NJ 2025/194
Tenuitvoerlegging van voorwaardelijke veroordeling en aftrek vrijheidsbeneming a.b.i. art. 6:6:21 leden 1 en 7 Sv. Cassatie in het belang der wet.
HR 25-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:451, m.nt. N. Jörg
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 maart 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, A.E.M. Röttgering
- Zaaknummer
25/00203 CW
- Conclusie
P-G mr. F.W. Bleichrodt
- Noot
N. Jörg
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD19284:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Tenuitvoerlegging
Materieel strafrecht / Sancties
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:451, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:184, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
- Wetingang
Essentie
Bij een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling als bedoeld in art. 6:6:21 lid 1 Sv dient daaraan voorafgegane vrijheidsbeneming op grond van art. 6:6:21 lid 7 Sv in mindering te worden gebracht, en wel vanaf het moment van de aanhouding van de veroordeelde. Cassatie in het belang der wet.
Samenvatting
De politierechter heeft op grond van art. 6:6:21 leden 1 en 7 Sv de gedeeltelijke tenuitvoerlegging bevolen van een voorwaardelijk opgelegde straf, met aftrek van de dagen die de veroordeelde ‘heeft vastgezeten’ in verband met een toegewezen vordering ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.