Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.5:1.5 Centrale vraagstelling en doel van het onderzoek
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.5
1.5 Centrale vraagstelling en doel van het onderzoek
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het gebrek aan kennis over de wijze waarop in Nederland wordt omgegaan met de voorlopige hechtenis van minderjarige verdachten maakt dat het niet goed mogelijk is om de – in paragraaf 1.1. aangehaalde – kritiek dat deze toepassingspraktijk mogelijk niet in lijn zou zijn internationale en Europese kinder- en mensenrechten op waarde te schatten. Voor een kinder- en mensenrechtenconforme toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen geldt als kernbeginsel dat het verbod op onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming, zoals wordt voorgeschreven in artikel 37(b) IVRK, artikel 9, eerste lid IVBPR en artikel 5, eerste lid EVRM, wordt geëerbiedigd (zie par. 1.6.1.2). Het is echter onduidelijk in hoeverre de Nederlandse wettelijke regeling van voorlopige hechtenis van minderjarigen, en de toepassing daarvan in de praktijk, garandeert dat minderjarige verdachten zijn beschermd tegen onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming. Het onderhavige onderzoek beoogt dit inzichtelijk te maken en, indien nodig, bij te dragen aan het versterken van het waarborgen van een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen. De centrale vraagstelling in dit onderzoek is dan ook:
‘In hoeverre is de Nederlandse wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis van minderjarigen, en de toepassing daarvan in de praktijk, in overeenstemming met het kinder- en mensenrechtelijke beginsel dat minderjarigen moeten worden beschermd tegen onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming, is aanpassing van de wet en/of de praktijk noodzakelijk, en zo ja, op welke wijze?’
De centrale onderzoeksvraag zal worden beantwoord aan de hand van de volgende vijf deelvragen:
Wat zijn de implicaties van het kinder- en mensenrechtelijke beginsel dat minderjarigen moeten worden beschermd tegen onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming voor de wettelijke regeling en toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarige verdachten?
Hoe is de voorlopige hechtenis van minderjarige verdachten ingebed in de Nederlandse strafwetgeving?
Hoe wordt de voorlopige hechtenis van minderjarige verdachten toegepast in de Nederlandse jeugdstrafrechtspraktijk?
In hoeverre is de Nederlandse wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis van minderjarigen, en de toepassing daarvan in de praktijk, in overeenstemming met het kinder- en mensenrechtelijke beginsel dat minderjarigen moeten worden beschermd tegen onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming?
Mocht uit de analyse in het kader van de bovenstaande deelvragen blijken dat de Nederlandse wetgeving en praktijk van de voorlopige hechtenis van minderjarigen niet volledig in overeenstemming kan worden geacht met het genoemde kinder- en mensenrechtelijke beginsel, dan wordt de volgende deelvraag aan de orde gesteld:
Hoe kan de Nederlandse wetgeving en praktijk van de voorlopige hechtenis van minderjarigen (meer) in overeenstemming worden gebracht met het beginsel dat minderjarigen moeten worden beschermd tegen onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming?
Het doel van het onderhavige onderzoek is het inzichtelijk maken van de wettelijke regeling en toepassingspraktijk – in het bijzonder de rechterlijke besluitvorming – van voorlopige hechtenis van minderjarigen in Nederland en het toetsen van deze wet en praktijk aan de eisen die voortvloeien uit het kinder- en mensenrechtelijke verbod op onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming van minderjarigen. Uiteindelijk beoogt het onderzoek de wetgever, beleidsmakers, de rechterlijke macht en andere professionele actoren uit de praktijk te voorzien van handvatten die kunnen bijdragen aan het waarborgen van een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen in Nederland, die in lijn is met de uitgangspunten van het IVRK, IVBPR en EVRM, zonder daarbij de uiteenlopende belangen die bij voorlopige hechtenis van minderjarigen een rol kunnen spelen te veronachtzamen.