Einde inhoudsopgave
Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking)
Artikel 108 Invordering van boeten, andere dwangsommen of sancties opgelegd door instellingen van de Unie
Geldend
Geldend vanaf 29-09-2024
- Bronpublicatie:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Inwerkingtreding
29-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
EU-recht / Financiering
1.
Wanneer bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep is ingesteld tegen een besluit van een instelling van de Unie waarbij krachtens het VWEU of het Euratom-Verdrag een boete, andere dwangsom of sanctie is opgelegd, stort de debiteur, zolang niet alle rechtsmiddelen zijn uitgeput, de betrokken bedragen provisoir op de door de rekenplichtige van de Commissie aangewezen bankrekening of stelt hij een financiële garantie die voor de rekenplichtige van de Commissie aanvaardbaar is. De garantie staat los van de verplichting tot betaling van een boete, andere dwangsom of sanctie en is op verzoek opeisbaar. Zij dekt de vordering voor de hoofdsom en de rente die de debiteur in het in lid 3, punt b), bedoelde geval moet betalen tegen de door de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie, die geldt op de eerste kalenderdag van de maand waarin het besluit tot oplegging van een boete, andere dwangsom of sanctie is vastgesteld, vermeerderd met anderhalf procentpunt, bij het verstrijken van de termijn die is vastgesteld in het besluit van de instelling van de Unie waarbij een boete, andere dwangsom of sanctie wordt opgelegd.
2.
De Commissie kan de voorlopig geïnde bedragen beleggen in financiële activa, waarbij prioriteit wordt gegeven aan het doel van zekerheid en liquiditeit van de gelden overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer.
3.
Nadat alle rechtsmiddelen zijn uitgeput en de boete, andere dwangsom of sanctie is bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, of wanneer tegen het besluit waarbij een dergelijke boete, andere dwangsom of sanctie is opgelegd, niet langer beroep kan worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, wordt één van de volgende maatregelen genomen:
- a)
de voorlopig geïnde bedragen en het rendement daarvan overeenkomstig artikel 107, lid 2, worden in de begroting opgenomen;
- b)
indien een financiële garantie is gesteld, wordt deze aangesproken en worden de overeenkomstige bedragen in de begroting opgenomen.
Wanneer het bedrag van de boete, andere dwangsom of sanctie door het Hof van Justitie van de Europese Unie is verhoogd, zijn de eerste alinea, punten a) en b),van dit lid van toepassing tot de bedragen in het oorspronkelijke besluit van de instelling van de Unie of, in voorkomend geval, tot het in een eerder arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in dezelfde zaak vastgesteld bedrag. De rekenplichtige van de Commissie int het bedrag van de verhoging en de in artikel 99, lid 4, bedoelde verschuldigde rente, die in de begroting worden opgenomen.
4.
Indien de boete, andere dwangsom of sanctie nietig is verklaard of het bedrag ervan is verlaagd, wordt één van de volgende maatregelen genomen:
- a)
de voorlopig geïnde bedragen, of in geval van een verlaging, het desbetreffende deel daarvan, worden terugbetaald aan de betrokken derde;
- b)
een eventuele financiële garantie wordt naar evenredigheid vrijgegeven.
Het in de eerste alinea, punt a), bedoelde bedrag of deel daarvan wordt verhoogd met de rente tegen de rentevoet die door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties wordt toegepast, zoals bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie, die geldt op de eerste kalenderdag van de maand waarin het besluit tot oplegging van een boete, andere dwangsom of sanctie is vastgesteld, vermeerderd met anderhalf procentpunt.
De in de eerste alinea, punt a), van dit lid bedoelde terugbetalingen worden verricht binnen 60 dagen na de nietigverklaring of verlaging van de boete, andere dwangsom of sanctie, tenzij de nodige bewijsstukken om de betrokken derde of zijn bankrekening te identificeren, niet tijdig zijn overgelegd. Bij het verstrijken van die termijn heeft de schuldeiser recht op rente onder de in artikel 116, lid 5, gestelde voorwaarden.