat flesje water in zijn hand.”
Ik ben direct samen met collega [verbalisant 1] richting de man met het flesje water gelopen. Ik vroeg aan hem of hij met mij mee wilde lopen zodat we alleen konden staan. Ik zei tegen de man dat hij niet tot antwoorden verlicht was. Ook vroeg ik een geldig legitimatiebewijs aan de man. De man gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] .
Ik liep terug naar de getuige en vroeg aan hem. Jij weet zeker dat hij het gedaan heeft. Ik hoorde, de getuige verklaren: “Ja, hij sloeg hem op zijn hoofd en rende daarna weg.”
Ik heb hierna de verdachte aangehouden.
6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-5 met de bijbehorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 43 t/m 52):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 23 september 2021 hoorde ik dat de centrale meldkamer van de eenheid Den Haag een eenheid stuurde naar de [a-straat] ter hoogte van [2] te [plaats] . Alhier zou iemand geslagen zijn en letsel op zijn hoofd hebben. De aangever zou verward overkomen.
Toen ik ter plaatse kwam, zag ik in de deuropening van de woning gelegen aan de van [a-straat 2] een man zitten. Ik zag dat deze man behoorlijk veel bloed in zijn gezicht had. Ik sprak de man aan en ik vroeg hem wat er gebeurd was. Ik zag en ik hoorde dat de man niets terug zei. Ik zag dat de aangever mij wel aankeek. Ik had het idee dat het niet goed met hem ging. Ik vond dat de aangever zowel naar mij als naar collega [verbalisant 2] wazig keek. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] ook meerdere keren aan de aangever vroeg wat er gebeurd was. Ik hoorde dat de aangever geen antwoord gaf.
Ik zag dat de aangever vers bloed op zijn hoofd had. Ik zag ook dat zijn neus behoorlijk aan het bloeden was en dat er bloed uit zijn mond kwam. Ik zag dat de aangever continu met zijn hand naar zijn hoofd greep. Ik zag dat er op zijn hoofd, een zwarte plek zat. Ik zag dat de aangever een grote bult boven zijn linker oog had. Ik zag dat zijn neus opgezwollen was en dat er behoorlijk veel bloed op zijn neus zat. Ik zag dat hij veel bloed in zijn en om zijn mond had. Ik zag dat zijn tanden in zijn mond loszaten. Ik zag dat de man ook nog bloed op zijn voor- en bovenhoofd had.
Aan het politiebureau bekeek ik de handen van verdachte [verdachte] . Ik zag dat hij op zijn rechterhand, bij zijn middel- en ringvinger zwarte plekken had. Ik zag dat dit tussen zijn knokkels en vingerkootjes zat. Ik zag dat dit dezelfde zwarte kleur was als de zwarte plek die de aangever op zijn hoofd had.
7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021279824-5 met de bijbehorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 53 t/m 52):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 23 september 2021 kreeg ik van de dienstdoende centralist van het operationeel centrum het verzoek te gaan naar de [a-straat 2] . Op de eerder genoemde locatie, zou een man op straat liggen met een hoop bloed. Deze man zou zijn mishandeld op straat.
Ik hoorde van de dienstdoende ambulancebroeder dat de aangever de volgende verwondingen had:
- Zware hersenschudding;
- Kapotte tanden;
- Schaafwonden op zijn hoofd;
- Gebroken neus.
8. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 26 oktober, opgemaakt en ondertekend door de geneeskundige. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in (pagina 114):
als relaas van deze geneeskundige:
Medische informatie betreffende [benadeelde] :

9. Een geschrift, zijnde een brief afkomstig van de tandarts van aangever d.d. 5 november 2021, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1] . Deze brief houdt onder meer in (ongenummerd):
als relaas van deze geneeskundige:
[benadeelde] is op straat mishandeld o.a. in het gelaat op 23 september jl. Er zijn meerdere tanden afgebroken en mogelijk is bij de voortanden boven de wortels gebroken.”
9. De raadsman heeft, zo volgt uit het proces-verbaal, ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verweer gevoerd:
“De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrij gesproken. Hij voert daartoe aan dat het bij aangever geconstateerde letsel kan zijn veroorzaakt door een noodlottige val van diens fiets, gelet op de tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .”
De toelichting op het eerste middel
10. De toelichting op het middel bevat drie klachten over de bewijsmotivering en een klacht over de respons op een bewijsverweer. De drie eerstbedoelde klachten houden in dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid (1) dat de verdachte met een hamer op of tegen het hoofd van de aangever heeft geslagen, (2) dat de aangever gebroken kaakkopjes had en (3) dat de aangever een zware hersenschudding had. Verder acht de steller van het middel het onbegrijpelijk dat het hof een door de verdediging opgeworpen alternatief scenario, inhoudende dat het letsel is ontstaan doordat de aangever van de fiets is gevallen, onaannemelijk heeft geacht. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] kunnen dat alternatieve scenario namelijk ondersteunen.
De bespreking van het middel
De drie bewijsmotiveringsklachten
11. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte met een hamer tegen of op het hoofd van de aangever heeft geslagen. Wat mij betreft houdt deze vaststelling in cassatie stand, omdat het hof dit kon afleiden uit de volgende combinatie van bewijsmiddelen: (i) de verklaring van de aangever, te weten dat hij heeft gezien dat de verdachte een hamer uit zijn zak pakte en dat hij daarna niets meer wist (bewijsmiddelen 1 en 2), (ii) de verklaring van [getuige 3] , te weten dat de verdachte “klappen aan het uitdelen was” en “iets in zijn hand [had] wat op een hamer leek. De kleur weet ik niet meer zeker maar ik weet wel zeker dat het een hamer was” (bewijsmiddelen 3 en 4), en (iii) de aard van het geconstateerde letsel, waarvan het ontstaan – zo begrijp ik het (onuitgesproken) oordeel van het hof – beter past bij de toebrenging van letsel met een hard voorwerp, dan bij de toediening van uitsluitend vuistslagen.
12. Verder heeft het hof poging tot zware mishandeling bewezen verklaard. Voor de strafbaarheid van poging tot zware mishandeling is niet vereist dat enig lichamelijk letsel is ingetreden. Wel moet uit de bewijsvoering afgeleid kunnen worden dat de verdachte uitvoeringshandelingen heeft verricht, waarbij zijn opzet – al dan niet in voorwaardelijke vorm – was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
13. Naar ik begrijp gebruikt het hof voor het bewijs van de uitvoeringshandelingen en van het opzet – naast de vaststelling dat de verdachte met een hamer heeft geslagen tevens – de aard en ernst van het vastgestelde letsel: gelet op dit letsel moet de verdachte het slachtoffer wel zodanig hard geslagen hebben dat hij (in ieder geval) bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard (aldus begrijp ik de gedachtegang van het hof). Dit letsel kon het hof afleiden uit de bewijsmiddelen. Daaruit volgt immers dat de aangever een gebroken neus had (bewijsmiddelen 1 en 7), dat meerdere tanden loszaten of zelfs waren afgebroken (bewijsmiddelen 5, 6 en 7), dat hij wonden op zijn hoofd had (bewijsmiddelen 3, 5, 6 en 7) en dat hij een zware hersenschudding heeft opgelopen (bewijsmiddel 7). De klacht dat uit de bewijsmiddelen niet rechtstreeks volgt dat de aangever gebroken kaakkopjes had opgelopen, is op zichzelf terecht voorgesteld, maar de bewijsmotivering houdt ook zonder die vaststelling stand. De drie bewijsmotiveringsklachten falen dus.
De klachten over het verweer waarin een alternatief scenario wordt voorgedragen
14. De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat het bij de aangever geconstateerde letsel “veroorzaakt kan zijn” door een “noodlottige val van de fiets”. Het hof heeft dit (alternatieve) scenario niet aannemelijk geacht omdat de verklaring van de aangever, te weten dat de verdachte hem heeft aangevallen, wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 3] (de zoon van de aangever), die dat met eigen ogen heeft zien gebeuren. De verklaringen waarnaar de verdediging ter ondersteuning verwijst (die van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ), houden volgens het hof een leemte in voor wat betreft het moment van ofwel de aanval door de verdachte (het scenario waarop de tenlastelegging is gebaseerd), ofwel de val van de fiets (het alternatieve scenario). Die getuigenverklaringen differentiëren dus niet tussen de twee scenario’s. Het hof heeft die verklaringen kennelijk om die reden ook niet tot het bewijs gebezigd.
Bovendien wijst het hof er uitdrukkelijk op dat ook de verklaring van de verdachte zelf geen ondersteuning biedt voor het alternatieve scenario; de verdachte heeft immers verklaard dat hij heeft gezien dat iemand het slachtoffer met een baksteen sloeg.
15. Bij deze stand van zaken heeft het hof m.i. toereikend uiteengezet dat en waarom voorbij kan worden gegaan aan de door de verdediging gesuggereerde mogelijkheid van een val van de fiets.
16. Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.
Het tweede middel
17. Blijkens de toelichting, wordt in het tweede middel met drie deelklachten opgekomen tegen de vrijheidsbeperkende maatregel. Ten eerste is de maatregel te onduidelijk geformuleerd en bovendien onhoudbaar omdat het hof daaronder een (algemeen) verbod heeft geschaard om “contact [te] hebben” met de aangever. Ten tweede heeft het hof een onjuiste maatstaf aangelegd bij zijn beslissing om de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tot slot volgt uit de sanctiemotivering niet dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden.
De beslissing van het hof en de motivering van vrijheidsbeperkende maatregel
18. Het hof heeft de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd die inhoudt dat “de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] ”. De oplegging en de verklaring tot dadelijke uitvoerbaarheid van het contactverbod heeft het hof als volgt gemotiveerd:
“Voorts ziet het hof ter voorkoming van strafbare feiten aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contactverbod zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Het hof beoogt hiermee te voorkomen dat de verdachte nog op enigerlei wijze contact met de aangever zal opnemen.
Het hof stelt - met de politierechter - vast dat er al langere tijd onenigheid is tussen de verdachte en aangever en dat zij vlak bij elkaar wonen. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat die onenigheid nog steeds bestaat. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er vooralsnog ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaald persoon of bepaalde personen. Daarom zal het hof bevelen dat de hierna genoemde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Het hof komt daarbij tot een langere duur dan door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, waarbij het hof zal bepalen dat de periode gedurende welke de maatregel reeds van kracht is, van deze tijd dient te worden afgetrokken. Het hof verwijst in dit verband naar de Memorie van toelichting (II Kamerstukken 2010/2011 3255 nr. 3, onder 6.3).”
Het beoordelingskader: de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid
19. Op grond van artikel 38v lid 1 Sr kan de rechter een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen, waaronder een contactverbod, indien iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld.1.Een contactverbod houdt, zo volgt uit de wetsgeschiedenis, een verbod in om contact te leggen of te laten leggen met zekere personen of instellingen.2.De maatregel dient betrekking te hebben op situaties waarin de verdachte op eigen initiatief contact heeft met degene ten aanzien van wie het verbod geldt. De rechter moet in zijn uitspraak zo concreet mogelijk vastleggen wat de maatregel inhoudt.3.
20. De toepassing van de maatregel wordt beperkt door het wettelijk omschreven doel: het contactverbod moet dienen ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Dat houdt in dat de rechter de maatregel alleen kan opleggen “indien hij oordeelt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen.”4.,5.
21. Indien met dit gevaar “ernstig” rekening moet worden gehouden, kan de rechter de maatregel op grond van artikel 38v lid 4 Sr dadelijk uitvoerbaar verklaren. De maatregel gaat dan in vanaf het moment van de uitspraak en dus niet pas vanaf het moment dat de uitspraak onherroepelijk wordt.6.De rechter moet er in zijn motivering blijk van geven dat aan de voorwaarde uit artikel 38v lid 4 Sr is voldaan.7.
22. Bij zijn beoordeling of de maatregel dadelijk uitvoerbaar kan worden verklaard, dient de rechter twee belangen tegen elkaar af te wegen, namelijk (1) het belang van de onmiddellijke bescherming van het slachtoffer en de ernst van het strafbare feit dat de verdachte zou kunnen begaan of het belastende gedrag dat hij jegens personen zou kunnen laten zien, en (2) het belang van de veroordeelde om in de periode tot aan de onherroepelijkheid van het vonnis contact te hebben met bepaalde personen.8.Bij deze belangenafweging geldt het proportionaliteitsvereiste.
De toelichting op het tweede middel
23. De steller van het middel legt in de toelichting uit dat de maatregel zo is geformuleerd dat daaronder ook de situatie valt dat de aangever zélf contact zoekt met de verdachte, terwijl die situatie niet binnen de invloedssfeer van de verdachte ligt. Met betrekking tot de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel wordt geklaagd (1) dat het hof een onjuist criterium heeft gehanteerd doordat het acht heeft geslagen op het gevaar dat de verdachte “vooralsnog” vormt en (2) dat de motivering geen blijk geeft van de vereiste belangenafweging.
De bespreking van het tweede middel
De klacht over de inhoud van het contactverbod
24. Het hof heeft de verdachte een verbod opgelegd om met de aangever contact op te nemen, te zoeken of te hebben. Ten aanzien van het doel van dat verbod overweegt het hof dat het wil voorkomen dat de verdachte nog op enigerlei wijze contact met de aangever zal opnemen.
25. Ik deel de opvatting van de steller van het middel dat de maatregel, voor zover daarin het verbod is opgenomen om ‘contact te hebben’ met de aangever, situaties bestrijkt waarin het niet de verdachte is die het initiatief tot het contact neemt. Daarmee heeft de maatregel niet uitsluitend betrekking op het gedrag van de verdachte. Dit manco hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Uit het arrest volgt voldoende duidelijk dat het hof het oog heeft gehad op situaties waarin de verdachte zelf contact legt met de aangever. De Hoge Raad kan het dictum voor zover dat betrekking heeft op de opgelegde maatregel als volgt verbeterd lezen: Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen of zoeken met [benadeelde] .
De klachten over de dadelijke uitvoerbaarheid
26. Het hof heeft geoordeeld dat het opgelegde contactverbod dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard omdat er “vooralsnog ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaald persoon of bepaalde personen.” Aan dit oordeel legt het hof ten grondslag dat:
(i) de verdachte met zijn vuisten en een hamer tegen het hoofd van de aangever heeft geslagen, hetgeen een grove inbreuk maakt op diens lichamelijke integriteit en gevolgen heeft gehad voor de psychische gezondheid van de aangever;
(ii) de verdachte en de aangever buren zijn;
(iii) er al langere tijd onenigheid bestaat tussen hen en dat die onenigheid op het moment van de terechtzitting in hoger beroep nog steeds gaande was.
27. Ik volg de steller van het middel niet in de klacht dat het hof een onjuist criterium heeft gehanteerd door te overwegen dat, kort gezegd, ‘vooralsnog’ een ernstig gevaar van de verdachte uitgaat. Het hof heeft daarmee kennelijk tot uitdrukking willen brengen waarom het – net als de politierechter – een contactverbod oplegt en deze maatregel wederom dadelijk uitvoerbaar verklaart, namelijk omdat de situatie nog niet is veranderd ten opzichte van de situatie in eerste aanleg, aangezien de onenigheid tussen de verdachte en de aangever nog altijd niet is opgelost terwijl zij ook nog steeds dicht bij elkaar wonen. Hiermee heeft het hof zijn oordeel op dit punt toereikend gemotiveerd en dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
28. Ook de klacht dat de sanctiemotivering geen blijk geeft van de vereiste afweging tussen de belangen van de verdachte en het slachtoffer treft geen doel. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangegeven ‘niets te maken te willen hebben’ met de aangever en ‘geen contact met hem te hoeven’. Het hof heeft dat kennelijk meegewogen in zijn oordeel en daarnaast gelet op het belang van onmiddellijke bescherming van de aangever en de aard en ernst van het feit dat de verdachte (nogmaals) zou kunnen begaan. Tot een nadere motivering van deze belangenafweging was het hof niet gehouden.
29. De eerste klacht uit het tweede middel slaagt, maar hoeft niet tot cassatie te leiden. De overige klachten falen.
Het derde middel
30. Met het derde middel wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de kosten voor het opvragen van medische informatie als rechtstreekse materiële schade aangemerkt kunnen worden. Dat oordeel is volgens de steller van het middel onjuist omdat het hier gaat om proceskosten. Om die reden kan voor deze kosten ook geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. Daarnaast bevat het middel een klacht over de foutieve ingangsdatum van de te vergoeden rente over deze kosten.
De processtukken
31. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ met bijlagen van de benadeelde partij [benadeelde] d.d. 22 december 2021. Daarbij is een begeleidende brief gevoegd, met de volgende kostenpost:
“5. De materiële schade
Omschrijving materiële schade Bedrag Bijlage
Opvragen medische stukken € 56,12 1
(…).
Cliënt heeft ten gevolge van het misdrijf materiële schade opgelopen. Hij heeft fysiek letsel door het handelen van verdachte opgelopen en hij heeft hierdoor kosten gemaakt om medische informatie op te vragen, zie bijlage 1.”
32. Bijlage 1 bij het ‘Verzoek tot schadevergoeding’ betreft onder meer een factuur van het Gezondheidscentrum [A] d.d. 9 december 2021 voor een bedrag van € 56,12, met als omschrijving: “info aan derden, 15 min, incl. 21% BTW”. Daarnaast bevat bijlage 1 een factuur van het kantoor van de raadsman van de benadeelde partij d.d. 16 december 2021 aan de benadeelde partij voor datzelfde bedrag van € 56,12.
33. Als bijlage 3 is een document opgenomen dat de huisarts van Gezondheidscentrum [A] op 9 december 2021 aan de raadsman van de aangever heeft verstrekt. In dat document is een medisch logboek van de verdachte opgenomen. Daarnaast geeft de huisarts antwoorden op vragen over de toestand van de aangever:
“Dhr is na het ongeval gezien in het HMC met een fractuur van het neusbeen en een septumdeviatie van het neustussenschot. Specialistenbrieven zijn bijgevoegd. Er zijn bij mijn weten geen eerdere ziekten geweest die bij de schade ontstaan tgv dit ongeval van belang zijn. Momenteel is er sprake van controles, het laatste contact was op 2-11-2021. Er is voor zover ik weet nog geen sprake van volledig herstel.”
De overwegingen en het dictum van het hof over de vordering tot schadevergoeding
34. Het hof heeft ten aanzien van de materiële vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen (onderstrepingen mijnerzijds):
“Vordering tot schadevergoeding [benadeelde]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.156,12.
(..).
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat tot een bedrag van € 156,12 aan materiële schade is geleden [DA: met inbegrip van € 56,12 voor het opvragen van medische gegevens]. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.”
35. Het dictum houdt over de vordering van de benadeelde partij het volgende in:
“Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.656,12 (tweeduizend zeshonderdzesenvijftig euro en twaalf cent) bestaande uit € 156,12 (honderdzesenvijftig euro en twaalf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
(…).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de aangever, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.656,12 (tweeduizend zeshonderdzesenvijftig euro en twaalf cent) bestaande uit € 156,12 (honderdzesenvijftig euro en twaalf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
(..).
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 september 2021.”
36. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 november 2022 komt naar voren dat de raadsman het volgende heeft aangevoerd met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij:
“Daarnaast stelt de raadsman zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen.”
Het beoordelingskader: vermogensschade, proceskosten en de wettelijke rente
37. Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt – overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht – slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend.9.Deze schade kan volgens artikel 6:95 lid 1 BW bestaan uit (onder meer) vermogensschade. Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten. Vermogensschade bestaat (dus) uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is de volledige vergoeding van de concreet geleden schade.10.
38. Mede voor vergoeding in aanmerking komen volgens lid 2 sub b van artikel 6:96 BW “redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid”. Deze buitengerechtelijke kosten worden in de literatuur ook wel omschreven als administratie- en expertisekosten.11.Het gaat daarbij om kosten die gemaakt worden om het bestaan en de omvang van de schade en de aansprakelijkheid te laten vaststellen.12.In hoeverre deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen is afhankelijk gesteld van een dubbele redelijkheidstoets: het maken van de kosten an sich en de hoogte van de kosten moeten redelijk zijn.13.
39. Ingeval het tot een procedure komt, zijn onder vermogensschade in de hiervoor bedoelde zin echter niet begrepen de door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand; deze zijn te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de strafrechter ingevolge artikel 532 Sv (voorheen: artikel 592a Sv) in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven. Een redelijke uitleg van die bepaling brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures.14.Dienovereenkomstig maakt het derde lid van artikel 6:96 BW voor proceskosten een uitzondering op het uitgangspunt van volledige vergoeding van de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, namelijk door te bepalen dat “lid 2 [van artikel 6:96 BW] onder b (…) niet van toepassing is voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Rv] de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn.” Kort gezegd bepaalt (ook) artikel 241 Rv15.dat – voor zover de kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW tevens proceskosten betreffen – de proceskostenregels uit de artikelen 237 tot en met 240 Rv voorrang genieten.16.,17.
40. De in redelijkheid gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid’ kunnen dus – indien het tot een geding komt – overlappen met de proceskosten. “Dit kan zich met name voordoen bij de kosten van voorbereiding van de dagvaarding en andere gedingstukken en bij de kosten van de instructie van de zaak. Komt het tot een proces, dan vallen bij samenloop die kosten uitsluitend onder de bepalingen betreffende de proceskosten, hetgeen tot niet-volledige vergoeding kan leiden, in verband met de eigen aard van de regels ten aanzien van een veroordeling in de proceskosten”, aldus Lindenbergh.18.
41. Procedeert de benadeelde partij met een gemachtigde, dan komen conform artikel 238 lid 2 Rv slechts de kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking, en dus niet ook de in artikel 238 lid 1 Rv bedoelde kosten van de benadeelde partij (tenzij de rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders beslist).
42. Niet alle buitengerechtelijke kosten ‘verschieten van kleur’19.wanneer het tot een geding komt. Dat hangt er vermoedelijk ook mee samen dat niet alle kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid kunnen worden aangemerkt als kosten van rechtsbijstand.20.De (volledige) verschuldigdheid van schade die aan de benadeelde rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit, wordt onverminderd beoordeeld op basis van de regels van het materiële burgerlijk recht.21.
43. Ik meen dat de feitenrechter hier een zekere mate van vrijheid toekomt en bijvoorbeeld onderscheid kan maken tussen kosten van deskundige derden (kosten ter vaststelling van schade) en die van de advocaat (kosten specifiek voor rechtsbijstand). Van die tweede categorie is duidelijk dat zij ingeval het tot een procedure komt onder ‘de proceskosten’ moeten worden geschaard. Het komt mij evenwel voor dat zulks niet zonder meer geldt voor de eerste categorie van kosten.22.Mijns inziens kan de rechter dus – zonder verzaking van de artikelen 237 tot en met 240 Rv – oordelen dat de redelijke kosten van het inschakelen van deskundige derden ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid hebben te gelden als vermogensschade die voor volledige vergoeding in aanmerking komt.
44. Wat betreft de wettelijk te vergoeden rente merk ik hier op dat die op grond van artikel 6:83 aanhef en onder b BW in beginsel (zonder ingebrekestelling)23.verschuldigd is vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige gedraging is ingetreden.24.Bij concrete kosten, zoals ziekenhuiskosten als gevolg van letselschade, ontstaat de schade op het moment dat daadwerkelijk kosten worden gemaakt. Anders gezegd: op het moment dat bij een derde een opeisbare vordering ontstaat ten aanzien van deze kosten.25.
De toelichting op het derde middel
45. In de toelichting wordt bepleit dat de kosten van het opvragen van medische gegevens geen rechtstreeks geleden materiële schade betreft die door middel van een schadevergoedingsmaatregel vergoed kan worden. Volgens de steller van het middel zijn het weliswaar kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW, maar zijn het tevens proceskosten zodat op grond van artikel 6:96 lid 3 BW de proceskostenregeling van toepassing is. Daarnaast merkt de steller van het middel op dat het maken van de kosten niet redelijk is geweest omdat de huisarts deze niet in rekening had mogen brengen gelet op het feit dat huisartsen verplicht zijn eenieder die daarom vraagt kosteloos een afschrift van diens medisch dossier te verstrekken.26.
46. Verder wijst de steller van het middel erop dat de ingangsdatum van de te vergoeden wettelijke rente, die het hof heeft gesteld op 23 september 2021, voor in ieder geval de kostenpost die verband houdt met het opvragen van medische gegevens onjuist is nu uit de processtukken blijkt dat de huisarts op 9 december 2021 een factuur heeft verstrekt aan het kantoor van de raadsman van de benadeelde partij en dit kantoor die factuur pas op 16 december 2021 aan de benadeelde partij heeft gestuurd. De schade is dus later dan 23 september 2021 ontstaan.
De bespreking van het derde middel
De klacht dat medische kosten proceskosten zijn
47. Het hof heeft de kosten voor het opvragen van medische gegevens aangemerkt als materiële schade die het rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling. Het hof heeft het maken van deze kosten en de omvang ervan kennelijk redelijk geacht zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen. De vraag die de steller van het middel opwerpt is of het hof deze kosten had moeten aanmerken als proceskosten als bedoeld in artikel 532 Sv jo. artikel 237 – 240 Rv en artikel 6:96 lid 3 BW.
48. Blijkens de vaststellingen van het hof gaat het hier om kosten die de huisarts in rekening heeft gebracht bij de advocaat en die de advocaat vervolgens in rekening heeft gebracht bij de benadeelde partij, en niet om een vergoeding voor de tijd die de advocaat erin heeft gestoken om die verklaring van de huisarts te verkrijgen. De kosten zijn gemaakt om het bestaan en de omvang van de letselschade vast te stellen. Op de gronden die ik hierboven onder de randnummers 37 tot en met 43 uiteen heb gezet, heeft het hof deze kosten kunnen scharen onder redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW, en – zonder dat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting – kunnen oordelen dat deze buitengerechtelijke kosten niet tot de in de artikelen 237 – 240 Rv bedoelde proceskosten kunnen worden gerekend (zodat zij dus voor volledige vergoeding in aanmerking komen).
49. Aangezien de opgevraagde medische gegevens mede bestaan uit het antwoord van de huisarts op vragen over de medische toestand van de benadeelde partij, mist de veronderstelling dat het hier (uitsluitend) gaat om het opvragen van gegevens uit het medisch dossier feitelijke grondslag.
De klacht over de ingangsdatum van de wettelijke rente
50. Wat betreft de klacht over de ingangsdatum van de te vergoeden rente: het is inderdaad niet zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft vastgesteld dat de bedoelde schade is ingetreden op 23 september 2021 nu pas op 9 december 2021 een opeisbare vordering van een derde (de huisarts) is ontstaan. Deze klacht is dus terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de ingangsdatum van de wettelijke rente voor wat betreft de kosten van het opvragen van de medische gegevens te bepalen op 9 december 2021.
51. De eerste deelklacht van het derde middel faalt en de tweede slaagt.
Slotsom
52. Het tweede middel leidt wat mij betreft tot een verbeterde lezing van het dictum ten aanzien van de inhoud van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. Daarna faalt het middel alsnog.
53. Het eerste middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het derde middel slaagt ten dele.
54. Ambtshalve merk ik op dat in cassatie de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, van twee jaren is overschreden. Gelet op de hoogte van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, meen ik dat kan worden volstaan met een constatering van de overschrijding van de termijn.27.Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
55. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarin de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de kosten voor het opvragen van medische gegevens is bepaald op 23 september 2021. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de ingangsdatum van de wettelijke rente voor wat betreft de kosten van het opvragen van de medische gegevens te bepalen op 9 december 2021. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑03‑2025
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 24. Zie hierover ook M.E. van Wees, Vrijheidsontnemende en vrijheidsbeperkende maatregelen, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 193-194.
Dat betekent, bijvoorbeeld, dat de rechter het een verdachte niet zonder meer kan verbieden contact te leggen met alle bewoners van een bepaalde wijk of met alle minderjarigen. In de wetsgeschiedenis lijkt wel de mogelijkheid opengelaten te worden van een contactverbod met een groot aantal supporters van een voetbalvereniging, indien voor de verdachte voldoende duidelijk is wie dat zijn. Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 6, p. 9 en 10.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 6-7. Naar deze wetsgeschiedenis wordt door de Hoge Raad ook verwezen in zijn rechtspraak met betrekking tot artikel 38v Sr. Zie o.a. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1680, rov. 2.3.2, HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, rov. 2.5.2, en HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916, NJ 2015/432, rov. 2.3.2.
De Hoge Raad stelt geen uitgebreide motiveringseis in gevallen waarin de rechter een vrijheidsbeperkende maatregel oplegt. Uit de (betrekkelijk schaarse) rechtspraak van de Hoge Raad over de motiveringseisen van artikel 38v Sr kan worden opgemaakt dat de rechter in ieder geval behoort te motiveren dat de maatregel wordt opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Ontbreekt elke vorm van motivering, dan wordt gecasseerd (zie HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, rov. 2.6).
De mogelijkheid tot het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de maatregel maakt een uitzondering op de regel dat tenuitvoerlegging in principe pas aanvangt als de veroordeling onherroepelijk is geworden. Om die reden geldt dat een maatregel alleen dadelijk uitvoerbaar verklaard mag worden als het gevaar dat van de verdachte uitgaat een hogere mate van ernst heeft dan voor de enkele oplegging van de maatregel op grond van artikel 38v lid 1 Sr is vereist. Alleen dan rechtvaardigt de bescherming en de veiligheid van anderen dat in een concreet geval wordt afgeweken van het uitgangspunt dat een uitspraak onherroepelijk is voordat de tenuitvoerlegging van start gaat.
HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1028.
Zie hierover onder meer het overzichtsarrest benadeelde partij, HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga.
Zie art. 6:162 BW, en zie HR (civiele kamer) 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600, NJ 2016/380 (X/Rabobank).
T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse & S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 312; S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Monografieën BW nr. B34), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 65.
Zie bijvoorbeeld HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5333, rov. 2.5.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga, rov. 2.7.3; HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414, NJ 2023/182, rov. 2.4.1.
Art. 241 Rv luidt: “Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing. Dit artikel is niet van toepassing ter zake van kosten als bedoeld in artikel 96, vijfde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.”
In de parlementaire geschiedenis van de Invoeringswet Boeken 3-6 Nieuw B.W. eerste gedeelte, bevattende wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en de Faillissementswet (Kamerstukken II 1980/81, 16 593, nr. 3 (MvT), p. 7-8) is hierover opgemerkt (onderstreping mijnerzijds): “dat [thans art. 241 Rv] het geval regelt van samenloop van de bepalingen betreffende proceskosten en die van [thans] artikel 6:96. lid 2 onder b en c BW.. In de memorie van antwoord betreffende Boek 6 wordt bij dit artikel opgemerkt dat de kosten van lid 2 onder b en c niet mede de proceskosten omvatten. Dit behoeft echter verduidelijking, omdat beide groepen van kosten elkaar kunnen overlappen. Te denken valt met name aan de kosten van voorbereiding van de dagvaarding en andere gedingstukken en die van de instructie van de zaak. Zo het tot een proces komt, moeten deze kosten begrepen worden in de salarissen en verschotten en plegen zij in deze vorm in belangrijke mate te worden vergoed […]. Komt het echter niet tot een proces, dan zullen de kosten, voorzover zij redelijk zijn, krachtens thans art. 96. lid 2 onder b en c voor vergoeding in aanmerking komen. […]Tegen deze achtergrond is het wenselijk dat komt vast te staan dat in geval de hier bedoelde bepalingen samenlopen, omdat een procedure is aangespannen, voor de onderhavige kosten geen vergoeding op grond van thans art. 6:96. kan worden toegekend, maar dat dan uitsluitend de bepalingen betreffende proceskosten van toepassing zijn. […]Dat de verliezende partij in de proceskosten pleegt te worden veroordeeld, vindt […] niet zijn grond in een verplichting tot schadevergoeding, maar in andere overwegingen die zich aldus laten samenvatten, dat het verbod van eigenrichting en de daarmee samenhangende, vrijwel onbeperkte vrijheid een ander in rechte te betrekken en zich in rechte tegen eens anders aanspraken te verdedigen, kan meebrengen dat het gerechtvaardigd is de kosten van het geding, voor zover zij niet ten laste van de overheid blijven, over partijen te verdelen op een wijze waarbij aan overwegingen van procesrisico en procesbeleid mede betekenis wordt toegekend, onder meer om te voorkomen dat de voormelde vrijheid door de vrees voor een veroordeling tot omvangrijke proceskosten in het gevaar zou worden gebracht […]. Dit kan verklaren waarom de proceskosten waarin de verliezende partij veelal wordt veroordeeld vaak geen volledige vergoeding opleveren van hetgeen de winnende partij aan het proces ten koste heeft gelegd. […] Een volledige vergoedingsplicht is wel denkbaar, doch alleen in “buitengewone omstandigheden” […]. Daarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad.”Zie HR (civiel) 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600, NJ 2016/380 m.nt. Krans (eiser/Rabobank): “Uit de wettekst en de zojuist aangehaalde toelichting volgt dat de art. 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Deze regeling derogeert ingevolge art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv aan art. 6:96 lid 2 BW. Zij derogeert eveneens aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden.”
Deze kosten kunnen ook niet worden meegenomen bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Voor zover proceskosten worden gevorderd als onderdeel van de schade in de zin van artikel 51f Sv, moet de rechter de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk verklaren. Zie HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga, rov. 2.7.2 en 2.9.2.
S.D. Lindenbergh, in: T&C BW, art. 6:96 BW, aant. 4 (online, bijgewerkt tot 15 februari 2025).
‘Van kleur verschieten’ heb ik ontleend aan de lezenswaardige noot van Brunner onder HR 3 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5568, NJ 1988/275, onder 2 en 3 (ik geef die passages hier weer): “De kosten van rechtsbijstand vallen in beginsel ook onder de kosten die krachtens art. 6.1.9.2 lid 2 NBW deel uitmaken van de schade en dus volledig, zij het binnen redelijke grenzen, moeten worden vergoed. Komt een minnelijke regeling tot stand, dan zijn die kosten deel van de schade die geheel of gedeeltelijk wordt vergoed. Anders wordt het echter, indien wordt geprocedeerd. Dan kunnen als schade alleen de buitengerechtelijke kosten worden gevorderd, omdat in de kostenveroordeling krachtens art. 56 Rv de proceskosten zijn begrepen. Die veroordeling in de proceskosten wordt bij ons traditioneel niet beschouwd als een vergoeding van schade, maar als een door de in het ongelijk gestelde partij te betalen bijdrage in de kosten van de andere partij. Krachtens een informeel met de Haagse balie overeengekomen tarief, dat landelijk wordt toegepast, wordt het bedrag van de te liquideren proceskosten berekend op basis van het aantal procesverrichtingen en het belang van de zaak. In zijn declaratie aan de client berekent de advocaat zijn honorarium naar andere maatstaven (tijd, moeilijkheid, specialistische deskundigheid, belang en uitkomst). Dat en waarom — naar het inzicht van de regering — de veroordeling in de proceskosten niet beoogt een volledige vergoeding van de kosten van de rechtsbijstand aan de winnende partij te geven, wordt uiteengezet in de m.v.t. op het bij Invoeringswet 16593, p. 8, gegeven toelichting op het aan art. 57 Rv toegevoegde zesde lid. Vermeden moet worden, dat de vrees voor een zeer hoge kostenveroordeling, pp. weerhoudt van het entameren van een proces of van het voeren van verweer. Het verschil in begroting accentueert het belang van de afbakening van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.(…). Het inmiddels bij Invoeringswet vastgestelde zesde lid van art. 57 Rv bepaalt, dat jegens de tegenpartij niet op grond van art. 6.1.9.2 lid 2 NBW een vergoeding kan worden toegekend voor de kosten van verrichtingen waarvoor de in art. 56 en 57 Rv bedoelde proceskosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. In het in art. 6.1.9.2 NBW bij Invoeringswet toegevoegde derde lid wordt dit in herinnering gebracht. Art. 57 lid 6 beoogt niet de grenzen van wat onder proceskosten valt buiten die van het huidige recht uit te breiden, noch aan te geven waar de grens ligt tussen proceskosten en de volledig buitengerechtelijke kosten, die wel voor vergoeding als schade in aanmerking komen (m.v.t., t.a.p.). Door de kosten verbonden aan de instructie van de zaak uitdrukkelijk onder de proceskosten van art. 56 Rv te begrijpen, kan een belangrijk deel van de kosten van rechtsbijstand voor en tijdens het proces, niet als schade worden gevorderd. Daarmee is de grens tussen proceskosten en buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand — anders dan de regering meent — vergaand gefixeerd. Ik zou denken, dat veruit het belangrijkste deel van de werkzaamheden van een advocaat, buiten de strikte proceshandelingen, bestaat in de feitelijke en juridische instructie van de zaak. Daar buiten vallen globaal alleen de kosten van aanmaning buiten rechte en de kosten van onderhandelingen over een minnelijke regeling. Door over de zaak te procederen verschieten de kosten van rechtsbijstand buiten proces voor een groot deel van kleur: behoorden de kosten van instructie van de zaak eerst tot de schade die vergoed moet worden, nu zijn het kosten geworden die niet meer afzonderlijk in rekening gebracht kunnen worden, maar die geacht worden deel uit te maken van de geliquideerde kosten. Dit variabele karakter van de kosten van rechtsbijstand is door de regering in de toelichting op art. 57 lid 6 onderkend en is door de HR ook reeds voor het huidige recht aanvaard. Zie de slotalinea van r.o. 3.2 van het arrest. Zo lang het honorarium van de advocaat volgens andere maatstaven wordt berekend, dan bij de begroting van de proceskosten door de rechter worden aangelegd, is dit resultaat onvermijdelijk.”
Vgl. HR (strafkamer) 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7077, NJ 2008/468 m.nt. Borgers, waarin het hof vergoeding van kosten van opsporing van een strafbaar feit als buitengerechtelijke kosten had toegewezen en de Hoge Raad dat oordeel in stand liet. Die uitspraak is vergelijkbaar met: HR (strafkamer) 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5333, waarin het ging om de kosten die door de benadeelde partij waren gemaakt in het kader van een onderzoek door een extern bedrijfsrecherchebureau, en waarin ‘s hofs oordeel dat het redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid betrof in cassatie in stand bleef.
Zie HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414, NJ 2023/182, rov. 2.5.
Zie ter ondersteuning ook de in voetnoot 16 onderstreepte passage in de parlementaire geschiedenis.
Lindenbergh schrijft hierover het volgende: “Volgens art. 6:81 BW is de schuldenaar in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van art. 6:82 en 6:83 BW is voldaan. Art. 6:82 BW hanteert als uitgangspunt dat een ingebrekestelling nodig is, waarin de benadeelde een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld. Art. 6:83 BW bepaalt evenwel dat het verzuim in een aantal gevallen zonder ingebrekestelling intreedt. Wanneer het gaat om een verbintenis tot schadevergoeding die voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in art. 6:74 lid 1 BW, dan treedt het verzuim volgens art. 6:83 onderdeel b BW in zonder ingebrekestelling, wanneer de prestatie opeisbaar is geworden en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen.” Zie S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Monografieën BW nr. B34), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 78.
Zie ook HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga, rov. 2.5.
In dit verband wordt verwezen naar de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), voor zover opgenomen in art. 7:456 BW, en art. 12 lid 5 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.2, en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2.