Einde inhoudsopgave
Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking)
Artikel 216 Effectief voorzieningspercentage
Geldend
Geldend vanaf 29-09-2024
- Bronpublicatie:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Inwerkingtreding
29-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
EU-recht / Financiering
1.
De voorziening van begrotingsgaranties en financiële bijstand aan derde landen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds is gebaseerd op een effectief voorzieningspercentage. Dat percentage biedt een beschermingsniveau tegen de financiële verplichtingen van de Unie dat gelijkwaardig is aan het niveau dat door de respectieve voorzieningspercentages zou worden geboden indien de middelen afzonderlijk werden aangehouden en beheerd.
2.
Het toepasselijke effectieve voorzieningspercentage is een percentage van elk oorspronkelijk voorzieningspercentage als bepaald overeenkomstig artikel 214, lid 2, tweede alinea. Het wordt uitsluitend toegepast op het bedrag van de middelen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds dat is bedoeld voor betalingen ter dekking van beroepen op de garantie in een periode van één jaar. Het betreft een verhouding — in de vorm van een percentage — tussen het bedrag aan geldmiddelen en kasequivalenten in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds dat nodig is om beroepen op de garantie te honoreren, enerzijds, en het totaalbedrag aan geldmiddelen en kasequivalenten dat per garantiefonds nodig zou zijn om beroepen op de garantie te honoreren indien de middelen afzonderlijk zouden worden aangehouden en beheerd, anderzijds, waarbij beide bedragen een gelijkwaardig liquiditeitsrisico vertegenwoordigen. Die verhouding mag niet lager zijn dan 95 %. Bij de berekening van het effectieve voorzieningspercentage wordt rekening gehouden met:
- a)
de raming van in- en uitstromen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds, rekening houdend met de initiële fase van opbouw van de totale voorziening overeenkomstig artikel 214, lid 2, tweede alinea;
- b)
de risicocorrelatie tussen de begrotingsgaranties en de financiële bijstand aan derde landen;
- c)
de marktomstandigheden.
De Commissie stelt uiterlijk op 1 juli 2020 overeenkomstig artikel 275 gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze verordening met nadere voorwaarden voor de berekening van het effectieve voorzieningspercentage, met inbegrip van een methode voor die berekening.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 275 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde minimale verhouding, in het licht van de opgedane ervaring met de werking van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds, waarbij een voorzichtige aanpak wordt aangehouden die strookt met het beginsel van goed financieel beheer. De minimale verhouding wordt niet onder 85 % vastgesteld.
3.
Het effectieve voorzieningspercentage wordt jaarlijks berekend door de financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds, en het is de referentie voor de berekening door de Commissie van de bijdragen uit de begroting overeenkomstig artikel 214, lid 4, punt a), en vervolgens lid 4, punt b), van dit artikel.
4.
Na de berekening van het jaarlijkse effectieve voorzieningspercentage overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel, worden de volgende verrichtingen in het kader van de begrotingsprocedure gedaan en gepresenteerd in het in artikel 41, lid 5, punt h), bedoelde werkdocument:
- a)
alle overschotten van voorzieningen voor een begrotingsgarantie of een financiële bijstand aan een derde land worden teruggestort in de begroting;
- b)
alle aanvullingen van het fonds vinden plaats in jaarlijkse tranches tijdens een maximumperiode van drie jaar, onverminderd artikel 214, lid 6.
5.
Na raadpleging van de rekenplichtige stelt de Commissie de richtsnoeren vast voor het beheer van de middelen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds overeenkomstig passende prudentiële regels, waarbij derivatenverrichtingen voor speculatieve doeleinden worden uitgesloten. Deze richtsnoeren worden gehecht aan de overeenkomst met de financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds.
Om de drie jaar wordt een onafhankelijke evaluatie van de toereikendheid van de richtsnoeren verricht en toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.