Zie art. 6:6:7 Sv. De situatie als bedoeld in art. 6:6:22 lid 1, aanhef en onder b, Sv doet zich in dit geval niet voor.
HR, 25-03-2025, nr. 25/00203 CW
ECLI:NL:HR:2025:451
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-03-2025
- Zaaknummer
25/00203 CW
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:451, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑03‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:184
ECLI:NL:PHR:2025:184, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:451
- Vindplaatsen
NJ 2025/194 met annotatie van N. Jörg
NTS 2025/34
Uitspraak 25‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang van de wet. Beslissing Pr inhoudende bevel dat deel van eerder opgelegde voorwaardelijke straf zal worden tenuitvoergelegd (met wijziging van bijzondere voorwaarden die aan deze voorwaardelijke straf zijn verbonden), uitleg van art. 6:6:21.7 Sv. Hoe moet aftrek van dagen die betrokkene heeft vastgezeten i.v.m. toegewezen vordering voorlopige tenuitvoerlegging worden toegepast? Pr heeft geoordeeld dat bij toepassing van art. 6:6:21.7 jo. 6:6:20.1.a Sv ook duur van vrijheidsontneming vanaf moment van aanhouding a.b.i. art. 6:3:15.1 en 6:3:15.2 Sv moet worden meegerekend. Als uitsluitend acht wordt geslagen op tekst van art. 6:6:21.7 jo. 6:6:20.1.a Sv, dan ligt het voor de hand de vraag betreffende uitleg van art. 6:6:21.7 Sv aldus te beantwoorden dat het bij die bepaling uitsluitend gaat om duur van vrijheidsontneming die is ondergaan o.g.v. (en dus vanaf moment van) beslissing van RC tot voorlopige tul van niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf. In art. 6:6:21.7 Sv wordt immers uitsluitend verwezen naar vrijheidsontneming o.g.v. art. 6:6:20.1.a Sv en niet naar vrijheidsontneming die gevolg is van toepassing van aanhoudingsbevoegdheid van art. 6:3:15.1 en 6:3:15.2 Sv. Naast tekst van wet is hier echter ook wetsgeschiedenis van art. 6:6:21 Sv van belang. Daaruit volgt dat wetgever bij invoering van art. 6:6:21.7 Sv niet heeft beoogd inhoudelijk af te wijken van regeling in art. 14g.6 (oud) Sr. In die bepaling ging het om het in mindering brengen van “vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van art. 14fa”. Daarbij zag art. 14fa (oud) Sr op zowel aanhouding van veroordeelde als door RC bevolen voorlopige tul. Gelet hierop moet, zoals Pr terecht heeft geoordeeld, bij toepassing van art. 6:6:21.7 jo. 6:6:20.1.a Sv ook duur van vrijheidsontneming vanaf moment van aanhouding a.b.i. art. 6:3:15.1 en 6:3:15.2 Sv worden meegerekend. Zoals in vordering PG wordt uiteengezet, sluit die uitleg ook aan bij wetssystematiek, terwijl daarnaast met die uitleg wordt voorkomen dat tul van (deels) voorwaardelijk oplegde straf tot langere vrijheidsontneming leidt dan duur waarvoor die straf (met inbegrip van voorwaardelijk deel) door rechter is opgelegd. Regeling van art. 27.1 Sr leidt niet tot ander oordeel. Daarin wordt onder meer bepaald dat bij het opleggen van tijdelijke vrijheidsstraf de tijd die door veroordeelde vóór tul van uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. Dat betekent dat in die regeling dus niet in mindering wordt gebracht tijd die is gemoeid met aanhouding van verdachte en het ophouden voor onderzoek, v.zv. die hebben plaatsgevonden in voorbereidend onderzoek. Deze bepaling is echter niet van (overeenkomstige) toepassing verklaard in relatie tot regeling van art. 6:6:21.7 Sv, terwijl ook wetsgeschiedenis van art. 6:6:21.7 Sr niet erop duidt dat wetgever aansluiting heeft willen zoeken bij art. 27 Sr. Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2025:204 (prejudiciële beslissing HR).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00203 CW
Datum 25 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beslissing van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 oktober 2024, nummer 02-287679-20, in de zaak
van
[veroordeelde] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de veroordeelde.
1. De beslissing van de rechtbank
De politierechter heeft bij beslissing van 3 oktober 2024 bevolen dat, kort gezegd, een gedeelte van een bij vonnis van 2 april 2021 opgelegde voorwaardelijke straf zal worden tenuitvoergelegd (met wijziging van de bijzondere voorwaarden die aan deze voorwaardelijke straf zijn verbonden).
2. Het cassatieberoep
De procureur-generaal heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de beslissing van de politierechter.
3. Procesverloop en de motivering van de beslissing van de politierechter
3.1
Het procesverloop in deze zaak is als volgt. Aan de veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van 2 april 2021 een voorwaardelijke straf opgelegd. De veroordeelde is op 22 september 2024 aangehouden in verband met de overtreding van een bijzondere voorwaarde. De rechter-commissaris in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beslissing van 23 september 2024 de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf bevolen. De officier van justitie heeft ook een vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gedaan bij de politierechter. De politierechter heeft bij beslissing van 3 oktober 2024 bevolen dat, kort gezegd, een gedeelte van de bij vonnis van 2 april 2021 opgelegde voorwaardelijke straf zal worden tenuitvoergelegd (met wijziging van de bijzondere voorwaarden die aan deze voorwaardelijke straf zijn verbonden).
3.2
De politierechter heeft in de motivering van deze beslissing de vraag aan de orde gesteld hoe “de aftrek van de dagen die betrokkene heeft vastgezeten in verband met een toegewezen vordering voorlopige tenuitvoerlegging moet worden toegepast”. Het proces-verbaal van de behandeling van de vordering houdt hierover in:
“De rechter:
(...)
Het gaat er dan om of de aftrek dient in te gaan vanaf de dag van aanhouding, in deze zaak op zondag 22 september 2024, of vanaf de dag dat de rechter-commissaris de vordering voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegewezen, in deze zaak op maandag 23 september 2024.
(...)
De officier van justitie deelt mede dat het openbaar ministerie uitgaat van het aantal dagen aftrek vanaf de beslissing van de rechter-commissaris. Zij refereert in dit kader aan artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsvrouw deelt mede dat zij uitgaat van het aantal dagen aftrek vanaf de dag van aanhouding van veroordeelde. Zij verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar jurisprudentie hierover.
(...)
De politierechter wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling (...) gedeeltelijk toe voor de duur van twaalf dagen, met aftrek van de tijd die veroordeelde heeft vastgezeten (...). Daarbij heeft de politierechter als uitgangspunt genomen dat de dagen vanaf het moment dat veroordeelde is aangehouden op 22 september 2024, in verband met de overtreding van de bijzondere voorwaarde, als aftrek in aanmerking moeten worden genomen. Dit gelet op de wetsgeschiedenis van de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen van 24 juni 2020.”
3.3
De politierechter heeft over het onder 3.2 genoemde vraagpunt een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad. Van de beantwoording van die vraag heeft de Hoge Raad afgezien, omdat de procureur-generaal kenbaar had gemaakt het voornemen te hebben om de (nu voorliggende) vordering tot cassatie in het belang van de wet in te stellen (vgl. HR 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:204).
4. Juridisch kader
4.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
“1. Indien ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een voorwaarde, maatregel of aanwijzing als bedoeld in artikel 6:3:14 niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist en aannemelijk is dat de rechter vrijheidsbeneming zal bevelen, kan het openbaar ministerie de aanhouding van de verdachte of veroordeelde bevelen.
2. Indien het bevel van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier de aanhouding bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan het openbaar ministerie.”
“1. Indien een rechter overeenkomstig de bepalingen van dit boek een beslissing kan nemen inzake de tenuitvoerlegging, is – tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald – tot het nemen van deze beslissing bevoegd het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet. Tenzij anders is bepaald kan de rechter deze beslissing ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op verzoek van de veroordeelde nemen.
2. In de gevallen waarin de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit en de behandeling van een beslissing als bedoeld in het eerste lid op vordering van het openbaar ministerie gelijktijdig geschiedt met de behandeling van het feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd, is het gerecht bevoegd dat kennis neemt van dat feit.”
- Artikel 6:6:20 leden 1 tot en met 5 Sv:
“1. De rechter-commissaris is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke en vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen. Dit betreft de beslissingen tot:
a. de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf of maatregel;
(...).
2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid wordt onverwijld ingediend indien de veroordeelde is aangehouden op grond van artikel 6:3:15. Tegelijk met de vordering, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt een vordering ingediend als bedoeld in artikel 6:6:21, eerste lid.
3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na de indiening van de vordering. De veroordeelde wordt zo mogelijk door de rechter-commissaris gehoord. (...)
4. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
5. De beslissing van de rechter-commissaris is dadelijk uitvoerbaar.”
“1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden.
4. Het onderzoek vindt zo spoedig mogelijk plaats. Indien de rechter-commissaris op grond van artikel 6:6:20, eerste lid, een beslissing heeft genomen, vindt het onderzoek in elk geval plaats binnen een maand na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde vordering.
5. Indien het onderzoek volgt op een aanhouding, hoort de rechter de veroordeelde alvorens te beslissen.
7. Bij toepassing van het eerste lid, onder a, of het tweede lid beveelt de rechter dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 6:6:20, eerste lid, onder a, geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf. Indien hij dit bevel geeft ter zake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.”
- Artikel 14fa leden 1 tot en met 3 en 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals dat luidde tot de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82; hierna: Wet USB) op 1 januari 2020:
“1. In geval van veroordeling tot een vrijheidsstraf waarvan de rechter heeft bepaald dat de straf of een gedeelte daarvan niet ten uitvoer zal worden gelegd, kan het openbaar ministerie de aanhouding van de veroordeelde bevelen, indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd. Indien het bevel van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier de aanhouding van de veroordeelde bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan het openbaar ministerie.
2. Het openbaar ministerie dient, indien het de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in artikel 14g, eerste lid, in bij de rechter.
3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na aanhouding. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
5. Indien de rechter-commissaris de vordering van het openbaar ministerie toewijst, beveelt hij de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf. Indien hij de vordering afwijst, beveelt hij de invrijheidstelling van de veroordeelde.”
- Artikel 14g Sr, zoals dat luidde tot de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de Wet USB:
“1. Indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de rechter, na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie en onverminderd het bepaalde in artikel 14f,
1°. gelasten dat de niet ten uitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd;
2°. al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.
6. Bij toepassing van het eerste of tweede lid, beveelt de rechter dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf. Indien hij dit bevel geeft terzake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.”
4.2
De memorie van toelichting bij de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 24 juni 2020, Stb. 2020, 225) houdt onder meer in:
“Met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen zijn de artikelen 14g en (...) opgegaan in het nieuwe Boek 6 Sv (o.a. in artikel 6:6:21 Sv). Abusievelijk zijn daarbij het zesde lid van artikel 14g Sr (oud) en (...) niet overgenomen. Het betreft de verrekening van een in het kader van de voorlopige tenuitvoerlegging ondergane detentie (...). Met onderhavige wijzigingsopdracht worden beide artikelleden hersteld.”
5. Beoordeling van het cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen het oordeel van de politierechter dat bij de toepassing van artikel 6:6:21 lid 7 in samenhang met artikel 6:6:20 lid 1, aanhef en onder a, Sv ook de duur van de vrijheidsontneming vanaf het moment van de aanhouding als bedoeld in artikel 6:3:15 leden 1 en 2 Sv moet worden meegerekend.
5.2
Als ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een veroordeelde een voorwaarde die is verbonden aan een hem opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf niet naleeft, kan het openbaar ministerie – of als het bevel van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht: de hulpofficier van justitie – de aanhouding van de veroordeelde bevelen (artikel 6:3:15 leden 1 en 2 Sv). In dat geval wordt door het openbaar ministerie onverwijld een vordering bij de rechter-commissaris ingediend tot voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf (artikel 6:6:20 leden 1 en 2 Sv). De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na indiening van de vordering (artikel 6:6:20 lid 3 Sv). De veroordeelde wordt hangende de beslissing van de rechter-commissaris niet in vrijheid gesteld (artikel 6:3:15 lid 4 Sv).
5.3
Gelijktijdig met de vordering die bij de rechter-commissaris wordt ingediend, wordt ook bij de rechter – dat wil zeggen: de rechter als bedoeld in artikel 6:6:1 lid 1 of lid 2 Sv – een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf (artikel 6:6:20 lid 2 in samenhang met artikel 6:6:21 lid 1 Sv). Het onderzoek vindt zo spoedig mogelijk plaats en – als de rechter-commissaris op grond van artikel 6:6:20 lid 1 Sv een beslissing heeft genomen – in elk geval binnen een maand na ontvangst van de vordering (artikel 6:6:21 lid 4 Sv).
5.4
Als de rechter de tenuitvoerlegging gelast van (een gedeelte van) de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf, beveelt hij op grond van artikel 6:6:21 lid 7 Sv dat “de vrijheidsontneming ondergaan uit hoofde van artikel 6:6:20, eerste lid, onder a” – dat wil zeggen: de vrijheidsontneming die is ondergaan op grond van de beslissing tot “de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf of maatregel” – geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf.
5.5
De in de vordering van de procureur-generaal aan de orde gestelde vraag betreft de uitleg van artikel 6:6:21 lid 7 Sv. Gaat het bij die bepaling uitsluitend om de duur van de vrijheidsontneming die is ondergaan op grond van – en dus vanaf het moment van – de beslissing van de rechter-commissaris tot voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf? Of moet ook de duur van de vrijheidsontneming vanaf het moment van de aanhouding als bedoeld in artikel 6:3:15 leden 1 en 2 Sv worden meegerekend?
5.6.1
Als uitsluitend acht wordt geslagen op de tekst van artikel 6:6:21 lid 7 in samenhang met artikel 6:6:20 lid 1, aanhef en onder a, Sv, dan ligt het voor de hand de onder 5.5 genoemde vraag in de eerst bedoelde zin te beantwoorden. In artikel 6:6:21 lid 7 Sv wordt immers uitsluitend verwezen naar de vrijheidsontneming op grond van artikel 6:6:20 lid 1, aanhef en onder a, Sv en niet naar de vrijheidsontneming die het gevolg is van de toepassing van de aanhoudingsbevoegdheid van artikel 6:3:15 leden 1 en 2 Sv.
5.6.2
Naast de tekst van de wet is hier echter ook de onder 4.2 weergegeven wetsgeschiedenis van belang. Daaruit volgt dat de wetgever bij de invoering van artikel 6:6:21 lid 7 Sv niet heeft beoogd inhoudelijk af te wijken van de regeling in artikel 14g lid 6 (oud) Sr. In die laatstgenoemde bepaling ging het om het in mindering brengen van “de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa”. Daarbij zag artikel 14fa (oud) Sr op zowel de aanhouding van de veroordeelde als de door de rechter-commissaris bevolen voorlopige tenuitvoerlegging.
5.6.3
Gelet op het vorenstaande moet, zoals de politierechter terecht heeft geoordeeld, bij de toepassing van artikel 6:6:21 lid 7 in samenhang met artikel 6:6:20 lid 1, aanhef en onder a, Sv ook de duur van de vrijheidsontneming vanaf het moment van de aanhouding als bedoeld in artikel 6:3:15 leden 1 en 2 Sv worden meegerekend. Zoals in de vordering van de procureur-generaal onder 35-40 wordt uiteengezet, sluit die uitleg ook aan bij de wetssystematiek, terwijl daarnaast met die uitleg wordt voorkomen dat de tenuitvoerlegging van een (deels) voorwaardelijk oplegde straf tot een langere vrijheidsontneming leidt dan de duur waarvoor die straf – met inbegrip van het voorwaardelijke deel – door de rechter is opgelegd.
5.7
De regeling van artikel 27 lid 1 Sr leidt niet tot een ander oordeel. Daarin wordt onder meer bepaald dat bij het opleggen van een tijdelijke vrijheidsstraf de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. Dat betekent dat in die regeling dus niet in mindering wordt gebracht de tijd die is gemoeid met de aanhouding van de verdachte en het ophouden voor onderzoek, voor zover die hebben plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek. Deze bepaling is echter niet van (overeenkomstige) toepassing verklaard in relatie tot de regeling van artikel 6:6:21 lid 7 Sv, terwijl ook de wetsgeschiedenis van artikel 6:6:21 lid 7 Sr – zoals onder 4.2 is weergegeven – niet erop duidt dat de wetgever aansluiting heeft willen zoeken bij artikel 27 Sr.
5.8
Het cassatiemiddel faalt.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2025.
Conclusie 11‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Vordering PG tot cassatie in het belang der wet. Art. 6:6:21 lid 7 Sv. Vanaf welke dag komt de reeds ondergane vrijheidsbeneming in aanmerking voor aftrek ingeval de rechter de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf beveelt: vanaf de dag van de aanhouding of vanaf de dag waarop door de R-C de voorlopige tenuitvoerlegging is bevolen? De verplichting van art. 6:6:21 lid 7 Sv moet volgens de PG worden geïnterpreteerd in het licht van haar ontstaansgeschiedenis, de wetssystematiek en het karakter van de voorwaardelijke veroordeling. De PG komt tot de conclusie dat de vrijheidsbeneming met ingang van de dag van de aanhouding voor aftrek in aanmerking komt.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00203 CW
Zitting 11 februari 2025
VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de betrokkene
Inleiding
Deze vordering tot cassatie in het belang der wet gaat over het in mindering brengen van de reeds ondergane vrijheidsbeneming uit hoofde van de beslissing tot de voorlopige tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 6:6:20 lid 1, onder a, Sv in het geval de rechter op vordering van het Openbaar Ministerie de tenuitvoerlegging beveelt van een voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf. Meer in het bijzonder ziet deze vordering op de vraag vanaf welke dag de reeds ondergane vrijheidsbeneming in aanmerking komt voor aftrek: vanaf de dag van de aanhouding van de betrokkene als bedoeld in art. 6:3:15 lid 1 Sv dan wel vanaf de dag waarop door de rechter-commissaris de voorlopige tenuitvoerlegging is bevolen van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf (art. 6:6:20 lid 1, onder a, Sv).
De vordering heeft betrekking op de zaak met het parketnummer 02-287679-20 waarin de enkelvoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, op 3 oktober 2024 de tenuitvoerlegging heeft bevolen van een gedeelte van de door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij vonnis van 2 april 2021 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open, waardoor deze onherroepelijk is geworden.1.Cassatie in het belang der wet is overeenkomstig het bepaalde in art. 78 lid 1 Wet RO, in verbinding met art. 456 Sv, wel mogelijk.
3. De vordering is als volgt opgebouwd. Na een korte bespreking van de zaak, geef ik de relevante passages in de uitspraak en het proces-verbaal van de terechtzitting weer. Vervolgens worden de aanleiding tot het indienen van een vordering en het belang van het beantwoorden van de daarin opgeworpen rechtsvraag toegelicht. Na een bespreking van het toepasselijk juridisch kader, ga ik in op de reikwijdte van het in mindering brengen van de reeds ondergane vrijheidsbeneming in het kader van de procedure tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde sanctie. Voordat ik een cassatiemiddel formuleer, maak ik de balans op.
De zaak
4. Het gaat in deze zaak over het volgende.
5. De betrokkene is door de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij vonnis van 2 april 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 55 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank heeft bijzondere voorwaarden gesteld. Het vonnis is onherroepelijk geworden.
6. Op 22 september 2024 is de betrokkene op bevel van de officier van justitie aangehouden als bedoeld in art. 6:3:15 lid 1 Sv, wegens het bestaan van ernstige redenen voor het vermoeden dat de betrokkene een in het genoemde vonnis opgenomen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. De officier van justitie heeft na de aanhouding op 23 september 2024, overeenkomstig het bepaalde in art. 6:6:20 lid 2 Sv, zowel een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging bij de rechter-commissaris als een vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf bij de rechtbank ingediend.
7. Op 23 september 2024 heeft de rechter-commissaris de voorlopige tenuitvoerlegging bevolen van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf. Op 3 oktober 2024 heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant de tenuitvoerlegging bevolen van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf voor de duur van dertien dagen en de vordering voor het overige afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank een voorwaarde opgeheven en in de plaats daarvan een andere voorwaarde gesteld.
8. De rechtbank heeft bij het in mindering brengen van de reeds ondergane vrijheidsbeneming als bedoeld in art. 6:6:21 lid 7 Sv de dag van de aanhouding (22 september 2024) meegerekend.
De uitspraak
10. De enkelvoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft, voor zover relevant voor deze vordering, het volgende beslist:
“Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
- Beveelt dat van de voorwaardelijke straf van de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, die bij vonnis van 2 april 2021 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-287679-20, een gedeelte ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 13 dagen, te rekenen vanaf 22 september 2024.
Verdachte dient per 4 oktober 2024 in vrijheid te worden gesteld in deze zaak.
- Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige af.”
11. Uit deze beslissing, in samenhang bezien met het proces-verbaal van de terechtzitting, blijkt dat de rechtbank bij het bepalen van de aanvang van de aftrek van de reeds ondergane vrijheidsbeneming is uitgegaan van de dag van de aanhouding:
“De politierechter wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling (…) gedeeltelijk toe (…) met aftrek van de tijd die veroordeelde heeft vastgezeten (…) Daarbij heeft de politierechter als uitgangspunt genomen dat de dagen vanaf het moment dat veroordeelde is aangehouden op 22 september 2024, in verband met de overtreding van de bijzondere voorwaarde, als aftrek in aanmerking moeten worden genomen. Dit gelet op de wetsgeschiedenis van de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen van 24 juni 2020.”
Aanleiding tot en belang van de vordering tot cassatie in het belang der wet
12. Tijdens de behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging in de onderhavige zaak heeft de rechtbank geconstateerd dat ‘hier in den lande verschillend (…) wordt omgegaan’ met de berekening van de aftrek als bedoeld in art. 6:6:21 lid 7 Sv. Nadat de rechtbank in deze zaak uitspraak had gedaan waarin een beslissing over de aftrek was opgenomen, heeft zij de Hoge Raad verzocht een ‘prejudiciële’ vraag in behandeling te nemen. De vraag luidt als volgt:
“Dient bij toewijzing van een vordering tenuitvoerlegging de aftrek van de dagen die betrokkene heeft vastgezeten in verband met een toegewezen vordering voorlopige tenuitvoerlegging te worden gerekend vanaf de datum van aanhouding of vanaf de datum beslissing rechter-commissaris op de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging?”
13. Naar aanleiding van de door de rechtbank aan de Hoge Raad voorgelegde vraag heb ik op 12 november 2024 een conclusie genomen.2.Deze conclusie strekt tot het afzien van de beantwoording van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant gestelde vraag, kort samengevat omdat de wetgever een voorziening heeft getroffen voor de beantwoording van prejudiciële vragen en niet voor die van postjudiciële vragen. Het gaat naar mijn mening de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om door middel van een extensieve uitleg van de wet toch de mogelijkheid van postjudiciële vragen mogelijk te maken.3.
14. Een dergelijke extensieve uitleg is ook niet nodig. De wetgever heeft immers het buitengewone rechtsmiddel van cassatie in het belang der wet bestemd voor de beantwoording van rechtsvragen door de Hoge Raad in gevallen waarin reeds een onherroepelijke beslissing is genomen, zoals in deze zaak, en een zaaksoverstijgend belang bestaat bij beantwoording van een rechtsvraag die in die procedure aan de orde is gekomen. Daarbij merk ik nog op dat het in de praktijk wel voorkomt dat een vordering tot cassatie in het belang der wet tegen een uitspraak wordt ingediend nadat de rechter die de desbetreffende uitspraak heeft gedaan daarom heeft verzocht. Tegen de achtergrond van het wettelijk stelsel van rechtsmiddelen en het signaal dat de rechtbank met de aan de orde gestelde vraag heeft afgegeven, strekt de onderhavige vordering tot cassatie in het belang der wet ertoe de door de rechtbank aan de orde gestelde rechtsvraag te beantwoorden in het daarvoor geëigende kader.
15. Zoals opgemerkt, heeft de rechtbank geconstateerd dat in de rechtspraak verschillend wordt omgegaan met het in mindering brengen van de reeds ondergane vrijheidsbeneming in geval van een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde sanctie. Uit gepubliceerde uitspraken is doorgaans niet zonder meer af te leiden welke rechtsopvatting over het in mindering brengen van de reeds ondergane vrijheidsbeneming daaraan ten grondslag heeft gelegen. Daarmee biedt de gepubliceerde rechtspraak geen uitsluitsel over de mate waarin de rechtspraak op dit punt uiteenloopt. In de constatering van de rechtbank zie ik echter voldoende grond om de Hoge Raad in het belang van de rechtseenheid in de gelegenheid te stellen de rechtsvraag, die onmiskenbaar voor de rechtspraktijk van belang is, te beantwoorden. Daartoe strekt deze vordering.
Het juridisch kader
Relevante bepalingen
16. De volgende bepalingen zijn van belang:
- Artikel 14a Sr
“1 In geval van veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, tot taakstraf of tot geldboete, kan de rechter bepalen dat de straf of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd.
(…)”
- Artikel 6:3:15 Sv
“1 Indien ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een voorwaarde, maatregel of aanwijzing als bedoeld in artikel 6:3:14 niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist en aannemelijk is dat de rechter vrijheidsbeneming zal bevelen, kan het openbaar ministerie de aanhouding van de verdachte of veroordeelde bevelen.
2 Indien het bevel van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier de aanhouding bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan het openbaar ministerie.
(....)”
- Artikel 6:6:20 Sv
“1 De rechter-commissaris is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke en vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen. Dit betreft de beslissingen tot:
a. de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf of maatregel;
(…)
2 Een vordering als bedoeld in het eerste lid wordt onverwijld ingediend indien de veroordeelde is aangehouden op grond van artikel 6:3:15. Tegelijk met de vordering, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt een vordering ingediend als bedoeld in artikel 6:6:21, eerste lid.
3 De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na de indiening van de vordering. De veroordeelde wordt zo mogelijk door de rechter-commissaris gehoord. De artikelen 39 en 191 zijn van overeenkomstige toepassing.
4 Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
5 De beslissing van de rechter-commissaris is dadelijk uitvoerbaar.
(…)
7 Indien vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie wordt bevolen, wordt de vrijheidsbeneming hangende de beslissing van de rechter-commissaris geheel in mindering gebracht op de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie.”
- Artikel 6:6:21 Sv
“1 De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden.
(…)
3 Een vordering als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend indien het openbaar ministerie oordeelt dat de veroordeelde een gestelde voorwaarde of opgelegde maatregel niet naleeft of niet heeft nageleefd, en er niet met een waarschuwing kan worden volstaan.
4 Het onderzoek vindt zo spoedig mogelijk plaats. Indien de rechter-commissaris op grond van artikel 6:6:20, eerste lid, een beslissing heeft genomen, vindt het onderzoek in elk geval plaats binnen een maand na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde vordering.
5 Indien het onderzoek volgt op een aanhouding, hoort de rechter de veroordeelde alvorens te beslissen. De artikelen 39 en 191 zijn van overeenkomstige toepassing.
6 De rechter kan het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging, verleend door de rechter-commissaris, opheffen.
7 Bij toepassing van het eerste lid, onder a, of het tweede lid beveelt de rechter dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 6:6:20, eerste lid, onder a, geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf. Indien hij dit bevel geeft ter zake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
(....)”
- Artikel 537 Sv
“1 In de gevallen waarin een vordering tot tenuitvoerlegging, als bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, of artikel 6:6:21, eerste lid, wordt afgewezen of het openbaar ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan de rechter die als laatste over de vordering heeft geoordeeld op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming die voorafgaand aan de beslissing op de vordering is ondergaan.
(…)
4 De artikelen 533, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid, 534 en 536 zijn van overeenkomstige toepassing.”
De totstandkomingsgeschiedenis van de procedure tot (voorlopige) tenuitvoerlegging
17. Tot 1 januari 2020 waren de wettelijke voorzieningen over de voorwaardelijke veroordeling geconcentreerd in de artikelen 14a-14l Sr. Op grond van art. 14g (oud) Sr kon de rechter na ontvangst van een vordering van het Openbaar Ministerie onder meer de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf gelasten.
18. Bij wet van 17 november 20114.heeft de wetgever een voorziening getroffen voor voorlopige vrijheidsbeneming in afwachting van de (definitieve) beslissing als bedoeld in art. 14g (oud) Sr. Deze procedure is gemodelleerd naar de procedure van schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling.5.
19. Het bij deze wet ingevoegde art. 14fa Sr luidde als volgt:
“1. In geval van veroordeling tot een vrijheidsstraf waarvan de rechter heeft bepaald dat de straf of een gedeelte daarvan niet ten uitvoer zal worden gelegd, kan het openbaar ministerie de aanhouding van de veroordeelde bevelen, indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd. Indien het bevel van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier de aanhouding van de veroordeelde bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan het openbaar ministerie.
2. Het openbaar ministerie dient, indien het de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in artikel 14g, eerste lid, in bij de rechter.
3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na aanhouding. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
4. De veroordeelde wordt door de rechter-commissaris gehoord. De artikelen 406. en 191 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. De raadsman is bevoegd bij het onderzoek tegenwoordig te zijn en van de daarop betrekking hebbende stukken kennis te nemen.
5. Indien de rechter-commissaris de vordering van het openbaar ministerie toewijst, beveelt hij de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf. Indien hij de vordering afwijst, beveelt hij de invrijheidstelling van de veroordeelde.
6. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing van de rechter-commissaris.
7. De termijn van de voorlopige tenuitvoerlegging eindigt van rechtswege met ingang van het tijdstip waarop de duur van de vrijheidsbeneming gelijk wordt aan de duur van de ten uitvoer te leggen straf.
8. Het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging kan door de rechter die bevoegd is te oordelen over de vordering tot tenuitvoerlegging ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.”
20. Het bij dezelfde wet deels gewijzigde art. 14g Sr luidde, voor zover relevant, als volgt:
“1. Indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de rechter, indien hij daartoe termen vindt, na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie en onverminderd het bepaalde in artikel 14f,
1° gelasten dat de niet ten uitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd;
2° al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.
2. In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te geven kan de rechter een taakstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, gelasten. De artikelen 22b tot en met 22k zijn van overeenkomstige toepassing.
(…)
6. Bij toepassing van het eerste of tweede lid, beveelt de rechter dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf. Indien hij dit bevel geeft terzake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.”
21. Door invoeging van art. 14fa (oud) Sr werd aldus de mogelijkheid geschapen om, ingeval er ernstige redenen bestonden voor het vermoeden dat een bij een voorwaardelijke veroordeling gestelde voorwaarde niet werd nageleefd, snel in te grijpen. Deze mogelijkheid werd vooral nuttig geacht ingeval het vermoeden bestond dat de veroordeelde een bijzondere voorwaarde niet had nageleefd.7.
22. Het bepaalde in art. 14fa lid 1 (oud) Sr voorzag in de mogelijkheid van vrijheidsbeneming in afwachting van de beslissing van de rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf. Die nieuwe mogelijkheid bracht mee dat ook een voorziening nodig was om de reeds ondergane detentie in mindering te brengen voor het geval de rechter de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf gelastte. Ingevolge art. 14g lid 6 (oud) Sr diende de rechter in dat geval te bevelen dat de ‘vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa Sr’ in mindering werd gebracht. Art. 14fa Sr had betrekking op vrijheidsbeneming vanaf de aanhouding. De tekst van de wet liet er aldus geen twijfel over bestaan dat bij de berekening van de aftrek moest worden uitgegaan van de duur van de vrijheidsbeneming vanaf de dag van de aanhouding van de veroordeelde als bedoeld in art. 14fa Sr.
23. Bij het voorgaande sloot de regeling van art. 14l (oud) aan. Deze bepaling had betrekking op de situatie waarin de vordering tot tenuitvoerlegging werd afgewezen of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn vordering. Op verzoek van de veroordeelde kon in een dergelijk geval aan hem een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij had geleden ‘ten gevolge van de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa Sr’. Ook daarbij betrof het dus mede de vrijheidsbeneming voorafgaand aan de beslissing op de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging, vanaf de dag van de aanhouding.
Overheveling van de wettelijke regeling naar het Wetboek van Strafvordering
24. Bij wet van 22 februari 2017 is de wettelijke regeling van de voorwaardelijke veroordeling deels overgeheveld naar het Wetboek van Strafvordering en zijn de artikelen 14d Sr en 14f-14l Sr komen te vervallen.8.
25. Sinds de inwerkingtreding van deze wet is de bevoegdheid tot aanhouding geregeld in art. 6:3:15 Sv. Een verschil ten opzichte van art. 14fa lid 1 (oud) Sr is dat art. 6:3:15 lid 1 Sv als aanvullende toepassingsvoorwaarde stelt dat het ‘aannemelijk is dat de rechter vrijheidsbeneming zal bevelen’.
27. Voor deze vordering zijn met name de artikelen 6:6:20 Sv en 6:6:21 Sv van belang.
28. Art. 6:6:20 Sv10.bepaalt dat de rechter-commissaris op vordering van het Openbaar Ministerie onder meer de voorlopige tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of maatregel kan bevelen. Een verschil ten opzichte van de oude regeling is dat in art. 6:6:20 lid 2 Sv is bepaald dat het Openbaar Ministerie is gehouden een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in te dienen ingeval de veroordeelde op de voet van art. 6:3:15 Sv is aangehouden. Een ander verschil is dat ingevolge het bepaalde in art. 6:6:20 lid 3 Sv de rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur ‘na de indiening van de vordering’.
29. Art. 6:6:21 lid 1 Sv bepaalt dat rechter bevoegd is op vordering van het Openbaar Ministerie (onder meer) de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of maatregel te bevelen. Bij spoedreparatiewet van 24 juni 2020 is het bepaalde in art. 6:6:21 Sv gewijzigd.11.Volgens de bijbehorende toelichting is het bepaalde in art. 14g lid 6 (oud) Sr abusievelijk niet overgenomen bij het overhevelen van deze bepaling naar het Wetboek van Strafvordering. Dit is hersteld door aan art. 6:6:21 een zevende lid toe te voegen.12.Dit artikellid vormt de grondslag voor het in mindering brengen van de reeds ondergane vrijheidsbeneming ingeval de rechter de (al dan niet gedeeltelijke) tenuitvoerlegging beveelt van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde sanctie.
30. In de parlementaire stukken bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen en bij de spoedreparatiewet wordt niet ingegaan op de rechtsvraag die in deze vordering centraal staat. Dat hoeft geen verwondering te wekken. Wij moeten ons daarbij realiseren dat deze wetgevingsoperatie er primair toe strekte om de bepalingen die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van sancties zoveel mogelijk bij elkaar te brengen in Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering zonder dat daarmee significante inhoudelijke wijzigingen zijn beoogd.13.De opmerking in de memorie van toelichting dat door aan art. 6:6:21 een zevende lid toe te voegen art. 14g lid 6 (oud) Sr wordt ‘hersteld’ wijst bepaald niet op een intentie de reikwijdte van de bepaling te wijzigen.14.
De uitleg van art. 6:6:21 lid 7 Sv
31. Het bepaalde in art. 6:6:21 lid 7 Sv is identiek aan art. 14g lid 6 (oud) Sv, zij het dat de zinsnede “uit hoofde van artikel 14fa” is vervangen door “uit hoofde van 6:6:20, eerste lid, onder a,”. Daardoor is er – louter grammaticaal geredeneerd – een discrepantie ontstaan tussen de reikwijdte van de oude en de huidige verplichting tot aftrek. In art. 14fa (oud) Sr was immers ook een regeling getroffen voor de vrijheidsbeneming uit hoofde van de aanhouding voorafgaand aan een mogelijk bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging. Sinds het overhevelen van dit artikel naar Boek 6 Sv is de bevoegdheid tot aanhouding afzonderlijk geregeld, in art. 6:3:15 Sv. De bevoegdheid van de rechter-commissaris om op vordering de voorlopige tenuitvoerlegging te bevelen is thans geregeld in art. 6:6:20 Sv. Dit betekent dat daar waar art. 14g lid 6 Sv de rechter verplichtte tot het geheel in mindering brengen van de vrijheidsbeneming ondergaan ‘uit hoofde van artikel 14fa’ dit zowel de vrijheidsbeneming ten gevolge van a) de aanhouding als b) het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging omvatte. De reikwijdte van art. 6:6:21 lid 7 Sv is grammaticaal bezien beperkt tot de vrijheidsbeneming uit hoofde van het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 6:6:20 lid 1, onder a, Sv.
32. Op basis van een geïsoleerde, grammaticale interpretatie van het bepaalde in art. 6:6:21 lid 7 Sv kan dan ook worden verdedigd dat deze bepaling zich slechts uitstrekt tot vrijheidsbeneming als gevolg van – en dus in aansluiting op – het bevel van de rechter-commissaris tot voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde sanctie.
33. Deze benadering komt mij echter te beperkt voor. De regeling moet worden bezien in het licht van haar ontstaansgeschiedenis.
34. De gesignaleerde discrepantie is in de parlementaire stukken niet gemotiveerd, terwijl het uitgangspunt van het wetsvoorstel is geweest dat de regeling, voor zover relevant, ongewijzigd zou worden overgeheveld naar het Wetboek van Strafvordering. Aannemelijk is dan ook dat een louter grammaticale interpretatie leidt tot een door de wetgever niet beoogde en niet-voorziene verandering ten opzichte van de oude regeling. Een wetshistorische interpretatie wijst in de richting van de dag van aanhouding als startpunt van de aftrek.
35. Een wetssystematische interpretatie leidt tot dezelfde uitkomst. De artikelen 6:3:15, 6:6:20 en 6:6:21 Sv zijn niet los van elkaar te zien. Art. 6:3:15 lid 1 Sv bevat als voorwaarde voor aanhouding dat het ‘aannemelijk is dat de rechter vrijheidsbeneming zal bevelen’. Ingevolge art. 6:6:20 lid 2 Sv zal het Openbaar Ministerie na aanhouding ‘onverwijld’ een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging alsmede een vordering tot tenuitvoerlegging moeten indienen. De aanhouding van de veroordeelde kan daarmee niet los worden gezien van de procedure die, indien de vordering wordt toegewezen, leidt tot een bevel tot (voorlopige) tenuitvoerlegging. Ook het systeem van de wet pleit er dan ook voor de periode vanaf de aanhouding bij aftrek in aanmerking te nemen.
36. Een benadering waarbij vrijheidsbeneming vanaf de dag van de aanhouding in aanmerking wordt genomen, sluit ook aan bij verwante regelingen in de fase van de tenuitvoerlegging.
37. Hierbij valt in het bijzonder te wijzen op de oude regeling van de procedure van schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling, die heeft gefungeerd als blauwdruk voor de procedure voorafgaand aan het bevel tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde sanctie.15.In art. 15j lid 2 (oud) Sr was bepaald dat, indien de voorwaardelijke invrijheidstelling werd herroepen nadat zij was geschorst, de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf geacht werd te zijn hervat op de dag van de aanhouding.
38. In dit verband kan ook worden gewezen op art. 537 lid 1 Sv, dat ziet op de situatie waarin een vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen dan wel het Openbaar Ministerie in zijn vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard. In de memorie van toelichting is over art. 14l (oud) Sr opgemerkt dat de mogelijkheid van schadevergoeding ziet op ‘schade die is geleden door vrijheidsbeneming tussen het moment van aanhouding en het moment van de afwijzing van de vordering of van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie’.16.Met de overheveling van de regeling naar het Wetboek van Strafvordering is daarin geen verandering gekomen. De wetgever heeft dat tot uitdrukking gebracht door de zinsnede ‘ten gevolge van vrijheidsbeneming die voorafgaand aan de beslissing op de vordering is ondergaan’.
39. Daarbij merk ik op dat een benadering waarin de aftrek niet langer betrekking zou hebben op de periode tot het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging door de rechter-commissaris een verandering ten nadele van de veroordeelde zou betekenen. De veroordeelde zou daardoor langer zijn vrijheid kunnen worden ontnomen dan onder het oude recht, terwijl aan deze consequentie in de parlementaire geschiedenis geen opmerking is gewijd.
40. Daarbij komt het volgende. Een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf bouwt voort op de voorwaardelijke veroordeling die de strafrechter heeft uitgesproken. Het daarin bepaalde over de duur van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde sanctie heeft het karakter van een bovengrens. Daaraan kunnen het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging en het bevel tot tenuitvoerlegging niet tornen. Een louter grammaticale interpretatie van art. 6:6:21 lid 7 Sv zou ertoe leiden dat de veroordeelde op grond van een – later ten uitvoer gelegde – voorwaardelijke vrijheidsstraf uiteindelijk langer zijn vrijheid kan worden ontnomen dan ingeval de sanctie onvoorwaardelijk zou zijn opgelegd. Dat staat op gespannen voet met de aard van de verschillende modaliteiten. De Hoge Raad heeft in dit verband herhaaldelijk overwogen dat de wet niet in de mogelijkheid voorziet dat de rechter zal gelasten dat een vrijheidsstraf zal worden ten uitvoer gelegd die van langere duur is dan de niet ten uitvoer gelegde straf. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat het de rechter evenmin vrij staat om een vervangende hechtenis op te leggen die de duur van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf overstijgt.17.Hetzelfde geldt voor een redelijke uitleg van art. 6:6:21 lid 7 Sv.
41. Het voorgaande brengt mij tot de volgende slotsom. De verplichting die is vastgelegd in art. 6:6:21 lid 7 Sv moet worden geïnterpreteerd in het licht van de ontstaansgeschiedenis, de wetssystematiek en het karakter van de voorwaardelijke veroordeling. Dit betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat de vrijheidsbeneming vanaf de dag van de aanhouding tot aan de beslissing van de rechter tot het bevelen van de tenuitvoerlegging geheel in mindering moet worden gebracht.
42. De verplichting die is vervat in art. 6:6:21 lid 7 Sv kan tegen deze achtergrond als volgt worden gelezen, zonder dat daarmee de tekst van de bepaling geweld wordt aangedaan. De woorden ‘uit hoofde van art. 6:6:20, eerste lid, onder a’ kunnen worden begrepen als vrijheidsbeneming in verband met het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat de vrijheidsbeneming ten gevolge van de aanhouding als bedoeld in art. 6:3:15 Sv in een voldoende nauw verband staat met het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging en aldus valt onder de reikwijdte van vrijheidsbeneming ‘uit hoofde van’ art. 6:6:20 lid 1, onder a, Sv.
Cassatiemiddel en vordering
43. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank bij het in mindering brengen van de reeds ondergane vrijheidsbeneming ingevolge het bepaalde in art. 6:6:21 lid 7 Sv zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting de dag van de aanhouding van de betrokkene als bedoeld art. 6:3:15 Sv tot uitgangspunt heeft genomen.
44. Uitsluitend om de Hoge Raad in de gelegenheid te stellen zich over de in deze vordering centraal staande rechtsvraag uit te laten, stel ik in het belang der wet het volgende middel van cassatie voor:
Schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 6:3:15 lid 1, 6:6:20 lid 1, onder a, en 6:6:21 lid 7 Sv, doordat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bij het in mindering brengen van de reeds ondergane vrijheidsbeneming ingevolge het bepaalde in art. 6:6:21 lid 7 Sv de dag van de aanhouding van de veroordeelde na een bevel daartoe als bedoeld art. 6:3:15 lid 1 Sv tot uitgangspunt moet worden genomen, terwijl uit de tekst van de wet voortvloeit dat de tijd die vanaf de aanhouding tot het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 6:6:20 lid 1, onder a, Sv in detentie is doorgebracht bij de aftrek niet in aanmerking moet worden genomen.
45. Op grond van het voorgaande vorder ik dat de Hoge Raad de voorgedragen uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 oktober 2024 in het belang der wet zal vernietigen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2025
Vgl. HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1446. In de genoemde conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:1225) ben ik nader ingegaan op de reikwijdte van artikel 555 lid 3 Sv, dat naar mijn mening niet de deur opent voor de beantwoording van postjudiciële vragen. Ik volsta verder met verwijzing naar deze conclusie.
Zie Stb. 2011, 545 i.v.m. Stb. 2011, 615.
Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 11.
Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 11. In het geval het vermoeden bestond dat de algemene voorwaarde niet is nageleefd, bestaat veelal de mogelijkheid van voorarrest in verband met de verdenking van het nieuwe feit.
Zie Stb. 2017, 82. De wet is in werking getreden op 1 januari 2020, zie Stb. 2019, 507.
Zie de transponeringstabel in Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 149 e.v.
Met de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen is artikel 6:6:20 Sv gewijzigd. Zie Stb. 2020, 224. De wet is in werking getreden op 1 juli 2021, zie Stb. 2021, 252. Vgl. Kamerstukken II 2018/19, 35 122, nr. 7. Deze wijziging is voor deze vordering niet relevant.
Zie Stb. 2020, 225. De wet is in werking getreden op 25 juli 2020, zie Stb. 2020, 286. Met de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen is artikel 6:6:21 Sv gewijzigd. Zie Stb. 2020, 224. De wet is in werking getreden op 1 juli 2021, zie Stb. 2021, 252. Met deze wijziging had de redactie van artikel 6:6:21 lid 7 Sv moeten worden gewijzigd (‘onder a’) en had artikel 6:6:21 lid 8 Sv moeten komen te vervallen. Dat is niet gebeurd.
Zie Kamerstukken II 2019/20, 35 436, nr. 3, p. 6.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 3-4.
Zie Kamerstukken II 2019/20, 35 436, nr. 3, p. 6.
Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 11.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 65.
Vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:383; HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:776, NJ 2014/207; HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:834 en HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:989.