Einde inhoudsopgave
Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking)
Artikel 272 Specifieke bepalingen voor onroerendgoedprojecten
Geldend
Geldend vanaf 29-09-2024
- Bronpublicatie:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Inwerkingtreding
29-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
EU-recht / Financiering
1.
Elke instelling van de Unie verstrekt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 1 juni van elk jaar een werkdocument over haar onroerendgoedbeleid, dat de volgende informatie bevat:
- a)
voor elk gebouw, de uitgaven en oppervlakte die gedekt zijn door de kredieten van de overeenkomstige begrotingsonderdelen. De uitgaven omvatten de kosten van de inrichting en uitrusting van gebouwen maar geen andere lasten;
- b)
de verwachte evolutie van de globale programmering van oppervlakte, rekening houdend met trends op het gebied van telewerken, en locaties voor de komende jaren, met een beschrijving van de onroerendgoedprojecten in de planningfase die reeds geïdentificeerd zijn en een beoordeling van de evolutie van de vastgoedmarkt in de buurt van de locatie van het project die tot extra kosten leidt;
- c)
de definitieve voorwaarden en kosten evenals relevante informatie betreffende de uitvoering van nieuwe onroerendgoedprojecten die reeds overeenkomstig de in de leden 2 en 3 vastgestelde procedure aan het Europees Parlement en de Raad zijn voorgelegd en niet in werkdocumenten van de voorgaande jaren zijn opgenomen.
De Commissie verstrekt deze informatie als onderdeel van de overeenkomstig artikel 41, lid 3, bij de ontwerpbegroting gevoegde werkdocumenten.
2.
In het geval van onroerendgoedprojecten die wellicht aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor de begroting stelt de betrokken instelling van de Unie het Europees Parlement en de Raad zo vroeg mogelijk en in elk geval vóór het verkennen van de lokale markt in het geval van onroerendgoedovereenkomsten, of vóór het publiceren van de uitnodigingen tot inschrijving in het geval van bouwwerkzaamheden, in kennis van de vereiste bouwoppervlakte, en de redenen waarom die vereist is, en de voorlopige planning.
3.
In het geval van onroerendgoedprojecten die wellicht aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor de begroting presenteert de betrokken instelling van de Unie het onroerendgoedproject, met name de gedetailleerde kostenraming, waarin met name de kosten worden gespecificeerd die verband houden met eventuele noodzakelijke werkzaamheden om de energie-efficiëntie te verbeteren, en de financiering ervan, met inbegrip van het mogelijke gebruik van de in artikel 21, lid 3, punt e), bedoelde interne bestemmingsontvangsten, alsmede een lijst van de geplande ontwerpovereenkomsten, aan het Europees Parlement en de Raad en verzoekt zij hun om toestemming alvorens de overeenkomsten worden gesloten. Op verzoek van de betrokken instelling van de Unie worden documenten die met betrekking tot het onroerendgoedproject worden ingediend, vertrouwelijk behandeld.
Behoudens in geval van overmacht zoals bedoeld in lid 4 wordt het voorstel betreffende het onroerendgoedproject door het Europees Parlement en de Raad besproken binnen vier weken nadat beide instellingen het voorstel hebben ontvangen.
Na het verstrijken van de periode van vier weken wordt het voorstel betreffende het onroerendgoedproject geacht te zijn goedgekeurd, tenzij het Europees Parlement of de Raad binnen deze termijn een besluit heeft genomen dat ingaat tegen het voorstel.
Indien het Europees Parlement en/of de Raad binnen deze periode van vier weken redenen aanvoert/aanvoeren, wordt de termijn eenmaal met twee weken verlengd.
Indien het Europees Parlement of de Raad een besluit heeft genomen dat ingaat tegen het onroerendgoedproject, trekt de betrokken instelling van de Unie haar voorstel in en kan zij een nieuw voorstel indienen.
4.
In geval van naar behoren gemotiveerde overmacht kan de in lid 2 bepaalde informatie tezamen met het onroerendgoedproject worden ingediend. Het voorstel betreffende het onroerendgoedproject wordt door het Europees Parlement en de Raad besproken binnen twee weken nadat beide instellingen het voorstel hebben ontvangen. Na het verstrijken van de periode van twee weken wordt het voorstel betreffende het onroerendgoedproject geacht te zijn goedgekeurd, tenzij het Europees Parlement en/of de Raad binnen deze termijn een besluit hebben/heeft genomen dat ingaat tegen het voorstel.
5.
De volgende projecten worden beschouwd als onroerendgoedprojecten die aanzienlijke financiële gevolgen voor de begroting kunnen hebben:
- a)
de verwerving van grond;
- b)
de verwerving, verkoop, structurele renovatie of bouw van onroerend goed of projecten die deze elementen combineren en binnen eenzelfde termijn worden uitgevoerd, voor een bedrag van meer dan 3 000 000 EUR;
- c)
de verwerving, structurele renovatie of bouw van onroerend goed of projecten die deze elementen combineren en binnen eenzelfde termijn worden uitgevoerd, voor een bedrag van meer dan 2 000 000 EUR indien de prijs meer dan 110 % bedraagt van de lokale prijs van vergelijkbare onroerende goederen zoals geraamd door een onafhankelijke deskundige;
- d)
de verkoop van grond of onroerend goed indien de prijs minder dan 90 % bedraagt van de lokale prijs van vergelijkbare onroerende goederen zoals geraamd door een onafhankelijke deskundige;
- e)
nieuwe onroerendgoedovereenkomsten, met inbegrip van vruchtgebruik, erfpacht en een hernieuwde sluiting van bestaande onroerendgoedovereenkomsten tegen minder gunstige voorwaarden, die niet onder punt b) vallen, voor een jaarlijks bedrag van ten minste 750 000 EUR;
- f)
de verlenging of hernieuwde sluiting van bestaande onroerendgoedovereenkomsten, met inbegrip van vruchtgebruik en erfpacht, tegen dezelfde of gunstigere voorwaarden, voor een jaarlijks bedrag van ten minste 3 000 000 EUR.
Dit lid is tevens van toepassing op onroerendgoedprojecten van interinstitutionele aard, alsmede op delegaties van de Unie.
De in de eerste alinea, punten b) tot en met f), bedoelde drempelwaarden omvatten de kosten voor het inrichten en uitrusten van gebouwen. In het geval van huur- en vruchtgebruikovereenkomsten omvatten die drempelwaarden de kosten voor het inrichten en uitrusten van gebouwen, maar niet de andere gebruikslasten.
6.
Onverminderd artikel 17, en in naar behoren gemotiveerde gevallen, kan een project tot verwerving van onroerend goed of voor structurele renovatie worden gefinancierd via een lening, mits het Europees Parlement en de Raad hiervoor toestemming hebben gegeven.
Leningen worden opgenomen en terugbetaald overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en met behoorlijke inachtneming van de financiële belangen van de Unie.
Indien de instelling van de Unie voorstelt de verwerving of de structurele renovatie te financieren met behulp van een lening, worden in het financieringsplan, dat tezamen met het verzoek om voorafgaande toestemming door de desbetreffende instelling van de Unie moet worden ingediend, met name het maximale financieringspeil, de financieringstermijn, het soort financiering, de financieringsvoorwaarden en de besparingen ten opzichte van andere soorten contractuele regelingen vermeld. De ingediende documenten met betrekking tot structurele renovatieprojecten bevatten elementen waaruit geraamde besparingen in verband met energieverbruik, operationele kosten of verbeterde milieuprestaties blijken.
Het verzoek om voorafgaande toestemming wordt door het Europees Parlement en de Raad besproken binnen vier weken nadat beide instellingen het voorstel hebben ontvangen, met een mogelijke eenmalige verlenging met twee weken. De verwerving of structurele renovatie van onroerend goed gefinancierd via een lening wordt geacht te zijn afgewezen indien het Europees Parlement en de Raad binnen deze termijn het verzoek niet uitdrukkelijk hebben ingewilligd.