NJB 2026/146:Procedure tot executie-uitlevering en ernstige schending redelijke termijn art. 6 lid 1 EVRM in strafprocedure verzoekende staat: als het gaat om een verzoek tot uitlevering voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid, een (voltooide) flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM en/of 14 lid 1 IVBPR, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Betekenis ‘flagrant denial of justice’ volgens EHRM (GK) 15 juni 2017, nr. 71537/14 (Harkins/ VK), r.o. 62-65. Onjuist is de opvatting dat een (zeer) forse overschrijding van de redelijke termijn in de strafrechtelijke procedure in de verzoekende staat die heeft geleid tot de uitspraak met het oog op de tenuitvoerlegging waarvan de uitlevering is verzocht, op zichzelf – en dus ook zonder dat kan worden vastgesteld dat die overschrijding ertoe heeft geleid of eraan heeft bijgedragen dat sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten dat het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 lid 1 EVRM in die procedure flagrant is geschonden – aan toelaatbaarverklaring van de uitlevering in de weg staat.