Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.1
1.1 Aanleiding tot het onderzoek
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kinderrechtencomité 2009(a), par. 77.
Van der Laan 2006, p. 164; Boone & Moerings 2007, p. 9-30; Van der Laan & Weijers 2008, p. 344.
RSJ 2011(a), p. 45; Kinderombudsman 2012, p. 59; DCI & Unicef 2012, p. 18.
Aanhangsel Handelingen II 2014-2015, 2626.
Kinderrechtencomité 2015, par. 58.
Dit percentage wordt jaarlijks door DCI en Unicef opgevraagd bij Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en gepubliceerd in het Jaarbericht Kinderrechten. Vanaf 2010 tot en met 2016 lag dit percentage elk jaar op peildatum 1 januari tussen de 70% en 80%. Hierbij kan wel de kanttekening worden geplaatst dat het aandeel voorlopig gehechten lager ligt (rond de 40%) als ook de meerderjarige populatie van de justitiële jeugdinrichtingen wordt meegerekend. Veel jeugdigen die bij veroordeling een langdurige vrijheidsbenemende straf of maatregel opgelegd hebben gekregen, zijn of worden tijdens de tenuitvoerlegging van die straf of maatregel meerderjarig.
DCI & Unicef 2015, p. 27.
Ibid. Vgl. daarentegen Berghuis, Linckens & Aanstoot (2016), die stellen dat de hoge percentages voorlopig gehechten in Nederland vooral worden verklaard door de relatief lage (vrijheids)straffen die worden opgelegd.
Aanhangsel Handelingen II 2014-2015, 2626, p. 2-4.
Ibid., p. 3.
“The Committee is concerned about: (…) high numbers of children in pre-trial detention in judicial youth centers for lengthy periods of time.”
– VN Kinderrechtencomité, Concluding Observations on the Netherlands, 8 juni 2015, par. 58.
In 2009 heeft het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties (VN) voor het eerst uitdrukkelijk zijn bezorgdheid uitgesproken over de toepassing van voorlopige hechtenis ten aanzien van minderjarige verdachten in Nederland.1 Eerder hadden diverse wetenschappers gesignaleerd dat voorlopige hechtenis – in vergelijking tot andere landen – ruim werd toegepast in het Nederlandse jeugdstrafrecht.2 In de jaren die volgden hebben onder meer de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), de Kinderombudsman en Defence for Children (DCI) en Unicef hun zorgen geuit over de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen.3 In 2015 is dit thema opnieuw nadrukkelijk in de schijnwerpers komen te staan, nadat – mede naar aanleiding van een kritisch item over de toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen in het televisieprogramma Eén Vandaag – Kamervragen zijn gesteld.4 In datzelfde jaar herhaalde het Kinderrechtencomité zijn zorgen over de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen in Nederland.5 Een rode draad in de geuite kritiek is dat de voorlopige hechtenis van minderjarigen niet terughoudend genoeg zou worden toegepast, zoals dit wel wordt voorgeschreven in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en andere internationale en Europese kinder- en mensenrechtenstandaarden.
De geuite zorgen lijken primair te worden gebaseerd op het grote aandeel voorlopig gehechten binnen de totale minderjarige populatie in justitiële jeugdinrichtingen. Dit percentage schommelt al jaren tussen de 70% en 80%.6 Zo noemen DCI en Unicef het in hun Jaarbericht Kinderrechten 2015 “verbijsterend […] dat in Nederland 79% van het totaal aantal kinderen dat in een justitiële jeugdinrichting verblijft niet veroordeeld is maar in voorlopige hechtenis zit en wacht op een uitspraak van de rechter”.7 Dit zou knellen met de onschuldpresumptie en het uitgangspunt dat vrijheidsbeneming van minderjarigen een uiterste maatregel moet zijn, zoals volgt uit het IVRK.8 In een reactie op deze kritiek, stelde de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie onder meer dat het absolute aantal minderjarigen in voorlopige hechtenis al jaren daalt, dat minderjarigen doorgaans slechts kort (gemiddeld 37 dagen) in voorlopige hechtenis verblijven en dat 75% van de minderjarigen in voorlopige hechtenis nog voorafgaand aan de zitting door middel van een schorsing onder voorwaarden in vrijheid wordt gesteld.9 Volgens de staatssecretaris is het uitgangspunt dat vrijheidsbeneming alleen wordt gebruikt als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur dan ook afdoende gewaarborgd in de huidige wettelijke regeling en toepassingspraktijk van voorlopige hechtenis van minderjarigen in Nederland.10
Deze conflicterende standpunten laten zien dat het welhaast onmogelijk is om op basis van enkel algemene cijfers te beoordelen of de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen in Nederland al dan niet in lijn is met kinder- en mensenrechtelijke uitgangspunten. Om hiervan een scherper beeld te krijgen, is onderzoek nodig waarin de wet en toepassingspraktijk van de voorlopige hechtenis van minderjarigen inzichtelijk worden gemaakt en grondig worden geanalyseerd in het licht van de relevante kinder- en mensenrechtenstandaarden. De bovengenoemde kritieken vormen dan ook de aanleiding, doch niet het uitgangspunt van het onderhavige onderzoek naar de voorlopige hechtenis van minderjarigen in Nederland.