Vgl. HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:510, rov. 6.2. Vgl. ook o.a. EHRM 29 augustus 1997, nr. 83/1996/702/894 (Worm/Oostenrijk) en EHRM 23 juni 2016, nr. 20261/12 (Baka/Hongarije).
HR, 07-07-2023, nr. 23/01806
ECLI:NL:HR:2023:1019
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-07-2023
- Zaaknummer
23/01806
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen (V)
Staatsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1019, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑07‑2023; (Raadkamer)
Conclusie, Hoge Raad, 25‑04‑2023
- Vindplaatsen
V-N 2023/33.29 met annotatie van Redactie
TRA 2023/91 met annotatie van N. Hummel
NJ 2023/302 met annotatie van W.H. Vellinga
TT 2023/51 met annotatie van mr. G.L. Maaldrink
AA20240149 met annotatie van Sillen J.J.J. Joost
Viditax (FutD) 2023071329
FutD 2023-1872
Uitspraak 07‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Uitspraak vierde kamer. Vordering procureur-generaal bij de Hoge Raad als bedoeld in art. 46o Wrra, tot het opleggen van de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping als bedoeld in art. 46ca, eerste lid, aanhef en onder a, Wrra, op grond van art. 46c, aanhef en onder c, Wrra (toebrengen van ernstig nadeel aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Vierde Kamer
Nummer 23/01806
Datum 7 juli 2023
ARREST
houdende de beslissing op de vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 25 april 2023 betreffende:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] ,
hierna: betrokkene.
1. De vordering
1.1
1.2
Bij de vordering heeft de Procureur-Generaal de volgende stukken overgelegd:
a. het verzoek van de president van het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) aan de Procureur-Generaal van 23 februari 2023 tot het instellen van een vordering strekkende tot disciplinaire maatregelen tegen betrokkene, met zes bijlagen, waaronder het verslag van de advocaat-generaal van het ressortsparket van 14 februari 2023 en het verslag van het gesprek van de president van het hof met betrokkene van 22 februari 2023;
b. de e-mailwisseling tussen het kabinet van de Procureur-Generaal en betrokkene van 24 – 28 februari 2023 inzake uitnodiging gehoor;
c. de e-mail van de bestuurssecretaris van het hof aan de Procureur-Generaal van 27 februari 2023, inhoudende de reactie van betrokkene op het gespreksverslag van 22 februari 2023;
d. het proces-verbaal van gehoor van 8 maart 2023, met drie bijlagen;
e. de brief van de Procureur-Generaal aan betrokkene van 9 maart 2023 inzake het verdere verloop van de procedure;
f. de e-mail van de president van het hof aan de Procureur-Generaal van 27 maart 2023, ertoe strekkende dat erop wordt aangestuurd dat aan betrokkene de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt opgelegd door de Hoge Raad;
g. de brief van de Procureur-Generaal aan betrokkene van 28 maart 2023, inhoudende het voornemen tot het instellen van een vordering tot het opleggen van een schriftelijke berisping en de gelegenheid tot het indienen van een schriftelijke zienswijze;
h. de e-mail van betrokkene aan de Procureur-Generaal van 29 maart 2023, inhoudende het afzien van het indienen van een schriftelijke zienswijze;
i. het Koninklijk Besluit tot benoeming van betrokkene;
j. de e-mail van mr. C. Nekeman (de advocaat van betrokkene, hierna: de advocaat) aan de president van het hof en de Procureur-Generaal van 10 april 2023;
k. de brief van de Procureur-Generaal aan de advocaat van 12 april 2023;
l. de e-mail van de president van het hof aan de Procureur-Generaal van 14 april 2023, inhoudende dat betrokkene per 24 april 2023 niet langer werkzaam zal zijn binnen de afdeling strafrecht van het hof.
1.3
De Procureur-Generaal heeft aan zijn vordering in de kern genomen ten grondslag gelegd dat betrokkene in 2021 en 2022 diverse handelingen heeft verricht die de bedoeling hadden dat in een lopende strafzaak rechterlijke ambtenaren zouden worden overtuigd van een alternatief scenario, dat dit alternatieve scenario ingang zou vinden in de strafzaak en dat de functionarissen van het openbaar ministerie die met de behandeling van de zaak waren belast zouden worden vervangen door andere. Volgens de Procureur-Generaal heeft betrokkene daarmee de goede gang van zaken bij de rechtspraak en het vertrouwen in de rechtspraak ernstig nadeel toegebracht, althans heeft betrokkene de ambtsplichten als bedoeld in art. 46c, aanhef en onder a, Wrra verwaarloosd, op grond waarvan de oplegging van een disciplinaire maatregel geboden is. De Procureur-Generaal acht de oplegging van een schriftelijke berisping passend en geboden.
2. Het onderzoek in raadkamer
2.1
Op 2 juni 2023 heeft de Hoge Raad in raadkamer het onderzoek als bedoeld in art. 46p lid 1 Wrra ingesteld. Betrokkene en de president van het hof zijn in kennis gesteld van de datum en het tijdstip van het onderzoek in raadkamer en zij zijn uitgenodigd bij dit onderzoek aanwezig te zijn. De president van het hof heeft de Hoge Raad bericht niet aanwezig te zullen zijn.
2.2
Betrokkene heeft zich bij schrijven van de advocaat voorafgaand aan de behandeling in raadkamer gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2.3
Betrokkene en de advocaat zijn in raadkamer verschenen. De Procureur-Generaal heeft in raadkamer zijn vordering toegelicht.
2.4
Van het onderzoek in raadkamer is proces-verbaal opgemaakt.
3. Feiten en uitgangspunten
3.1
Voor de beoordeling gaat de Hoge Raad uit van het volgende, zoals daarvan blijkt uit de hiervoor in 1.2 vermelde stukken en het onderzoek in raadkamer.
3.2
(i) Betrokkene is sinds 1997 raadsheer in het hof. Tot voor kort was betrokkene als zodanig werkzaam in de afdeling strafrecht van het hof.
(ii) De broer van betrokkene heeft in oktober 2021 onder pseudoniem een boek (hierna: het boek) uitgebracht dat betrekking heeft op een rechtszaak en het in verband daarmee verrichte onderzoek (hierna: de rechtszaak). Het betreft een strafzaak met grote maatschappelijke impact en veel publiciteit. Indien in de rechtszaak hoger beroep zou worden ingesteld, zou dat worden behandeld door het hof waarin betrokkene raadsheer is.
(iii) Op de achterkant van het boek staat onder meer dat in de rechtszaak de verkeerde personen terecht staan, dat een in de rechtszaak gebruikt onderzoek een door tunnelvisie of corruptie tot stand gekomen cover-up is, dat de officieren van justitie hierdoor hun tunnelvisie bevestigd zagen en ten hele zijn gedwaald, en dat het doel van het boek is dat de rechtszaak wordt voortgezet met andere officieren van justitie en tegen andere verdachten.
(iv) In november 2021 heeft de broer van betrokkene exemplaren van het boek afgegeven bij de Tweede Kamer en het Paleis van Justitie. Betrokkene vergezelde hem daarbij. De bij de balie van het Paleis van Justitie afgegeven exemplaren waren bestemd voor de rechters en de officieren van justitie die met de behandeling van de rechtszaak waren belast. Bij elk boek was een begeleidende brief gevoegd, geschreven door de broer van betrokkene.
(v) Betrokkene heeft in februari 2022 een exemplaar van het boek met een door betrokkene opgestelde begeleidende brief afgegeven aan de balie van het Paleis van Justitie. Het boek was bestemd voor en de brief was gericht aan de leider van het team van het openbaar ministerie dat het onderzoek in verband met de rechtszaak heeft verricht. De begeleidende brief bevat passages die, zakelijk weergegeven, erop neerkomen dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest, dat zich een ander scenario heeft voorgedaan dan het openbaar ministerie aanneemt, dat in het boek van de broer van betrokkene overtuigend wordt aangetoond dat een bepaald in de rechtszaak gebruikt onderzoek niet anders dan als een doelbewuste en doorzichtige cover-up moet worden aangemerkt, dat dit voor betrokkene glashelder is, en dat de geadresseerde wordt uitgedaagd om de eigen opvattingen kritisch te bezien en kennis te nemen van het boek waarin onderbouwd tot een geheel andere conclusie wordt gekomen. De brief sluit af met de mededeling dat het boek onder pseudoniem is geschreven en dat daarom ook onder de brief niet de eigen naam wordt vermeld.
(vi) In augustus 2022 heeft betrokkene anoniem een leeswijzer bij het boek verspreid onder de bij de rechtszaak betrokken officieren van justitie, rechters en advocaten. De leeswijzer bevat onder meer passages waarin betrokkene instemt met de in het boek neergelegde technische analyse en het daarop gebaseerde scenario. Betrokkene schrijft in de leeswijzer onder meer dat bij het openbaar ministerie al veel eerder bekend moet zijn geworden dat het scenario zoals zich dat in werkelijkheid heeft afgespeeld een heel ander was dan uit het in de rechtszaak gebruikte onderzoeksrapport volgt.
(vii) In oktober 2022 heeft betrokkene anoniem een exemplaar van het boek en de leeswijzer naar de bij de rechtszaak betrokken advocaat-generaal gestuurd. Betrokkene heeft ook twee pagina’s uit de bijlagen van een in de rechtszaak gebruikt onderzoek aan die advocaat-generaal doen toekomen. Daarbij heeft betrokkene een geschrift gevoegd dat onder meer de passage bevat dat de broer van betrokkene in zijn boek de waarheid heeft onthuld, dat al zijn kritiek op het in de rechtszaak gebruikte onderzoek terecht is en dat ten aanzien van bepaalde gegevens sprake is van manipulatie en een leugen.
(viii) In februari 2023 heeft betrokkene in een gesprek met diezelfde advocaat-generaal de rechtszaak ter sprake gebracht en de zaak een “groot showproces” genoemd. Betrokkene heeft in dat gesprek bekend gemaakt dat de auteur van het boek de broer van betrokkene is en dat betrokkene dit boek eerder aan de advocaat-generaal heeft toegezonden. De advocaat-generaal heeft daarop geantwoord zich dit niet te kunnen herinneren en dat als betrokkene haar iets zou willen doen toekomen, betrokkene dit in het postvak in het Paleis van Justitie kon leggen. Daarop heeft betrokkene het boek met de leeswijzer in het postvak van de advocaat-generaal gelegd.
(ix) Een functionaris van het ressortsparket heeft de president van het hof in kennis gesteld van de inhoud van het gesprek tussen betrokkene en de advocaat-generaal en de daaruit blijkende handelingen van betrokkene, die binnen het openbaar ministerie tot onbegrip en onvrede hebben geleid.
4. De beoordeling
4.1
Op vordering van de Procureur-Generaal kan de Hoge Raad ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar een disciplinaire maatregel opleggen, onder meer indien de rechterlijk ambtenaar door zijn handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen (art. 46c, aanhef en onder c, Wrra, in verbinding met art. 46o lid 1 Wrra).
De disciplinaire maatregelen die aan de rechterlijk ambtenaar kunnen worden opgelegd zijn (art. 46ca lid 1 Wrra):
a. schriftelijke berisping;
b. inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;
c. schorsing voor de duur van ten hoogste drie maanden; of
d. ontslag.
4.2
In beginsel staat het een rechterlijk ambtenaar vrij om buiten de rechtszaal haar of zijn mening te uiten over maatschappelijke kwesties. Deze aan een rechterlijk ambtenaar toekomende vrijheid van meningsuiting is evenwel niet onbeperkt. Een rechterlijk ambtenaar dient bij de uitoefening van haar of zijn uitingsvrijheid rekening te houden met de invloed van die uitingen, in het bijzonder voor zover deze uitingen vragen kunnen doen rijzen over de invloed daarvan op het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht.1.
4.3
Uit de hiervoor in 3.2 weergegeven feiten blijkt dat betrokkene, terwijl betrokkene raadsheer is, zich in een bij de rechtbank in het desbetreffende ressort lopende strafzaak met grote maatschappelijke impact, rechtstreeks heeft gewend tot leden van de rechterlijke macht die met de behandeling van de zaak waren belast. Betrokkene was aanwezig bij de afgifte van het boek door de broer van betrokkene ten behoeve van de rechters en officieren van justitie, en heeft het boek ook zelf doen toekomen aan de leider van het onderzoeksteam van het openbaar ministerie en later aan de advocaat-generaal. De verstrekking van het boek had onmiskenbaar de bedoeling om de overtuiging van de bij de rechtszaak betrokken rechterlijke ambtenaren en de loop van de rechtszaak te beïnvloeden. De begeleidende brief aan de leider van het onderzoeksteam van het openbaar ministerie, de onder de betrokken rechters, officieren van justitie en advocaat-generaal verspreide leeswijzer en het aan de advocaat-generaal gestuurde geschrift, die betrokkene alle zelf heeft geschreven (zie hiervoor in 3.2 onder (v)-(vii)), hadden evenzeer de strekking om de bij de rechtszaak betrokken leden van de rechterlijke macht en de loop van de rechtszaak te beïnvloeden. In die geschriften heeft betrokkene zich aangesloten bij het in het boek geschetste alternatieve scenario en zich afgezet tegen het in de rechtszaak gepresenteerde scenario. Betrokkene heeft daarin onder meer de in de rechtszaak gebruikte onderzoeksbevindingen gekwalificeerd als een doelbewuste en doorzichtige cover-up, het openbaar ministerie verweten al veel eerder ermee bekend te zijn geworden dat het scenario zoals zich dat in werkelijkheid heeft afgespeeld een heel ander was, en bepaalde in de rechtszaak gebruikte gegevens gekwalificeerd als manipulatie en een leugen.
In het gesprek met de advocaat-generaal heeft betrokkene bekend gemaakt dat het betrokkene zelf is geweest die het boek met leeswijzer aan de advocaat-generaal heeft toegezonden, en de rechtszaak een groot showproces genoemd.
4.4
Met voornoemde handelwijze heeft betrokkene het vertrouwen in het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht ondermijnd. Door dit handelen heeft betrokkene ernstig nadeel toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak en het in de rechtspraak te stellen vertrouwen.
4.5
De aard en de ernst van het hiervoor beschreven aan betrokkene verweten handelen rechtvaardigen het opleggen van een disciplinaire maatregel zoals bedoeld in art. 46ca lid 1 Wrra. Bij de beoordeling welke maatregel passend en geboden is, heeft de Hoge Raad mede in aanmerking genomen dat betrokkene inzicht heeft getoond in de onaanvaardbaarheid van het handelen, dat betrokkene aanvaardt niet meer werkzaam te zullen zijn in de afdeling strafrecht, en dat aan betrokkene, die al lange tijd als raadsheer werkzaam is, niet eerder een disciplinaire maatregel is opgelegd.
4.6
Gelet op het voorgaande zal de Hoge Raad aan betrokkene de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping opleggen.
5. Beslissing
De Hoge Raad legt aan betrokkene de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping op.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresidenten R.J. Koopman en V. van den Brink, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F.J.P. Lock, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A. Woller-van Welie, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑07‑2023
Conclusie 25‑04‑2023
Aan de Hoge Raad der Nederlanden, vierde meervoudige kamer
Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
betreffende
MR. [betrokkene]
Mr. [betrokkene] (hierna: de betrokkene) is raadsheer in het gerechtshof Den Haag en als zodanig een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra). Daarnaast is de betrokkene raadsheer-plaatsvervanger in de Centrale Raad van Beroep.
1. Verzoek
1.1.
De president van het gerechtshof Den Haag, mr. M.W. Koek (hierna: de president) heeft mij bij brief van 23 februari 2023 verzocht de betrokkene voor te dragen bij de Hoge Raad voor oplegging van een disciplinaire maatregel op de voet van artikel 46c, aanhef en onder c, Wrra, te weten de sanctie van ontslag, alsmede voor schorsing op de voet van artikel 46f, tweede lid, aanhef en onder e, Wrra.
1.2.
De president heeft mij ook verzocht te vorderen dat de betrokkene buiten functie wordt gesteld op de voet van artikel 46fa, eerste lid, Wrra.
1.3.
Bij e-mail van 27 maart 2023 heeft de president de onder 1.1 en 1.2 bedoelde verzoeken niet gehandhaafd. Wel is verzocht een vordering strekkende tot schriftelijke berisping in te dienen.
2. Onderbouwing van het verzoek
2.1.
Het verzoek is — kort samengevat — als volgt onderbouwd.
2.2.
De betrokkene heeft in 2021 en 2022 meermalen, anoniem, een boek getiteld ‘MH17 Een valse vlag terreuraanslag Complot, crash, cover-up’ en stukken, waaronder een ‘leeswijzer’ bij dat boek, doen toekomen aan functionarissen van het Openbaar Ministerie, aan rechters en aan advocaten die functioneel betrokken waren bij de behandeling van de strafzaak betreffende de in 2014 in het luchtruim van Oekraïne neergeschoten Boeing 777 van Malaysia Airlines met vluchtnummer MH17 (hierna: de MH17-zaak). Daarbij was het de kennelijke bedoeling deze rechterlijke ambtenaren en advocaten te overtuigen van een alternatief scenario van de toedracht van het neerhalen van het vliegtuig, dat dit alternatieve scenario in de strafzaak ingang zou vinden en dat andere functionarissen van het Openbaar Ministerie met de behandeling van de zaak zouden worden belast. De betrokkene heeft op 2 februari 2023 in een mondeling contact met de advocaat-generaal mr. A (hierna: de advocaat-generaal) haar opvattingen ten aanzien van de MH17-zaak actief naar voren gebracht en daarbij verwezen naar het boek en naar de leeswijzer. De betrokkene heeft daarbij kenbaar gemaakt dat het boek was geschreven door haar broer. Op 7 februari 2023 heeft de betrokkene (opnieuw) het boek en de leeswijzer toegestuurd aan deze advocaat-generaal.
2.3.
De president is van oordeel dat gelet op deze omstandigheden sprake is van handelen dan wel nalaten waardoor ernstig nadeel is en wordt toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak en aan het in haar te stellen vertrouwen.
3. Het dossier
3.1.
Vanaf 9 maart 2020 hebben in de MH17-zaak zittingen bij de rechtbank Den Haag plaatsgevonden. De rechtbank heeft op 17 november 2022 vonnis gewezen.1.
3.2.
Uit de door de president en door de betrokkene overgelegde stukken en het hierna onder 4 genoemde gehoor van de betrokkene is het volgende naar voren gekomen.
3.3.
Het boek ‘MH17 Een valse vlag terreuraanslag Complot, crash, cover-up’ is geschreven door de broer van de betrokkene onder het pseudoniem van ‘[naam 1]’. Het boek is uitgebracht in oktober 2021. De tekst op de achterzijde van het boek luidt als volgt:
‘MH17 is niet door een Buk-raket neergeschoten.
In de rechtszaak MH17 staan de verkeerde personen terecht.
De rechtszaak MH17 is een herhaling van [naam 2] en [naam 1].
Het MH17 Crash Eindrapport door de Onderzoeksraad voor Veiligheid is een door tunnelvisie of corruptie tot stand gekomen cover-up.
De officieren van justitie zagen hierdoor hun tunnelvisie bevestigd en zijn ten hele gedwaald.
Het doel van dit boek: de rechtszaak wordt voortgezet met andere officieren van justitie en tegen andere verdachten.’
3.4.
In november 20212. heeft de betrokkene samen met haar broer exemplaren van het boek (elk in een envelop) afgegeven bij de Tweede Kamer. Op diezelfde dag hebben zij exemplaren van het boek afgegeven bij het Paleis van Justitie die bestemd waren voor de rechters en voor de officieren van justitie die met de behandeling van de MH17-zaak waren belast. De boeken zijn afgegeven bij de balie waar alle externe partijen hun post kunnen afleveren. Bij elk boek was een begeleidende brief gevoegd. Die brief was geschreven door de broer van de betrokkene; onderaan de brief was zijn pseudoniem vermeld. De betrokkene heeft de boeken niet via de interne post van het Paleis van Justitie verspreid.
Zij heeft van haar broer begrepen dat hij per post ook boeken naar de advocaten van een van de verdachten en aan de minister-president had verzonden of nog zou verzenden.
3.5.
In februari 2022 heeft de betrokkene een exemplaar van het boek met een door haar opgestelde begeleidende brief afgegeven aan de balie van het Paleis van Justitie. Het boek was bestemd voor en de brief was gericht aan de leider van het MH17-team van het Openbaar Ministerie, mr. [leider]. In de brief wordt gereageerd op een interview met mr. [leider]. De brief bevat de volgende passages:
‘U zei daarin dat het onderzoek zo grondig is geweest en dat alle andere oorzaken van de crash van de MH 17 dan een BUK raket waren onderzocht en konden worden uitgesloten.
Dat is volstrekt onwaar. Het schadepatroon aan de cockpit en de linker motor inlaatring en de totale schade van de MH 17 passen volstrekt niet bij een BUK raket en kunnen daardoor ook niet verklaard worden. En zij worden in de rapporten ook niet verklaard, wel benoemd, maar dat is geen verklaring. Het scenario waarin alles past is dat de MH 17 is neergehaald door lucht lucht raketten en boordkanonsalvo's en voorts dat de voorste 16 meter van het vliegtuig is afgebroken ten gevolge van de explosie van lithium ion batterijen in laadvak 5 en 6 van het toestel.
Zoals door mijn broer in bijgaand boek overtuigend wordt aangetoond is het ook zo gegaan en kan het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid niet anders dan als een — doelbewuste en doorzichtige — cover-up worden aangemerkt. Ook voor een alpha, zoals ik ben, is dat na lezing van zijn boek (en alle relevante rapporten) glashelder.
Niet alleen de advocaten, ook de leden van de rechtbank evenals twee officieren van justitie die deel uitmaken van uw MH 17 team hebben dit boek al enige tijd geleden ontvangen. Niet dat dat tot dusverre in de rechtszaal te merken is geweest. Maar wat niet is kan nog komen.
Ik daag u uit om uw eigen opvattingen kritisch te bezien en kennis te nemen van dit, ook voor alpha's zeer toegankelijke, boek, waarin, onderbouwd, op basis van met name de aan het onderzoek van de OvV ontleende feiten, tot een geheel andere conclusie wordt gekomen.
Het boek is onder pseudoniem geschreven. Ik vermeld daarom ook niet mijn eigen naam hieronder.’
3.6.
In augustus 2022 heeft de betrokkene de hierboven onder 2.2 genoemde, door haar geschreven, leeswijzer — los, zonder het boek — anoniem verspreid onder de officieren van justitie van het MH17-team, de rechters van de zittingscombinatie in de MH17-zaak en de betrokken advocaten.
3.7.
In oktober 2022 — toen de betrokkene wist dat de hiervoor onder 2.2 genoemde advocaat-generaal was toegevoegd aan het MH17-team van het OM — heeft de betrokkene anoniem een exemplaar van het boek en de leeswijzer naar de advocaat-generaal gestuurd.
3.8.
Anders dan de term doet vermoeden, is de ‘leeswijzer’ niet (slechts) aan te merken als een document waarin een handleiding wordt gegeven met het oog op het lezen van het boek. Het document is (daarnaast) opiniërend van aard. Daarin is de visie van de betrokkene op het boek en op aspecten van de MH17-zaak neergelegd. In zoverre heeft het document trekken van een pamflet. De leeswijzer heeft als aanhef:
‘LEESWIJZER bij het boek MH17, opgesteld door een naast familielid van de auteur’
De leeswijzer bevat onder meer de volgende passages:
‘Kritiek: Van dit (Buk) scenario klopt helemaal niets.
(…)
De auteur stelt en levert overtuigend bewijs dat MHI7 is getroffen door 2 lucht lucht raketten (zijnde raketten met veel minder ‘power’ dan een Buk raket), en vervolgens is uitgeschakeld door boordkanonsalvo' s, afgevuurd vanaf 2 gevechtsvliegtuigen.
(…)
Mijns inziens is er geen twijfel over mogelijk dat de auteur gelijk heeft met zijn technische analyse en met zijn conclusie dat het OVV rapport een — opzettelijke en doorzichtige — cover up is.
(…)
Het Buk scenario is bewijsbaar voor 100 % onjuist.
(…)
Gezien de toen bekende gegevens moet m.i. al eind juli 2014 of anders uiterlijk in augustus 2014 bij de leiding van de OV, in ieder geval bij het OM, bekend zijn geworden dat de oorzaak van de crash een heel andere was.’
3.9.
De betrokkene heeft ook twee pagina's uit de bijlagen van het OVV-rapport aan de advocaat-generaal doen toekomen. Daarbij heeft zij een geschrift gevoegd dat onder meer de volgende passage bevat:
‘Een bewijs te meer dat de auteur van ‘MHI7 Complot, crash, cover-up’ (mijn broer) in zijn boek de waarheid heeft onthuld en dat al zijn kritiek op het OVV rapport terecht is.
(…)
Cruciaal voor het bedrog is de manipulatie van de vluchtrecorders en de leugen dat de stroomvoorziening aan boord van MH17 om 13:20:03 was uitgevallen.’
3.10.
Op 2 februari 2023 heeft de betrokkene bij gelegenheid van een receptie in een gesprek met de advocaat-generaal de MH17-zaak ter sprake gebracht. De betrokkene noemde deze zaak een ‘groot showproces’. De betrokkene betoogde dat vlucht MH17 niet was neergehaald door een Buk-raket, dat de deskundigen partijdig waren en dat geen deskundigen nodig waren om op basis van het schadebeeld te concluderen dat het geen Buk-raket betrof. De betrokkene vertelde de advocaat-generaal dat zij de zus is van de auteur van het boek ‘MH17 Een valse vlag terreuraanslag Complot, crash, cover-up’ alsook dat zij dit boek eerder aan de advocaat-generaal had toegezonden. De betrokkene vroeg de advocaat-generaal of zij het boek en de leeswijzer had ontvangen. De advocaat-generaal antwoordde dat zij zich dat niet kon herinneren. De advocaat-generaal merkte op dat zij een postvak heeft in het Paleis van Justitie en dat als de betrokkene haar iets zou willen doen toekomen de betrokkene het daarin kon leggen. Daarna heeft de betrokkene het boek met de leeswijzer in het postvak van de advocaat-generaal gelegd, waar de advocaat-generaal deze documenten op 7 februari 2023 aantrof.
3.11.
Op 20 februari 2023 heeft de landelijk hoofdadvocaat-generaal van het ressortsparket de president in kennis gesteld van de inhoud van het gesprek tussen de betrokkene en de advocaat-generaal en de daaruit blijkende handelingen van de betrokkene, die binnen het Openbaar Ministerie tot onbegrip en onvrede hebben geleid.
3.12.
Op 22 februari 2023 heeft de president de betrokkene bevraagd over het gesprek tussen de betrokkene en de advocaat-generaal, over de gedragingen van de betrokkene ten aanzien van de MH17-zaak en haar opvattingen daarover en over de verspreiding van het boek en de leeswijzer.
3.13.
De betrokkene heeft tegenover de president bevestigd dat zij met de advocaat-generaal had gesproken over de MH17-zaak en dat zij de advocaat-generaal had verteld dat haar broer de auteur is van het boek. Ook bevestigde de betrokkene dat zij het boek en de leeswijzer (opnieuw) naar de advocaat-generaal had gezonden. De betrokkene heeft onder meer verklaard dat zij ervan overtuigd was, en is, dat haar broer de waarheid vertelt in zijn boek en dat zij de MH17-zaak ziet als het grootste politieke showproces in de Nederlandse geschiedenis. De betrokkene heeft uiteengezet dat en hoe zij samen met haar broer het boek heeft doen toekomen aan de (toen bekende) rechters, officieren van justitie en de advocaten in de MH17-zaak. Verder heeft zij toegelicht waarom zij de door haar opgestelde leeswijzer anoniem heeft verspreid.
3.14.
Aan het einde van het gesprek heeft de president de betrokkene meegedeeld dat zij de procureur-generaal bij de Hoge Raad zou informeren met het oog op een (verzoek tot een) vordering tot disciplinair ontslag en schorsing.
3.15.
Direct nadat het gesprek met de president had plaatsgevonden, heeft de betrokkene een exemplaar van het boek en de leeswijzer aangeboden aan haar teamvoorzitter. De teamvoorzitter heeft het boek niet aangenomen.
3.16.
Op 6 maart 2023 had de betrokkene een tweede, kort gesprek met de president. Ten overstaan van de president heeft zij een verklaring uitgesproken en de schriftelijke weergave daarvan ondertekend en overhandigd aan de president. De verklaring houdt onder meer in dat de betrokkene zich realiseert dat zij voor enorme ophef heeft gezorgd en de president in een lastige situatie heeft gebracht, alsook dat zij de president daarvoor haar verontschuldigingen aanbiedt.
4. De procedure
4.1.
Na de ontvangst van het verzoek van de president heb ik de betrokkene uitgenodigd voor een gesprek waarin zij de gelegenheid had haar zienswijze te geven op het verzoek.
4.2.
Van deze mogelijkheid heeft de betrokkene gebruikgemaakt. Op 8 maart 2023 heb ik de betrokkene gehoord. Zij werd tijdens dit gehoor bijgestaan door haar advocaat, mr. C. Nekeman (hierna: de raadsman). De betrokkene heeft haar zienswijze ook neergelegd in notities die na het gehoor zijn overgelegd en die zijn gehecht aan het proces-verbaal van het gehoor.
4.3.
De betrokkene heeft — kort samengevat — het volgende naar voren gebracht. De betrokkene heeft het boek van haar broer en het OVV-rapport meermalen gelezen en is overtuigd geraakt van de juistheid van diens conclusie dat het toestel met vluchtnummer MH17 niet is neergeschoten door een Buk-raket. Zij voelde zich geroepen een bijdrage te leveren aan de waarheidsvinding in de MH17-zaak. Zij heeft het boek en de leeswijzer — die door haar is opgesteld — anoniem verspreid omdat zij haar bijdrage niet leverde als raadsheer in het gerechtshof. Zij heeft zich gebaseerd op openbare bronnen; iedereen die zich daarin had verdiept, had dezelfde bijdrage kunnen leveren. Nadat vonnis was gewezen in de MH17-zaak en bekend was dat geen hoger beroep was ingesteld, meende de betrokkene dat zij zichzelf bekend kon maken als verspreider van het boek en de leeswijzer. Nu de betrokkene terugkijkt op de kwestie, realiseert zij zich dat zij zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de impact van haar handelen. Zij had met grotere behoedzaamheid moeten handelen en haar dilemma moeten bespreken met de president. Zij heeft het hof en de president in een moeilijke situatie gebracht. Daarvoor heeft zij de president haar verontschuldigingen aangeboden. De betrokkene beseft dat een disciplinaire maatregel op zijn plaats is maar verzoekt te volstaan met de vordering van een lichtere maatregel dan ontslag.
4.4.
Uit het gehoor en uit informatie ingewonnen bij de president werd mij duidelijk dat de betrokkene vooralsnog niet als raadsheer zou deelnemen aan zittingen. Namens de betrokkene werd verder opgemerkt dat zij de weken na het gehoor niets zou ‘forceren of iets opeisen’. In het licht van de omstandigheden van het geval, kwam ik tot de conclusie dat geen sprake was van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 46fa, eerste lid, Wrra, die als voorwaarde geldt voor een buitenfunctiestelling.
4.5.
Ik volsta hier verder met verwijzing naar het proces-verbaal van het gehoor en de bijlagen daarbij. Bij de bespreking van de gronden van de vordering onder de aanhef ‘Beoordeling’, zal nader worden ingegaan op de zienswijze van de betrokkene.
4.6.
Zoals hierboven onder 1.3. vermeld, heeft de president op 27 maart 2023 mij schriftelijk bericht dat zij mij verzoekt niet langer aan te sturen op het ontslag van de betrokkene — en evenmin op schorsing of buitenfunctiestelling — maar te volstaan met het vorderen van de lichtere disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping. Daarbij heeft de president in aanmerking genomen dat de betrokkene inmiddels het onaanvaardbare karakter van de aangekaarte gedragingen inziet, daarvoor excuses maakt en heeft gezegd dat dit gedrag in de toekomst niet meer zal voorkomen. Daarnaast heeft de president in aanmerking genomen dat de betrokkene zich akkoord heeft verklaard met plaatsing in het team familierecht op korte termijn.
4.7.
Bij brief van 28 maart 2023 heb ik de betrokkene in kennis gesteld van mijn voornemen bij de Hoge Raad te vorderen dat aan haar de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt opgelegd. Daarbij heb ik de betrokkene in de gelegenheid gesteld haar zienswijze op mijn voornemen schriftelijk naar voren te brengen.
4.8.
Op 29 maart 2023 heeft de betrokkene een schriftelijk bericht gezonden waarin zij verklaarde af te zien van het indienen van een zienswijze.
4.9.
Op 10 april 2023 heeft de raadsman van de betrokkene een schriftelijk bericht gezonden aan mij en de president waarin hij namens de betrokkene verzocht het daartoe te leiden dat de schriftelijke berisping niet zal worden opgelegd door de Hoge Raad maar door de president.
4.10.
Bij brief van 12 april 2023 heb ik de raadsman laten weten dat ik het verzoek niet zou inwilligen. Daarbij heb ik ook kenbaar gemaakt dat de president mij desgevraagd had bericht haar verzoek aan mij te handhaven.
4.11.
Op 14 april 2023 heeft de president mij schriftelijk bericht dat de betrokkene per 24 april 2023 werkzaam zal zijn in het team belastingrecht van het gerechtshof Den Haag. Van de president vernam ik telefonisch dat de plaatsing in het team belastingrecht op 24 april 2023 daadwerkelijk is gerealiseerd.
5. Disciplinaire maatregelen in de Wrra
5.1.
Artikel 46c Wrra houdt in dat ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar een disciplinaire maatregel kan worden opgelegd, indien hij: a) de waardigheid van het ambt, zijn ambtsbezigheden of zijn ambtsplichten verwaarloost; b) de bepalingen overtreedt waarbij hem het uitoefenen van een beroep wordt verboden, een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen, verboden wordt zich in een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen of haar advocaten of gemachtigden of een bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen, de verplichting wordt opgelegd een geheim te bewaren of de verplichting wordt opgelegd de functionele autoriteit in kennis te stellen van de betrekkingen die hij buiten zijn ambt vervult; of c) door zijn handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen.
5.2.
In de memorie van toelichting bij de wijziging van de regeling inzake disciplinaire maatregelen is de grond van artikel 46c, onder c, Wrra niet nader toegelicht.3. Bij de overbrenging van de regeling inzake ontslag van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: Wet RO) naar de Wrra is dat evenmin gebeurd.4. Voor een toelichting op de grond ‘ernstig nadeel toebrengen aan het vertrouwen in de rechtspraak’ moet worden teruggegrepen op de memorie van toelichting bij artikel 11, onder c, (oud) Wet RO, waarin het volgende is vermeld5.:
‘In de huidige tekst van artikel 11 wordt in het eerste lid onder 3o als facultatieve ontslaggrond genoemd: wangedrag, onzedelijkheid of gebleken voortdurende achteloosheid in de waarneming van het ambt. Met behoud van de strekking is deze ontslaggrond geheel opnieuw geformuleerd. De bedoeling hiervan is door vergroting van de precisie in de eerste plaats de rechtszekerheid voor de betrokkenen te vergroten en in de tweede plaats de toepassing van de bepaling te vergemakkelijken. Op grond van deze bepaling moeten die leden van de rechterlijke macht verwijderd kunnen worden die, hoewel zij over voldoende technische bekwaamheid voor de uitoefening van het rechterambt beschikken, door hun wijze van optreden toch niet in de rechterlijke macht gehandhaafd kunnen worden. Naar men mag verwachten zal de bepaling slechts in hoge uitzonderingsgevallen behoeven te worden toegepast.’
5.3.
Bij deze toelichting moet in de eerste plaats worden aangetekend dat artikel 11 (oud) Wet RO was beperkt tot een opsomming van de facultatieve gronden voor ontslag. In geval van ‘ernstig nadeel toebrengen aan het vertrouwen in de rechtspraak’ was ontslag de enige maatregel die kon worden opgelegd. Door de uitbreiding van het sanctiearsenaal is dat anders geworden en heeft de opmerking dat verwacht mag worden dat de bepaling slechts in hoge uitzonderingsgevallen zal behoeven te worden toegepast aan betekenis ingeboet.
5.4.
In de tweede plaats moet worden aangetekend dat meer dan vijftig jaar zijn verstreken sinds de toelichting bij artikel 11 (oud) Wet RO werd opgetekend. In die lange periode zijn de opvattingen over het rechterlijk ambt, de ambtsvervulling en over hetgeen als ongeoorloofd of ongepast gedrag moet worden aangemerkt, geëvolueerd. Gedragscodes zoals de rechterscode van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (hierna: NVvR-rechterscode) bevatten gedragsnormen waarnaar rechters zich kunnen richten bij de uitoefening van hun werkzaamheden. De visie op de rechtspraak en wat van rechterlijke ambtenaren mag worden verwacht, is aan verandering onderhevig. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de regeling inzake disciplinaire maatregelen is opgemerkt dat de rechtspraak steeds kritischer wordt gevolgd. Adequaat kunnen ingrijpen bij ongewenste situaties en bij ongeoorloofd gedrag dient de kwaliteit en de integriteit van de rechtspraak en het vertrouwen bij de burger.6.
5.5.
De formulering van art. 46c, aanhef en onder c, Wrra is open. Hetzelfde geldt voor de formulering van art. 46c, aanhef en onder a, Wrra, waarin centraal staat het verwaarlozen van ‘de waardigheid van het ambt, zijn ambtsbezigheden of zijn ambtsplichten’. Er is weinig rechtspraak die nadere uitleg geeft aan de in deze bepalingen voorkomende begrippen. Dat betekent dat deze nadere invulling moeten krijgen aan de hand van andere rechtsregels waarin normen besloten liggen voor het handelen en nalaten van rechters. Niet alleen de rechtspraak van het EHRM, maar ook zogenoemde soft law kan nadere invulling geven aan de gronden van art. 46c, aanhef en onder a en c, Wrra .7. Daarop ga ik in onderdeel 7 van deze vordering nader in.
5.6.
Artikel 46ca, eerste lid, Wrra bepaalt welke disciplinaire maatregelen kunnen worden opgelegd. Het gaat om de volgende maatregelen:
- a)
schriftelijke berisping;
- b)
inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;
- c)
schorsing voor de duur van ten hoogste drie maanden;
- d)
ontslag.
5.7.
Bij Wet van 27 juni 2018 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten in verband met de uitbreiding van de mogelijkheden om ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren disciplinaire maatregelen op te leggen en tevens andere maatregelen te treffen, is de regeling inzake disciplinaire maatregelen, schorsing en ontslag gewijzigd.8. Daarbij is onder meer het sanctiestelsel uitgebreid met de maatregelen van inhouding van salaris en schorsing. Ook is het mogelijk gemaakt dat de maatregel van schriftelijke berisping door de Hoge Raad wordt opgelegd. Voorheen was de bevoegdheid tot het opleggen van een ‘schriftelijke waarschuwing’ voorbehouden aan de gerechtspresident.
5.8.
De disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping kan naar huidig recht dus door de gerechtspresident of door de Hoge Raad worden opgelegd (artikel 46d, eerste lid, Wrra). De overige disciplinaire maatregelen kunnen uitsluitend door de Hoge Raad worden opgelegd (artikel 46d, tweede lid, Wrra). Uit de parlementaire stukken kan worden opgemaakt dat een schriftelijke berisping door de gerechtspresident niet mag worden gelijkgeschakeld met een schriftelijke berisping door de Hoge Raad. In de memorie van toelichting is opgemerkt dat de regering de maatregel van berisping door de Hoge Raad ziet als een voldoende zelfstandige maatregel en dat uit algemeen disciplinair oogpunt een maatregel (van berisping) niet passend kan zijn terwijl dat voor de president vanuit zijn toezichthoudende taak anders kan liggen en vice versa.9. Ook wordt gesteld dat berisping door de Hoge Raad over het algemeen als zwaarder zal worden ervaren dan een berisping door de president.10.
6. Rechtspraak Hoge Raad
6.1.
Niet eerder is aan de Hoge Raad een zaak voorgelegd waarin de oplegging van een schriftelijke berisping werd gevorderd.
6.2.
Wel is in twee zaken schorsing als ordemaatregel gevorderd vanwege een ernstig vermoeden voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag op de grond van artikel 46c, aanhef en onder c, Wrra zouden kunnen leiden. In die zaken was dus de mogelijkheid van een disciplinair ontslag op de grond dat de betrokkene door zijn handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt had toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen, de achterliggende grond voor schorsing (artikel 46f, tweede lid, onder e, Wrra).
6.3.
In de eerste zaak heeft de Hoge Raad de vordering afgewezen omdat de vaststaande feiten niet het oordeel rechtvaardigden dat er een ernstig vermoeden was van het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag van de betrokkene zouden kunnen leiden. De Hoge Raad overwoog in het algemeen dat voor een goede gang van zaken in de rechtspraak en het in de rechtspraak te stellen vertrouwen van groot belang is dat vertrouwd kan worden op de eerlijkheid en openheid van de personen die de rechtspraak uitoefenen.11.
6.4.
In de tweede zaak had de betrokkene nadat de vordering tot schorsing was ingediend een verzoek gedaan om ontslag bij koninklijk besluit. De toewijzing van dat verzoek leidde ertoe dat de procureur-generaal niet-ontvankelijk was in zijn vordering.12.
7. Beoordeling
7.1.
Het verzoek en deze vordering gaan niet over de door de betrokkene gehuldigde opvattingen over de toedracht van het neerhalen van het toestel met vluchtnummer MH17. Het gaat in deze zaak om concrete gedragingen van de betrokkene, te weten het anoniem verspreiden van het boek ‘MH17 Een valse vlag terreuraanslag Complot, crash, cover-up’, een door haar opgestelde brief en een door haar opgestelde leeswijzer bij het boek, onder meer onder leden van het Openbaar Ministerie, rechters in de rechtbank Den Haag en advocaten die ten tijde van de toezending van de documenten met de behandeling van de MH17-zaak waren belast. Deze gedragingen staan centraal in deze vordering. Daarnaast is sprake van het — niet anonieme — gedrag van de betrokkene jegens de advocaat-generaal in een direct en persoonlijk contact, waarin de betrokkene haar opvattingen over de MH17-zaak actief heeft uitgedragen en die zaak onder meer heeft bestempeld als een ‘groot showproces’.
7.2.
Bij gelegenheid van het gehoor heeft de betrokkene aangevoerd dat het in beginsel iedereen vrijstaat om tijdens een procedure voor de rechter een inhoudelijke bijdrage te leveren en deze aan procespartijen te doen toekomen, alsook dat het iedereen vrijstaat om het niet eens te zijn met het standpunt van het Openbaar Ministerie. Daarbij heeft zij aangegeven zich te realiseren dat het uiterst ongebruikelijk is dat een rechter, en dan nog wel een rechter van de appelinstantie, dit doet.
7.3.
Het volgende kan worden vooropgesteld. In beginsel staat het een rechterlijk ambtenaar vrij om buiten de rechtszaal zijn of haar mening te uiten over door de rechterlijk ambtenaar relevant geachte maatschappelijke verschijnselen. Deze aan een rechterlijk ambtenaar toekomende vrijheid van meningsuiting is niet onbeperkt. Art. 10, tweede lid, EVRM voorziet in de mogelijkheid van beperking, bijvoorbeeld indien dit noodzakelijk is om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. De betrokkene dient bij de uitoefening van de uitingsvrijheid rekening te houden met de invloed van zijn of haar uitingen, in het bijzonder voor zover deze uitingen vragen kunnen doen rijzen over de invloed daarvan op het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht.13.
7.4.
Bij de uitleg van art. 46c, aanhef en onder a en c, Wrra kan acht worden geslagen op rechtsregels waarin normen besloten liggen voor het handelen en nalaten van rechters. In de rechtspraak en de literatuur gaat de aandacht in dit verband veelal uit naar publieke uitingen van rechters, bijvoorbeeld door een opinie in een krant of tijdschrift. Het EHRM stelt in dit verband voorop dat ook rechters vrijheid van meningsuiting hebben maar benadrukt tegelijkertijd dat ‘it can be expected of public officials serving in the judiciary that they should show restraint in exercising their freedom of expression in all cases where the authority and impartiality of the judiciary are likely to be called in question’.14. Daarbij dient acht te worden geslagen op de fundamentele rol die gerechten spelen in de democratische samenleving. Het belang van ‘the impartiality of the judiciary’ is nauw verbonden met ‘the confidence which the courts in a democratic society must inspire in the accused, as far as criminal proceedings are concerned, and also in the public at large’. De ‘authority of the judiciary’ omvat de notie ‘that the courts are, and are accepted by the public at large as being, the proper forum for the settlement of legal disputes and for the determination of a person's guilt or innocence on a criminal charge’.15.
7.5.
In dit verband wijs ik op een zaak waarin de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens de klager, die een beroep deed op art. 10 EVRM, niet-ontvankelijk verklaarde.16. De klager was een rechter in Zwitserland die steun had uitgesproken aan demonstranten die waren aangehouden. Hij had daartoe onder meer pamfletten uitgedeeld, waarin hij eiste dat amnestie zou worden verleend. Het Hooggerechtshof legde de klager vervolgens een tuchtrechtelijke berisping op. De Commissie overweegt dat van de klager als rechter terughoudendheid mag worden verwacht in alle gevallen waarin de onpartijdigheid en het gezag van de rechtspraak in het geding kunnen komen. Hierbij verwijst de Commissie naar de plichten en verantwoordelijkheden als bedoeld in art. 10, tweede lid, EVRM. Met de zeer scherpe kritiek op de justitiële autoriteiten en zijn pleidooi voor amnestie sprak de klager zich over lopende strafzaken uit, terwijl niet was uitgesloten dat hij als rechter bij die zaken betrokkenheid zou krijgen. De berisping was naar het oordeel van de Commissie noodzakelijk in een democratische samenleving ‘pour sauvegarder l'autorité et l'impartialité du pouvoir judiciaire’ als bedoeld in art. 10, tweede lid EVRM.
7.6.
Ook in gedragscodes die zijn toegesneden op rechters wordt beklemtoond dat de bijzondere aard van de rechterlijke functie noopt tot terughoudendheid bij het doen van publieke uitlatingen. Aan het belang van het respecteren van het gezag, de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de rechtspraak komt hierbij bijzonder gewicht toe. Ter illustratie wijs ik op het volgende.
7.7.
In the Bangalore Principles of Judicial Conduct17., die zijn aan te merken als ethische gedragscodes voor rechters, staat de volgende passage:
‘4.6
A judge, like any other citizen, is entitled to freedom of expression, belief, association and assembly, but in exercising such rights, a judge shall always conduct himself or herself in such a manner as to preserve the dignity of the judicial office and the impartiality and independence of the judiciary.’
7.8.
In de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties van de NVvR wordt naar de geciteerde bepaling verwezen.18. Daarbij wordt opgemerkt dat een rechter zich in de uitoefening van grondrechten, zoals het recht op vrijheid van meningsuiting, altijd zodanig dient te gedragen dat hij geen schade toebrengt aan zijn functioneren als rechter of het functioneren van de rechtspraak.
7.9.
In de NVvR-rechterscode is onder meer het volgende opgenomen:
‘2.4.3
(…) De rechter laat zich anders dan in de hoedanigheid van persrechter of in wetenschappelijke publicaties in het openbaar niet uit over uitspraken van collega's.
(…)
2.5.4.
(…) De rechter realiseert zich echter dat hij in de openbaarheid al snel als vertegenwoordiger van de rechtspraak zal worden beschouwd en dat een openbaar optreden zijn gezag als rechter en het gezag van de rechtspraak als geheel kan schaden. Hij spreekt zich daarom in elk geval niet publiekelijk uit over zaken waarover nog een rechterlijke beslissing moet worden gegeven. De rechter treedt voorts anders dan als persrechter en in wetenschappelijke publicaties alleen bij uitzondering in zijn functie naar buiten. De rechter is terughoudend bij het gebruik van sociale media en realiseert zich dat het gebruik daarvan kan leiden tot het leggen van onwenselijke verbanden.’
7.10.
In artikel 7 van de Gedragscode Rechtspraak is verwoord dat medewerkers van de Rechtspraak zich realiseren dat (privégedrag en) het publiekelijk uiten van privémeningen het vertrouwen in de Rechtspraak kunnen schaden.
7.11.
De betekenis van de rechtspraak en de gedragscodes die betrekking hebben op de (beperkingen van de) uitingsvrijheid van rechters voor de onderhavige zaak kan worden gerelativeerd. Deze lijken immers bovenal geënt op situaties waarin rechters voor het publiek als zodanig kenbaar met persoonlijke uitingen naar buiten treden. Voor het overige hebben veel bepalingen in de gedragscodes betrekking op gedragingen van een rechter in het kader van een aan hem of haar toebedeelde zaak. De betrokkene heeft haar uitingen echter anoniem gedaan, totdat zij openheid van zaken gaf in haar gesprek met de advocaat-generaal. Haar gedragingen hadden evenmin betrekking op een zaak die aan haar als raadsheer was toevertrouwd. Wel betroffen de uitlatingen een strafzaak waarvan het hoger beroep zou worden behandeld door het hof Den Haag, terwijl de betrokkene als raadsheer in het team strafrecht van dit hof werkzaam was. De betrokkene maakte evenwel geen deel uit van de zittingscombinatie die de MH17-zaak in een eventueel hoger beroep zou behandelen.
7.12.
De genoemde omstandigheden werken bij de beoordeling van het gedrag van de betrokkene naar mijn mening niet mitigerend. De kern van het verwijt dat met deze vordering wordt voorgelegd, is immers niet dat de betrokkene in een publiek debat haar gezag als raadsheer in het team strafrecht in het gerechtshof Den Haag heeft aangewend en in haar uitlatingen de grenzen van haar uitingsvrijheid heeft overschreden. Evenmin wordt haar verweten dat zij bij de behandeling van een aan haar als raadsheer toevertrouwde zaak ernstig nadeel heeft toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen. De kern van het verwijt is dat zij zich als raadsheer heeft gemengd in een lopende strafzaak en daarmee heeft getracht het verloop van een niet aan haar als raadsheer toevertrouwde zaak te beïnvloeden, zowel ten aanzien van de samenstelling van het onderzoeksteam van het Openbaar Ministerie als ten aanzien van de strekking en inhoudelijke beoordeling van het in die zaak ten laste gelegde. Aangenomen kan worden dat de omstandigheid dat de betrokkene deze interventie anoniem heeft gedaan niet zozeer samenhangt met de wens haar gezag als raadsheer niet te willen inroepen, als wel met het besef dat het bekend worden van een dergelijke interventie in een lopende procedure door een raadsheer — in de appelinstantie — tot ophef zou leiden. De keuze voor anonimiteit onderstreept daarmee het heimelijk karakter van de poging tot beïnvloeding van de goede rechtsgang en kan aldus niet mitigerend werken. Daarbij roep ik in herinnering dat de Hoge Raad beklemtoont dat voor een goede gang van zaken in de rechtspraak en het in de rechtspraak te stellen vertrouwen van groot belang is dat vertrouwd kan worden op de eerlijkheid en openheid van de personen die de rechtspraak uitoefenen.19.
7.13.
Hoewel de hiervoor geciteerde passages uit de rechtspraak en uit gedragscodes primair lijken te zien op situaties waarin een rechter publiekelijk uitingen doet en als zodanig kenbaar naar buiten treedt, is daarbij in wezen de vraag aan de orde welke grenzen de rechter in acht moet nemen ten aanzien van ‘hoe en waar’ een rechter zich in een debat kan mengen.20. Zo bezien, komt bijvoorbeeld ook voor de voorliggende zaak betekenis toe aan de hiervoor geciteerde passage uit de Bangalore Principles of Judicial Conduct, voor zover inhoudende dat ‘a judge shall always conduct himself or herself in such a manner as to preserve the dignity of the judicial office and the impartiality and independence of the judiciary’. Daarbij sluit aan dat in artikel 3.2 van The Bangalore Principles of Judicial Conduct onder de aanhef ‘Integrity’ wordt bepaald dat ‘The behaviour and conduct of a judge must reaffirm the people's faith in the integrity of the judiciary’. In dit verband valt ook te wijzen op artikel 2.4 van de Bangalore Principles of judicial conduct, dat luidt:
‘2.4
A judge shall not knowingly, while a proceeding is before, or could come before, the judge, make any comments that might reasonably be expected to affect the outcome of such proceedings or impair the manifest fairness of the process. Nor shall the judge make any comment in public or otherwise that might affect the fair trial of any person or issue’.
7.14.
Door te pogen invloed uit te oefenen op de samenstelling van het onderzoeksteam van het Openbaar Ministerie én op de beantwoording van inhoudelijke vragen waarover de rechtbank moest oordelen, heeft de betrokkene de uit het voorgaande volgende gedragsnormen niet in acht genomen en heeft zij ernstig nadeel toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak en het in haar te stellen vertrouwen. Zij heeft het belang dat vertrouwd kan worden op de eerlijkheid en openheid van de personen die de rechtspraak uitoefenen geweld aangedaan.
7.15.
In dit verband wijs ik ook op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, dat grenzen stelt aan de ruimte die de rechter heeft om zich persoonlijk te uiten. De onafhankelijke en onpartijdige oordeelsvorming zijn wezenlijke onderdelen van het recht op een eerlijk proces. De rechter baseert zijn oordeel op de door hem vastgestelde feiten en uitleg van het recht, zonder ongepaste beïnvloeding van buitenaf. Van een rechter mag worden verwacht dat hij niet alleen zijn eigen onafhankelijke oordeelsvorming bewaakt maar ook dat hij zich onthoudt van pogingen de oordeelsvorming van andere rechters in concrete zaken te beïnvloeden.21.
7.16.
De omstandigheid dat de betrokkene niet in haar poging tot beïnvloeding is geslaagd, doet er niet aan af dat zij de goede gang van zaken bij de rechtspraak en het in haar te stellen vertrouwen heeft geschaad. Daarbij merk ik nog op dat de interventie een zaak betrof met een hoge mate van maatschappelijke gevoeligheid, die alleen al blijkt uit het feit dat ongeveer honderd nabestaanden van de 298 slachtoffers van de vliegramp van hun spreekrecht gebruik hebben gemaakt. De door haar ingenomen stellingen zijn verstrekkend en stellen de integriteit van de rechterlijke macht, waaronder het Openbaar Ministerie is begrepen, ter discussie. Zo schrijft de betrokkene dat het Openbaar Ministerie al sinds 2014 bekend was dat ‘de oorzaak van de crash een heel andere was’ dan het ‘Buk scenario’ dat in de tenlastelegging was opgenomen en dat het OVV-rapport ‘een — opzettelijke en doorzichtige — cover up is’.
7.17.
De betrokkene heeft aangevoerd dat zij zelf nooit in de MH17-zittingscombinatie van het hof zou komen omdat zij geen deel uitmaakt van het MEGA-team waarbinnen de MH17-zaak behandeld zou worden. Artikel 46c, aanhef en onder c Wrra heeft echter betrekking op de rechtspraak in het algemeen. Daarbij roep ik bovendien in herinnering dat ten tijde van het gedrag van de betrokkene rekening werd gehouden met een behandeling in hoger beroep door het gerechtshof Den Haag, waarin de betrokkene werkzaam is. Het gerechtshof is eveneens bevoegd een eventueel klaagschrift op de voet van artikel 12 Wetboek van Strafvordering te behandelen.
7.18.
De betrokkene heeft verder aangevoerd dat de nabestaanden, het publiek en de opsporingsdiensten niet op de hoogte zijn van haar bijdrage aan wat zij zag (en ziet) als de waarheidsvinding en dat zij geen media-aandacht zal zoeken. Daarover merk ik in de eerste plaats op dat de betrokkene ook wordt verweten de goede gang van zaken bij de rechtspraak ernstig nadeel te hebben toegebracht. Dat verwijt staat of valt niet bij de mate waarin anderen dan degenen aan wie de betrokkene documenten heeft toegestuurd met haar handelwijze bekend zijn.
7.19.
Daarbij komt dat binnen het Openbaar Ministerie niet alleen bekendheid bestaat met het handelen van de betrokkene, maar ook dat dit handelen daar tot onvrede en onbegrip heeft geleid. De betrokkene heeft verder tekort gedaan aan het vertrouwen in het gezag en de onpartijdigheid van de rechtspraak door het strafproces in de MH17-zaak in een gesprek met de advocaat-generaal ‘een groot showproces’ te noemen. Ten slotte merk ik op dat openheid over wat fout is gegaan onder omstandigheden juist kan bijdragen aan het niet verder schaden van het vertrouwen in de rechtspraak.
7.20.
Ik kom tot de conclusie dat de betrokkene door haar handelen de goede gang van zaken bij de rechtspraak en het vertrouwen in de rechtspraak ernstig nadeel heeft toegebracht, op grond waarvan de oplegging van een disciplinaire maatregel geboden is. Mocht de Hoge Raad daarover anders oordelen, dan meen ik dat het in deze vordering centraal gestelde gedrag van de betrokkene een disciplinaire maatregel rechtvaardigt omdat zij daarmee haar ambtsplichten als bedoeld in artikel 46c, eerste lid, aanhef en onder a, Wrra heeft verwaarloosd.22. Die ambtsplichten volgen uit het kader dat hiervoor is geschetst.
7.21.
In het licht van de omstandigheden van het geval acht ik de oplegging van een schriftelijke berisping als bedoeld in artikel 46ca, eerste lid, aanhef en onder a, Wrra passend en geboden. Bij de keuze van de te vorderen maatregel neem ik in overweging dat (i) de president haar verzoek tot het vorderen van ontslag niet langer heeft gehandhaafd, (ii) de betrokkene verklaart spijt te hebben van haar handelen, het ongeoorloofde van haar handelwijze inziet, tot uitdrukking brengt dat dit handelen in de toekomst niet meer zal voorkomen en erkent dat een disciplinaire maatregel op zijn plaats is, (iii) zich akkoord heeft verklaard met plaatsing in een ander team dan het team strafrecht en deze plaatsing daadwerkelijk is gerealiseerd, waardoor zij op afstand is komen te staan van strafzaken en van het Openbaar Ministerie en (iv) ten laste van de betrokkene niet eerder een disciplinaire maatregel is opgelegd.
7.22.
Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad mr. [betrokkene] de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping als bedoeld in artikel 46ca, eerste lid, aanhef en onder a, Wrra zal opleggen.
De stukken van deze zaak leg ik over overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst.
Den Haag, 25 april 2023
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑04‑2023
Zie o.m. rb. Den Haag 17 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12218.
Volgens de bij het verzoek van de president gevoegde verklaring van de advocaat-generaal staat op de envelop — waarin het boek en de begeleidende brief waren verpakt — een poststempel waaruit blijkt dat de post op 11 november 2021 is ontvangen door de postkamer van het Paleis van Justitie Den Haag.
Kamerstukken II 2013/14, 33 861, nr. 3, p. 10–11.
Zie hierover nader S. Dijkstra, De rechter als evenwichtskunstenaar (diss. OU), Den Haag: Boom juridisch 2016, o.a. p. 62–63.
I.w.tr. op 1 januari 2019. Zie Stb. 2018, 298.
Kamerstukken II 2013/14, 33 861, nr. 3, p. 12 en nr. 6, p. 9.
HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN5907, r.o. 3.7.1.
HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:166.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:510, r.o. 6.2. Zie verder bijvoorbeeld EHRM 23 juni 2016, nr. 20261/12 (Baka t. Hongarije), par. 162–167.
Zie bijvoorbeeld EHRM 28 oktober 1999, nr. 28396/95 (Wille t. Liechtenstein), par. 64 en EHRM 23 juni 2016, nr. 20261/12 (Baka t. Hongarije), par. 164.
EHRM 29 augustus 1997, nr. 83/1996/702/894 (Worm t. Oostenrijk), par. 40.
ECRM 7 mei 1984, nr. 10279 (E. t. Zwitserland).
Aangenomen door een conferentie van de voorzitters van de hoogste nationale gerechten die in 2002 bijeenkwamen in het Vredespaleis in Den Haag. Zij zijn bedoeld als ethische gedragscode voor rechters. De preambule vermeldt: ‘The following principles are intended to establish standards for ethical conduct of judges. (…) These principles presuppose that judges are accountable for their conduct to appropriate institutions established to maintain judicial standards, which are themselves independent and impartial, and are intended to supplement and not to derogate from existing rules of law and conduct which bind the judge.’ Zie ook: Van Emmerik, Loof, & Schuurmans, (2014), nr. 2.2.5.4.
Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak, 2014, p. 11.
HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN5907, r.o. 3.7.1.
Zie hierover nader S. Dijkstra (2016), o.a. p. 26.
Zie over de rechterlijke onafhankelijkheid en het onthouden van druk van onder meer collega's op de rechterlijke oordeelsvorming Dijkstra (2016), p. 99–100.
Zie in dit verband P. Bovend'Eert, ‘Het vertrouwen van de rechter in de rechtspraak’, NJB 2012/244.